← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050404.24

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050404.24 Rolnummer: 2005/AR/RK/74 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 05:31 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Algemeen (bevoegdheid) GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Bevoegde overheid GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Universele Verklaring Rechten van de Mens van 10 december 1948 (VN) Vrije woorden: Schrapping registratie aannemer gepubliceerd--kort geding--toegang tot de rechter (geen schending)-- vordering tot publicatie van een erratum--maatregel kan door rechterlijke macht niet bevolen worden Tekst van de beslissing in de zaak van : B.V.B.A. BOUWCONSTRUCT, met maatschappelijke zetel te 9880 Aalter, Ambachtenlaan 16 en met ondernemingsnummer 0 466 553 865, appellante, hebbende als raadslieden mr. Antoon Lust, advocaat met kantoor te 8200 Sint-Andries-Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan 14 en mr. Peter Bracke, advocaat met kantoor te 9000 Gent, D. Van Monckhovenstraat 13, tegen

  1. de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, onder wiens bevoegdheid de Federale Overheidsdienst Financiën valt, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 en met burelen te 1000 Brussel, Bisschoffsheimlaan 38,
  2. de REGISTRATIECOMMISSIE VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, rechtspersoon naar publiek recht, in rechte vertegenwoordigd en optredend door haar Voorzitter, met burelen te 9000 Gent, Savaanstraat 11, bus 1, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Christel Hantson, advocaat met kantoor te 9600 Ronse, Zonnestraat 20, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 14 maart 2005 in hun middelen en conclusies. De stukken werden ingezien. Bij dagvaarding van 3 maart 2005 stelt de B.V.B.A. Bouwconstruct (hierna Bouwconstruct of appellante) hoger beroep in tegen de beschikking van 1 maart 2005, op tegenspraak gewezen door de Voorzitter van de rechtbank van Eerste Aanleg te Gent (A.R. 05/47/C). I. Feiten en procedure in eerste aanleg.
  3. Op 26 juni 2001 wordt appellante geregistreerd als aannemer (stuk 10 van haar dossier). Op 28 januari 2003 ontvangt appellante een aangepast registratienummer, ingevolge haar inlichting aan de Registratiecommissie dat het aantal werknemers gewijzigd is en de maatschappelijke zetel overgeplaatst. Overeenkomstig artikel 7,§ 1 van het K.B. van 26 december 1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals achteraf gewijzigd en zoals bekrachtigd door artikel 2,4° van de Wet van 23 maart 1999, www.juridat.be/cgi_loi/wetgeving.pl (hierna K.B. 26 december 1998) geeft de melding van een wijziging van adres van de maatschappelijke zetel aanleiding tot een volledig nieuwe procedure tot registratie, alsof het een eerste maal betreft.
  4. Op 1 juli 2004 ontvangt appellante een aangetekend schrijven van de Registratiecommissie, waarin haar meegedeeld wordt dat de Commissie vanwege de FOD Sociale Zekerheid - Sociale Inspectie een verzoekschrift heeft ontvangen, met het voorstel haar registratie te schrappen, overeenkomstig artikel 15.1 van het K.B. van 26 december
  5. Het verzoek is gebaseerd op artikel 8.4° van hetzelfde K.B. (ernstig gevaar dat de betrokkene zijn fiscale of sociale verplichtingen niet zal nakomen - dit is een facultatieve schrappingsgrond). De Commissie heeft ambtshalve de dwingende rechtsgrond van artikel 9, §1, 3° van hetzelfde K.B. ingeroepen (ten achteren zijn met de betaling van sociale bijdragen: op 22 juni 2004 heeft appellante nog een achterstand aan sociale bijdragen van euro 89.937 voor het eerste kwartaal van 2004). Appellante wordt in dezelfde brief uitgenodigd om binnen de 10 dagen bewijskrachtige stukken in te dienen die aantonen dat ¿de voorgenomen schrapping niet gerechtvaardigd zou zijn¿. Op 3 juli 2004 vraagt appellante schriftelijk inzage in haar dossier. Op 20 augustus 2004 deelt de Registratiecommissie aan appellante mee op welke datum en uur zij gedeeltelijk inzage kan nemen in haar dossier. Het inzagerecht is slechts gedeeltelijk op grond van artikel 6, §1, 5° (de opsporing en de vervolging van strafbare feiten) en van artikel 6, §2, 1° (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer) van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Appellante wordt gehoord door de Registratiecommissie op 5 oktober
  6. Dezelfde dag beslist de Registratiecommissie de registratie van appellante te schrappen en dit op grond van de artikelen 10 en 15.1, 8.1° juncto 2.13° (facultatieve schrappingsgrond) en 9,3° (dwingende schrappingsgrond) van het K.B. van 26 december
  7. Een eensluidende kopie van de beslissing wordt op 14 oktober 2004 aan appellante betekend.
  8. Appellante vraagt de herziening van deze beslissing op grond van artikel 30bis, §2, zesde lid van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 401, §2, derde lid WIB
  9. Op 14 december 2004 wordt appellante gehoord en wordt haar verzoek tot herziening verworpen. De beslissing is gegrond op artikel 5, §2 (lees volgens appellante: artikel 15, eerste lid, 2°) van het K.B. van 26 december
  10. De weigering wordt betekend op 22 december
  11. Op 5 januari 2005 dagvaardt appellante geïntimeerden tegen de beslissing tot weigering tot herziening voor de Rechtbank van Eerste Aanleg in toepassing van artikel 30bis, §2, vijfde lid van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 401, §2, tweede lid WIB
  12. De zaak wordt ingeleid op 20 januari
  13. De rechtbank is op grond van artikel 401, §2, tweede lid WIB 1992 algemeen bevoegd overeenkomstig artikel 568 Ger. Wb.. Op 21 januari 2005 verneemt appellante dat de Registratiecommissie haar beslissing zou hebben laten publiceren in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004, waardoor de beslissing vanaf 10 januari 2005 ten aanzien van derde uitwerking zou hebben. Op 25 januari 2005 dagvaardt appellante in kort geding om de bekendmaking van de schrapping van de registratie als aannemer ongedaan te maken en een erratum te publiceren binnen de 48 uur na de betekening en het bevel op straffe van een dwangsom, tot ten gronde definitief zal beslist zijn over de vordering van 5 januari
  14. Op de inleidingszitting van 28 januari 2005 verneemt appellante dat de publicatie die dag in het Staatsblad verschenen is. Huidige appellante past haar eis aan dit gegeven aan. De zaak wordt behandeld op 14 februari 2005 en op 1 maart wordt de bestreden beschikking uitgesproken, waarbij de vordering van appellante verworpen wordt. II. Procedure in hoger beroep - grieven.
  15. Appellante is van oordeel dat de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 144 en 145 van de Grondwet geschonden zijn, doordat een bestuurlijke beslissing, die volgens haar op determinerende wijze subjectieve rechten raakt, ten uitvoer is gelegd vooraleer appellante de mogelijkheid gehad heeft het geschil te onderwerpen aan een rechter met volle rechtsmacht, terwijl de genoemde wetsbepalingen een effectieve toegang tot de rechter waarborgen. De eerste rechter heeft dit middel niet beantwoord. In bijkomende orde is appellante van oordeel dat het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel geschonden zijn, doordat het bestuur overgegaan is tot publicatie, terwijl het bestuur niet verplicht is de beslissing te publiceren zolang ze niet definitief geworden is (door het laten verstrijken van de termijn van 20 dagen om bij de gewone rechter in beroep te gaan) (p. 23 van de dagvaarding in hoger beroep). Verder (p. 25 van dezelfde dagvaarding) schrijft appellante dat de overheid hoe dan ook haar appreciatiebevoegdheid behoudt om al dan niet haar beslissing tot schrapping te publiceren en zij daarbij tot zorgvuldigheid en evenredigheid gehouden is. Door te publiceren na de dagvaarding voor de gewone rechter zijn die beginselen geschonden. In de dagvaarding en ook tijdens haar pleidooi wijst appellante erop dat zij slechts beperkt inzage gekregen heeft in haar dossier, zodat zij zich niet met volle kennis van zaken zou kunnen verdedigen hebben. Subsidiair werpt appellante op dat de beslissing van de overheid niet manifest onwettig moet zijn opdat een wachttoestand gecreëerd zou worden door de kort gedingrechter, maar dat een belangenafweging moet gebeuren, waarbij de aanspraken van appellante niet elke waarschijnlijk-heid mogen missen. Bij de bespreking van dit onderdeel van haar vordering bespreekt appellante in belangrijke mate de grond van de zaak.
  16. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. III. Beoordeling.
  17. Niet betwist tussen partijen is: ¿ de Registratiecommissie die oordeelt over de registratie en de eventuele intrekking ervan neemt enkel een administratieve beslissing (Cass., 22 november 1985, Arr.Cass., 1985-'86, 359). Deze commissie heeft een bestuurlijke en geen rechterlijke bevoegdheid; ¿ de registratie is een subjectief recht; ¿ de beslissing tot intrekking van de registratie is uitvoerbaar bij voorraad vanaf de kennisgeving bij een ter post aangetekend schrijven, op grond van artikel 401 §2 van het Wetboek van Inkomsten-belastingen 1992 (zoals achteraf gewijzigd); ¿ de commissie beschikt over een appreciatie en niet over een gebonden bevoegdheid om al dan niet de uitvoerbare beslissing te publiceren; ¿ appellante heeft geen volledige inzage gekregen van haar dossier bij de registratiecommissie - voor de eerste beslissing, noch voor het verzoek tot herziening. Zij kon slechts een gedeelte van de stukken inkijken en kon geen kopies maken.
  18. De rechter in kort geding moet 1) vaststellen dat de zaak dringend is en 2) de belangen van partijen afwegen. De hoogdringendheid.
  19. Partijen betwisten evenmin de hoogdringendheid van de zaak. Terecht oordeelde de eerste rechter dat in de oorspronkelijke dagvaarding de hoogdringendheid opgeworpen werd en de kort gedingrechter derhalve bevoegd is. De belangenafweging.
  20. Indien vastgesteld wordt dat onmiddellijke schade dreigt indien een bepaalde bewarende maatregel niet genomen wordt, dient niet nader ingegaan te worden op het verweer van degene tegen wie de maatregel gevraagd wordt en dat gebaseerd is op het materiële recht (Cass., 4 februari 2000, R.W., 2000-'01, 813

(814)). De kortgedingrechter onderzoekt de ogenschijnlijke en niet de werkelijke rechten van de partijen. Bij dat onderzoek mogen geen rechtsregels betrokken worden die de bevolen maatregel in redelijkheid niet kunnen schragen (Cass., 5 mei 2000, R.W., 2000-'01, 589, met conclusie A.G. Brusseleers). De volgende belangen zijn in het geding.
  1. Enerzijds is het gevolg van de schrapping van de registratie dat appellante niet meer vrij over haar middelen, meer bepaald over haar inkomsten, kan beschikken. 30% van haar inkomsten moeten rechtstreeks aan de RSZ en de belastingsdiensten overgemaakt worden. Verder heeft de publicatie van de schrapping van de registratie een weerslag op de reputatie van appellante. Tenslotte komt appellante in principe niet meer in aanmerking voor overheidsopdrachten, nu in de gunningsprocedure het registratienummer gevraagd wordt. Uit het dossier kan evenwel niet afgeleid worden dat appellante contracteert met de overheid of dit nastreeft. Anderzijds dient de publicatie het algemeen belang, nu de maatregel voor gevolg heeft dat belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid betaald worden. Verder beoogt de publicatie van de intrekking van de registratie derden, zoals eventuele contractanten van de aannemer, te beschermen. De publicatie van de intrekking heeft een signaalfunctie voor het publiek. Derden zijn op de hoogte van de handelswijze en eventuele moeilijkheden die de betrokken aannemer ondervindt bij het naleven van zijn sociaal- en fiscaalrechtelijke verplichtingen. Dit is zo bedoeld door de wetgever. Tenslotte heeft het niet publiceren in geval er achterstallen zijn in de betalingen van sociale bijdragen en belastingen een zeker concurrentie-vervalsend effect ten opzichte van die aannemers die wel (stipt) betalen, nu het niet publiceren in geval van achterstallen de mogelijkheid biedt de achterstallen verder te laten oplopen. Minstens wordt deze mogelijkheid niet uitgesloten. Deze laatste belangen wegen zwaarder dan het belang van de aannemer om de publicatie van de schrapping te laten uitstellen, of zoals hier gevorderd wordt, zelfs ongedaan te doen maken. Dit is des te meer zo omdat appellante op elk ogenblik de mogelijkheid heeft om een nieuwe aanvraag in te dienen in toepassing van het tweede hoofdstuk van het K.B. van 26 december
  2. Appellante schrijft zelf dat de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt bij het beoordelen van een aanvraag tot registratie (p.4 van de dagvaarding in hoger beroep), zodat het voor appellante geen probleem kan zijn een nieuwe aanvraag in te dienen, in de mate zij aan de voorwaarden voldoet om geregistreerd te worden. Mocht uit de procedure ten gronde later blijken dat de schrapping en de publicatie ten onrechte gebeurden, dan kan zij nog een schadevergoeding vorderen. Bij de belangenafweging mag tenslotte niet uit het oog verloren worden dat appellante zelfs tijdens de herzieningsprocedure te kampen had met een betalingsachterstand bij de RSZ (betaling op 7 december 2004 van wat op 31 oktober 2001 verschuldigd was). De beweerde schending van de toegang tot de rechter.
  3. In de voorliggende zaak impliceert het recht op een effectieve toegang tot de rechter en het recht op een effectief herstel in geval een fout van de overheid werd vastgesteld, zoals in de eerste plaats gewaarborgd door het EVRM, niet dat de rechter met volle rechtsmacht zich definitief moet uitgesproken hebben vooraleer de overheid haar beslissing, die op grond van de wet gepubliceerd moet worden en die verder ook nog bij wet uitvoerbaar is verklaard, mag publiceren. In het arrest Conka (E.H.R.M., Conka, 5 februari 2002, www.echr.coc.int, nr. 79, met verschillende referenties naar eigen rechtspraak) bepaalt het E.H.R.M. dat de werkelijke toegang tot de rechter veronderstelt dat een beroep tegen een maatregel de uitvoering van de maatregel kan tegenhouden, die strijdig is met het Verdrag en waarvan de gevolgen potentieel onomkeerbaar zijn. Artikel 13 verzet zich ertegen dat de betrokken maatregelen uitgevoerd zijn vooraleer het onderzoek van de overeenstemming met het Verdrag gebeurd is. De verdragsstaten hebben wel een zekere appreciatiebevoegdheid met betrekking tot de wijze waarop ze zich conformeren aan artikel 13 van het Verdrag. Het arrest Conka, dat appellante aanhaalt, is niet dienstig in de voorliggende zaak. Immers, in de voorliggende zaak zijn de gevolgen van de publicatie niet potentieel onomkeerbaar, nu appellante op elk ogenblik een nieuwe aanvraag tot registratie kan indienen en de overheid daarbij enkel over een gebonden bevoegdheid beschikt. Verder heeft het E.H.R.M. artikel 13 E.V.R.M., dat geen zelfstandig recht toekent, tot nu toe steeds samen gelezen met artikel 3 van het Verdrag en in de zaak Conka met artikel 4 van het 4de Protocol bij het Verdrag. De zaak Conka ging om een strafzaak en een zaak van vreemdelingenrecht. Meer bepaald analyseert het Hof op welke wijze een vreemdeling die opgelegd wordt het grondgebied te verlaten zich daartegen kan verzetten. In de voorliggende zaak gaat het eventueel om artikel 6.1 van het Verdrag (burgerlijke rechten); meer bepaald om de wettelijk voorgeschreven publicatie, waarvan de gevolgen toch minder vérstrekkend zijn (zie hiervoor - met inbegrip van de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag tot registratie in te dienen) dan in geval van het bevel tot het verlaten van het grondgebied. Ten derde zijn ook de arresten van het Arbitragehof, die appellante citeert, niet dienstig in deze zaak. In de verkeerszaken was in eerste instantie geen beroep mogelijk op de rechter. De beslissing tot intrekking van het rijbewijs werd onmiddellijk bij de vaststelling van de feiten genomen en was daarna nog eens twee maal verlengbaar, zonder dat een rechterlijke tussenkomst mogelijk was. Deze mogelijkheid bestaat in geval van de publicatie van de schrapping van de registratie van een aannemer wel degelijk. In de zaak van onmiddellijke inning ging het om een strafmaatregel die genomen kon worden door de Procureur des Konings, zonder enige rechterlijke toetsing vooraf. Hiermee zijn grondbeginselen van het strafrecht geschonden. De maatregel van onmiddellijke inning heeft evenwel geen uitstaans met de publicatie van de schrapping van de registratie van een aannemer en de uitspraken van het Arbitragehof daaromtrent kunnen niet zonder meer ge-extrapoleerd worden naar de voorliggende zaak. Er dient ook gewezen te worden op het feit dat het Arbitragehof in de rijbewijzenzaken zelfs aanvaardt dat de toegang tot de rechter in eerste instantie beperkt wordt (wat in het voorliggende geval niet eens zo is) en verantwoord wordt door het belang van bijvoorbeeld verkeersveiligheid (overweging B.5.
  4. van de arresten nrs. 154 en 156/04 van 22 september 2004, www.arbitrage.be ). Ten vierde heeft appellante de mogelijkheid gehad zich tot de rechter te wenden en heeft zij deze ook benut. Zij heeft op 5 januari 2005 ten gronde en op 25 januari 2005 in kort geding gedagvaard. Op dezelfde dag dat de zaak in kort geding ingeleid werd, werd de schrapping ook gepubliceerd. Dit loutere feit is op zichzelf onvoldoende om te besluiten dat appellante geen effectief recht tot toegang tot de rechter genoten heeft. Indien dit het geval zou zijn, dan zou de overheid de facto nooit meer een schrapping kunnen publiceren, zonder de voorafgaande goedkeuring van de rechter (voor de schending van het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel bij de publicatie: zie verder). De Registratiecommissie nam haar beslissing op 14 december 2004 en publiceerde deze pas op 28 januari 2005, wat niet abnormaal snel is, zodat appellante ook om die reden geen toegang tot de rechter is ontnomen. Ten vijfde beschikt appellante in deze zaak over de mogelijkheid bij een eventuele fout, zowel bij publicatie als bij de beslissing zelf, wat de rechter ten gronde zal beoordelen, over de mogelijkheid tot schadevergoeding. Tenslotte is dit Hof van oordeel dat het algemeen belang en de belangen van de derden - medecontractanten en schuldeisers van de aannemer groter zijn dan het belang van appellante in deze zaak, zodat de wetgever terecht bepaald heeft dat de beslissingen tot schrapping van de Registratie-commissie uitvoerbaar zijn bij voorraad. De publicatie van de schrapping kan beschouwd worden als een uitvoering van de beslissing tot registratie of tot schrapping, maar vindt ook rechtstreeks een grondslag in de wet, namelijk in artikel 401, §3, lid 1 WIB 1992 en artikel 30 van de RSZ wet. Binnen het kader van het prima facie oordeel in kort geding, oordeelt het Hof dat deze bepalingen niet in strijd zijn met de artikelen 6.1 en 13 van het E.V.R.M..
  5. De gewone rechter ten gronde kan een wet niet toetsen aan de grondwet, zodat het a fortiori uitgesloten is dat de kort gedingrechter een maatregel zou bevelen op grond van een ogenschijnlijke schending van de grondwet. De schending van het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel.
  6. Appellante is van mening dat de overheid een discretionaire bevoegdheid had om na de beslissing tot schrapping al dan niet te publiceren. Door te publiceren en wel nadat appellante reeds ten gronde gedagvaard had, zou de Registratiecommissie volgens appellante de voornoemde beginselen geschonden hebben. Het Hof brengt in herinnering dat de publicatie in de eerste plaats gebeurt op grond van artikel 401, § 3, lid 1 WIB 1992 en 30 van de RSZ wet. Dat is in dwingende termen gesteld (¿worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd¿). Dit strookt trouwens met het feit dat de publicatie onder meer bedoeld is om derden te waarschuwen en te beschermen tegen de mogelijke insolvabiliteit van de betrokken aannemer. Prima facie oordeelt het Hof dat het om een gebonden bevoegdheid en niet om een appreciatiebevoegdheid van de Registratiecommissie gaat. Gelet op het feit dat appellante op elk ogenblik een nieuwe registratie kan aanvragen, zijn de genoemde beginselen hoe dan ook niet geschonden in deze zaak, ongeacht het karakter van de bevoegdheid tot publicatie die de wetgever aan de Registratiecommissie verleend heeft. De schending van de rechten van de verdediging.
  7. Appellante weet zich gegriefd doordat zij geen volledige inzage kreeg van haar dossier. De Registratiecommissie baseerde haar beperking van de inzage op artikel 6, §1, 5° (de opsporing en de vervolging van strafbare feiten) en van artikel 6, §2, 1° (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer) van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en deelde dit ook mee aan appellante. Het komt de kortgedingrechter niet toe te oordelen over de juistheid van deze motieven (artikel 584, lid 1 Ger. Wb.). Appellante had ten andere de mogelijkheid om deze beperking apart in kort geding aan te vechten, indien dit werkelijk grievend zou geweest zijn en haar mogelijkheid tot verdediging in de hoorzitting van 5 oktober en 14 december 2004 zou beperkt hebben. De voorgaande belangenafweging blijft ongewijzigd.
  8. Ook de overige middelen die appellante inroept, raken alle de grond van de zaak. De kort gedingrechter is niet bevoegd om er kennis van te nemen (artikel 584, lid 1 Ger. Wb.). Om die reden wordt er niet verder op ingegaan. Ten overvloede wijst het Hof nog op het volgende.
  9. Appellante vordert dat bevolen zou worden dat: - de bekendmaking van de schrapping van de registratie van appellante als aannemer in het Belgisch Staatsblad van 28 januari 2005 ongedaan gemaakt wordt; - dat een erratum in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd wordt; - geïntimeerden zich onthouden van elke mededeling / kennisgeving van de beslissing van 5 oktober en 14 december 2004 zolang niet ten gronde definitief beslist is over de vordering tot vernietiging van de beslissing tot schrapping, die op 20 januari 2005 ingeleid werd. Ongeacht het voorgaande dient vastgesteld te worden dat de rechter in kort geding de gevraagde maatregel niet kan bevelen. Met een dergelijk bevel stelt de rechter zich - zij het tijdelijk - in de plaats van het bestuur. De Rechterlijke Macht is weliswaar bevoegd om een door de administratie bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar vermag niet aan het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen. Ook de rechter in kort geding vermag dit niet (Cass., 19 april 1991, www.juridat.be ). In geval de registratie ten onrechte ingetrokken is, dan is het aan de overheid en niet aan de rechter om te bepalen hoe zij aan de gehekelde toestand zal verhelpen (cfr. concl. A.-G. D'Hoore bij Cass. 19 april 1991, Arr. Cass., 853-854). Het bestuur mag, bij de uitoefening van haar soevereiniteit, weliswaar geen subjectieve rechten krenken, maar dit belet toch niet dat ze zelf oordeelt hoe zij haar macht uitoefent en, in dit opzicht, heeft de rechter haar dan ook geen bevel te geven. De rechterlijke macht vermag niet aan het bestuur zijn beoordelingsbevoegdheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen. De rechter in kort geding kan dat evenmin. De beoordelingsvrijheid van de administratie biedt haar de mogelijkheid de haar meest geschikt lijkende oplossing binnen de door de wet bepaalde grenzen te kiezen (conclusie van A.-G. Dubrulle bij Cass., 4 maart 2004, www.juridat.be, met referenties in voetnoten 3 en 4). Ook in dit verband moet er op gewezen worden dat in geval de publicatie ten onrechte zou gebeurd zijn, wat uit de procedure ten gronde zal moeten blijken, appellante nog steeds een vordering tot schadevergoeding kan indienen. Ook om deze redenen wordt het hoger beroep als ongegrond verworpen. Conclusie.
  10. Op grond van al het voorgaande wordt het hoger beroep toelaatbaar, maar ongegrond verklaard. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, zij het gedeeltelijk op andere gronden. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. OM DEZE REDENEN, Het Hof, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, maar ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellante tot betaling van de gedingkosten, begroot in hoofde van eerste en tweede geïntimeerde telkens op: Rechtsplegingvergoeding: euro 466,
  11. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op vier april tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.