← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050324.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050324.12 Rolnummer: 2002/AR/1683 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-26 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 05:31 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Tekst van de beslissing EINDARREST in de zaak met het rolnr. 2002/AR/1683 van: D.L, ¿, wonende te X, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 27-5-2002, tevens gedaagde tot gedwongen hervatting van het geding in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van V.A, ¿, wonende te Y, verblijvend in het rustoord ¿HOME VIJVENS¿ te Z, eerste geïntimeerde doch hangende het geding overleden te ¿ op ¿, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. VYLS Hugo, advocaat te 9700 Oudenaarde, Kerkgate 19; tegen:

  1. D.B, ¿, wonende te A,
  2. D.D, ¿, wonende te B, geïntimeerden - die tevens blijkens « AKTE VAN GEDINGHERVATTING (Art. 816 Ger.Wb) » akte gevraagd hebben van het geding namens hun overleden moeder V.A, ¿, wonende te Y, verblijvend in het rustoord ¿HOME VIJVENS¿ te Z, eerste geïntimeerde doch hangende het geding overleden te ¿ op ¿, - tevens eisers tot gedwongen hervatting van het geding door D.L voormeld, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadsman mr. HEERMAN Ali, advocaat te 9700 Oudenaarde, Broekstraat 157; velt het Hof het volgend arrest.
  3. 1.
  4. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 juli 2002, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis d.d. 27 mei 2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, vierde kamer, waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden op de staat van vereffening opgemaakt op 18 maart 1975 door notaris Jean Vanimpe. Deze laatste was bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 13 juni 1974 als boedelnotaris aangesteld voor de vereffening en verdeling van huwgemeenschap, die bestaan heeft tussen wijlen de heer A.D (overleden op ¿) en zijn echtgenote A.V, alsook voor de vereffening en verdeling van de nalatenschap van A.D. Bij deze staat van vereffening en verdeling werden betrokken: - als eisers: A.V, B.D, D.D - als verweerders : L.D, R.D In het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden werd gezegd dat R.D was overleden op ¿ en de overige partijen achterliet als enige gekende erfgenamen. Naar aanleiding van het overlijden van A.V op 9 april 2003 hebben B en D.D, die zelf uitdrukkelijk hebben verklaard het geding als haar erfgenamen te hervatten, hun broer L.D gedagvaard tot hervatting van geding. Het beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te niet te doen, en opnieuw wijzende: - te zeggen voor recht dat appellant uit hoofde van de overlating van een tractor met breker, egge en ploeg, een aardappelmachine, een vettewagen met toehoren en een maaibar geen bedrag van 291.000 oude BEF of 7.213,70 EUR verschuldigd is doch dat dit bedrag hem verschuldigd is uit hoofde van deze overlating, vermeerderd met de conventionele intresten ten bedrage van 4 % vanaf 01.05.1964; - te zeggen voor recht dat appellant uit hoofde van een beweerde schuldbekentenis d.d. 15 mei 1994 niets verschuldigd is; - te zeggen voor recht dat appellant hoogstens kan gehouden zijn tot betaling van conventionele intresten en dit beperkt tot een periode van 5 jaar; 1.
  5. Geïntimeerden vragen dat het hoger beroep zou worden afgewezen als onontvankelijk. Ze zeggen niet op grond van welke wetsbepaling zij dat vragen. Ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid blijken niet uit de elementen van het rechtsplegingsdossier. De exceptie mist grond. Minstens vragen zij dat het beroep zou worden ongegrond verklaard. De gegrondheid wordt hierna onderzocht. Ze stellen tevens incidenteel beroep in, hetgeen gebeurde op rechtsgeldige wijze. Dat incidenteel beroep strekt ertoe om te zeggen dat de intresten ten belope van 37.500 oude BEF (929,60 UER) wel opeisbaar zijn in tegenstelling tot de beslissing van de eerste rechter om deze intresten te weren uit de staat Ze vorderen de veroordeling van appellant tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ten bedrage van 2.500 EUR, meer de vergoedende rente vanaf 29 oktober
  6. De dagvaarding waarmee onderhavige zaak is gestart dateert reeds van 23 november
  7. Op 18 maart 1975 werd de staat van vereffening en verdeling opgemaakt. Tot het actief van de onverdeelde massa werden o.a. gerekend: - een bedrag van 150.000 oude BEF (3.718,40 EUR) uit hoofde van een schulderkentenis, ondertekend door L.D op 15 mei 1964; - een bedrag van 37.500 oude BEF uit hoofde van de intresten aan 5 % per jaar op deze schuldbekentenis voor de laatste 5 jaar die de dagvaarding voorafgaan (van 23 november 1968 tot 23 november 1973); - een bedrag van 9.750 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 6,5 % op dit bedrag van 13 november 1973 tot 1 november 1974; - een bedrag van 5.500 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 8 % vanaf 1 november 1974 tot 21 april 1975; - een bedrag van 291.000 oude BEF (7.213,70 EUR) uit hoofde van een prijs, schuldig gebleven door L.D voor overname landbouwbekleding; - een bedrag van 58.200 oude BEF uit hoofde van conventionele intresten op dit bedrag aan 4 % per jaar voor de laatste 5 jaren die de dagvaarding voorafgaan; - een bedrag van 18.915 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 6,5 % op dit bedrag van 19 november 1973 tot 1 november 1974; - een bedrag van 10.670 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 8 % vanaf 1 november 1974 tot 21 april 1975; - een bedrag van 100.000 oude BEF (2.478,94 EUR) uit hoofde van een schulderkentenis, ondertekend door L.D op 1 februari 1965; - een bedrag van 23.750 oude BEF uit hoofde van intresten op dit bedrag aan 4,75 % per jaar van 23 november 1968 tot 23 november 1973; - een bedrag van 6.000 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 6,5 % op dit bedrag van 23 november 1973 tot 1 november 1974; - een bedrag van 3.630 oude BEF uit hoofde van gerechtelijke intresten aan 8 % vanaf 1 november 1974 tot 21 april 1975; Bij arrest van 2 juni 1995 van het Hof van Beroep te Gent werd de proceshandeling d.d. 13.05.1975, namelijk de goedkeuring door de toenmalige raadsman van appellant van de staat van vereffening en verdeling d.d. 18 maart 1975 van notaris Vanimpe van onwaarde verklaard en werd de zaak terug naar de eerste rechter verzonden voor verdere afhandeling van de vereffening. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde.d.d. 3 maart 1997 werd notaris Henrist Philippe aangesteld als instrumen-terend notaris in opvolging van notaris Vanimpe. Op 14 mei 1998 maakte notaris Philippe Henrist een proces-verbaal op met als doel aan de betrokken partijen gelegenheid te geven hun bezwaren te doen kennen tegen de staat van vereffening opgesteld door notaris Vanimpe op 18 maart 1975 met dien verstande dat op vraag van de eisende partij de rente hercijferd werd rekening houdende met de periode verstreken sinds 21 april 1975 tot heden. De bijkomende intresten belopen: - op het bedrag van 150.000 oude BEF: 274.378 oude BEF - op het bedrag van 291.000 oude BEF: 532.003 oude BEF - op het bedrag van 100.000 oude BEF: 182.806 oude BEF TOTAAL aan bijkomende intresten: 989.187 oude BEF (24.521,31 EUR)
  8. DE SCHULDERKENTENIS VAN 150.000 OUDE BEF De betwisting slaat op de volgende geschreven verklaring, die niet volledig leesbaar is op de voorgelegde fotocopie (stuk 9 van geïntimeerde): ¿Ik ondergetekende L.D verklaart de som van honderdvijftigduizend (150.000 F) ¿¿¿ontvangen tegen een intrest van 5 % (vijf per honderd) van mijn ouders A.D en echtgenote V.A. De ontvanger De gever Één handtekening Twee handtekeningen (D) (A. D V.A) 15-05-1964 » Appellant stelde bij zijn zwarigheden dat hij dat document niet erkende als authentiek. Hij betwistte dat de handtekening die op dat stuk voorkomt de zijne is. Hij vroeg een schriftonderzoek. In zijn vroegere conclusies had hij eerst gezegd dat dit bedrag werd kwijtgescholden als compensatie voor het feit dat hij geen legerdienst vervulde in 1960-61 en op de hofstede bleef werken. De eerste rechter beschouwde deze schulderkenning als bindend. Hij wees op het feit dat appellant in conclusies van 13 september 1976 met betrekking tot deze schuldbekentenis de kwijtschelding had ingeroepen. In beroep argumenteert appellant als volgt. - het is niet zijn handtekening die voorkomt op voornoemd document; - het document voldoet niet aan de geldigheidsvereisten zoals bepaald in de artikelen 1325 en 1326 B.W. - zijn ouders hebben alle schulden kwijtgescholden dit als compensatie voor de arbeid de hij op het ouderlijk erf had verricht; - het origineel document bestaat niet meer omdat dit werd gescheurd ter bevestiging van de kwijtschelding van de schuld; In zijn conclusies van 28 juli 2004 heeft appellant erop gewezen dat het origineel van de schuldbekentenis moet overgelegd worden. In hun conclusies van 31 augustus 2004 beweren geïntimeerden dat de stukken werden overgemaakt aan notaris Vanimpe o.a. de schuldbekentenis waarvan de notaris in zijn staat van vereffening en verdeling gewag heeft gemaakt. Verder stellen zij dat notaris Vanimpe in een verkeersongeval is omgekomen en dat zijn kantoor werd overgenomen door notaris Henrist. Volgens hen moet in die periode het originele stuk verloren zijn gegaan of is het minstens onmogelijk gebleken het stuk nog terug te vinden. Het Hof moet aldus vaststellen dat er een bewijsprobleem is voor geïntimeerden. Artikel 1334 B.W. stelt het volgende: ¿Wanneer de oorspronkelijke titel nog bestaat, leveren de afschriften alleen bewijs op van wat voorkomt in de titel, waarvan de vertoning altijd kan worden gevorderd¿. De gevallen die in artikel 1335 B.W. worden besproken, zijn hier niet van toepassing. Het probleem bestaat erin dat de voorgelegde fotocopie geen enkele bewijswaarde heeft en het origineel niet kan voorgelegd worden. In gegeven omstandigheden moet het Hof besluiten dat er geen rekening kan gehouden worden met het bestaan van een schuldvordering van 150.000 oude BEF (3.718,40 EUR) in hoofdsom lastens appellant. Uiteraard kunnen er ook geen intresten op deze hoofdsom aangerekend worden aan appellant. De ondeelbare schuldbekentenis van appellant die zegde dat de schuld hem werd kwijtgescholden, kan aan het probleem niets verhelpen. Het beroep van appellant is reeds deels gegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond.
  9. DE OVEREENKOMST VAN OVERLATING De betwisting slaat op de volgende geschreven verklaring d.d. 15 mei 1964: ¿Ik ondergetekende A.D en echtgenote V.A verklaren de overname te hebben gedaan van het volgende materiaal: tractor met breker en egge en ploeg. Aardappelmachien. Vettewagen met toebehoorten. Maaibar Voor de som van 291.000 fr ( tweehonderdeenennegentig) De betaling moet gedaan zijn op vijf jaar, dus in het jaar 1969 en mei¿ de intrest zal geschieden aan 4 % vanaf 1 mei
  10. Overlater Overnemer A. D D V.A 15.05.64 » Appellant verwijst naar zijn stukken die moeten bewijzen dat de vernoemde goederen reeds door hem waren aangekocht vóór de datum van de overeenkomst en besluit dat hij die goederen niet kan overgenomen hebben maar wel overgelaten. De bedoelde stukken betreffen : - de aankoop op 26.4.63 van een tractor bij de firma René Beel; - de aankoop op 07.06.1963 van een ploeg bij de firma Jan Baeke; - de aankoop op 28.02.64 van een aardappelmachine bij firma Derepere Gebroeders; Appellant verwijst naar een op 21 april 1964 ondertekende overeenkomst van verkoop en afstand van landbouwbedrijf waarbij A.D en A.V verklaren aan hun zoon R het landbouwbedrijf over te laten bestaande uit materiaal, dieren vruchten ¿ voor een prijs van 700.000 oude BEF. Het is duidelijk, zo stelt appellant, dat de ouders geen tweemaal op enkele dagen tijd hun landbouwuitbating hebben kunnen overlaten. Volgens appellant hebben de ouders, voor welke reden ook, eerst van hun zoon de stukken overgenomen die hij bezat en die hij door zijn eigen werk had verworven, om dan het geheel, zijnde niet alleen het materiaal maar ook gans de hofstedebekleding, recht op pacht, navetten en andere rechten aan hun andere zoon R over te laten voor een veel hogere prijs. De eerste rechter zegde dat volgens de bewoordingen ¿de overname te hebben gedaan¿ A.D en zijn echtgenote zowel kunnen hebben overgelaten als overgenomen maar dat hun handtekening onder de aanduiding ¿overlaters¿ alle twijfel uitsluit. Wanneer, zo stelt appellant, A.D en A.V in een door deze laatste eigenhandig geschreven verklaring uitdrukkelijk verklaarden de overname van bepaalde landbouwwerktuigen te hebben gedaan, dan kan deze verklaring niet op zijn kop gezet worden en kan niet worden gelezen dat A.D en A.V een overlating hebben gedaan. Het loutere feit dat bij het ondertekenen van deze verklaring de betrokken partijen hun handtekening op de verkeerde plaats hebben aangebracht kan volgens appellant op geen enkele wijze de inhoud van de verklaring zelf beïnvloeden. Voor appellant is niet alleen de tekst zonneklaar maar sluiten de omstandigheden waarin de transacties gebeurd zijn, ook iedere andere interpretatie uit. Door in het geschrift te verklaren de overname te hebben gedaan terwijl ze de verklaring ondertekenden onder de aanduiding ¿overlater' ontstond een dubbelzinnigheid en is een uitlegging van dit geschrift noodzakelijk. Het Hof wijst op volgende omstandigheden. ¿ bij de aanvang van de werkzaamheden was de aan de boedelnotaris gegeven informatie van die aard dat hij begreep dat L.D nog 291.000 oude BEF verschuldigd was uit hoofde van een overlating en werd door L.D geen geschreven verbintenis vanwege zijn ouders voorgelegd en ingeroepen; ¿ appellant heeft zich niet gedragen als overlater toen hij met betrekking tot die post standpunt kon innemen in zijn conclusies van 13.09.1976, in zijn conclusies van 4.3.1988 en in zijn conclusies van 27.2.1989; ¿ voor het eerst in het proces-verbaal van zwarigheden heeft L.D gesteld dat de som van 291.000 oude BEF (7.213,70 EUR) moet worden aangezien als zijnde een vordering van hem op de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van zijn vader, te verhogen met de intresten sedertdien, doch zonder dat hij kon aantonen dat hij in het bezit was van een geschreven verbintenis van zijn ouders; ¿ waar appellant erop wijst dat hij van zijn ouders toch geen machines zou gekocht hebben die hij voordien zelf aangekocht had, blijken de aankoopfacturen, die dateren van vóór 15 mei 1964 op naam te staan van A.D met dien verstande dat voor enkele facturen de naam A geschrapt werd en vervangen werd door de naam L. Aldus ligt een factuur voor van 7 juni 1963 betreffende een ploeg alsook een factuur van 26 april 1963 betreffende een tractor en tot de goederen die het voorwerp waren van de overeenkomst van 15 mei 1964 behoorden ook een tractor met ploeg. ¿ ten onrechte gebruikt appellant de stukken 2 en 3 om aan te tonen dat hij de aardappelmachine, bedoeld in de overeenkomst van 15 mei 1964, zelf had gekocht en het stuk 8 om aan te tonen dat hij voor zijn nieuwe handelszaak een nieuwe aardappelmachine aankocht, nu blijkt dat de 3 stukken op één en dezelfde aardappelopzakker met platform betrekking hebben (op 6 juli 1974 werd de aardappelopzakker besteld - zie stuk 3 - , op 29 juli 1964 werd hij geleverd en werd er 25.000 oude BEF contant betaald - zie stuk 2 - , op 5 oktober 1964 gebeurde de facturatie - zie stuk 8) ¿ waar appellant erop wijst dat hij toch geen machines zou overnemen die hij in het kader van zijn zelfstandige activiteit niet nodig had, blijkt hij op 23 mei 1964 een overname gedaan te hebben van de zaak E. V - D , dit is een zaak ¿Dorsondernemer-sproeier-landbouwmachines' waarbij ook begrepen was een dorschmachine en tractors zodat het wel waarschijnlijk is dat hij de machines die het voorwerp waren van de overeenkomst van 15 mei 1964, zou gebruiken voor zijn zelfstandige zaak. ¿ waar volgens appellant de goederen die het voorwerp waren van de overeenkomst van 15 mei 1964, nadien door zijn ouders werden overgelaten aan R.D, blijkt dat deze overeenkomst van verkoop van landbouwbedrijf vroeger tot stand kwam, namelijk op 21 april 1964, en dat de materialen die daarin begrepen waren, niet nader zijn omschreven. ¿ appellant blijkt voorts geen afdoend antwoord te hebben op pertinente vragen van geïntimeerden zoals de vraag waarom hij de machines niet rechtstreeks heeft verkocht aan zijn broer R Deze omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen als vermoedens waarop het Hof zich kan steunen om de overeenkomst uit te leggen als een overeenkomst waarbij de daarin vermelde goederen werden overgelaten door A.D en A.V aan L.D, dit alles overeenkomstig de hoedanigheid die ze zich bij de ondertekening toeëigenden. Het beroep van appellant is op dat punt niet gegrond.
  11. DE INTRESTEN De boedelnotaris heeft conventionele intresten in aanmerking genomen voor de periode van vijf jaar voorafgaandelijk aan de dagvaarding van 23 november
  12. De eerste rechter heeft niet gezegd dat er op dat punt een aanpassing moet gebeuren van de staat van vereffening en verdeling. Zijn argumentatie in verband met de niet toepasselijkheid van artikel 2277 B.W. op schulden die de koopprijs zijn van goederen, is hier niet relevant aangezien de toepassing van artikel 2277 B.W. gebeurt niet op schulden die de koopprijs zijn van goederen maar op de intresten die volgens overeenkomst jaarlijks zouden vervallen. Het Hof stelt vast dat de som van 291.000 oude BEF (7.213,70 EUR) diende terugbetaald te zijn in mei 1969 en dat tot die datum een conventionele rente was overeengekomen. De conventionele intrest loopt niet verder dan mei
  13. Artikel 1153, eerste lid B.W. bepaalt dat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest bestaat, behoudens wettelijke uitzonderingen. Vanaf de vervaldag kan na ingebrekestelling moratoire intrest gevorderd worden. Er blijkt echter geen ingebrekestelling gebeurd te zijn voorafgaandelijk aan de dagvaarding van 23 november
  14. Er kunnen derhalve geen intresten in aanmerking worden genomen voor de periode die voorafging aan het openvallen van de nalatenschap. Het recht van de decuius op betaling van een schuld wordt vervangen door het recht van de medeërfgenamen op inbreng. Deze hebben niet langer een individuele vordering tot betaling ten belope van hun aandeel maar een vordering tot verdeling tijdens de welke die schuld globaal dient ingebracht te worden. De erfgenamen die geen vordering tot betaling hebben, kunnen dus al evenmin een aanmaning tot betaling doen die de intresten doet lopen. In te brengen schulden brengen evenwel, zoals in te brengen schenkingen, van rechtswege intresten op vanaf het openvallen van de nalatenschap, zelfs al werd er geen interest bedongen. De boedelnotaris nam de gerechtelijke intresten op het bedrag van 291.000 oude BEF in aanmerking vanaf 23 november
  15. Artikel 856 B.W. is een wettelijke grondslag om de gerechtelijke intresten toe te kennen vanaf het openvallen van de nalatenschap en is dus zeker een afdoende grondslag om de gerechtelijke intresten vanaf 23 november 1973 in aanmerking te nemen. Rest nog enkel de vaststelling dat er niemand der partijen de afhandeling van de vereffening en verdeling heeft benaarstigd in de periode tussen 13.09.1976 (datum van conclusies van Mter De Munter voor L.D) en 31.12.1987 (datum van de conclusies voor V.A, B.D en D.D). De vertraging in de afhandeling van de vereffening en verdeling gedurende meer dan 10 jaar is toe te schrijven aan de nalatigheid van geïntimeerden. Het artikel 856 B.W. verplicht niet tot toekenning van gerechtelijke intresten in de mate dat het uitblijven van de verdeling te wijten is geweest aan de nalatigheid van degenen die recht hadden op de inbreng. Het Hof besluit dat de gerechtelijke intresten op 291.000 oude BEF (7.213,70 EUR), in aanmerking genomen vanaf 23 november 1973, niet verschuldigd zijn voor de periode van 13.09.1976 tot 31.12.1987 Wat betreft de intresten op de lening van 100.000 oude BEF (2.478,94 EUR) was er voor de eerste rechter geen reden om de staat te doen wijzigen. In beroep is er geen argumentatie aangevoerd om de intresten ten bedrage van 23.750 oude BEF (588,75 EUR) te doen weren. Betreffende de gerechtelijke intresten gelden dezelfde beschouwingen als deze gemaakt met betrekking tot de schuld ten bedrage van 291.000 oude (7.213,70 EUR).
  16. Uit het hogerstaande volgt dat het beroep geen tergend en roekeloos karakter heeft. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Neemt akte van de gedinghervatting van L.D, van B.D en van D.D voor hun overleden moeder A.V. Verklaart het principaal beroep, het incidenteel beroep en de vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ontvankelijk. Verklaart het principaal beroep deels gegrond, deels ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep en de eis tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet in mate dat er thans beslist wordt: - dat de zwarigheid met betrekking tot de lening van 15 mei 1964 ten belope van 3.718,40 EUR (150.000 oude BEF) gegrond is en dat dienvolgens dit bedrag en de gerechtelijke intresten op dit bedrag moeten geweerd worden uit de staat van vereffening en verdeling; - dat de zwarigheid met betrekking tot de conventionele intresten op 7.213,70 EUR (291.000 oude BEF) gegrond is en het bedrag van 1.442,74 EUR (58.200 oude BEF) moet geweerd worden uit de staat van vereffening en verdeling; - dat de zwarigheid met betrekking op de gerechtelijke intresten op 7.213,70 EUR (291.000 oude BEF) en op 2.478,94 EUR (100.000 oude BEF) in die mate gegrond is dat de gerechtelijke intresten moeten in aanmerking genomen worden over de periode van 23 november 1973 tot de definitieve staat behalve van 13.09.1976 tot 31.12.1987; - dat de rechtsplegingsvergoeding van de eerste aanleg gecompenseerd wordt en dat de overige kosten van de eerste aanleg, begroot op 66,19 EUR (2.670 oude BEF) ten laste vallen van de massa Bevestigt Voor het overige het bestreden vonnis. Compenseert de rechtsplegingsvergoeding van de aanleg in hoger beroep. Legt de overige kosten van deze aanleg in hoger beroep bij helften ten late van elke partij. Begroot deze overige kosten voor appellant op 186 EUR uit hoofde van rolrecht en voor geïntimeerden op 108,51 EUR (dagvaarding in gedwongen tussenkomst) Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de elfde-bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op heden 24 maart
  17. Aanwezig: - Patrick De Buck, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend, - Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.