id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050404.23 Rolnummer: 2004/AR/813 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-26 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 05:31 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Art.16 Faill.W. - betaling in handen van de notaris daags voor het faillissement die na het faillissement verschillende schuldeisers uitbetaalt- tijdstip waarop gelden het vermogen van de gefailleerde verlaten hebben - art.18 Faill.W. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - 16 Wet - 08-08-1997 - 18 Tekst van de beslissing in de zaak van : C.V.B.A. OOSTVLAAMS BEROEPSKREDIET, met maatschappelijke zetel te 9240 Zele, Dokter Armand Rubbensstraat 45 en met ondernemingsnummer 0 400 154 890, appellante, hebbende als raadsman mr. Marleen Verburgt, advocaat met kantoor te 9820 Merelbeke, Gaversesteenweg 575, tegen Mr. Johan GHEKIERE, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure 15, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van S.V uitgesproken op 06.05.1999, geïntimeerde q.q., ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Geert Waeterloos, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Willem van Nassaustraat 4, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 7 maart 2005 in hun middelen en conclusies. De stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift van 23 maart 2004 stelt de C.V.B.A. Oost-Vlaams Beroepskrediet (hierna OVB of appellante) hoger beroep in tegen het vonnis van 20 november 2003, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (A.R. 99/2986/A). I. Feiten en procedure in eerste aanleg.
- Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent van 6 mei 1999 wordt de Heer S.V in staat van faillissement verklaard en geïntimeerde q.q. als curator aangesteld. De datum van staking van betaling wordt vastgelegd op 6 november 1998 (stuk 8 van het dossier van geïntimeerde). De HeerV gedroeg zich naar de wijsheid van de rechtbank met betrekking tot het terugplaatsen van de datum van staking van betalen. Op 5 mei 1999 wordt door notaris Van Der Auwermeulen de notariële akte verleden met betrekking tot de verkoop van de private woning van de gefailleerde. Deze verkoop werd gedaan door de HeerV en zijn echtgenote, met wie hij gehuwd was zonder huwelijkscontract, tegen de koopsom van 3.000.0000 BEF ( euro 74.368,06), waarvan op 27 februari 1999 een voorschot van 10% betaald was. Het saldo van de koopsom, 2.700.000 BEF ( euro 68.170,72) werd betaald op 5 mei 1999 en door de notaris aan de schuldeisers van de HeerV uitgekeerd. Op die manier werd op 6 mei 1999 een bedrag van 700.000 BEF ( euro 17.352,55) op de rekening van appellante overgeschreven. Een saldo van 49.674 BEF ( euro 1.231,39) werd aan de echtgenotenV overgemaakt. De notaris maakt op 19 mei 1999 een kopie over aan de curator van de rangregeling die gemaakt werd voor de aanwending van de koopsom (stuk 6 van het dossier van geïntimeerde). Appellante had de betaling van deze 700.000 BEF ( euro 17.352,55) als voorwaarde gesteld voor de handlichting van haar bewarend beslag op het pand, dat zij op 1 december 1998 gelegd had. Op het ogenblik van het faillissement beschikt de gefailleerde ook nog over een ander onroerend goed (cfr. stuk 6 van het dossier van appellante), dat verkocht is en waarvoor de rangregeling tot op datum van de pleidooien niet gemaakt is.
- De eerste rechter oordeelde dat de betaling aan appellante niet tegenstelbaar is aan de boedel van het faillissement en veroordeelde haar om deze som terug te betalen, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 december
- Het eerste vonnis is gemotiveerd onder verwijzing naar artikel 16 Faill.W.. De koopsom behoorde toe aan de verkoper tot de effectieve uitkering door de notaris, aldus de eerste rechter (p. 3 van het bestreden vonnis). II. Procedure in hoger beroep - grieven.
- Appellante werpt als grief op dat de eerste rechter ten onrechte toepassing gemaakt heeft van artikel 16 Faill.W.. In subsidiaire orde is appellante van oordeel dat geen toepassing gemaakt kan worden van artikel 18 van dezelfde wet.
- Geïntimeerde brengt de volgende middelen en argumenten aan: 1) terecht heeft de eerste rechter toepassing gemaakt van artikel 16 Faill.W.; 2) indien de notaris een mandaat zou gehad hebben om de gelden te innen en uit te betalen aan de schuldeisers, wat niet bewezen is, dan nog is dat mandaat vervallen ten gevolge van de failliet verklaring; 3) subsidiair moet toepassing gemaakt worden van artikel 18 Faill.W..
- De drie voorgaande punten vormen de betwisting die in graad van beroep overblijft. III. Beoordeling. De toepassing van artikel 16 Faill.W..
- Om te bepalen of de betaling van 700.000 BEF ( euro 17.352,55) aan het OVB al dan niet tegenstelbaar is aan de boedel van het faillissement moet een analyse gemaakt worden van de opeenvolgende handelingen. Op een niet nader gekend tijdstip in januari 1999 tekenen de echtgenotenV een onderhandse akte tot verkoop van hun gezinswoning. Op 15 maart 1999 verleent het OVB akkoord tot het verlenen van handlichting van het bewarend beslag, mits haar een bepaald bedrag uitgekeerd wordt. De echtgenotenV gaan akkoord met deze voorwaarde. Op 5 mei 1999 ontvingen de echtgenotenV via de tussenpersoon van de notaris de betaling van de koopsom van hun huis en betaalden ze dezelfde dag nog verschillende schuldeisers. Op 6 mei betaalt de notaris verschillende schuldeisers van de HeerV, waaronder het OVB uit, en maakt hij het saldo aan de echtgenotenV over. Aldus ontving de notaris ten laatste op 5 mei 1999 een mandaat van: 1) de beide echtgenotenV om 1) de koopsom in ontvangst te nemen en 2) onmiddellijk te betalen aan het OVB (en andere schuldeisers volgens een thans niet gekende rangregeling) ter aflossing van de schuld van de HeerV, in uitvoering van de overeenkomst tot handlichting van het bewarend beslag mits betaling van een bepaalde som van 19 maart 1999; 2) het OVB om in haar plaats de overeengekomen 700.000 BEF ( euro 17.352,55) aan te nemen en deze daarna door te storten aan het OVB. In werkelijkheid zijn de mandaten zelfs vroeger tot stand gekomen. Kort na 15 maart 1999 aanvaardden de echtgenotenV een deel van de opbrengst van de verkoop van hun echtelijke woning aan te wenden voor de aflossing van de schuld van de HeerV bij het OVB. Door dit te aanvaarden ontstond bij het OVB en bij de echtgenoten de wil om een mandaat te verlenen aan de notaris, dat deze laatste ten laatste bij het ontwerpen van de authentieke akte aanvaardde (toepassing van artikel 1984 B.W.). Uit deze analyse kunnen twee conclusies getrokken worden: 1) de thans betwiste 700.000 BEF ( euro 17.352,55) was uit het vermogen van de Heer (en Mevrouw)V verdwenen daags voor het faillissement. De Heer en MevrouwV hebben geen enkele schuldvordering meer tegenover de notaris; 2) het mandaat van de Heer en MevrouwV aan de notaris was op 5 mei 1999 volledig uitgevoerd en dus beëindigd. Enkel het mandaat van de bank diende nog gedeeltelijk door de notaris uitgevoerd te worden, namelijk de storting van de gelden op rekening van de bank. Vanaf het verlijden van de notariële akte op 5 mei 1999 en het betalen van de koopsom door de koper van het huis, is het het OVB die een schuldvordering heeft op de notaris. De toekomstige gefailleerde heeft na 5 mei 1999 geen enkele juridische handeling meer gesteld met betrekking tot de verkoop van de echtelijke woning en de betaling van de overeengekomen som aan het OVB. De uitbetaling op 6 mei aan het OVB is hoe dan ook niet meer dan de voltrekking van de overeenkomsten die eerder tot stand gekomen zijn. Niet de voltrekking maar het feit dat de betaling gegenereerd heeft is van belang om het tijdstip van betaling te bepalen (VEROUGSTRAETE, I., Manuel de la faillite et du concordat, ed. 2003, Kluwer, Brussel, p. 327, nr. 512). Uit het voorgaande volgt nog dat het irrelevant is dat het mandaat van de HeerV aan de notaris een einde neemt ingevolge het faillissement, nu het reeds voor het faillissement beëindigd was, door de volledige uitvoering ervan. Ten overvloede wordt er nog op gewezen dat een mandaat niet schriftelijk dient te worden overeengekomen om rechtsgeldig te zijn. Uit de gegeven uitvoering blijkt het bestaan van de verschillende lastgevingen.
- Gelet op het voorgaande is artikel 16 Faill. W. niet van toepassing wat de som van 700.000 BEF ( euro 17.352,55) betreft, die aan het OVB betaald werd. Het bestreden vonnis wordt wat de motivering met betrekking tot artikel 16 Faill.W. betreft, hervormd. Toepassing van artikel 18 Faill.W..
- Opdat artikel 18 Faill.W. toegepast zou kunnen worden moeten vier voorwaarden cumulatief voldaan zijn: 1) er moet een betaling van een vervallen schuld gebeurd zijn; 2) in de periode na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring; 3) aan een schuldeiser die kennis had van de staking van betaling; 4) met een nadeel voor de schuldeisers in het algemeen (miskenning van de gelijkheid onder de schuldeisers). Het gaat om een feitenkwestie die tot de soevereine appreciatie van het Hof behoort. 1) De betaling van een vervallen schuld. Hierover bestaat geen betwisting. 2) Betaling tijdens de verdachte periode. Ook hierover bestaat geen betwisting. 3) Kennis van de staking van betaling (cfr. VEROUGSTRAETE, I., op. cit., p. 351-352, nr. 570). De vraag of appellante kennis had van de staking van betaling van de HeerV is een feitenkwestie. De bewijslast berust bij de curator. Het geheel van de volgende elementen is relevant in de voorliggende zaak: Enerzijds: - de opzegging van het krediet op 23 juni 1998; - het bewarend beslag op 1 december 1998, in uitvoering van een beschikking van de beslagrechter op verzoek van appellante op 19 november 1998; - de toestemming tot handlichting in geval van onderhandse verkoop met afbetaling van een deel van de koopsom aan het OVB; - het feit dat appellante uitstel van betaling gaf bij het verrichten van afbetalingen; Anderzijds: - de omstandigheid dat de HeerV afbetalingen deed aan appellante; - het feit dat het OVB na de opzegging van het krediet niet overging tot het leggen van een uitvoerend beslag op het onroerend goed, hoewel zij op dat ogenblik over een hypothecaire inschrijving beschikte; - het feit dat appellante niet de huisbankier was van de HeerV. Geïntimeerde q.q. weerlegt de argumentatie van appellante niet dat zij niet de huisbankier was van de HeerV. Het loutere feit dat de verkoop en de betaling de dag voorafgaand aan de dag van het faillissement gebeurden, is onvoldoende om te besluiten dat appellante kennis had, nu de verkoop van het huis reeds enkele maanden voorbereiding kende. De omstandigheden dat de HeerV afbetalingen deed, is sterk afgezwakt door het feit dat hij niet bij machte was dit stipt te doen, wat appellante noodzaakte termijnen toe te staan. Het feit dat het OVB niet overging tot verkoop van het huis op het ogenblik dat zij het krediet opzegde, is niet zozeer te verklaren door het feit dat zij oordeelde dat appellante nog kredietwaardig was. Het is veeleer te verklaren door het feit dat op het ogenblik van de opzegging van het krediet het schuldsaldo 4.278.747 BEF bedroeg (p. 2 eerste conclusie van huidige appellante voor de eerste rechter), terwijl het huis volgens het schattingsverslag slechts 3.000.000 BEF waard was (stuk 5 van het dossier van geïntimeerde q.q.). Appellante had meer belang bij elke poging tot afbetaling door de HeerV dan bij een onmiddellijke uitwinning. Dat appellante niet de huisbankier was van de HeerV is een element, maar weegt niet op tegen alle andere hiervoor opgesomde elementen, die ernstige en gelijklopende vermoedens vormen dat appellante kennis had, minstens niet anders kon dan kennis hebben van het feit dat de HeerV opgehouden was te betalen. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de derde voorwaarde voldaan is. 4) Miskenning van de gelijkheid van schuldeisers - nadeel voor het geheel der schuldeisers (cfr. VEROUGSTRAETE, I., op. cit., p. 351, nr. 570, met referenties in voetnoten 43 en 44). De verkoop zoals hij nu uitgevoerd is, betekent een nadeel voor de massa. Appellante is een chirografaire schuldeiser in geval haar schuldvordering in de massa zou vallen. De terugbetaling van de 700.000 BEF ( euro 17.352,55) zou derhalve het geheel der schuldeisers ten goede komen, zodat ook de vierde voorwaarde vervuld is.
- Op grond van het voorgaande is de betaling van 700.000 BEF ( euro 17.352,55) aan appellante zoals uitgevoerd op 6 mei 1999 door de instrumenterende notaris niet tegenstelbaar aan de boedel van het faillissement. De terugstorting door appellante aan de boedel wordt bevolen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. Conclusie.
- De oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde q.q. is gegrond. Het bestreden vonnis wordt volledig bevestigd, zij het op andere gronden. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. OM DEZE REDENEN, Het Hof, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger principaal beroep toelaatbaar, en gegrond in de hierna volgende mate; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden; Veroordeelt appellante tot betaling van de gedingkosten, begroot in hoofde van geïntimeerde q.q. op: p.m. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op vier april tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div