id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050310.9 Rolnummer: 2001/AR/2164 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 05:31 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling Vrije woorden: Heling - terruggave meer de intresten. De eerste rechter was het eens met boedelnotarissen dat niet alleen de verduisterde goederen moeten teruggegeven worden maar ook de vruchten en intresten die ze hebben voorgebracht. Appelant is daarmee niet akkord en stelt dat er geen wettelijke basis is aangeduid om hem ook te verplichten tot betaling van intresten. Appelant draagt de gevolgen van het burgelijk delict. Door niet datgene te doen wat hij moest doen is hij in gebreke en moet hij intresten betalen zolang hij in gebreke is. Tekst van de beslissing in de zaak met het rolnr. 2001/AR/2164 van: D.G, wonende te X, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 18-1-2001, oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. VANDENBULCKE Dominiek, advocaat te 3090 Overijse, Brusselsesteenweg 506 ; tegen:
- D.P, wonende te Y, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman meester Hans Van Dooren, advocaat te 9220 Hamme, Stationsstraat nr. 50;
- D.S (in de besluiten van deze partij: D.S), ¿, wonende te Y, tweede geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. VERMASSEN Jef, advocaat te 9340 Lede, Kasteeldreef 48;
- D.F, (in het bestreden vonnis en in de besluiten van deze partij: D.F) ¿, geboren te ¿ op ¿, en wonende te Z, derde geïntimeerde, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. DE RIDDER Eugeen, advocaat te 9200 Dendermonde, Hekkenhoek 5 velt het Hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 oktober 2001, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis d.d. 18 januari 2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden op de staat van vereffening opgemaakt op 7 oktober 1992 door notarissen Michel Thuysbaert en Luc Eeman. Deze laatsten waren bij vonnis van 8 maart 1979 als boedelnotaris aangesteld voor de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap die bestaan heeft tussen wijlen de heer Pe.D (overleden op ¿) en wijlen zijn echtgenote R.M (overleden op ¿) en voor de vereffening en verdeling van de nalatenschap van voornoemden. 1.
- Appellant vraagt het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw wijzende ; - te zeggen voor recht dat het debet op de rekening van appellant (nr 227 p 34) dient verminderd te worden met het bedrag van 366.000 oude BEF ( 2.193 aandelen Desatex); - wat de toepassing van artikel 792 B.W. betreft in hoofdorde te zeggen voor recht dat er geen aanleiding is om toepassing te maken van het artikel 792 B.W. en dienvolgens te bevelen dat het debet van appellant dient te worden verminderd met 368.933 oude BEF in hoofdsom en 498.716 oude BEF + 83.716 oude BEF voor intresten; - wat de toepassing van artikel 792 B.W. betreft in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat appellant hoogstens kan gehouden zijn tot betaling van 1/3de van het spaartegoed zijnde 122.978 oude BEF waarbij de intresten op grond van het artikel 2277 3° B.W. dienen te worden beperkt tot 5 jaar voorafgaandelijk aan de datum van het tussen te komen arrest; Tenslotte vraagt hij de zaak te verzenden naar de eerste rechter overeenkomstig het artikel 1068 par. 2 Ger.W. Ter zitting bevestigde de raadsman van appellant dat het ter zake gaat om een beperkt hoger beroep. 1.
- Eerste geïntimeerde nam geen conclusies en gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. Tweede geïntimeerde vraagt het vonnis te bevestigen en de zaak terug te zenden naar de eerste rechter. Derde geïntimeerde vraagt akte te verlenen van haar incidenteel hoger beroep voor de zwarigheden die zij formuleerde en die niet door de eerste rechter werden weerhouden. Verder luidt de vraag: ¿De vereffening en verdeling enkel te homologeren mits de voormelde wijzigingen en derhalve te zeggen voor recht dat aan concluante per saldo een bedrag toekomt groot euro 47.928,06 met ondertussen verworven rente.¿
- DE AANDELEN DESATEX G.D stelt dat de notarissen zich hebben vergist door de 2.193 aandelen Desatex ten bedrage van 2.193.000 oude BEF voor de helft toe te rekenen op het debet van appellant terwijl de 2.193 aandelen Desatex werden toebedeeld niet alleen aan appellant en aan P.D doch ook aan mevrouw F.D. Tot de nalatenschap van R.M werden 2.193 aandelen Desatex gerekend: zie p. 44 nr 97 van de staat van vereffening en verdeling van 7 oktober
- De post ¿aandelen Desatex' komt vervolgens weer ter sprake op pagina 50 nr 104 onder afdeling elf: ¿INDIVIDUELE AANDELEN¿. Uit de verdere uiteenzetting op pagina 50 en 51 blijkt dat ervan werd uitgegaan dat er door G, F en P in gelijke mate een overname gebeurde van de aandelen. Het is op basis van de gegevens van de staat van vereffening en verdeling van 7 oktober 1992 dat in het advies op pagina 31 onder ¿AFDELING TWEE EN VEERTIG: NALATENSCHAP VAN MEVROUW R.M, Baten punt 6¿ gewag wordt gemaakt van een aanbedeling van de 2193 aandelen Desatex aan G, F en P.D. Het is niet gebleken dat deze aanbedeling het voorwerp is geweest van een zwarigheid. Waar de notarissen in hun advies op pagina 34, 36 en 37 rekening houden met een overname van de 2193 aandelen Desatex voor de ene helft door G en voor de andere helft door P ontbreekt elke verklaring waarom ze afwijken van de staat en dit zonder dat er enige zwarigheid werd gemaakt op dat punt. Het beroep van G.D wordt gegrond verklaard zodat gezegd wordt voor recht dat bij de individuele rekening moet rekening gehouden worden met een toebedeling in gelijke mate van de aandelen Desatex aan G, F en P.D.
- HELING 3.
- De betwisting over de heling houdt verband met hetgeen aan het licht kwam door een strafonderzoek op klacht van S.D, die door eigen opzoekingen te weten was gekomen dat G.D twee dagen voor het overlijden van zijn moeder door middel van loketcheques de gelden op haar rekening bij de BBL had afgehaald. Door het strafonderzoek werd bevestigd dat er voor 360.658 oude BEF werd afgehaald door G.D handelend als lasthebber van zijn moeder. Laatstgenoemde verklaarde dat hij de gelden op zijn persoonlijke rekening heeft gestort om het kort nadien terug te nemen en te verdelen onder hemzelf, P en F. Hij gaf toe dat dit niet werd gemeld bij de inventaris van 3 januari 1978 en legde uit dat dit niet werd gemeld omdat zijn moeder uitdrukkelijk had gezegd dat dit geld voor deze drie kinderen bestemd was. 3.
- Er is geen proces-verbaal van opening van werkzaamheden voorgelegd alhoewel gewag werd gemaakt van een uitnodiging tot de opening van werkzaamheden op 8 juni
- Alle raadslieden waren blijkbaar aanwezig alsook S.D. De andere partijen waren afwezig. Op p.13 van de staat zegde notaris Michel Thuysbaert nog dat getracht werd de inlichtingen te verzamelen om de inhoud te kennen van de boedel zowel langs actieve als langs passieve zijde. Er kan bij de opening van werkzaamheden zeker geen gewag zijn gemaakt van deze verberging van activa van de nalatenschap van moeder. De klacht van S.D dateert van nadien, namelijk 25 juni
- Zonder dat gewag wordt gemaakt van enige vordering gaf notaris Thuysbaert in zijn staat van vereffening en verdeling als persoonlijk advies dat de sanctie van de heling zou toegepast worden op G, F en P.D. In een eigen nota stelde notaris Eeman het volgende: ¿Hier kan enkel vastgesteld worden dat er geen vonnis in kracht van gewijsde, dat besluit tot enige heling, bestaat. ¿. Uit de elementen vervat in de staat van zeven oktober 1992 kunnen geen elementen geput worden om tot enige heling van een bepaald goed ten overstaan van een bepaald persoon te besluiten¿¿ 3.
- De vraag is of er zwarigheden werden geopperd door de personen op wie de sanctie werd toegepast in de staat van vereffening en verdeling. G.D liet zijn zwarigheden geworden bij schrijven van Mter Verwilghen d.d. 26 november 1992 Wat betreft de heling zegde hij het volgende: ¿Volledig voorbehoud dient te worden gemaakt hieromtrent, niet enkel over de kwalificatie - schenking of heling - maar evenzeer omtrent het principe van intrest en de intrestberekening zelf (foutieve berekeningen en/of data).¿ F.D betwistte dat zij iets van de gelden heeft ontvangen. Zij aanvaardde dus niet dat zij wegens heling zou gesanctioneerd worden. P.D ontkende elke betrokkenheid terzake zodat noch hoofdsom noch intresten op negatieve wijze op zijn aandeel kunnen toegerekend worden. Hij vorderde dat de sanctie ook in zijn voordeel zou opgelegd worden. De boedelnotarissen adviseerden dat G.D alleen zou gesanctioneerd worden. Ze stelden dat G.D met betrekking tot de heling geen enkel juridisch argument gaf om de stelling in de staat van vereffening en verdeling te ontzenuwen. Dit alles gebeurde in de aangepaste staat van vereffening en verdeling d.d. 10 december 1993, waarop partijen opnieuw werden uitgenodigd om hun beweringen en zwarigheden te maken. 3.
- In het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 28 januari 1994 werden de beweringen en zwarigheden voor G.D, vertegenwoordigd door zijn huidige raadsman, vermeld en aldus blijkt dat er over de heling niets meer werd gezegd. 3.
- Er zijn in het proces-verbaal aanwijzingen te vinden (zie Proces-verbaal van 10 december 1993 op p. 6-7 en p. 26) dat notaris Thuysbaert uit eigen beweging - dus zonder dat daartoe een vordering was gesteld - in zijn staat rekening heeft gehouden met een heling en aldus de sanctie toepaste op G, F en P. G.D heeft bij zijn zwarigheden op geen enkel ogenblik gezegd dat notaris Thuysbaert buiten zijn opdracht was gegaan. Thans nadat de grenzen van de betwisting werden vastgelegd door de beweringen en zwarigheden betwist G.D dat notaris Thuysbaert gehandeld heeft binnen zijn opdracht. Deze betwisting is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. Er moet bovendien aan toegevoegd worden dat nog vóór de neerlegging door de boedelnotarissen van de in artikel 1219 §2 Ger.W. bedoelde stukken door P.D uitdrukkelijk werd gevraagd dat heling zou weerhouden worden en dat de sanctie zou toegepast worden. De sanctie komt ten goede aan alle andere erfgenamen zelfs aan hen die wegens stilzitten de veroordeling niet gevraagd hebben (vgl.: VERSTRAETE J. ¿Art. 792' In Commentaar Erfenissen, Schenkingen en Testamenten - Kluwer p 26 nr 57). Deze vordering was niet verjaard toen er gewag van gemaakt werd in het proces-verbaal van 7 december
- De op dat ogenblik toepasselijke verjaringstermijn voor deze vordering uit hoofde van een burgerlijk misdrijf was 30 jaar en niet vijf jaar zoals appellant stelt (vgl.: CASS. 24 februari 1966, Pas. 1968, I, 138; noot H.S. bij Rb BRUSSEL 10 maart 1926, B.J. 1926, 600 en DILLEMANS R., PUELINCKX-COENE M., VERSTRAETE J. ¿Overzicht van rechtspraak (1968-1977), Erfenissen ¿ T.P.R. 1978 nr 24 p 104.) Die vordering van P.D is tijdig ingesteld geworden. 3.
- Appellant stelt dat er geen sprake kan zijn van heling omdat de volmacht, gegeven door zijn moeder, moet bewijzen dat zij hem een handgift heeft willen doen met vrijstelling van inbreng. Schenkingen, gedaan vooruit en buiten deel, zijn volgens de heersende rechtspraak ¿goederen van de nalatenschap' en moeten derhalve in hun geheel aangegeven worden. De vraag is niet of er al dan niet een schenking werd gedaan maar wel of appellant de op 23 december 1977 afgehaalde gelden verborgen heeft gehouden of niet. Het blijkt dat appellant bij de inventaris op 3 januari 1978 de eed aflegde dat hij niets verduisterde terwijl hij nochtans niets zegde over deze gelden. De eerste rechter heeft terecht beslist dat appellant zich schuldig maakte aan heling. 3.
- De eerste rechter was het eens met de boedelnotarissen dat niet alleen de verduisterde goederen moeten teruggegeven worden maar ook de vruchten en intresten die ze hebben voorgebracht. Appellant is daarmee niet akkoord en stelt dat er geen wettelijke basis is aangeduid om hem ook te verplichten tot betaling van intresten. Appellant draagt de gevolgen van het burgerlijk delict. Door niet datgene te doen wat hij moest doen is hij in gebreke en moet hij intresten betalen zolang hij in gebreke is (vgl.: DE PAGE H. Traité IX nr 662 p. 481 en III p 99 nr 75, 2°) Ten onrechte oordeelt appellant dat hij artikel 2277, derde lid 3° B.W. kan inroepen om de intresten te beperken tot 5 jaar voorafgaandelijk aan de vordering. Zoals de eerste rechter zegde, is dat artikel niet toepasselijk. Artikel 2277, derde lid B.W. is zeer duidelijk waar het uitdrukkelijk vermeldt dat de huren van huizen verjaren door verloop van vijf jaren. Het slot van het artikel 2277 bepaalt dat die verjaring toepasselijk is in het algemeen voor al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen. Dit slot vormt nog steeds het basiscriterium voor de afbakening van het toepassingsgebied van dit artikel, namelijk dat het moet gaan om periodiek weerkerende schulden die het karakter hebben van een inkomen, voor zover deze betalingen bij het jaar of op kortere tijdstippen moeten plaatshebben. In casu zijn de intresten verschuldigd bij wijze van schadevergoeding en daarop is dat artikel zeker niet toepasselijk. 3.
- In de hypothese dat zou geoordeeld worden dat de voornoemde gelden verborgen zijn gehouden voor S.D en dat de geheelde gelden moeten teruggegeven worden zonder dat de heler nog kan delen in dat onderdeel van de nalatenschap, moet volgens appellant aangenomen worden dat hij slechts één derde voor zich hield en dat hij aan F en P ook een derde heeft doorgestort. Hij meent enkel gehouden te zijn tot terugbetaling van 368.933 oude BEF x 1/3 = 122.978 oude BEF. Het is niet aangetoond dat appellant, zoals hij beweert, samen met zijn broer P en zijn zuster F van het begin tot het einde alles met betrekking tot de nalatenschap hebben geregeld. Er zijn veeleer aanwijzingen dat hij als oudste van de kinderen alles regelde in verband met de nalatenschap en dat F en P hem lieten begaan. Het is onjuist dat er gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat F en P een aandeel in de som van 368.933 oude BEF hebben ontvangen. Zoals appellant opmerkt hebben deze laatsten inderdaad slechts ontkend dat ze ook een derde van de gelden kregen nadat notaris Thuysbaert in de staat van 7 oktober 1992 had geadviseerd om toepassing te maken van het artikel 792 B.W. De ontkenning is daarom niet louter te beschouwen als een poging om te ontsnappen aan de gevolgen van de heling. Het is niet omdat tot november 1992 éénzelfde raadsman de belangen van G, F en P waarnam dat moet aangenomen worden dat F en P voor een derde gedeeld hadden in de voornoemde gelden. Het bewijs van de doorstorting ontbreekt. Wat betreft de heling dient het bestreden vonnis bevestigd te worden in zover in het corpus van het vonnis werd weerhouden dat er heling gebeurde door G.D en dat deze laatste alleen instaat voor terugbetaling van de geheelde gelden (368.933 oude BEF/9.145,61 EUR) en de intresten daarop zoals berekend door notaris Thuysbaert.
- BEWONINGSVERGOEDING WEGENS BEWONING VAN HET HUIS TE... F D die deze woning bewoonde stelt dat een vergoeding van 10.000 oude BEF per maand redelijker is dan 12.500 oude BEF (309,87 EUR) per maand. Terecht stelde de eerste rechter over deze vergoeding een akkoord werd bereikt tussen partijen. Dat blijkt uit de staat van 7 oktober 1992: zie p.
- BEWONINGSVERGOEDING WEGENS BEWONING VAN HET HUIS TE ¿ S.D is na het overlijden van moeder deze woning nog korte tijd blijven bewonen, gelet op de inschrijving op een ander adres vanaf 19 mei
- Zij is uit hoofde van die bewoning het niet betwiste bedrag verschuldigd van 8.500 oude BEF (210,71 EUR) per maand en dit voor een viertal maanden. Het incidenteel berop is op dat punt gegrond.
- PELSMANTEL Bij de inventaris van 3 januari 1978 deelde F.D mee dat ze als handgift had gekregen een pelsmantel (astrakan), dertien jaar oud, aankoopprijs 40.000 oude BEF, alsook een armband, twee gouden ringen en een halssnoer. In de staat van vereffening en verdeling van 7 oktober 1992 (p. 44) werd bij de baten van de nalatenschap van mevrouw M melding gemaakt van de volgende goederen, die moesten ingebracht worden door F.D: - pelsmantel: 40.000 oude BEF - armband: 15.000 oude BEF - twee gouden ringen: 5.000 oude BEF - halssnoer: 10.000 oude BEF samen: 70.000 oude BEF (1.735,25 EUR) In het advies van 31 mei 1995 - pagina 36 - werd gezegd dat F.D moet verantwoorden: gift van de pelsmantel ten belope van 70.000 oude BEF. Dat bedrag is een herneming van het bedrag van 70.000 oude BEF dat op pagina 35 is vermeld: 70.000 oude BEF voor haar legaat. Daarin is duidelijk de pelsmantel begrepen voor 40.000 oude BEF benevens de bedragen van 15.000 oude BEF, 5.000 oude BEF en 10.000 oude BEF voor respectievelijk de armband, de gouden ringen en het halssnoer. De eerste rechter ging ervan uit dat F.D de pelsmantel (13 jaar vroeger) in nieuwe staat heeft gekregen, met andere woorden dadelijk na de aankoop. Deze laatste heeft dat eigenlijk niet weerlegd zodat de beslissing van de eerste rechter, die zich baseerde op de aankoopprijs omdat dit de beste aanduiding is van de waarde ten tijde van de schenking, een correcte toepassing is van artikel 868 B.W. Het incidenteel beroep is op dat punt ongegrond.
- PREMIES BRANDVERZEKERING Sub 2.9 van haar conclusies verwijst F.D naar de betalingsbewijzen in haar dossier ( kaft 14) en zegt dat zij aldus bewijst dat ze de betaling van deze premies ten belope van 86.961 oude BEF (2.155,71 EUR) heeft voorgeschoten. Op basis van deze bewijsstukken heeft de eerste rechter aanvaard dat F.D kosten met betrekking tot de brandschade heeft voorgeschoten namelijk voor een bedrag van 86.491 oude BEF in de plaats van het gevraagde bedrag van 105.640 oude BEF. In zover de eerste rechter besliste met betrekking tot de brandschade wordt door F.D een bevestiging van het vonnis gevraagd. De betalingsbewijzen in kaft 14 kunnen zeker geen bewijs van betaling vormen van de premies der brandverzekering. De eerste rechter vond bewijzen in kaft 12 maar heropende de debatten om F.D toe te laten de samenstelling van het gevraagde bedrag van 86.961 oude BEF mee te delen en voor de kwitanties aan te duiden welke als bewijsstuk werden ingeroepen. Het Hof stelt vast dat er geen gevolg is gegeven aan het verzoek van de eerste rechter en beslist met inachtneming van de stukken in kaft 12 dat er voor 14.218 oude BEF (352,46 EUR) premies werden voorgeschoten. Het incidenteel beroep is op dat punt gedeeltelijk gegrond. De boedelnotarissen zullen dienen rekening te houden met de betaling door F.D van 14.218 oude BEF (352,46 EUR).
- LIGGENDE GELDEN + DIVERSE KOSTEN EN FACTUREN Over de punten die in de laatste conclusies waren aangehaald door F.D in verband met het liggend geld en diverse kosten en facturen werd door de eerste rechter niet definitief beslist. De debatten werden alleen heropend omdat nadere toelichting door partijen gewenst was. F.D bracht deze punten niet meer ter sprake in haar beroepsconclusies alhoewel ze zegde incidenteel beroep in te stellen voor de zwarigheden die zij formuleerde en die niet door de eerste rechter werden weerhouden. Waar zij de homologatie vraagt van de staat van vereffening en verdeling na aanpassing op bepaalde punten, heeft ze niet gezegd dat ze een aanpassing vroeg wat betreft de liggende gelden en diverse kosten en facturen (zie conclusies van 29.09.1999). Zij laat aldus het Hof volledig in het ongewisse over de vraag of zij nog volhardt wat betreft de liggende gelden en de diverse kosten en facturen en zo ja welke de instantie volgens haar daarover dient te beslissen. Aan F.D wordt gevraagd haar standpunt duidelijk te bepalen.
- LOPENDE REKENINGEN In de staat van vereffening en verdeling van 7 oktober 1992 kwamen onder sectie 6 op pagina 29 de lopende rekeningen ter spake bij de NV Firma DamD, de N.V. Wolmat en N.V. Dam Ijzer. Deze lopende rekeningen zijn in de aangifte van nalatenschap van Pe.D(+ 18 maart 1966) vermeld voor een totaal bedrag van 6.199.510 oude BEF (153.681,84 EUR). Bij het overlijden van R.M op 25 december 1977 was er geen spoor meer van deze lopende rekeningen bij de drie vennootschappen. Bij de NV Dam Desatex was er volgens de balans, afgesloten per 31 december 1977, een debetrekening van 135.000 oude BEF. Notaris Thuysbaert adviseerde dat de meeste gerede partij de aanstelling van een deskundige zou vragen om een onderzoek te doen van de jaarverslagen alsook een onderzoek naar de evolutie van de lopende rekeningen. SD vorderde vervolgens de aanstelling van een deskundige. De eerste rechter nam akte van de bedenking van F.D dat het niet meer zinvol is een deskundige aan te stellen wanneer niets meer te onderzoeken is gezien men voor een zinnig onderzoek naar het mogelijke verloop van gelden zou moeten kunnen beschikken over de boekhouding van de desbetreffende periode en deze kennelijk niet meer voorhanden zou zijn. Het leek de eerste rechter niet onbelangrijk om te weten of dit punt in het kader van het gevoerde strafonderzoek al dan niet verder werd onderzocht en of in voorkomend geval dit strafonderzoek dienaangaande nuttige gegevens bevat. De heropening van de debatten werd ook bevolen om partijen toe te laten dienaangaande hun verweermiddelen voor te dragen. Het is niet duidelijk of deze betwisting al dan niet valt binnen de grenzen van het geschil in beroep. SD verwacht kennelijk dat deze betwisting verder wordt afgehandeld door de eerste rechter. F.D heeft in beroepsconclusies herhaald dat de aanstelling van een deskundige niet zinvol is. De vraag is of F.D aldus dit geschilpunt heeft willen voorleggen aan de rechter in beroep. Ook hier wordt verwacht dat zij een duidelijk standpunt inneemt.
- DE DOOR SD AFGESTANE AANDELEN EN DE WAARDERING ERVAN In haar laatste conclusie in beroep heeft SD beschouwingen gemaakt over dat punt zonder dat dit punt het voorwerp blijkt te zijn van enig beroep. Het komt het Hof voor dat daarover nog debatten dienen gevoerd te worden voor de eerste rechter. Partijen zullen daaromtrent hun zienswijze willen kenbaar maken. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal beroep van G.D en het incidenteel beroep van F.D ontvankelijk. Verklaart principaal beroep gegrond in de hiernabepaalde mate. Zegt voor recht dat bij de individuele rekeningen moet rekening gehouden worden met een toebedeling in gelijke mate van de aandelen Desatex aan G, F en P.D. Zegt voor recht dat G.D gelden heeft geheeld voor een bedrag van 9.145,61 EUR en dat met deze heling dient rekening te worden gehouden zoals blijkt uit het advies van de boedelnotarissen d.d. 31 mei
- Verklaart het incidenteel beroep gegrond in de hierna bepaalde mate. Zegt voor recht de boedelnotarissen er rekening moeten mee houden dat SD voor vier maanden een bewoningsvergoeding verschuldigd is ten belope van 210,71 EUR per maand. Zegt voor recht dat de boedelnotarissen rekening zullen houden met de betaling door F.D van 352,46 EUR (14.218 oude BEF) aan premies voor brandverzekering. Zegt dat de partijen conclusies zullen nemen om te handelen zoals hierboven gezegd sub 8, 9 en
- Heropent de debatten en stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van 16 juni 2005 om 10.30h ( 30 ¿ pleittijd). Reserveert de uitspraak nopens de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de elfde-bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op heden 10-3-
- Aanwezig: - Patrick De Buck, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend, - Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div