← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050314.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050314.16 Rolnummer: 2001/AR/0730 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 05:31 Fiche De staat van vereffening van het huwelijksvermogensstelsel dat de notaris na echtscheiding en vóór het faillissement van de echtgenoot opmaakte kan de curator tegengesteld worden, zelfs al hebben de gewezen echtgenoten deze staat tegengesproken en werden hun tegenspraak nog niet beslecht door de rechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Gerechtelijke scheiding HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Tekst van de beslissing in de zaak van : D.,¿, wonende te ¿, appellante, hebbende als raadsman mr. Jean-Pierre Devlamynck, advocaat met kantoor te 1860 Meise, Sikkelgemstraat 15, tegen Mr. Karel VERSTEELE, advocaat met kantoor te 8630 Veurne, Noordstraat 28, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van P., hiertoe aangesteld bij vonnis van 16 december 1992 van de rechtbank van koophandel te Veurne, geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien. 1. Gegevens van de zaak in beroep: 1.1. D. verstuurde op 23 maart 2001 een fax naar de griffie van het hof van beroep te Gent, die haar niet ondertekend verzoekschrift in hoger beroep tegen het vonnis van 29 maart 2000 van de rechtbank van koophandel te Veurne inhield; het verzoekschrift in hoger beroep heeft haar raadsman op 26 maart 2001 ondertekend (zie stuk 1 van het rechtsplegingdossier). De curator van het faillissement P. vordert het hoger beroep af te wijzen als niet-ontvankelijk en ongegrond en het vonnis te bevestigen. 1.2. De blijvende betwistingen betreffen: 1.2.1. de ontvankelijkheid van het hoger beroep dat D. instelde. De curator van het faillissement P. stelt, dat D. het hoger beroep niet heeft ingesteld binnen de termijn van 1 maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis op 23 februari 2001, zoals voorgeschreven door artikel 1051, 1° van het gerechtelijk wetboek. 1.2.2. de gegrondheid van de drie volgende eisen die D. handhaaft:

(1)de eis tot opname van haar schuldvordering van 4.033.583 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement P. bij toepassing van artikel 27, 4° van de hypotheekwet. D. stelt deze eis enerzijds als onverdeelde mede-eigenares van de huwgemeenschap P.-D. en maakt aanspraak maakt op 407.273 BEF of de tegenwaarde van haar aandeel in de meubelen van de huwelijkse gemeenschap en op 3.156.579 BEF of de tegenwaarde van haar aandeel in het handelsfonds, die door beide echtgenoten op 30 maart 1966 werd aangekocht voor de waarde van 700.000 BEF aan immateriële goederen en 100.000 BEF aan materiële goederen. De eis betreffende haar aandeel in de meubelen van de huwelijkse gemeenschap grondt D. op de begroting die notaris M. Swennen op 18 januari 1991 maakte bij het opmaken van de boedelbeschrijving met het oog op de echtscheiding tussen D. en de gefailleerde. De notaris schatte de meubelen toen op 886.705 BEF, waarvan 850.645 BEF voor de meubelen in bezit van de gefailleerde en 36.060 BEF voor de meubelen in het bezit van D., waarna hij de meubelen in de staat van vereffening en verdeling die hij op 18 oktober 1991 opmaakte, toewees in verhouding tot het bezit, zodat D. de meubelen voor een tegenwaarde van 36.060 BEF werd toegewezen, waarna hij de gefailleerde verwees in de betaling van een opleg van 407.293 BEF aan D.. De notaris weerhield bij het opmaken van de boedelbeschrijving en de staat van vereffening en verdeling van de huwgemeenschap P.-D. geen immateriële waarde voor het handelsfonds. De eis betreffende haar aandeel in het handelsfonds van de huwelijkse gemeenschap grondt D. op de - over de periode januari 1966 tot op datum van de faillietverklaring van 16 december 1992 - geïndexeerde immateriële waarde van het aangekochte handelsfonds (700.000 BEF x 324,73/82,68 = 3.156.579 BEF). D. stelt de eis tot opname van haar schuldvordering anderzijds als hoofdelijke schuldenaar met de gefailleerde voor de nakoming van de verbintenissen die de gefailleerde tegenover INTERBREW NV had opgenomen en die de som van (804.687 BEF en 72.317 BEF =) 877.004 BEF zouden belopen. Alhoewel zij hiertoe door de curator van het faillissement P. werd gesommeerd, heeft D. op geen enkel ogenblik haar betalingen aan INTERBREW NV gepreciseerd. De curator rekende in zijn besluiten - die hij ter griffie van de rechtbank van koophandel te Veurne op 14 februari 2000 neergelegd - zelf voor, dat zij als hoofdelijke schuldenaar 175.000 BEF zou betaald hebben.
(2)de eis tot gegrondverklaring van haar derdenverzet tegen het vonnis ¿tot machtiging van de curator van het faillissement P. tot de verkoop uit de hand van de roerende goederen toebehorende aan de huwgemeenschap P.-D.'.
(3)de eis tot gegrondverklaring van een aansprakelijkheids-vordering tegen de curator van het faillissement P.. Uit de besluiten die D. voor de eerste rechter neerlegde kan het Hof opmaken, dat zij niet te spreken is over de wijze, waarop de curator van het faillissement P. de inboedel van Hotel L. (de handelszaak van de gefailleerde) verkocht en dat zij de curator blijkbaar aansprakelijk houdt voor het verschil tussen de netto-opbrengst die de curator realiseerde (125.000 BEF) en haar aandeel in de meubelen en de handelszaak, die zij begrootte op 407.273 BEF en op 3.156.529 BEF. 1.
  1. De eerste rechter stelde op volgende relevante overwegingen vast, ¿dat D. gesubrogeerd is in de rechten van INTERBREW NV voor alle bedragen die zij heeft gestort aan INTERBREW NV in uitvoering van het vonnis van 29 september 1992 van de Vrederechter te Nieuwpoort, bevestigd bij vonnis van 4 december 1997 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zetelend in graad van beroep, op grond waarvan INTERBREW NV werd opgenomen bij vonnis van 22 april 1998 van deze rechtbank voor een bedrag van 640.361 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement P.' en verklaarde de verdere aanspraken van D. ongegrond: 1.3.
  2. ¿Artikel 27.4 HW waarop [D.] het bevoorrecht karakter van haar schuldvordering stoelt heeft betrekking op voorrechten op onroerende goederen: "De schuldeisers, op onroerende goederen bevoorrecht, zijn: 4° de mede-erfgenamen of deelgenoten en wel: voor de betaling van de opleg of de vergoeding, van de overwaarde, op al de onroerende goederen begrepen in de kavel die met opleg bezwaard is, tenzij het voorrecht door de akte van verdeling tot een of meer van die onroerende goederen is beperkt". ¿Bij vonnis dd. 12 oktober 1989 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne werd de vereffening bevolen van de te ontbinden huwgemeenschap en werd notaris M. Swennen daartoe aangesteld. De staat van vereffening-verdeling werd opgemaakt en er werden tegenzeggingen gemaakt door de partijen en de zaak is hangende voor de Rechtbank die de staat van vereffening nog dient te homologeren. Het aandeel van [D.] slaat zowel op de roerende goederen - er zijn geen onroerende goederen - van de huwgemeenschap, als op haar aandeel in het handelsfonds van het "Hotel L." gelegen te ¿. Het "Hotel L." werd volgens schriftelijke overeenkomst van 30 maart 1966 uitgebaat door beide ex-echtgenoten. De echtgenoten
  3. P.-D. waren gehuwd onder het wettig stelsel; voor de regeling van de gemeenschappelijke schulden zijn de huidige artikelen 1408 BW e. v. van toepassing. Vanaf het vonnis van faillietverklaring op 16 december 1992 verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over zijn goederen. De buitenbezitstelling en de daaruit voortvloeiende opschorting van de tenuitvoerlegging betreffen zowel het eigen vermogen van de gefailleerde, als het gemeenschappelijk vermogen. Het actief van de massa omvat ook de goederen van de huwgemeenschap (TPR, 1996, Overzicht van Rechtspraak, pagina 1017 , nummer 130-131; TPR, 1991, Overzicht van Rechtspraak, pagina 535, nummer 161-162; RCJB, 1997; Examen de Jurisprudence, pagina 433, nummer 128 ; I. Verougstraete, Manuel de la Faillite et du Concordat, 1998, nummer 886). Ten gevolge van het faillissement van
  4. P. is het gemeenschappelijk vermogen in het faillissement gevallen en is de verdere vereffening-verdeling van de ontbonden huwgemeen-schap irrelevant. ¿Met betrekking tot het handelsfonds stelt de curator dat deze totaal waardeloos is geworden door het feit dat de handelshuur-overeenkomst ten einde liep en de handelszaak niet kon worden overgelaten; de eigenaars-verhuurders hebben het pand afgebroken. Uit het vonnis dd. 29 september 1992 van de Vrederechter van het kanton Nieuwpoort, bevestigd in hoger beroep bij vonnis dd. 4 december 1997 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, blijkt bovendien dat de huurovereenkomst betreffende de uitbating van het Hotel L., ontbonden werd lastens beide huurders, P.-D. gezien zij hun huurdersverplichtingen niet nakwamen. (¿) Gezien het handelsfonds niet kon overgelaten worden, kan [D.] geen rechten laten gelden. 1.3.
  5. ¿[INTERBREW NV] heeft opname gevraagd van haar schuldvordering in het bevoorrecht passief voor een bedrag van 640.361 frank, uit hoofde van het vonnis dd. 4 december 1997 voornoemd, bedrag dat alszodanig werd opgenomen bij vonnis dd. 22 april
  6. Deze schuldvordering vindt haar grondslag in het vonnis dd. 29 september 1992 van de Vrederechter van het kanton Nieuwpoort, bevestigd bij vonnis dd. 4 december 1997 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zetelend in graad van beroep. De schuldvordering heeft betrekking op bedragen waartoe [D. en de gefailleerde] solidair werden veroordeeld wegens het niet nakomen van hun huurdersverplichtingen. ¿[INTERBREW NV] voerde de vonnissen uit lastens [D.]; (¿). Uit het handelsregister blijkt dat zij sedert haar echtscheiding een "spijshuis" genaamd "Y" als hoofdwerkzaamheid heeft sedert 1 april 1990 te ¿. Uit het proces-verbaal dd. 30 april 1998 van gerechtsdeurwaarder W. Priem, bevel voorafgaand aan het beslag op onroerend goed blijkt dat zij heeft betaald: - op 29 september1995: 75.000 frank - op 31 oktober 1995: 20.000 frank - op 29 december1995: 40.000 frank - op 21 mei 1996: 20.000 frank - op19 juli1996: 20.000 frank 175.000 frank ¿Deze betalingen zijn gebeurd met eigen fondsen zodat zij op heden gesubrogeerd is in de rechten van INTERBREW NV; andere bewijzen van betaling sedert 1 april 1990 worden niet voorgelegd. Het bedrag kan hic et nunc niet bepaald worden vermits D. in gebreke blijft aan te tonen welk bedrag door de gerechtsdeurwaarder na aftrek van alle uitvoeringskosten werd overgemaakt aan INTERBREW NV, bedrag waarvoor zij gesubrogeerd wordt in de rechten van INTERBREW NV en wat bij de rangregeling moet worden geregeld. 1.3.
  7. ¿De Rechtbank dient niet te acteren dat [D.] zowel incidenteel derdenverzet doet tegen het vonnis tot machtiging van de verkoop uit de hand van de roerende goederen toebehorende aan de huwgemeenschap P.-D., als incidenteel een aansprakelijkheidsvordering instelt tegen de curator, vermits dat geëigende procedures zijn die geen weerslag hebben op huidige procedure, die een betwisting betreft over de opname van een schuldvordering van [D.] in het faillissement.'
  8. Beoordeling 2.
  9. Het hoger beroep is ontvankelijk: 2.1.
  10. Artikel 860 van het gerechtelijk wetboek bepaalt dat, wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling nietig kan worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen. Artikel 867 van het gerechtelijk wetboek bepaalt, dat wat het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling of van de vermelding van een vorm ook is, zij niet tot nietigheid leidt, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Zowel uit de tekst, als uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek volgt, dat de wetgever de gevallen van nietigverklaring van proceshandelingen tot een minimum wou beperken. 2.1.
  11. Partijen zijn het erover eens dat D. bij wijze van verzoekschrift hoger beroep instelde tegen het vonnis. Voor zover de neerlegging van het verzoekschrift per fax, niet zou beantwoorden aan één van de vormen waarin artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorziet, dan voorziet dit artikel niet in de nietigheid van het hoger beroep. Artikel 1058 van het gerechtelijk wetboek bepaalt in dit geval, dat de rechter in hoger beroep had kunnen bevelen dat het hoger beroep aan de niet verschenen gedaagde partij zou worden betekend bij gerechtsdeurwaardersakte. 2.1.
  12. Artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek - dat wel een aantal vermeldingen in het verzoekschrift van hoger beroep vereist op de sanctie van nietigheid - bepaalt dat het verzoekschrift eventueel (zo de akte uitgaat van de advocaat) ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep vermeldt. Deze bepaling is evenwel niet voorgeschreven op sanctie van nietigheid en daarenboven bepaalt dit artikel niet, dat de akte van hoger beroep door de advocaat al zou getekend zijn op het ogenblik van de neerlegging. De advocaat van D. heeft het verzoekschrift tot hoger beroep ondertekend vooraleer hij de zaak op de rol heeft laten inschrijven op de datum van verschijning die de akte van het hoger beroep vermeldt. 2.1.
  13. Het Hof stelt tenslotte ook vast, dat de griffier het verzoekschrift op 26 maart 2001 aan de curator van het faillissement P. heeft meegedeeld zoals bepaald in artikel 1056, 2° van het gerechtelijk wetboek en dat de curator van het faillissement P. daarop zijn tussenkomst heeft gemeld bij brief van 27 maart 2001 overeenkomstig artikel 729 en 1061 van het gerechtelijk wetboek. De handeling heeft dan ook het doel bereikt dat de wet ermee beoogt. 2.1.
  14. Het Hof moet dan ook niet uitweiden over de toepassing van de artikelen 862, 2° van het gerechtelijk wetboek, dat voorziet dat de regel van artikel 861 - die de rechter alleen toelaat een proceshandeling nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt - niet geldt voor een verzuim of een onregelmatigheid betreffende de ondertekening van de akte. De artikelen 1056 en volgende van het gerechtelijk wetboek op de vormvereisten van het verzoekschrift tot hoger beroep voorzien niet eens in de ondertekening van het verzoekschrift in tegenstelling tot de artikelen 1026, 5° en 1034ter, 6° op de inleiding en behandeling van de vordering op eenzijdig en tegensprekelijk verzoekschrift en het Arbitragehof besliste op 17 mei 2000, dat een objectief onderscheid met deze verzoekschriften verantwoordt waarom de wetgever de ondertekening van het verzoekschrift in hoger beroep niet vereiste (Belgisch Staatsblad 2000
(07)(139, pg. 25005-25006). 2.
  1. D. is gerechtigd op de opname van haar schuldvordering in het gewoon passief van het faillissement P. voor de som van 407.293 BEF: 2.2.
  2. De aanspraak op het voorrecht van artikel 27, 4° van de hypotheekwet heeft de eerste rechter op juiste gronden afgewezen op de vaststelling, dat dit voorrecht alleen op onroerende goederen kan uitgeoefend worden en dat geen onroerende goederen in het faillissement P. aanwezig zijn. 2.2.
  3. Bij toepassing van artikel 1472 van het burgerlijk wetboek werkt de gerechtelijke scheiding van goederen terug, wat haar gevolgen betreft, tot op de dag van de eis, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden. Notaris Swennen maakte - in uitvoering van het vonnis van echtscheiding van 12 oktober 1989, dat de vereffening en verdeling van de ontbonden huwgemeenschap beval - bij notariële akte van 18 oktober 1991 de staat van vereffening van het vorige stelsel (het huwelijksvermogensstelsel) tussen de echtgenoten P. en D. op. Deze staat kan de curator tegengesteld worden. De nalatigheid van de gefailleerde om overeenkomstig artikel 15 van het wetboek van koophandel het vonnis - waarbij de echtscheiding werd toegestaan - neer te leggen op de griffie van de rechtbank van koophandel te Veurne, waar hij als handelaar ingeschreven stond, doet hieraan geen afbreuk, aangezien de schuldeisers en evenmin de curator ooit is opgekomen tegen de vereffening die op de echtscheiding volgde, omdat de vereffening van de huwgemeenschap hun belangen zou geraakt hebben. Geen enkele schuldeiser is - zoals voorgeschreven in artikel 1474 van het burgerlijk wetboek - ooit tussengekomen in de vereffening, die buiten hun aanwezigheid plaats had. 2.2.
  4. De echtgenoten P. en D. hebben weliswaar de staat van vereffening en verdeling tegengesproken, maar hun tegenspraak doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 1472 van het burgerlijk wetboek; de gerechtelijke scheiding van goederen werkt, wat haar gevolgen betreft, tussen hen terug tot op de dag, dat zij de eis in vereffening en verdeling van de huwgemeenschap hebben gesteld. Hun tegenspraak betrof daarenboven de waardebepaling van de goederen (of het gebrek hieraan wat de immateriële bestanddelen van de handelszaak betreft), waarvan elk van hen voordien al het feitelijk bezit had genomen en die de staat van vereffening en verdeling hen nu toewees. Hun tegenspraak betrof ¿de toewijzing van de goederen als dusdanig' niet en partijen hebben hun betwisting over de waardebepaling niet eens verder vervolgd voor de rechtbank. In aansluiting met de briefwisseling die D. met de procureur des Konings en met de Minister van Justitie voerde (zie haar brieven van 7 november 1994 en 20 november 1995), kan het Hof op vandaag - gezien het volledig onvermogen en de insolventie van haar vroegere echtgenoot - vaststellen, dat het verder benaarstigen van hun betwistingen evenmin nog kan bijdragen tot een meer billijke regeling voor D.. - Tegenover derden vervolgde P. na de echtscheiding met uitsluiting van zijn echtgenote de uitbating van de vroegere gemeenschappelijke zaak en staat hij ook alleen en met uitsluiting van zijn echtgenote in, voor de betaling van de sinds de echtscheiding aangegane handelsschulden. - De keerzijde hiervan is dat zijn schuldeisers even terecht aanspraak maken op de meubelen die hem werden toegewezen, als onderpand van hun schuldvorderingen en dat D. overeenkomstig de staat van vereffening en verdeling die notaris Swennen opmaakte, alleen gerechtigd blijft op de betaling van een opleg van 407.293 BEF, die P. haar voor de hem toegewezen meubelen verschuldigd blijft. Waar P. haar dit bedrag verschuldigd blijft, kan zij hiervoor de opname in het gewoon passief van zijn faillissement bekomen. - Uit de inventaris van 16 december 1992 - die de curator van het faillissement P. bij het openvallen van het faillissement opstelde - volgt, dat de goederen die D. werden toegewezen niet werden opgenomen als activa van de faillissementsboedel. - D. bewijst niet dat de handelszaak die P. werd toegewezen, bovenop de hierboven weerhouden waardering van de meubelen, nog een wezenlijke waarde had op het ogenblik van de vereffening en verdeling. Zij legt geen rekeningen over, waaruit zou volgen dat met de handelszaak nog winst gemaakt werd of toen nog een belangrijke meerwaarde voor het cliënteel aanwezig was. Dit verklaart zonder de minste twijfel waarom notaris Swennen het handelsfonds ook niet verder waardeerde. Haar aanspraak op de opname van 3.156.579 BEF beantwoordt mogelijks aan de inspanningen die zij leverde over de jaren, dat zij met P. de handelszaak uitbaatte; maar deze inspanningen zijn over de jaren ook verloren gegaan en voor de verloren inspanningen beschikt D. niet over een schuldvordering op de boedel van het faillissement. - Verder rest haar alleen de (ijdele?) hoop op een dividend in het faillissement P. voor de gewone schuldeisers, om een aanbetaling op de aanvaarde schuldvordering van 407.293 BEF te bekomen en die het vervolgen van de procedure voor het Hof wezenlijk zou verantwoorden (...). 2.
  5. Op juiste gronden - die geen verdere aanvulling vragen - stelde de eerste rechter vast, dat D. gesubrogeerd is in de rechten van INTERBREW NV voor alle bedragen die zij heeft betaald aan INTERBREW NV in uitvoering van de vonnissen van 29 september 1992 en 4 december 1997 en waarvoor INTERBREW NV de opname in het bevoorrecht passief van het faillissement P. heeft bekomen. Haar subrogatie in de rechten van een bevoorrechte schuldeiser verzekert evenwel al evenmin de uitbetaling van een nuttig dividend; dit vereist dat de schuldvordering van INTERBREW NV nuttig gerangschikt kan worden en dat na de volledige aanzuivering van de schuldvordering die INTERBREW NV nog rest, nog fondsen aanwezig zijn om te voorzien in de terugbetaling van wat zij aan INTERBREW NV vereffende. 2.
  6. De (incidentele) aansprakelijkheidsvordering tegen de curator en het derden-verzet tegen de machtiging tot verkoop van de roerende goederen dat de rechter-commissaris van het faillissement P. aan de curator verleende, zijn niet ontvankelijk: 2.4.
  7. Het ongeluk dat D. overkwam kan zij ¿ogenschijnlijk' niet verhalen op een fout, die de curator van het faillissement P. zou begaan hebben. - Uit het vonnis van 29 september 1992 dat het vonnis van faillietverklaring voorafging, volgt dat de handelshuur werd ontbonden en de echtgenoten P. en D. hoofdelijk werden veroordeeld tot de betaling van 344.156 BEF aan achterstallige huurgelden en 129.918 BEF aan weder-verhuringsvergoeding. Dit verhinderde de curator van het faillissement P. om het handelsfonds over te dragen. - Zijn voornemen om het bod van 125.000 BEF te aanvaarden dat de eigenaar op de meubelen had uitgebracht, blijkt de curator vooraf omstandig verantwoord te hebben tegenover de rechter-commissaris van het faillissement P., die met de verkoop instemde (zie de brief van 14 oktober 1993 van de rechter-commissaris van het faillissement P. aan D.). Door dit bod te aanvaarden ontweek de curator de verhuis- en opruimverplichtingen en een mogelijke uitdrijving uit het handelspand en werd zonder twijfel een hogere prijs behaald dan de netto-verkoopprijs die een openbare verkoop zou opgeleverd hebben. 2.4.
  8. De eerste rechter stelde evenwel terecht vast, dat een aansprakelijkheidsvordering tegen de curator en het derden-verzet tegen de machtiging tot verkoop van de roerende goederen het voorwerp van het geding niet uitmaakte, dat volgde op de aangifte van schuldvordering die D. in het faillissement P. indiende en op de betwisting van deze schuldvordering door de curator, waarop de rechter-commissaris van het faillissement P. de zaak verwees naar de rechtbank van koophandel te Veurne. De procedure van aangifte en verificatie van de schuldvorderingen wordt sluitend geregeld door de artikelen 62-63, 63bis, 64-72 van de faillissementswet van 8 augustus
  9. Zij voorziet er niet in, dat de schuldeiser de rechter - die overeenkomstig deze bepalingen gevat is om zich uit te spreken over de betwiste schuldvordering - ook zou kunnen vatten met een totaal andere eis, die gegrond is op andere feiten of akten. 2.
  10. Het Hof slaat de gedingkosten tussen partijen om, gezien hun wederzijds ongelijk. Het verwijst elke partij in de eigen gedingkosten op de kosten van rolstelling in hoger beroep na, die het ten laste van de faillissementsboedel legt. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep van D. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het vonnis waar het vaststelde, ¿dat D. gesubrogeerd is in de rechten van INTERBREW NV voor alle bedragen die zij heeft gestort aan INTERBREW NV in uitvoering van het vonnis van 29 september 1992 van de Vrederechter te Nieuwpoort, dat bevestigd werd bij vonnis van 4 december 1997 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne zetelend in graad van beroep, op grond waarvan INTERBREW NV werd opgenomen bij vonnis van 22 april 1998 van deze rechtbank voor een bedrag van 640.361 BEF in het bevoorrecht passief van het faillissement P.' en waar het D. voor eventuele betwistingen over de uitoefening van haar subrogatierecht verwees naar de zitting, waarop de curator van het faillissement P. zijn vereffeningsverslag aan de schuldeisers van het faillissement zal voorleggen. Vernietigt voor het overige het bestreden vonnis en stelt vast, dat D. daarenboven gerechtigd is op de opname van haar schuldvordering in het gewoon passief van het faillissement P. voor de som van (407.293 BEF =) 10.096,53 EUR. Slaat de gedingkosten tussen partijen om en verwijst elke partij in de eigen kosten van beide aanleggen, op de kosten van rolstelling van het hoger beroep na, die het ten laste legt van de faillissementsboedel en vereffent op (7.500 BEF =) 185,92 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op veertien maart tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.