← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050307.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050307.5 Rolnummer: 2003/AR/1309 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 05:30 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeer - Internationaal recht - Verdrag Genève 8 november 1968 - Wegverkeer Vrije woorden: C.M.R Verdrag - aansprakelijkheid contractuele vervoerder en feitelijke vervoerder - regresrechten van contractuele vervoerder - eigen recht van contractuele vervoerder voor terugbetaling van een gedeelte van de vrachtgelden - art 23.4 C.M.R Verdrag - verhaal van de goederenbelanghebbende op de verzekeraar van de gefaillieerde vervoerder - art. 20.9 van de Hypotheekwet. Tekst van de beslissing in de zaak van :

  1. LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA¿, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te Ljubljana/Leskovac- Yogoslavia, woonstkiezende ten kantore van haar raadsman mr. Frans Ponet, hierna vernoemd,
  2. N.V. CROP'S, voorheen N.V. FROSTIMPEX, ingeschreven in het handelseregister te Kortrijk onder nr. 113.089 en met maatschappelijke zetel te 8781 Ooigem, Oostrozebeeksestraat 160,
  3. N.V. VANDEN AVENNE, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 112.126 en met maatschappelijke zetel te 8781 Ooigem, Oostrozebeeksestraat 160, appellanten, hebbende als raadsman mr. Frans Ponet, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen (eerste district), Van Putlei 9, tegen
  4. Mr. Robert VANOSSELAER, advocaat met kantoor te 2800 Mechelen, Fr. de Merodestraat 49, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van M.S, wonende te X, voorheen handel drijvende onder de naam TRANSPORT M.S, eerste geïntimeerde q.q., hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Sint-Andries, Diksmuidse Heerweg 126,
  5. N.V. SAELENS INTERTRANSPORT, (afgekort SITRA), met maatschappelijke zetel te 8900 Ieper, Pilkemseweg 113, ingeschreven in het handelsregister te Ieper onder nr. 21.383 en met ondernemingsnummer 0 405 490 781, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Luc Deceuninck, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Rooigemlaan 422,
  6. N.V. EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGE-VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, ingeschreven in het handels-register te Brussel onder nr. 3.545 en met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Tweekerkenstraat 14, derde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Sint-Andries, Diksmuidse Heerweg 126, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.
  7. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  8. Appellanten stelden op 28 mei 2003 hoger beroep in tegen het vonnis van 27 januari 2003 van de rechtbank van koophandel te Ieper. De curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV stelden in besluiten neergelegd op 7 mei 2004 incidenteel hoger beroep in. SITRA NV stelde in besluiten neergelegd op 10 juni 2004 eveneens incidenteel hoger beroep in. 1.
  9. De blijvende betwistingen volgen: - op de aanspraak van appellanten op betaling van een schade-vergoeding van 6.668,34 EUR (269.000 BEF), vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 28 november 1990 en de gerechtelijke intresten, voor de schade die een partij diepgevroren kersen opliep gedurende het CMR-vervoer vanuit Leskovac (Joegoslavië) naar Buggenhout (België) met ¿EMONA¿-LJUBLJANA als afzender en VANDEN AVENNE NV als bestemmeling en waarbij SITRA NV als hoofdvervoerder de opdracht doorgaf aan M. S, die verzekerd is bij EUROPESE NV. - op de aanspraak van SITRA NV op betaling van de vrachtprijs van 1.983,15 EUR (80.000 BEF), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 26 december
  10. Er resten 6 betwistingen: 1.2.
  11. Geïntimeerden stellen dat de eis van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' niet-ontvankelijk is, aangezien zij haar rechtsvorm en evenmin haar maatschappelijke benaming en maatschappelijke zetel meedeelt. SITRA NV zou de vervoeropdracht ontvangen hebben van FORSTIMPEX NV (nu gekend als CROP'S NV) en niet van een onbekend LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA'. De vermelding LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' op de CMR-vrachtbrief zou alleen het laadadres betreffen. 1.2.
  12. Appellanten houden M. S en SITRA NV aansprakelijk voor het schadegeval; geïntimeerden betwisten hun aansprakelijkheid voor het schadegeval. - De curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV wijten de schade

(1)aan de staat van de diepgevroren kersen bij aanvang van het transport en
(2)aan onvolledige instructies van SITRA NV. De kersen die op de CMR-vrachtbrief niet als een diepgevroren lading werden omschreven, zouden bij aanvang van het transport evenmin diepgevroren zijn aan een temperatuur van min 20° Celsius. De afzender zou de in dozen verpakte kersen - zowel bij de belading als bij de stuwing - niet als een diepgevroren lading behandeld hebben. Aangezien de uitwendige staat van de kersen beantwoordde aan de omschrijving van de lading op de CMR-vrachtbrief, zou de chauffeur geen voorbehoud op de CMR-vrachtbrief hebben moeten maken voor de uitwendige staat van de verpakte goederen. Hem zou alleen gevraagd zijn, om de temperatuur van de koelwagen in te stellen op min 20° Celsius. De curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV beroepen zich dan ook op de ontheffingsgrond van artikel 17, lid 2 (de afwezigheid van passende instructies vanwege de rechthebbende) en van artikel 17, lid 4 - b, c en d van het CMR-verdrag (gebrekkige verpakking, de stuwing voldeed niet aan de vereisten voor een diepvriesvervoer en de goederen waren te warm voor het transport). - Ook SITRA NV beroept zich op de ontheffingsgronden van artikel 17, lid 4 - b, c en d van het CMR-verdrag. 1.2.3. Appellanten begroten hun schade op 6.668,34 EUR (269.000 BEF) en vorderen
(1)tegenover SITRA NV de betaling hiervan, vermeerderd met de intresten vanaf 28 november 1990 en de gedingkosten, met dien verstande dat de betaling aan één van hen bevrijdend is ten aanzien van de anderen en
(2)tegenover de curator van het faillissement M. S de opname hiervan in het passief, vermeerderd met de intresten vanaf 28 november
  1. Geïntimeerden betwisten de omvang van de gevorderde schade. Zij stellen dat uit de overgelegde expertiseverslagen volgt, dat geen schade aan de kersen zelf werd vastgesteld en de schade beperkt bleef tot ¿enige esthetische schade aan een 50 kartons'. Deze schade werd tegensprekelijk begroot op 1.301,44 EUR (52.500 BEF) voor het invriezen, 123,95 EUR (5.000 BEF) voor admini-stratiekosten en 37,18 EUR (1.500 BEF) voor de herverpakking. De aanspraak van appellanten op een minderwaarde van de kersen na herinvriezen - gelijk aan 5.205,76 EUR (210.000 BEF) - zou ongegrond zijn, evenals de aanspraak op betaling van de administratiekosten, die bij toepassing van artikel 23, lid 4 van het CMR-verdrag uit de vergoeding zouden moeten geweerd worden. Alleen 1.338,63 EUR (54.000 BEF) zou verschuldigd kunnen zijn. 1.2.
  2. SITRA NV vordert tegenover CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV de betaling van de vrachtgelden eigen aan het vervoer van de kersen, zij 80.000 BEF, vermeerderd met een forfaitaire schadevergoeding van 15% en de gerechtelijke intresten vanaf 20 december
  3. Appellanten stellen dat SITRA NV alleen gerechtigd is op de vrachtgelden in verhouding tot de restwaarde van de vervoerde kersen, zij (80.000 BEF x 542.950 BEF/811.950 =) 61.520 BEF of 1.525,04 EUR en de eis voor het overige ongegrond is. 1.2.
  4. SITRA NV vordert verder
(1)haar vrijwaring door M. S in de mate dat haar aansprakelijkheid voor het schadegeval tegenover appellanten zou weerhouden worden en
(2)de vaststelling dat zij - bij een eventuele aansprakelijkheid van M. S voor het schadegeval - gerechtigd is op de terugbetaling van een gedeelte van de vrachtgelden die zij voor het betwiste vervoer aan M. S heeft vereffend. Zij vordert dan ook de erkenning van haar recht om voor deze vorderingen de opname in het passief van het faillissement van M. S te eisen voor de rechtbank van koophandel te Mechelen, die het faillissement uitsprak. De curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV stellen dat deze eis - die SITRA NV als hoofdvervoerder bij conclusie van 20 december 1991 tegenover de ondervervoerder voor het vervoer van 26 november 1990 instelde - bij toepassing van artikel 32, lid 1 - a en 32, lid 3 van het CMR-verdrag verjaard is. SITRA NV betwist deze verjaring en beroept zich op haar brieven van 30 november 1990, 11 maart 1991 en 5 juli 1991, die als schriftelijke vorderingen in de zin van artikel 32, lid 2 van het CMR-verdrag de verjaringstermijn zouden geschorst hebben. In ondergeschikte orde betwisten de curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV de gegrondheid van de eis in vrijwaring. Zij stellen dat SITRA NV de instructies voor het transport die zij van appellanten ontving, onvolledig aan M. S doorgaf, zodat M. S niet tot de vrijwaring van SITRA NV kan gehouden zijn. 1.2.6. Appellanten en SITRA NV stellen ook een vordering tegenover EUROPESE NV, om als verzekeraar van M. S binnen de grenzen van artikel 20, 9° van de hypotheekwet de sommen te betalen, waartoe M. S als ondervervoerder aansprakelijk is. EUROPESE NV stelt dat de rechtstreekse vordering die appellanten bij besluiten van 19 juli 2000 en die SITRA NV bij besluiten van 23 februari 1995 tegenover haar hebben ingesteld voor het schadegeval van 26 november 1990 bij toepassing van artikel 32 van de verzekeringswet verjaard is. 1.3. De eerste rechter kwam tot volgende beslissingen: 1.3.1. In de dagvaarding wordt LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' aangeduid als ¿vennootschap naar vreemd recht LESKOV AC KOELHUIS EMONA¿. Niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk gesommeerd werd door [de curator van het faillissement M. S, SITRA NV en EUROPESE NV], heeft zij nagelaten de identiteit mede te delen van de natuurlijke personen, die haar organen zijn (art. 703, 3de alinea, Ger. W.). Hic et nunc is het echter nog niet uitgemaakt dat de vordering, uitgaande van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA', onontvankelijk zou dienen verklaard te worden, om reden dat zij een niet-bestaande rechtspersoon zou zijn. Het komt in die omstandigheden passend voor om het vonnis betreffende de vordering van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' uit te stellen tot zij gevolg zal gegeven hebben aan de vordering tot mededeling van de identiteit van de natuurlijke personen die haar organen zijn (toepassing art. 703, 4de alinea, Ger. W.). 1.3.2. M. S en SITRA NV zijn wel degelijk aansprakelijk voor transportschade. - De opdracht d.d. 23 november 1990 van CROP'S NV aan SITRA NV voorzag uitdrukkelijk, dat de goederen op een temperatuur van minus 18° moesten vervoerd worden, dat de temperatuur van de goederen bij het laden met een thermometer moest gecontroleerd worden en dat de lading moest geweigerd worden indien de temperatuur boven -18° lag (bundel [appellanten], stuk nr. 1). Tevens moest de chauffeur bij het laden de nodige instructies geven opdat een goede luchtcirculatie zou verzekerd zijn. Uit de voorgelegde verslagen van de door partijen aangestelde deskundigen, blijkt dat de kersen niet op -18° werden vervoerd. Het blijkt uit dezelfde verslagen - met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - dat de kersen bij lading onvoldoende gekoeld werden aangeleverd. Tegenover CROP'S NV is SITRA NV de formele instructies niet nagekomen; de lading had moeten geweigerd worden en CROP'S NV had hiervan moeten verwittigd worden. - Ook de ondervervoerder, M.S, is tekort gekomen aan zijn verplichtingen. Hoewel niet blijkt dat de specifieke instructies, die SITRA NV had ontvangen van CROP'S NV, ook aan S werden doorgegeven, toch kan men er niet omheen dat hij wist dat het om een lading diepgevroren goederen ging. Op de vrachtbrief was de uitdrukkelijke instructie aangebracht dat het transport op een temperatuur van -20° diende te gebeuren. Vermits een koelgroep niet dienstig is om goederen op een dergelijke temperatuur in te vriezen, doch enkel om goederen die reeds een dergelijke temperatuur hebben ook aan die temperatuur te bewaren tijdens het vervoer, wat een professioneel vervoerder, die actief is in de branche van koel- en diepvriestransport behoort te weten, had S moeten weten dat de opdracht betrekking had op diepgevroren kersen. Waar zijn chauffeur heeft verklaard dat de kersen bij de lading nog "zacht" aanvoelden, had hij de temperatuur dienen te controleren, wat hij niet gedaan heeft. Ook de lading blijkt niet naar behoren te zijn gebeurd, althans niet voor diepgevroren goederen (cf. infra, 2.3). - In beide gevallen zijn de ingeroepen ontheffingsgronden niet aan de orde. M. S en SITRA NV kunnen zich niet beroepen op art. 17.4 (
  1. d)CMR gezien zij de bijzondere instructies niet hebben nageleefd (cf. art. 18.4 CMR). SITRA NV heeft onbetwistbaar de klare en duidelijke instructies genegeerd (cf. supra), terwijl S de bijzondere instructie van de vrachtbrief om de goederen op een temperatuur van -20° te vervoeren, miskend heeft (de goederen hadden bij aankomst een temperatuur die zich volgens meting van de experten situeerde tussen -11,9 ° en -3,8°). In die omstandigheden is er uiteraard geen "fout van de rechthebbende" (waarvan sprake in art. 17.2 CMR). SITRA NV kan zich niet beroepen op de ontheffingsgrond van art. 17.4 (
  2. c)CMR gezien de vervoersopdracht van CROP'S NV zeer duidelijk inhield en stipuleerde, dat de chauffeur bij het laden de nodige instructies moest geven aan de verladers om een goede luchtcirculatie mogelijk te maken (noodzakelijk voor een diepvriestransport). Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, t.a.v. S, wiens chauffeur - vertrouwd met koel- en diepvries-transport - diende te weten dat het om een diepvriestransport ging (cf. supra) en dat voor een dergelijke lading de nodige ruimte moet gelaten worden om een goede luchtcirculatie mogelijk te maken. De chauffeur had daarop moeten toezien en desnoods instructies geven, wat niet gebeurd is. Uit het verslag van expert Vercauteren (ITS) blijkt dat de oplegger volgeladen was, dat er op de grond zelfs geen paletten werden gebruikt en dat er evenmin ventilatieruimte tussen de vervoerde goederen was opengelaten ( cf. bundel [appellanten], stuk nr. 2, blz. 4, litt. 3). 1.3.3. De schade dient beperkt te worden tot de kosten voor het herinvriezen van de kersen bij aankomst - welke beslissing op dat ogenblik verantwoord was om meerdere schade te voorkomen - en de kosten voor het vervangen van een 50-tal kartons, hetzij 1.301,44 + 37,18 = 1.338,62 EUR. Administratiekosten zijn uitgesloten ingevolge art. 23.4 CMR, terwijl anderzijds de lading kersen zelf niet aangetast was. [Appellanten] leveren niet het bewijs dat zij op enige wijze een minwaarde van 10 BEF per kg hebben moeten ondergaan. 1.3.4. T.a.v. de curator van het faillissement M. S dient het bestaan vastgesteld van een schuldvordering t.b.v. 1.338,62 EUR, meer de rente a rato van 5% per jaar conform art. 27.1 CMR. In de neergelegde bundels treft de rechtbank geen spoor aan van een schriftelijke vordering die door één der eisende partijen bij één der oorspronkelijke verweerders werd ingediend. Bijgevolg loopt de rente eerst vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 30 augustus 1991 t.a.v. eerste verweerder q.q. SITRA NV wordt veroordeeld in betaling van 1.338,62 EUR; tegenover SITRA NV loopt de rente vanaf 28 augustus 1991. 1.3.5. SITRA NV heeft een schuldvordering wegens teveel betaalde vrachtprijs op het faillissement van M S ten bedrage van 3.990 BEF of 98,91 EUR (met de gerechtelijke rente vanaf de neerlegging der conclusie, hetzij 26/12/1991), berekend als volgt: 60.000 BEF x 54.000/811.950 = 3.990 BEF of 98,91 EUR. 1.3.6. In de onderlinge verhouding tussen SITRA NV en M S dient - om de redenen zoals aangehaald hierboven - de aansprakelijkheid bij helften verdeeld te worden, zodat SITRA NV ook een schuldvordering tot vrijwaring heeft op het faillissement van M S ten belope van de helft van de bedragen waartoe SITRA NV jegens CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV wordt veroordeeld in hoofdsom, interesten en kosten. 1.3.7. De tegeneis van SITRA NV in betaling van de vrachtprijs is gegrond in volgende mate: 80.000 BEF x 757.950/811.950 = 74.679 BEF of l.851,24 EUR. Hierop kan gerechtelijke rente, berekend tegen de wettelijke rentevoet, worden toegekend vanaf 26/12/1991 (neerlegging conclusie). (¿). 1.3.8. De overige vorderingen t.a.v. EUROPESE NV zijn verjaard. De schorsing van de verjaringstermijn, voorzien bij art. 32.2 CMR, geldt overigens niet voor de door de vervoerder ingestelde vorderingen (Cass., 7 januari 2000, R. W., 2002-2003, 214) en een verjaarde vordering kan ook niet meer in de vorm van een vordering in reconventie worden geldend gemaakt (art. 32.4 CMR). 2. Beoordeling 2.1. De eis die appellanten in hoofde van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' stellen is niet ontvankelijk. Het Hof stelt vast dat de rechtspersoonlijkheid van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' tot op heden onbewezen bleef. Appellanten lieten in hun dagvaarding na, om het rechtskarakter van de rechts-persoonlijkheid van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' en de maatschap-pelijke zetel nader te preciseren (artikel 702, 1° van het gerechtelijk wetboek). Zij hebben alleen vermeld dat het om een vennootschap naar vreemd recht zou gaan, die in Ljubljana/Leskovac-Yugoslavia zou gevestigd zijn. Appellanten hebben evenmin gevolg gegeven aan de eis die geïntimeerden bij toepassing van artikel 703 van het gerechtelijk wetboek stelden, om de identiteit van de natuurlijke personen mee te delen die de organen zouden zijn van deze vennootschap. Hun verzuim schaadt de belangen van geïntimeerden, die de exceptie opwerpen. 2.2. Op juiste gronden weerhield de eerste rechter de aansprakelijkheid van SITRA NV en M. S voor het schadegeval. - Bij toepassing van artikel 17, 1 zijn de vervoerders tegenover de opdrachtgever van het vervoer (CROP'S NV) en tegenover de goederenbelanghebbende (VANDEN AVENNE NV) tot een resultaats-verbintenis gehouden, die inhoudt dat zij de goederen moeten afleveren in de staat waarin die bij LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' werden in ontvangst genomen. Geïntimeerden bewijzen niet, dat de schade die bij aflevering op 29 november 1990 in Buggenhout werd vastgesteld, al bestond vóór de ontvangst van de goederen op 26 november 1990 te Leskovac. - Het beroep op de ontheffingsgronden van artikel 17, 2 en artikel 17, 4 - c en d van het CMR-verdrag werd op de overwegingen hier-boven onder punt 1.3.2 terecht afgewezen. De vervoerders moesten het vervoer van de kersen verzekeren aan min 18°/min 20° Celsius. Zij moesten weten, dat het vervoer niet aan de gestelde voorwaarden kon uitgevoerd worden, zo de temperatuur van de ingeladen kersen beduidend boven de min 18° Celsius lag. Daarenboven hebben zij de instructies van CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV ¿om altijd de temperatuur bij het laden te controleren en het laden te weigeren indien de temperatuur boven minus 18 ° Celsius was en in dergelijke gevallen FORSTIMPEX NV verplicht te contacteren; (¿) en om tijdens het laden de nodige instructies te geven aan de verladers, zodat een goede luchtcirculatie mogelijk is' niet correct opgevolgd. Zo lieten zij na, om bij het laden de temperatuur te controleren en de inlading te weigeren indien de temperatuur boven de min 18° was. CROP'S NV en evenmin VANDEN AVENNE NV dragen enige verantwoordelijkheid voor de stuwing van de lading. Hierop kon alleen de vervoerder op het ogenblik van de inlading toezien. De vervoerders kwamen dan ook duidelijk tekort aan hun verplichtingen en hadden de schade aan de kersen kunnen voorkomen, zo zij de instructies van FORSTIMPEX NV (CROP'S NV) hadden opgevolgd of hadden gehandeld, zoals het toekwam aan ¿een zorgzaam professionele vervoerder belast met een koeltransport'. - In besluiten roepen appellanten voor het Hof ook de ontheffing van hun aansprakelijkheid bij toepassing van artikel 17, lid 4 - b van het CMR-verdrag in. Zij preciseren evenwel niet nader het gebrek aan verpakking, dat verantwoordelijk zou zijn voor de schade. Ook deze ontheffingsgrond is niet aan de orde. 2.3. De eerste rechter begrootte de schade, waarvan CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV de terugbetaling kunnen vorderen, terecht op 1.238,62 EUR. Het Hof verwijst partijen naar de overwegingen onder punt 1.3.3 hierboven. Uit de overgelegde expertiseverslagen volgt dat ITS, die als expert voor CROP'S NV (FORSTIMPEX NV) optrad, met A.M.A.C.S., die als expert voor M. S en SITRA NV optrad, alleen over deze schade een overeenstemming bereikte en niet over de voorgehouden, maar niet bewezen waardevermindering van de kersen [zie de beschrijving van de schade (extend of damage) op pg. 3 van het verslag met de referte 90427/KV, dat op 19 februari 1991 als eindverslag door ITS aan FORSTIMPEX NV werd gestuurd en het expertiseverslag van 25 februari 1991 dat A.M.A.C.S. op 25 februari 1991 opstelde met het besluit dat alle experten het eens waren, dat geen minderwaarde of verlies voor de kersen kon toegestaan worden; de stukken B/3/e in de bundel van SITRA NV en 2, pg 13 in de bundel van appellanten]. De staat van de goederen werd door de geadresseerde ten overstaan van de vervoerder vastgesteld: ¿de kersen waren bacteriologische niet aangetast, zodat er geen schade aan de goederen werd vastgesteld tenzij ¿enige esthetische schade betreffende een 50-tal kartonnen', waarop de deskundigen tegensprekelijk de totale schade op 59.000 BEF hebben begroot. Artikel 30, 2 van het CMR-verdrag had alleen nog het tegenbewijs tegen het resultaat van deze vaststelling toegestaan voor onzichtbare verliezen en beschadigingen, zo de geadresseerde binnen de zeven dagen na deze vaststelling, schriftelijk voorbehoud zou gemaakt hebben, wat VANDEN AVENNE NV niet deed. 2.4. CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV kunnen hun eis tegenover M. S en SITRA NV instellen, die hoofdelijk tot hun schadeloosstelling gehouden zijn, aangezien beide vervoerders samen de goede uitvoering moesten verzekeren van dezelfde vervoer-opdracht. Voor zover SITRA NV evenwel een fout in hoofde van M. S bewijst die bijdroeg tot de schade, beschikt zij over een regresrecht tegenover M. S voor de schade, waartoe zij tegenover CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV werd veroordeeld (zie verder punt 2.6). Los van dit regresrecht beschikt SITRA NV over een zelfstandige eis
(1)in betaling van de vervoerkosten tegenover CROP'S NV (FORSTIMPEX NV) als opdrachtgever van het vervoer en
(2)in terugbetaling van een gedeelte van de vervoerkosten, die zij haar ondervervoerder M. S vereffende. 2.4.
  1. De eerste rechter herleidde terecht de vervoerkosten waarop SITRA NV tegenover CROP'S NV gerechtigd bleef, tot 1.851,24 EUR in verhouding tot de restwaarde vóór herconditionering van de kersen (zie punt 1.3.7 hierboven en artikel 23, 4 van het CMR-verdrag). 2.4.
  2. Ook de eis in terugbetaling van een gedeelte van de vervoerkosten die SITRA NV tegenover M. S stelt, maakt een zelfstandige vordering uit, die los staat van de eis die CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV tegenover de vervoerders stellen in betaling van een schadevergoeding. SITRA NV kan deze eis tegenover M. S gronden op artikel 23, 4 van het CMR-verdrag, dat in de terugbetaling van de vrachtprijs voorziet naar verhouding van het verlies dat de goederen leden. Artikel 32 bepaalt evenwel
(1)dat de rechtsvorderingen waartoe een aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding heeft, verjaart door verloop van een jaar en
(2)dat de verjaring loopt bij beschadiging vanaf de dag waarop de goederen werden afgeleverd. Uit de expertiseverslagen volgt dat de goederen op 30 november 1990 werden afgeleverd. SITRA NV heeft haar eis in terugbetaling van een gedeelte van de vervoerkosten eerst in conclusie van 20 december 1991 ingesteld, zodat de curator van het faillissement M. S en EUROPESE NV - die op dit punt incidenteel hoger beroep instelden - terecht de verjaring van deze eis inroepen. SITRA NV kan zich niet beroepen op de schorsing van verjaring, waarin artikel 32, 2 van het CMR-verdrag voorziet. Het Hof van Cassatie besliste - op het door de verzoeker aangevoerde middel dat uit de formulering van artikel 32.2 van het CMR-verdrag volgt dat de schorsingsgrond die de schriftelijke vordering uitmaakt alleen geldt voor de tegen de vervoerder ingestelde vorderingen - dat, die mogelijkheid van schorsing niet geldt voor de door de vervoerder ingestelde vorderingen (Cass. 07 januari 2000, Arr. Cass 2000, pg.14). Daarenboven heeft SITRA NV geen schriftelijke vordering in terugbetaling van de vervoerkosten ingesteld vóór de conclusie die zij op 20 december 1991 heeft neergelegd. 2.
  1. CROP'S NV EN VANDEN AVENNE NV kunnen bij toepassing van artikel 20, 9 van de hypotheekwet van EUROPESE NV de betaling vorderen van hun vordering op M. S en dit tot beloop van het bedrag dat EUROPESE NV aan M. S verschuldigd was en blijft: - M. S, die tegenover CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV hoofdelijk tot de betaling van de schadevergoeding van 1.238,62 EUR gehouden was, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet van 5% vanaf de dag waarop de vordering schriftelijk werd ingediend, genoot bij haar CMR-aansprakelijk-heidsverzekeraar EUROPESE NV dekking voor het schadegeval. - CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV hebben tijdig op 28 augustus 1991 hun vordering in schadeloosstelling tegenover M. S ingeleid voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk. Zijn belangen werden er behartigd door de advocaten D. De Clerck & L. Verbeke, die op 10 september 1991 hun tussenkomst hebben meegedeeld en op 10 december 1991 en op 12 mei 1993 besluiten hebben neergelegd. Hun besluiten laten er geen twijfel over bestaan, dat de verzekeraar van M. S de leiding van het geschil op zich nam en haar dekking voor het schadegeval niet betwistte. Dit verklaart zonder de minste twijfel, dat M. S of hun raadslieden zich evenmin verplicht zagen, om EUROPESE NV bij de zaak te betrekken. Zo leest het Hof in de besluiten die op naam van M. S werden opgesteld, onder meer: ¿Uit de verslagen van de twee experten, waarvan ¿ de andere (Cornet) voor konkluante optrad, blijkt dat de schade-oorzaak volledig buiten de verantwoordelijkheid van konkluante valt (pg 3, punt 3 van de besluiten)'. En uit het verslag dat Cornet opstelde volgt verder, dat hij voor de verzekeraar, EUROPESE NV, optrad (zie stuk 2 in de bundel van EUROPESE NV, o.a. pg 1 en de verslaggeving over ¿de verzekerde'). - Na het faillissement van M. S verklaarden dezelfde advocaten vrijwillig in de zaak tussen te komen en bleven zij tot op heden de samenlopende belangen van M. S en EUROPESE NV behartigen. - Dit alles houdt zonder de minste twijfel in dat EUROPESE NV tijdig bij de zaak betrokken werd, in de zaak bij wijze van naamlening is tussengekomen en - gesteld dat de verantwoordelijkheid van haar verzekerde M. S zou weerhouden worden - hem de dekking voor het betwiste schadegeval verzekerde. Op de toegezegde dekking uit hoofde van de verzekeringspolis terugkomen door zich te beroepen op de driejarige verjaring, weerhouden in artikel 32, 1° van de verzekeringswet van 11 juni 1874 en in artikel 16 van de algemene polisvoorwaarden, getuigt dan ook van een proces-rechtelijke oneerlijkheid. Dit procesrechtelijke argument kan zij alleen inroepen omdat haar verzekerde - in wiens naam zij het geding leidde - failliet werd verklaard en geen belang meer heeft bij het verder verloop van de zaak en omdat de curator van zijn faillissement zich evenmin inlaat met de zaak, waarvan de verzekeraar de leiding toch al op zich had genomen. - CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV zijn overeenkomstig artikel 20, 9° van de hypotheekwet gerechtigd de uit een ongeval ontstane schuldvorderingen bij voorrang op de andere schuldeisers te verhalen op de vergoeding, die de verzekeraar aan de gefailleerde verschuldigd was en blijft op grond van de verzekerings-overeenkomst. Dit artikel kent CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV dan ook het recht toe, om van EUROPESE NV en op het bedrag dat EUROPESE NV aan de verzekerde verschuldigd is, de betaling te vorderen van de vordering die zij op de verzekerde hebben, weliswaar binnen de perken van de door de verzekerde opgelopen aansprakelijkheid en van de voorwaarden waarin de verzekerings-overeenkomst de EUROPESE NV verplicht om de aansprakelijkheid van de verzekerde te dekken; maar deze beperkingen laten EUROPESE NV niet toe zich te onttrekken aan de dekking die zij had toegezegd aan haar verzekerde en nu excepties in te roepen, die zij zou ontlenen aan haar contractuele verhouding met haar verzekerde, maar die zij tegenover haar verzekerde en medecontractant niet eens meer kan laten gelden. 2.
  2. Wat het regresrecht van SITRA NV tegenover M. S betreft, beveelt het Hof ambtshalve de heropening van de debatten. 2.6.
  3. Het Hof van Cassatie staat voor dat de regresvordering van de contractuele vervoerder, die tegenover de goederenbelang-hebbenden het volledig vervoer op zich nam, maar de uitvoering meteen doorschoof naar de effectieve vervoerder niet beheerst wordt door artikel 39, 4 van het CMR-verdrag, dat de verjaring van de vorderingen die vervoerders onderling kunnen stellen opschort tot de dag van de rechterlijke einduitspraak tot vaststelling van de ingevolge de bepalingen van het verdrag te betalen schadever-goeding (zie Cass. 30 juni 1995, Arr. Cass. 1995, pg. 699). Artikel 39, 4 van het CMR-verdrag wordt aldus gereserveerd voor het verhaal van de elkaar effectief opvolgende vervoerders en beheerst het verhaal van de contractueel vervoerder op de effectieve vervoerder niet. De rechtsbescherming van de contractuele ver-voerder, op wie de bepalingen van het CMR-verdrag voor het overige wel van toepassing zijn en die over de mogelijkheid moet beschikken om een eis in vrijwaring te stellen tegenover de feitelijke vervoerder zo hij door de goederenbelanghebbende of opdrachtgever (mee)verantwoordelijk wordt gehouden voor de schade, wordt aldus wellicht verzekerd door artikel 32, 1 en 32, 3 van het CMR-verdrag. 2.6.
  4. Artikel 32, 3 van het CMR-verdrag bepaalt, dat de schorsing van de verjaring beheerst wordt door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. De Belgische rechter zal dan ook de artikelen 2251 en volgende van het burgerlijk wetboek op de verjaring toepassen en - zo vervaltermijnen met verjaringstermijnen kunnen gelijkgesteld worden (zie o.a. A. Van Oevelen, ¿Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch Privaatrecht', T.P.R. 1987, pg. 1755 en meer in het bijzonder nr. 65) - artikel 9 van Boek I - Titel VIIbis van het wetboek van koophandel: - Het Belgisch nationaal vervoerrecht (Boek I - Titel VIIbis van het wetboek van koophandel) voorziet niet in een regeling van de schorsing of stuiting van de verjaring; wel de artikelen 2251 en volgende van het burgerlijk wetboek. Artikel 2257, lid 3 schorst de verjaring ten aanzien van een vordering tot vrijwaring zolang de uitwinning niet heeft plaats gevonden. - Artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht voorziet in een vervaltermijn voor de regresvordering. De regresvordering vervalt wanneer de vordering niet gesteld wordt binnen de termijn van een maand vanaf de dagvaarding, die tot recht van regres aanleiding geeft. 2.6.
  5. De schorsing van verjaring houdt in dat een bepaalde tijdsduur niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de verjaringstermijn. De oorzaak van de schorsing kan al aanwezig zijn vóór de aanvang van de verjaring en belet in dat geval dat de verjaring begint te lopen. De schorsing verschilt in dit opzicht duidelijk van de vervaltermijn, die op strakke wijze de termijn vastlegt
(1)binnen de welke een partij zijn rechten moet uitvoeren en
(2)die niet vatbaar is voor verlenging door stuiting of schorsing. Artikel 32, 1 van het CMR-verdrag voorziet in een verjarings-termijn door verloop van een jaar. Verder voorziet artikel 32, 3 van het CMR-verdrag dat het verloop van deze termijn geschorst kan worden overeenkomstig de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. Uit deze bewoordingen zou kunnen afgeleid worden, dat het hier geen vervaltermijn betreft. 2.6.
  1. Bij toepassing van artikel 2257, lid 3 van het burgerlijk wetboek zou de verjaring niet lopen, zolang de uitwinning niet heeft plaats gevonden. Gesteld dat de dagvaarding van 30 augustus 1991 die appellanten uitbrachten, kan gelijkgesteld worden met de uitwinning, dan zou de verjaring door verloop van een jaar eerst verworven zijn op 30 augustus
  2. SITRA NV stelde hier in conclusie van 20 december 1991 haar regresvordering tegenover M. S, zodat de verjaring bij toepassing van artikel 2257, lid 3 van het burgerlijk wetboek niet zou verworven zijn. Bij toepassing van artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht daarentegen zou de verjaring verworven zijn op 30 november
  3. 2.6.
  4. Het Hof legt partijen - die op dit punt niet nader hebben besloten - dan ook de vraag voor, of hier toepassing moet gemaakt worden van artikel 2257, lid 3 van het burgerlijk wetboek dat de verjaring van 1 jaar waarin het CMR-verdrag voorziet opschorst zolang de uitwinning niet heeft plaats gevonden, of van de vervaltermijn voorzien in artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht. Artikel 9 van het Belgisch nationaal vervoerrecht gunt de internationale contractuele vervoerder (die in beginsel onderworpen is aan het CMR-verdrag en tegenover wie alle bepalingen van het CMR-verdrag kunnen ingeroepen worden, nu voor de toepassing van het CMR-verdrag niet vereist dat de persoon die zich engageert om de goederen te vervoeren, ook effectief het vervoer uitvoert; zie o.a. High Court of Justice, 8 mei 1975, Eur. Vervoerr. 1976, 246) dan wel maar een zeer korte periode, om zijn rechten tegenover de andere vervoerders te vrijwaren en dit in tegenstelling tot de effectieve vervoerders, die bij toepassing van artikel 39, 4 van het CMR-verdrag de regresvordering nog kunnen instellen tot één jaar na de dag van de rechterlijke einduitspraak tot vaststelling van de ingevolge de bepalingen van het verdrag te betalen schadevergoeding. 2.
  5. Het Hof houdt ook de beslissing over de gegrondheid van het regresrecht van SITRA NV tegenover M. S en over de verjaring van de rechtstreekse vordering die SITRA NV tegenover EUROPESE NV stelt, aan. Waar de schade mee veroorzaakt werd door de nalatigheid van SITRA NV verdeelde de eerste rechter terecht de aansprakelijkheid bij helften in de onderlinge verhouding tussen M. S en SITRA NV. Het nauwgezet doorgeven van de precieze instructies die SITRA NV van FORSTIMPEX NV (CROP'S NV) had ontvangen ¿om altijd de temperatuur bij het laden te controleren en het laden te weigeren indien de temperatuur boven minus 18 ° Celsius was en in dergelijke gevallen FORSTIMPEX NV verplicht te contacteren; (¿) om tijdens het laden de nodige instructies te geven aan de verladers, zodat een goede luchtcirculatie mogelijk is', tevens aan M. S, hadden mee de schade kunnen voorkomen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk. Verklaart de eis die appellanten in naam van LESKOVAC KOELHUIS ¿EMONA' instelden niet ontvankelijk. Bevestigt het vonnis, waar het M. S en SITRA NV aansprakelijk stelde voor het schadegeval en de schade van CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV begrootte op 1.338,62 EUR, waarna het vaststelde dat CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV tegenover de curator van het faillissement M. S een schuldvordering kunnen laten gelden van 1.338,62 EUR, vermeerderd met de wettelijke intresten aan 5% vanaf 30 augustus 1991 en waarna het SITRA NV veroordeelde tot de betaling aan CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV van de som van 1.338,62 EUR, vermeerderd met de wettelijke rente van 5% vanaf 28 augustus 1991 tot aan de betaling en waarbij de betaling of uitkering van een dividend aan één van hen bevrijdend zal zijn ten aanzien van de andere. Bevestigt het vonnis eveneens, waar het de tegeneis van SITRA NV op CROP'S NV gegrond verklaarde voor de vrachtprijs van 1.851,24 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 26 december 1991 en CROP'S NV veroordeelde tot de betaling hiervan. Vernietigt het vonnis voor het overige. - Verklaart de eis van SITRA NV die strekt tot de terugbetaling van teveel betaalde vrachtprijs en tot de vaststelling van deze schuldvordering op het faillissement van M. S verjaard. - Verklaart de aanspraak van CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV op betaling door EUROPESE NV van de vergoeding die zij aan haar verzekerde M. S verschuldigd was, bij toepassing van artikel 20, 9° van de hypotheekwet gegrond tot beloop van 1.338,62 EUR, vermeerderd met de wettelijke intresten aan 5% vanaf 30 augustus
  6. - Legt aan partijen de vraag over naar de verjaring van het regresrecht, dat SITRA NV tegenover M. S (meer in het bijzonder de curator van het faillissement M. S en de verzekeraar van M. S) laat gelden voor haar veroordeling tegenover CROP'S NV en VANDEN AVENNE NV zoals zij onder punt 2.6 hierboven werd geformuleerd, vooraleer zich hierover uit te spreken; beveelt op dit punt de heropening van de debatten op de terechtzitting van 26.09.2005 om 10.50 uur. - Houdt ook de beslissing over de mogelijke gegrondheid van het regresrecht van SITRA NV tegenover M. S, over de verjaring van de rechtstreekse vordering die SITRA NV tegenover EUROPESE NV stelt en over de gedingkosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zeven maart tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Repertorium nr. 2005/ A. Ferdinande G. Vanderstichele F. Deschoolmeester H. Debucquoy Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.