← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050606.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050606.12 Rolnummer: 2004/AR/540 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-02 05:32 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid meningsuiting - art. 19 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid drukpers - art. 25 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Universele Verklaring Rechten van de Mens van 10 december 1948 (VN) Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. ENGELS, (voorheen N.V. Verkoopsconsortium Engels) met maatschappelijke zetel te 9160 Lokeren, Gentsesteenweg 136, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nr. 35.990 en met ondernemingsnummer 0 417 433 857, appellante, hebbende als raadsman mr. Alexander De Meester, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Zonnestraat 11, tegen

  1. N.V. V.R.T., vennootschap van publiek recht, met maatschappelijke zetel te 1043 Brussel, Auguste Reyerslaan 52, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 631.989 en met ondernemings-nummer 0 244 142 664, eerste geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. Dirk Lindemans en mr. Filip De Preter, advocaten met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3,
  2. V.Z.W. BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST AANKOOP, met zetel te 1060 Brussel, Hollandstraat 13, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Patrick Soeteweye, advocaat met kantoor te 3000 Leuven, J.P. Minckelerstraat 90, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 10 januari 2005 en de stukken werden ingezien. 1 PROCEDUREVOORGAANDEN: 1.1 Bij exploot van 8 april 2002 dagvaardde CONSORTIUM ENGELS NV (verder ENGELS NV genoemd): - de NV van publiek recht VRT (verder de VRT genoemd) - de heer J.V (journalist - presentator) - de heer E.W (programmamedewerker) - de heer en mevrouw B.J - A.V (consumenten) - de heer I.M (vertegenwoordiger Test-Aankoop), om te verschijnen voor de 10de Kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. De vordering strekte (in essentie) tot:
  3. het verbod aan de VRT om uitzendingsonderdelen, gewijd aan ENGELS NV op 15 november 2001 en 21 februari 2002 in het programma OMBUDSJAN, alsnog te herhalen (het weze bij uittreksels) en/of er aankondigingen van te doen, onder verbeurte van een dwangsom;
  4. de veroordeling van alle gedaagden (hoofdelijk, solidair of in solidum) tot betaling van 250.000,00 euro (meer accessoria);
  5. de veroordeling van de eerste drie gedaagden (hoofdelijk, solidair of in solidum) tot betaling van 10.000,00 euro (meer accessoria).
  6. het bevel aan eerste twee gedaagden om in een eerstvolgende uitzending van OMBUDSJAN (of opvolger hiervan), na betekening van het tussen te komen vonnis, een integrale tekst (zonder mogelijkheid van commentaar) voor te lezen (m.b.t. een beweerd gebrek aan objectiviteit en een beweerde miskenning van het recht van verdediging vanwege deze gedaagden), onder verbeurte van een dwangsom. 1.2 Op 13 september 2002 legden de heer J, mevrouw V en de heer M conclusies neer, die strekte tot de veroordeling van ENGELS NV tot betaling van een vergoeding van 1.500,00 euro aan elk van hen voor het voeren van een tergend en roekeloos geding. 1.3 Op 16 september 2002 legden de VRT, de heer V en de heer W conclusies neer, waarin zij bij tegenvordering 5.000,00 euro vorderen van ENGELS NV voor het voeren van een tergend en roekeloos geding. 1.4 Bij conclusies/verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst, neergelegd op 8 november 2002, kwam de VZW BELGISCHE VERBRUIKERSUNIE TEST-AANKOOP (verder TEST-AANKOOP genoemd) vrijwillig tussen als verweerster. 1.5 De rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 10de Kamer, verklaarde bij vonnis van 11 december 2003 zowel de hoofdvordering, als de tegeneisen ongegrond. 1.6 Op 26 februari 2004 stelde ENGELS NV hoger beroep in, dat zij alleen richtte tegen de VRT en TEST-AANKOOP. Er werd geen incidenteel hoger beroep ingesteld. 2 VOORWERP VAN DE VORDERING : Voor een gedetailleerde en correcte uiteenzetting van de feiten verwijst het Hof naar het vonnis. Kort samengevat: - Op 19 juni 1999 bestelden B.J en A.V een partij ramen en deuren bij ENGELS NV, die de ramen en deuren alleen moest leveren en niet plaatsen. - Op 31 juli 1999 lieten J en V aan ENGELS NV weten dat zij een opmeting door een opmeter van ENGELS NV wensten en dat, vermits het ging om renovatie, slechts 6% BTW moest worden aangerekend. - Op 24 augustus 1999 gebeurde de opmeting, maar werd aan de kopers de gelegenheid gegeven om achteraf nog eventuele wijzigingen aan te brengen. - Op 25 oktober 1999 werd aan kopers een definitief werkplan overgemaakt; zo zij nu nog wijzigingen wensten, was dit enkel mogelijk mits verrekening na schriftelijke verwittiging en akkoord van ENGELS NV. - ENGELS NV liet op 1 december 1999 aan de kopers weten dat de vrachtwagen op 23 december 1999 zou leveren. Zij vroeg om de goederen eventueel nog te controleren op de fabriek zelf, maar alleszins bij de levering de goederen die niet zouden voldoen onmiddellijk terug mee te geven. - De factuur (die zij al opstelde op 10 december 1999, maar pas overhandigd bij de levering) houdt volgende clausule in: ¿ VASTHECHTINGSATTEST : Ik ondergetekende verklaar dat mijn ramen en deuren tot algehele voldoening werden vastgehecht. Navermelde werken waren hierin niet begrepen : Siliconen aan binnen- en buitenkant, compriband, aansluitlatten, supplementaire vastzetijzers, bekledingen enzovoort.¿ - Deze clausule werd voor akkoord ondertekend door de koper. Op 8 maart 2000 lieten de kopers evenwel weten, dat er vochtinfiltraties waren, dat er een opening was tussen de muur en de profielen en dat de koepel 30 cm te lang was opgemeten. - ENGELS NV antwoordde onmiddellijk op 9 maart 2000, dat de ramen en deuren overeenstemden met de doorgegeven opmeting, maar de aansluitingen/het metselwerk (waarvoor de kopers/bouwheren zelf moesten instaan) niet. - Op 11 april 2000 herhaalden de kopers hun protest, waarop ENGELS NV op 14 april 2000 als volgt antwoordde: ¿
  7. Uw bemerking ¿dat onze firma met haar faktuur nr 3651 een waarborgbewijs heeft afgetekend¿. De tekst op deze faktuur zegt overduidelijk ¿Ik ondergetekende verklaar dat mijn ramen en deuren tot algehele voldoening werden vastgehecht, met uitzondering van siliconenaansluiting aan binnen- en buitenkant, compriband, aansluitlatten of bijkomende vastzetijzers of eender welke bekleding, enz.¿ 2.Besluit Op grond van deze eenvoudige verklaring door U aanvaard, kunnen we niets aan ons schrijven dd. 9/3/00 toevoegen¿ - Op 29 januari 2001 maakten de kopers hun beklag bij de redactie van OMBUDSJAN, waarop contacten zouden gevolgd zijn tussen ENGELS NV en de redactie van OMBUDSJAN waarbij ENGELS NV de versie van de kopers nogmaals zou weerlegd hebben, haar bereidheid zou betoond hebben om naar een oplossing te zoeken (na voorstel tot samenkomst ter plaatse), maar tegelijkertijd zou hebben benadrukt, dat zij geen discussie wilde voeren in de media. - Bij brief van 11 september 2001 richtte E.W, redacteur van OMBUDSJAN, zich in volgende bewoordingen tot ENGELS NV : ¿ Het is de uitdrukkelijke bedoeling van ons programma om een oplossing aan te reiken waar - in dit geval - zowel de consument als het bedrijf baat bij hebben. Aanleiding is, zoals u weet, het dossier van B.J en gelijkaardige klachten die onze kijkers opsturen. Ons interesseert onder meer de leveringsbon waarop - op het moment van de levering - kopers tekenen dat de goederen goed zijn vastgehecht. Deze clausule wordt door u gebruikt als er naderhand problemen rijzen. Een gelijkaardige werkwijze gebruikt u met enkele andere clausules in de documenten. Om de discussie voor u en voor ons in positieve banen te leiden stellen we u voor om samen te werken met Testaankoop. Op onze vraag willen zij, samen met u, de verkoopsvoorwaarden onderzoeken in functie van de wet op de handelspraktijken en de klantvriendelijkheid volgens de regels van modern management. Van de gelegenheid maak ik gebruik om uw bedrijf nogmaals uit te nodigen voor ons programma. We plannen de uitzending hierover op 27 september.¿ - Hierop liet ENGELS NV weten dat zij de litigieuze vasthechtingsclausule sedert +/- december 2000 niet meer op de factuur vermeldt, maar wel op de plaatsingsovereenkomst. Zij herhaalde haar standpunt, maar toonde zich wel bereid om samen te werken met TEST-AANKOOP om haar verkoopsvoorwaarden klantvriendelijker te maken. - Uitgenodigd om toch deel te nemen aan de uitzending van OMBUDSJAN, liet ENGELS NV weten de voorkeur te geven om het geschil te laten beslechten via de rechtbank en niet via de media. Tevens gaf zij een omstandig schriftelijk standpunt weer, met verzoek dit voor te lezen in de uitzending. Dit laatste werd bij fax van 14 november 2001 door de VRT geweigerd. ENGELS NV kon haar standpunt wel komen verwoorden in de uitzending, die geprogram-meerd was op 15 november
  8. - Op 14 november 2001 legde ENGELS NV een eenzijdig verzoekschrift neer, dat strekte tot de veroordeling van de VRT, J.V en E.W om haar schriftelijk standpunt toch voor te lezen tijdens de uitzending. Bij beschikking van 15 november 2001 heeft de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dit verzoek ingewilligd. - Op het derdenverzet dat de betrokkenen hebben ingesteld, oordeelde de Voorzitter evenwel dat niet a priori kon worden vastgesteld, dat de VRT-uitzending misbruik zou maken van de persvrijheid en de rechten (van verdediging ¿) van ENGELS NV zouden worden geschaad. Hij verklaarde het derdenverzet gegrond en het oorspronkelijk verzoek van ENGELS NV bijgevolg ongegrond. - Op 29 november 2001 gaat de uitzending dan door. Over het verloop van de uitzending en de al of niet eerbiediging van de rechten van ENGELS NV heeft elke partij zijn eigen visie en appreciatie. Blijkbaar kwam op het einde van de uitzending een transactie tot stand tussen ENGELS NV en de kopers van de deuren en ramen, die mits betaling door ENGELS NV van het bedrag van 50.000 BEF vóór 10 december 2001 zouden afzien van elke vordering met betrekking tot het gerezen geschil. ENGELS NV heeft dit bedrag tijdig betaald ¿onder voorbehoud van alle recht en zonder nadelige erkenning¿. - Bij brief van 3 december 2001 liet ENGELS NV aan de redactie van OMBUDSJAN weten, dat ze de wijze betreurde waarop de uitzending had plaatsgevonden. Zij beschuldigde de programmamakers van subjectieve berichtgeving en van schending van het recht van wederwoord. Daarop volgden nog onderhandelingen tussen ENGELS NV en TEST-AANKOOP over de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV, die klantvriendelijker werden gemaakt overeenkomstig de richtlijnen van TEST-AANKOOP. - Op 21 februari 2002 legde J.V in de nieuwe uitzending van OMBUDSJAN volgende verklaring af: ¿We hadden het hier in november over het bedrijf ENGELS dat wereldwijd ramen en deuren fabriceert. OMBUDSJAN struikelde toen over een clausule in het verkoopscontract, een clausule die niet door de beugel kon. Het bedrijf ENGELS heeft onderwijl (zoals trouwens in de uitzending beloofd) overleg gepleegd met TEST-AANKOOP en alle verkoopsvoorwaarden voorgelegd. Op advies van TEST-AANKOOP werden sommige verkoopsvoorwaarden gezuiverd van onaanvaardbare clausules. ENGELS gaat er prat op dat ze als eerste in de sector tot zo'n vergelijk met TEST-AANKOOP zijn gekomen. Eind goed al goed. OMBUDSJAN houdt een oogje in het zeil.¿ 3 STANDPUNT VAN DE PARTIJEN : 3.1 Het standpunt van appellante, ENGELS NV, kan kort samengevat worden als volgt : - ENGELS NV moest niet plaatsen, maar alleen leveren en ¿vasthechten¿, wat door fiscale redenen zou verklaard worden, nu in deze voorwaarden alleen 6% BTW verschuldigd zou zijn in plaats van 21%. Zowel de bouwheren als de VRT en TEST-AANKOOP zouden bewust de fiscale finaliteit van deze clausule, waarvan zij op de hoogte moesten zijn gezien de fiscale wetgeving van openbare orde is, miskend hebben. - De vasthechting kon weliswaar niet gebeuren, maar alleen omdat de andere werken (metselen muren aan zijkanten van de ramen ¿) nog niet af waren, wat niet belette dat de afmetingen van de geleverde ramen en deuren wel degelijk conform zouden geweest zijn aan wat was overeengekomen. - De uitzending van 29 november 2001 begon met een karikatuur/parodie, zonder dat ENGELS NV hiervan vooraf op de hoogte werd gebracht; een ironisch filmpje, dat niets met het programma te maken had en waarbij een belachelijk klein raam voor een nieuwbouw werd geleverd door een persoon die met een bestelwagen met het opschrift ENGELS reed. Aldus zouden de zaken verkeerd zijn voorgesteld. - Na het filmpje volgde een uiteenzetting van J.V, die sfeerscheppend en niet relevant zou geweest zijn, waarna I.M zonder het minste bewijs gewag maakte van 10 onrechtmatige bedingen in de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV, wat sterk overdreven zou zijn. - Ook de persberichten vooraf en de uitzending van 21 februari 2002 zouden ten onrechte een negatief beeld van ENGELS NV geschapen hebben. - Het kernprobleem op de werf was niet de opmeting door de aangestelde van ENGELS NV (die volledig juist was); alles liep mis door de renovatiewerken die de bouwheer zonder architect en zonder bouwvergunning verkeerd uitvoerde. - de VRT-uitzending zou niet objectief, neutraal en zakelijk geweest zijn. Er zou inbreuk gemaakt zijn op de vrijheid van verdediging, van meningsuiting en op het beroep van ENGELS NV. Het principe van hoor en wederhoor zou niet gerespecteerd zijn en de beweringen van de bouwheer zouden niet gecontroleerd zijn. De programmamakers gingen nooit ter plaatse en waren blijkbaar rancuneus en bevooroordeeld omwille van de proceduredémarches van ENGELS NV om de uitzending te verbieden of te beïnvloeden. ENGELS NV zou met de loze belofte dat de objectiviteit zou worden gerespecteerd, gedwongen geweest zijn om mee te werken aan het programma. Na het ironisch filmpje liet men onaangekondigd advocaatV aan het woord, om een uiteenzetting te geven die irrelevant en sfeerscheppend zou geweest zijn. Men liet onaangekondigd ook een andere ontevreden klant aan het woord, wiens versie evenmin gecontroleerd werd en die ENGELS NV niet kon tegenspreken vermits zij geen weet had van zijn optreden. De uitzending zou een onevenwichtig karakter gehad hebben: de aangestelden van ENGELS NV zouden amper de tijd gehad hebben om zich te verdedigen, zouden zich niet hebben kunnen voorbereiden en zouden door de presentator onderbroken zijn. Bovendien zou het merk ¿ENGELS¿ misbruikt zijn en zou de handelsbenaming ¿ENGELS¿ onrechtmatig vermeld zijn. - Dit alles zou een fout opleveren in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, dat inhoudt dat de lichtste fout, getoetst aan het optreden van een ¿bonus pater familias', moet worden weerhouden. De principes van de journalistieke deontologie zouden niet aan ENGELS NV kunnen tegengesteld worden. 3.2 Het standpunt van de VRT kan als volgt samengevat worden: - Het programma OMBUDSJAN is een consumentenprogramma dat - met een waarschuwende functie - problemen van particulieren bespreekt met respect voor het standpunt/antwoord van een aangeklaagd bedrijf. - De VRT benadrukt dat het voorwerp van het programma niet zozeer de mogelijke opmetingsfouten waren, maar wel het misbruik van de ¿vasthechtingsclausule¿. ENGELS NV zou nooit betwist hebben dat de deuren en ramen er niet werd vastgehecht of geplaatst, zodat er geen sprake kan zijn dat dit gebeurde ¿naar algehele voldoening¿. - ENGELS NV zou het eerst in aanvullende conclusies neergelegd voor de eerste rechter over een fiscale verantwoording van de ¿vasthechtings-clausule¿ gehad hebben. - De uiteenzetting door J.V ging over de problematiek van de rechterlijke tussenkomst in uitzendingen in het algemeen. Het inleidend filmpje (¿slap-stick¿) was parodiërend en stelde het probleem karikaturaal voor, wat niet zou belet hebben dat het debat een evenwichtig verloop kende en iedereen aan het woord kwam en zijn visie kon geven (zelfs met de chronometer in de hand). - Een journalist geniet van de vrijheid van meningsuiting (EVRM), die alleen beperkt zou kunnen worden door een concrete wetsbepaling, waaraan artikel 1382 van het burgerlijk wetboek niet voldoet, vermits deze bepaling te algemeen is opgesteld. - (Ondergeschikt:) Het criterium waaraan het gedrag van een journalist moet worden getoetst is dat van de normale en voorzichtige journalist. De journalist moet niet volledig neutraal zijn, mag een mening hebben, maar moet in beginsel het ¿woord en wederwoord¿ respecteren. De journalistieke vrijheid impliceert ook een zekere vorm van overdrijving en provocatie. De rechtbanken hebben slechts een marginaal toetsingsrecht. - ENGELS NV zou nooit gedwongen geweest zijn, wel aangeraden, om deel te nemen aan het programma. Er zou geen onrechtmatig gebruik geweest zijn van de handelsnaam ENGELS en de vordering wegens merkinbreuk zou niet ontvankelijk zijn, vermits het merk niet gedeponeerd werd. 3.3 Het standpunt van TEST-AANKOOP kan als volgt samenvat worden: - Ook zij beroept zich op de vrije meningsuiting (art 19 Grondwet); vrijheid die moet afgewogen worden tegenover de belangen van ENGELS NV. Het criterium is dan dat van een normaal zorgvuldig referentiepersoon geplaatst in dezelfde omstandigheden. - Enkel een wet kan het recht op vrije meningsuiting beperken. Het foutbegrip moet grondwetsconform worden geïnterpreteerd. Er is in onderhavig dossier geen sprake van een schending van een wet. Het komt de rechter niet toe om de vrije meningsuiting te begrenzen op grond van een jurisprudentiële zorgvuldigheidsnorm (zie o.a. D. DE PRINS, De burgerlijke rechter en de persvrijheid, R.W. 2000-2001, 1445; Rb. Veurne, 18.2.2000, R.W. 2000-2001, 1463). - I.M gedroeg zich correct. Als vertegenwoordiger van een consumentenorganisatie was hij niet gehouden tot neutraliteit en verwees hij terecht naar onbetamelijke factuurvoorwaarden. - Ook TEST-AANKOOP benadrukt dat het thema van het consumenten-programma in het algemeen de opgedrongen verkoopsvoorwaarden was en meer in het bijzonder de ¿vasthechtingsclausule¿, waarvan ENGELS NV misbruik maakte vermits er nooit een vasthechting heeft plaatsgevonden. - TEST-AANKOOP blijft er bij dat (minstens) 10 bedingen in de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV strijdig waren met de wet op de wet op de handelspraktijken en de bescherming van de consument. ENGELS NV zou uiteindelijk in overleg met TEST-AANKOOP zelfs 14 wijzigingen aangebracht hebben aan haar voorwaarden. 4 HET VONNIS A QUO: 4.1 Verwijzend naar artikel 19 Grondwet stellen de eerste rechters, dat de overheid het recht op vrijheid van meningsuiting niet aan enige beperking mag onderwerpen, maar wel achteraf in maatregelen- in de vorm van bestraffing van misdrijven begaan ter gelegenheid van een meningsuiting - kan voorzien. Aldus kan een partij civielrechtelijk aansprakelijk gesteld worden voor een fout die schade veroorzaakte; een fout die kan bestaan in de schending van de wet of in de schending van de zorgvuldigheidsnorm (criterium : normaal zorgvuldige huisvader, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden). 4.2 Artikel 19 Grondwet vereist evenwel dat de vrijheid van meningsuiting alleen beperkt wordt bij schending van een formele wet (en niet bij schending van een jurisprudentiële zorgvuldigheidsnorm). De eerste rechters zijn van oordeel dat artikel 10 EVRM dergelijke formele wet uitmaakt. Zij verwijzen onder meer naar de arresten van het Europees Hof waarbij de nadruk wordt gelegd op de verplichting van de pers om te berichten ¿ter goeder trouw, teneinde correcte en geloofwaardige informatie te verschaffen, in het licht van de journalistieke deontologie¿. Het criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 burgerlijk wetboek is dan ook de ¿normaal en voorzichtige journalist in dezelfde omstandigheden¿. 4.3 De eerste rechters onderzochten vervolgens de houding/gedragingen van de verweerders en komen tot het besluit dat in het hele verloop van de gebeurtenissen (persberichten, uiteenzetting door J.V, het karikaturaal filmpje of één der uitzendingen) geen fout werd begaan. 5 BEOORDELING: 5.1 Principes : 5.1.1 (Grond-)wettelijke en verdragsrechtelijke context : Artikel 19 Grondwet waarborgt het recht en de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken (lees dus : misbruik maken) van die vrijheid worden gepleegd. De drukpers is vrij en censuur kan nooit worden ingevoerd (art. 25 Grondwet). Ook volgens artikel 10 al. 1 EVRM heeft eenieder recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat ¿de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen¿. Maar dergelijke vrijheid is niet onbeperkt (art. 10 al 2 EVRM), vermits die vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan ¿bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij wet worden voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of rechten van anderen om verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de partijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen¿. 5.1.2 De quasi-delictuele aansprakelijkheid : De grondwettelijke bepaling inzake de vrijheid van meningsuiting voert op het in artikel 1382 van het burgerlijk wetboek vastgelegde grondbeginsel geen beperking in (Cass. 4.12.52, R.C.J.B. 1956, 33 en Pas. 1953.I.215; Cass. 24.1.1863, Pas. 1864.I.110). De rechter kan een partij civielrechtelijk aansprakelijk stellen bij toepassing van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, wanneer hij de aanwezigheid van een foutieve of onvoorzichtige gedraging, het bestaan van schade en het oorzakelijk verband tussen beide bewezen acht. Met de eerste rechters kan worden vastgesteld dat de fout kan bestaan in de schending van de wet of in de schending van de zorgvuldigheidsnorm. De wetgever heeft zich niet gewaagd aan een opsomming van feitelijke toestanden, door rechtssubjecten in het leven geroepen, die de doelstellingen van het aansprakelijkheidsrecht (handhaving openbare orde, eerbied voor andermans rechten, economische welvaart, ¿) in gevaar brengen. Zij zijn dermate verscheiden, veelvuldig en vooral steeds evoluerend, dat ze niet eens voor opsomming vatbaar zijn (F. DUMON, Over de rechtsstaat, R.W. 1979-1980, 354, die het heeft over: ¿ ¿ de oneindige verscheidenheid van de feiten en omstandigheden¿¿; L. CORNELIS, BEGINSELEN VAN HET BELGISCH BUITENCONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT, pg. 13, nr. 83: ¿¿ voor geen opsomming vatbaar ¿¿). De wetgever heeft zich dus begrijpelijkerwijze beperkt tot algemene bepalingen op grond waarvan de rechtspraak het bestaan van een onbegrensd aantal gedragsregels heeft vastgesteld en ook blijft vaststellen, waarvan de inhoud en draagwijdte, steeds variërend in tijd en ruimte, afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden waarin het beoordeeld menselijk gedrag zich voordeed (Brussel, 30.9.1998, R.W. 2000-2001, 93). Het gaat hier niet om zogenaamd ¿rechtersrecht¿. Weliswaar speelt de rechtspraak binnen het kader dat door de wetgever is uitgewerkt over een zeer belangrijke rol bij de nadere invulling van de aansprakelijkheidsvoorwaarden en -regels, maar toch is het niet de individuele rechter die, door recht te spreken, die aansprakelijkheids-voorwaarden bepaalt, doch wel de rechtspraak die als formele bron van het recht is te aanzien (zie : L. CORNELIS, o.c., p. 6). Overigens zijn begrippen als ¿fout¿, ¿gebrek aan voorzichtigheid¿, ¿oorzakelijk verband¿ ¿ rechtsbegrippen of wettelijke begrippen, zodat de feitenrechter in zijn appreciatie of interpretatie ervan kan worden gecontroleerd door het Hof van Cassatie (F. DUMON, o.c., 354). Het foutbegrip van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek stoelt niet op ethische gronden. Het als foutief aangemerkt gedrag wordt niet getoetst aan de persoonlijke mogelijkheden van de beoordeelde persoon. Integendeel, het foutonderzoek impliceert een onderzoek naar een referentiekader met als paradigma de normaal voorzichtige en redelijke mens in dezelfde omstandigheden geplaatst (de ¿bonus pater familias¿); (Cass. 30.4.1976, Arr. Cass. 1976, 980). De aansprakelijkheidsbeoordeling wordt wel aangepast zo de beoordeelde persoon bepaalde vaardigheden heeft of tot een bepaalde beroepscategorie behoort: zo wordt de gedraging van een journalist getoetst aan die van een normaal voorzichtige en redelijke journalist (bonus ac diligens scriptor), deze van een ombudsman aan deze van een normaal voorzichtige en redelijke ombudsman (bonus ac diligens mediator), enz. Wat de journalist betreft: Brussel, 16.2.2001, R.G.A.R. 2002, 13.590; Brussel, 5.2.1999, A.&M. 1999, 274; Brussel, 12.1.2004, A.&M. 2004, 379; Brussel, 10.1.2003, A.&M. 2003, 404; Brussel, 26.10.2001, A.&M. 2001, 88; Brussel, 25.4.2000, Journal des Procès, 9.6.2000, 18; Brussel, 16.11.1999, A.&M. 2000, 117; Brussel, 9.6.1998, J.L.M.B. 1999, 911; Brussel, 21.11.1990, J.T. 1991, 90; Brussel, 16.01.1990, J.L.M.B. 1990, 424; Brussel, 26.10.1989, J.T. 1990, 611; Luik, 20.3.1980, J.T. 1980, 437; Brussel, 14.6.1980, 87; K. LEMMENS, LA PRESSE ET LA PROTECTION JURIDIQUE DE L'INDIVIDU). Er zal onder meer rekening gehouden worden met de beroepsdeontologie en de beroepsethiek (E.H.R.M., 21.12.2004, BUSUIOC t/ MOLDAVIE, nr. 61513/00; E.H.R.M., 25.7.2001, PERNA t/ ITALIE, vnl. § 40, Journal des Procès, 16.11.2001, 22, dat het heeft over: ¿ ¿ respect des règles de la profession de journaliste auquel est soumis l'exercice de la liberté d'expression garantie par l'article 10 ¿¿ : (vrij vertaald: de eerbied voor de deontologie van de journalist, die de uitoefening van de door artikel 10 gewaarborgde vrije meningsuiting beheerst ¿; E.H.R.M., 20.5.1999, BLADET THOMSO & STENSKAS, A.&M. 1999, 376; J. VELAERS, DE BEPERKINGEN VAN DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING, 21; H. VANDENBERGHE, ¿Gemeenrechtelijke aansprakelijkheid voor geschreven persbijdragen' in Mediarecht 1983, ed. L. NEELS, 8; K. LEMMENS, o.c., 368, nr 504; S. HOEBEKE, Abus de presse ou déni de justice, A.&M. 2003, 24, vnl. 27 en 29; P. LAMBERT, ¿La liberté de la presse, la protection de la réputation d'autrui et la CEDH' in LIBER AMICORUM MARC-ANDRE EISSEN, 271; J. CORBET, JURIDISCHE ASPECTEN VAN DE MASSACOMMUNICATIE, VUB 1995, 30). 5.1.3 De persvrijheid en vrijheid van meningsuiting moet worden verzoend met en afgewogen tegenover andere rechten die ook in de Grondwet en in het Internationaal Verdragsrecht zijn erkend. Alleen al het fundamenteel gelijkheidsbeginsel brengt met zich mee dat elkeens rechten en/ of vrijheden eindigen, waar deze van een ander beginnen (of risico lopen geschonden te worden). Het E.H.R.M. onderlijnde meermaals dat de pers een vooraanstaande rol speelt in de rechtsstaat (als zogenaamde ¿waakhond¿) en het recht op een vrije meningsuiting de basis is van de democratie (E.H.R.M., 25.7.2001, Journal des Procès, 16.11.2001, 22). Zonder vrije meningsuiting is er geen, nochtans noodzakelijk, pluralisme. Het is een uitermate beschermingswaardig recht, van determinerend belang bij het behoorlijk functioneren van ons staatsbestel. Zij geldt niet alleen voor de ¿informatie¿ of de ¿ideeën¿ die gunstig worden onthaald of die als onschuldig en onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke de Staat of een andere groep van de bevolking schokken, verontrusten of kwetsen (E.H.R.M., 21.12.2004, BUSUIOC t/ MOLDAVIE, al geciteerd; E.H.R.M., 25.7.2001, PERNA t/ ITALIE, al vermeld). De journalistieke vrijheid impliceert ook de mogelijkheid, om beroep te doen op een zekere vorm van overdrijving of zelfs provocatie (E.H.R.M., 21.1.1999, FRESSOZ en ROIRE, Rev. Trim. D.H. 1999, 673; E.H.R.M., 24.2.1997, DE HAES en GYSELS t/ BELGIE, Journal des Procès, 21.3.1997, 26). Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder dewelke de democratische samenleving niet bestaat (Arbitragehof, 12.7.1996, R.W. 1996-97, 1222, met verwijzing naar de rechtspraak van het E.H.R.M.). Maar ook al houdt het Europees Hof bij de afweging van rechten en vrijheden, de bescherming van de persvrijheid hoog in het vaandel, toch is het recht op vrije meningsuiting niet, evenmin als elk ander recht, absoluut (E. MONTERO en H. JACQUEMIN, LA RESPONSABILITÉ DES MÉDIAS, 18). Ongeacht het gegeven dat eenieder er toe gehouden is de grondwettelijk beschermde vrije meningsuiting van anderen te eerbiedigen, volgt uit artikel 19 Grondwet, in samenhang met artikel 10 al. 2 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting bij wet kan onderworpen aan bepaalde beperkingen (zie supra; Cass. 29.6.2000, J.L.M.B. 2000, 1589). Hoger werd er ook reeds op gewezen dat artikel 1382 van het burgerlijk wetboek als een dergelijke wet valt te beschouwen en aldus een legitieme beperking of sanctie kan uitmaken van (misbruik van) de vrijheid van meningsuiting (de overgrote meerderheid van de rechtspraak is in die zin gevestigd; contra maar ten onrechte : Rb. Veurne, 18.2.2000, A.&M. 2003, 341 + noot en R.W. 2000-2001, 1463 + noot, hervormd door : Gent, 28.3.2002, R.W. 2003-2004, 507; ook contra maar ten onrechte : Rb. Brussel, 13.1.1993, onuitgegeven, AR 17.551/90, hervormd door : Brussel, 30.9.1998, R.W. 2000-2001, 93). De wijze waarop het recht van persvrijheid werd uitgeoefend, kan achteraf getoetst worden aan de zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek. De eerste rechters en geïntimeerden stellen ten onrechte dat artikel 1382 van het burgerlijk wetboek niet kan worden toegepast als zijnde te weinig precies en/of enkel kan worden toegepast bij een schending van de (straf)wet, maar niet bij de schending van de jurisprudentiële zorgvuldigheidsnorm. Het Hof van Cassatie stelt dat met ¿de wet¿ wordt bedoeld: elke norm van intern recht, geschreven of niet, zoals zij geïnterpreteerd wordt door de rechtspraak, voor zover deze norm voor de belanghebbenden begrijpelijk is en voldoende precies is (Cass. 29.6.2000, J.L.M.B. 2000, 1589 en Arr. Cass. 2000, 1245). De zienswijze van het Hof van Cassatie sluit volkomen aan bij de zienswijze van het E.H.R.M. (arrest d.d. 29.3.2001, THOM t/ LUXEMBURG, Rev. Trim. D.H. 2002, 203 + noot D. SPIELMANN). Voorhouden dat de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm uit artikel 1382 van het burgerlijk wetboek het legaliteitsbeginsel schendt, gaat voorbij aan de vaststelling dat heel wat strafwetten (en wetten van openbare orde of dwingend recht) wettelijke (kern-)begrippen vaag laten, om de rechtspraak juist toe te laten rekening te houden met de maatschappelijke context en evolutie. In de strafwet heeft men het onder meer, zonder verdere definitie, over ¿goede zeden¿, ¿aanranding van eer en goede naam¿, ¿slagen en verwondingen¿. In arbeidsongevallen heeft men het over de essentiële voorwaarde van een (verder niet bepaalde) ¿plotse gebeurtenis¿. Bij de parlementaire voorbereiding van die wetten wordt uitdrukkelijk verwezen naar de taak van de rechtbanken om vermelde begrippen, evoluerend in tijd en ruimte, nader te omschrijven en als het ware de vinger aan de pols van de maatschappij te blijven houden. Vermits het recht zich moet aanpassen aan wijzigende omstandigheden, gebruikt de wetgever noodzakelijkerwijze min of meer vage formuleringen waarvan de interpretatie of de toepassing afhangen van de concrete omstandigheden (E.H.R.M., 20.5.1999, REKVENYL t/ HONGARIJE, nr. 25390/94). Wanneer de eerste rechters enerzijds stellen : ¿Voor een veroordeling krachtens artikel 1382 B.W. volstaat dan ook niet een loutere overtreding van de jurisprudentiële zorgvuldigheidsnorm. Artikel 19 G.W. vereist namelijk dat de vrijheid van meningsuiting alleen beperkt wordt bij de schending van een formele wet¿ (vonnis p. 22 al. 3), maar anderzijds overwegen : ¿Eigen aan de werking van artikel 1382 BW zal de aansprakelijkheid van een journalist dan ook dienen te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van de zaak, meer bepaald dient te worden nagegaan of een normaal en voorzichtig journalist in dezelfde omstandigheden dezelfde handeling zou hebben gesteld¿ (vonnis p. 23 al. 4), komt een contradictie bloot te liggen in hun redenering. De eerste rechters kunnen evenmin worden gevolgd, waar zij stellen dat de formele wet vereist door artikel 19 G.W. (art. 14 G.W. ?) vervat zou liggen in artikel 10 EVRM (vonnis p. 22 al. 6). Dit zou neerkomen op een merkwaardig renvoi. Artikel 10 al. 2 EVRM bevat zelf niet de minste beperking op de meningsvrijheid, maar bepaalt dat de wet (van de lidstaat) deze vrijheid kan (=facultatief) beperken (zie overigens ook art 53 E.V.R.M.). Het Hof van Beroep te Brussel preciseerde daarentegen terecht dat wat het vereiste van de kenbaarheid betreft, artikel 1382 B.W. een norm van intern recht is, die toegankelijk is, mede dank zij de veelvuldige rechtspraak, onder meer inzake de al dan niet rechtmatige meningsuiting, die wordt gepubliceerd en in overzichten van rechtspraak en andere rechtsleer wordt samengevat en toegelicht (Brussel, 30.9.1998, R.W. 2000-2001, 93). 5.1.4 Van de journalist wordt verwacht dat hij voorzichtig en objectief is. - Hij moet voorzichtig zijn bij het verzamelen van de informatie, maar ook bij de verspreiding ervan (Brussel, 23.3.1993, J.T. 1993, 574; Brussel, 16.11.1999, A.&M. 2000, 117; J . MILQUET, LA RESPONSABILITÉ AQUILLIENNE DE LA PRESSE, Ann. Louvain, 1989, 76). Er wordt geen absolute objectiviteit verwacht, gelet op de betrekkelijke schaarsheid van zijn onderzoeks- of controle-middelen (Rb. Luik, 20.3.1980, J.T. 1980,
  9. Hoewel geen resultaatsverbintenis van hem wordt verwacht, moet hij niettemin in de mate van het mogelijke de gegevens of inlichtingen controleren (Brussel, 21.11.1990, J.L.M.B. 1991, 24; Brussel, 14.9.1988, J.L.M.B. 1988, 1227; Brussel, 15.
  10. 2002, R.G.A.R. 2003, 13.653; Brussel, 22.11.2001, A.&M. 2002, 88; Brussel, 14.9.1988, J.L.M.B. 1988, 1227) en mag hij niet om het even welk gerucht van om het even wie verspreiden, zelfs niet in de voorwaardelijke wijze of tussen aanhalingstekens ( D. VOORHOOF, ¿De journalistieke vrijheid en de tussenkomst van de rechter : censuur of noodzaak in een democratische samenleving' in CENSURES - CENSUUR, 87). - Een onderscheid wordt gemaakt tussen het verspreiden van feiten, die waarheidsgetrouw moeten weergegeven worden, of het uiten van waardeoordelen wat in principe vrij is (E.H.R.M., 8.7.1986, LINGENS, Rev. Trim. D.H. , 14; E.H.R.M., 25.7.2001, PERNA t/ ITALIE, al vermeld; K. LEMMENS, o.c., 381, nr 523). In het laatste geval zal slechts een marginale controle door de rechtbank mogelijk zijn (E. MONTEIRO en H. JACQUEMIN, o.c., 13). Hoe dan ook, een journalist kan niet zomaar andermans rechten krenken (R.O. DALCQ, TRAITÉ DE LA RESPONSABILITÉ CIVILE, nrs 1253, 1274 en 1278; G. LEROY, Vie privée et droit de presse, J.T. 1978, 718) en hij zal zich onthouden van onnodig kwetsend, beledigend of eerrovend taalgebruik (Brussel, 15.1.2002, R.G.A.R. 2003, 13.655; Luik, 30.6.1997, J.L.M.B. 1998, 9; Luik, 27.5.1998, 1125). - De journalist zal, zo mogelijk, het fundamenteel journalistiek beginsel van ¿hoor en wederhoor¿ (of ¿woord en wederwoord¿) toepassen en zich niet zomaar vereenzelvigen met één der partijen die in een geschil betrokken zijn (KG Brussel, 18.10.1996, A.&M.1997, 83). Alle deontologische raden benadrukken de noodzaak van wederhoor: Raad voor de Journalistiek, 9.12.2004, De Journalist, december 2004, 14; Raad voor de Journalistiek, 11.12.2003, JOLIE t/ HET LAATSTE NIEUWS, zie website rvdj.be; Raad voor de Journalistiek, 10.7.2003, VAN DEN WIJNGAERT e.a. t/ WAUTERS en HET LAATSTE NIEUWS, zelfde website; Raad voor de Deontologie, De Journalist, april/mei 1998, nr 2; in Nederland: Raad voor de Journalistiek, 21.12.2004, 2004-98, zie website rvdj.nl). - Verder heeft een journalist niet alleen het recht om kritiek te uiten, het is ook dikwijls zijn plicht. Het stellen van kritische vragen door de journalist, vragen die een beschuldigende toon inhouden tegenover de geïnterviewde of negatiefinsinuerend zijn, is niet noodzakelijk onrechtmatig, zeker wanneer de geïnterview-de ruim de kans krijgt om op deze vragen te antwoorden (D. VOORHOOF, HANDBOEK MEDIARECHT, 145). - Algemeen wordt aangenomen dat de geïnterviewde niet beschikt over een recht van controle op de uitzending binnen dewelke het interview wordt toegestaan (Brussel, 26.10.1989, J.T. 1990, 611). Het is de journalist die in eerste instantie oordeelt of een onderwerp maatschappelijk relevant is (Antw., 7.4.2003, A.&M. 2004, 65). En ook de rechtbanken hebben zich niet uit te spreken over de kwaliteit of goede smaak van een uitzending of publicatie (¿de coloribus ¿¿), de keuze van een nieuwsfeit en de wijze waarop dit nieuwsfeit onder de aandacht van het publiek wordt gebracht (KG Zwolle, 2.2.2005, ongepubliceerd, zaaknr. 105272; rolnr. KG ZA 05-27). - Wat de informatieverspreiding zelf betreft, moet rekening gehouden worden met eventuele technische noodwendigheden (wat radio en televisie betreft: al of niet rechtstreekse uitzending, duur van de uitzending ¿). Dit kan verklaren dat interviews moeten worden ingekort of samengevat, wat dan wel te goeder trouw moeten gebeuren; de journalist moet ernaar streven om de juiste betekenis en draagwijdte van de bewoordingen van de geïnterviewde weer te geven. De mogelijkheid tot wederwoord kan dan weer niet misbruikt worden: in audiovisuele media toelaten dat, als wederwoord, een (ellen-)lange tekst zou worden voorgelezen, komt neer op het boycotten en onmogelijk (want oersaai) maken van de uitzending. Dergelijke voorlezing zou wel kunnen als sanctie achteraf, bij niet respecteren van het wederhoor. - Ook kan rekening gehouden worden met de bijzondere aard van de nieuwsbron (Brussel, 16.2.2001, R.G.A.R. 2002, 13.590; Rb. Brussel, 4.5.1999, A.&M. 2000, 106). Degene die een satirische krant leest kan zich nu eenmaal verwachten aan satire: een gewaarschuwd lezer kan beter de grens trekken tussen hetgeen waar en hetgeen bespottelijk is (Brussel, 3.4.2003, A.&M. 2003, 303). - Aangenomen wordt dat het ¿recht op humor¿ deel uitmaakt van het recht op vrije meningsuiting (E. MONTEIRO en H. JACQUEMIN, o.c., 14). Humor, onder welke vorm ook (karikatuur, pamflet, parodie, satire, parabool, pastiche ¿), geniet zelfs een grotere vrijheid dan de andere uitdrukkingsvormen. Humor is in wezen ondeugend, overdreven, brutaal en/of bijtend en is daarom aanvaardbaarder, wat verklaart dat in de satirische pers de aantijgingen scherper en kritischer kunnen geformuleerd worden (D. VOORHOOF, HANDBOEK MEDIARECHT, Larcier 2003, 145). Dit is altijd zo geweest: de boodschapper in de oudheid die objectieve informatie (maar slecht nieuws) overbracht, liep veel meer risico om het leven te laten dan de middeleeuwse hofnar, die kritiek gaf op de despoot. Van de karikaturist, humorist of satiricus kan moeilijk dezelfde objectiviteit, gematigdheid of voorzichtigheid verlangd worden, vermits de overdrijving, ironische voorstelling, vervorming en de overdaad nu eenmaal eigen zijn aan het genre (Rb. Nijvel, 12.3.2002, A.&M.2003, 77; MONTERO en JAQUEMIN, o.c. , 14). De overdrijving is zelfs een essentieel bestanddeel van de karikatuur ( F. FIECHTER-BOULVARD, LA CARICATURE: DUALITÉ OU UNITÉ, RTDC 1997, 72). Maar ook het recht op humor is begrensd: humor die enkel tot doel heeft de reputatie, de achting of de eer van een persoon belachelijk te maken is onaanvaardbaar (Paris, 19.6.1987, Gaz. Pal. 21.7.1987, 430; Gent, 6.11.2002, NJW 2003, 749; Mars ISGOUR, LA SATIRE: RÉFLEXION SUR LE « DROIT À L'HUMOUR » ; E. MONTEIRO en H. JACQUEMIN, o.c., 16). De humorist geniet dus niet van enige immuniteit, alleen van een (veel) grotere tolerantiedrempel (T.G.I. Paris, 9.1.1992, Gaz. Pal. 17.3.1992, 182). Er moet gezocht worden naar de juiste grens tussen de bedoeling te doen lachen en de bedoeling om te schaden (F. FIECHTER-BOULVARD, o.c., 67; Paul MARTENS, ¿La plaisanterie et le droit' in MÉLANGES OFFERTS À MICHEL HANOTIAU, 140). Onder het mom van humor of parodie een persoon in een belachelijk daglicht stellen om hem in diskrediet te brengen, maakt een foutief handelen uit (Cass. Fr. 13.2.1992, LEGIPRESSE, 87, nr 93, aangehaald door M. ISGOUR, o.c., 62). De overdrijving en ironie moeten bij de lezer of kijker twijfel over het opzet voorkomen. 5.2 Toetsing in concreto : 5.2.1 De beweerde fouten van (de aangestelden van) de VRT : 5.2.1.1 Algemene opmerkingen met betrekking tot het onderwerp van de uitzending: - Rechtbanken hebben zich in principe niet uit te spreken over de opportuniteit, het concept en de uitwerking van uitzendingen, over de maatschappelijk relevantie ervan, over de manier waarop een uitzending wordt in beeld gebracht/geregisseerd, noch over de opportuniteit van een al of niet rechtstreekse uitzending (E.H.R.M., 2.5.2000, BERGENS TIDENDE e.a. t/ NOORWEGEN, § 57; Brussel, 26.10.1989, J.T. 1990, 611). De montage en eventuele interviewsynthese moeten wel te goeder trouw gebeuren. Journalisten moeten weliswaar objectiviteit nastreven, maar dit streven mag hun kritische ingesteldheid niet beletten, zeker niet in een consumentenprogramma waar het informeren van de kijker/consument -de meestal zwakkere medecontractant in het handelsverkeer - impliceert dat de kijker gewezen wordt op problemen die zich kunnen voordoen (en zich meestal ook al voordeden) met producenten, bij het afsluiten van contracten, bij het al of niet naleven van de waarborg, enz¿ Kritiek zal dan mogelijk kwetsend of grievend overkomen bij de betrokken producenten/leveranciers, maar deze kritiek is niet noodzakelijk ¿onnodig¿ kwetsend of grievend. De pers mag en moet misstanden aanklagen en mag consumenten die zich tekort gedaan voelen, een podium verschaffen. Wel moet de pers erover waken dat ook de aangeklaagde aan het woord kan komen (¿audiatur et altera pars¿). - De NV ENGELS benadrukt sterk dat het probleem met de kopers/bouwheren hier niet veroorzaakt werd door het opmeten die haar aangestelden hebben verricht, maar door eigen tekortkomingen van de kopers/bouwheren. Dit kan juist zijn, maar de uitzending ging voornamelijk over het aberrant karakter van de ¿vasthechtingsclausule¿ en het aberrant inroepen van deze clausule; subsidiair over het aberrant karakter van andere consumentonvriendelijke clausules in verkoopscontracten (met deze van ENGELS NV als voorbeeld). - De VRT was niet verplicht om ENGELS NV te betrekken bij -, of voor te lichten over -, laat staan verantwoording te geven over de samenstelling van het programma. Zij had uiteraard wel de verplichting om ENGELS NV op voorhand in grote lijnen mee te delen, welk probleem zou worden behandeld en waarover het debat zou gaan. ENGELS NV stelt ten onrechte dat zij niet behoorlijk was geïnformeerd, vermits de brief van 11 september 2001 van de heer W, redacteur van OMBUDSJAN, niets aan duidelijkheid te wensen overliet en voldoende gegevens bevatte om ENGELS NV toe te laten haar verweer voor te bereiden. Wel lenen audiovisuele media zich niet - gezien de regievereisten en de beperking in de duur - tot een tegenspraak, die vergelijkbaar is met die in rechtbanken, waar de tegenspraak zowel uit een mondeling als uit een schriftelijk goed overwogen toelichting kan bestaan. Deze ¿handicap¿ gold hier evenwel voor alle betrokkenen. - Eveneens ten onrechte laat ENGELS NV gelden dat zij zich nooit op de ¿vasthechtingsclausule¿ beriep. Het volstaat hieromtrent de brief van ENGELS NV van 14 april 2000 te lezen (¿Op grond van deze eenvoudige verklaring door U aanvaard, kunnen we niets aan ons schrijven dd. 9/3/00 toevoegen'). Ook al staat vast dat zij de ramen en deuren niet plaatste, toch beriep zij zich op de ondertekening van deze clausule, om elk protest van de bouwheren af te wijzen. - ENGELS NV voelt zich verongelijkt omdat, chronometer in de hand, haar woordvoerders niet even lang aan bod zouden gekomen zijn als de klager en/of de vertegenwoordiger van TEST-AANKOOP en ook omdat bepaalde woorden van J.V een negatieve connotatie zouden gehad hebben. Uitgesproken woorden en zinnen moeten evenwel bekeken en geïnterpreteerd worden in de context van het geheel en de algemene perceptie van het gehele programma door de gemiddelde kijker (vgl. H.R., 11.12.1990, N.J. 1991, nr 313; H.R., 11.2.1986, N.J. 1986, nr 689 en de er aan voorafgaande conclusie van adv. Gen. REMMELINCK). De algemene indruk van het programma is er één van evenwicht en voldoende respect voor het ¿woord en wederwoord¿. De VRT-medewerkers hadden geen bijzondere controleplicht omtrent de afmetingen van de ramen, vermits dit probleem slechts zeer zijdelings ter sprake kwam en de toegepaste confrontatiejournalistiek aan ENGELS NV de mogelijkheid bood dit aspect aan te snijden, hoewel het debat eigenlijk ging over het beroep van ENGELS NV op de ¿vasthechtingsclausule¿ en niemand betwistte dat de deuren en ramen niet ¿vastgehecht¿ (of geplaatst) werden, maar alleen werden afgeleverd op de werf. - Het verwijt dat de kopers/bouwheren zonder architect en zonder bouwvergunning bouwden houdt geen verband met het beroep door ENGELS NV op de ¿vasthechtingsclausule¿. Dezelfde opmerking geldt voor het beroep op het fiscaal oogmerk, die de verklaring voor het opstellen van deze clausule zou inhouden. Hoewel de medecontractant van de schuldenaar van de BTW hoofdelijk aansprakelijk is tegenover de fiscus (art 51 bis §1, 1° en 2° W. BTW), is het in de eerste plaats de BTW-plichtige die moet waken over de juiste toepassing van de BTW-reglementering en die terzake de nodige informatie moet geven aan zijn medecontractant. Door de clausule te laten ondertekenen met de vermelding ¿tot algehele voldoening¿ werd hieraan juist een extrafiscale dimensie toegevoegd en kon de clausule ook misbruikt worden bij conformiteitsproblemen. Het is precies dit misbruik dat het consumentenprogramma aanklaagde. 5.2.1.2 Meer in het bijzonder betreffende de voorafgaande persberichten: Dat in de persberichten melding wordt gemaakt van de pogingen van ENGELS NV om de uitzending te (ver)hinderen ligt voor de hand en is volkomen normaal. ENGELS NV wou allicht handelen ¿met stille trom¿, maar moest en kon weten dat de VRT verplicht was om de kijkers (en de geschreven pers die de programma's aankondigde) uit te leggen, waarom een aangekondigd programma moest worden afgevoerd. Uit niets blijkt dat de VRT handelde uit rancune of om ENGELS NV in een slecht daglicht te stellen. De VRT is geenszins verantwoordelijk voor het door ENGELS NV zonder twijfel als pervers aangevoelde boemerangeffect. 5.2.1.3 Meer in het bijzonder nog over de uitzendingen zelf: 5.2.1.3.1 De uiteenzetting van J.V in de uitzending van 29.11.2001: Deze was wel degelijk relevant, geenszins sfeerscheppend en resumeerde de problematiek van de rechterlijke tussenkomst in het kader van pogingen van sommige betrokkenen om uitzendingen te laten verbieden. De naam ENGELS werd slechts zijdelings vermeld. 5.2.1.3.2 Het filmpje vooraf: Het slapstick-filmpje (versnelde weergave, met pianomuziek, in zwart/wit, niet gesproken maar met tussenpancardes ¿) beoogde geen exacte reconstructie het probleem dat zich stelde. Integendeel, het stelt de zaken karikaturaal en parodiërend voor door het probleem te overdrijven, wat voor iedereen zeer duidelijk was. Het filmpje steekt eerder de draak met de betwiste ¿vasthechtingsclausule¿ en met de mogelijk nadelige gevolgen van de ondertekening ervan dan met ENGELS NV. Of het filmpje werkelijk grappig is en of de zaak mogelijk enigszins in het belachelijke wordt getrokken, kan in het midden gelaten worden (zie supra). De parodie behoort immers tot de vrijheid van meningsuiting van de journalist en is er een expressievorm van. Logischerwijze werd de naam van ENGELS NV op de vrachtwagen aangebracht, vermits de aankondiging aangaf dat de zaak ENGELS zou worden behandeld. Satire, karikatuur en parodie zijn gebruikelijk in consumentenprogramma's. Personen die zich onbetamelijk gedragen (ambtenaren, leurders,¿) of consument-onvriendelijke toestanden worden in een bespottelijk daglicht gesteld. Sommige consumentenprogramma's bestaan/bestonden (quasi-)uitsluitend uit dergelijke satires of parodieën (¿Ook dat nog¿, ¿): de behandelde problemen worden telkens door sterke overdrijving en overacting grappig voorgesteld, maar de kijker voelt ook wel de waarschuwing en begrijpt dat de werkelijkheid minder grappig was/is. 5.2.1.3.3 Het debat in de uitzending van 29.11.2001: ENGELS NV toont niet aan dat zij onder druk werd gezet om de uitzending bij te wonen. Wel had zij alle belang om haar versie voor de kijker te verwoorden. Het is niet uitgesloten dat de VRT-medewerkers dit hebben onderstreept, maar dit zou ten onrechte door ENGELS NV als ¿dwang¿ opgevat zijn. Presentator J.V gedroeg zich als een normaal en voorzichtig, niet vooringenomen journalist-moderator. Zo hij de opponenten waar nodig onderbrak, dan respecteerde hij ook hun ¿woord en wederwoord¿ en gaf hen voldoende tijd om hun standpunt te verwoorden. Het Hof stelde bij het herbekijken van het filmpje wel vast, dat de vertegenwoordigers van ENGELS NV eigenlijk naast de kwestie bleven praten en al dan niet bewust van het eigenlijk onderwerp - het oneigenlijk gebruik en inroepen van de ¿vasthechtings-clausule¿ - blijven afweken. De presentator kan hier niets verweten worden, vermits hij hen tevergeefs aan deze wezenlijke problematiek eigen aan het programma herinnerde. 5.2.1.3.4 De contacten na de uitzending van 29.11.2001: Vermits de versies van partijen tegenstrijdig zijn en niet kan aangetoond worden welke versie prevaleert, faalt ENGELS NV in haar bewijslast (artikel 870 Ger. Wb en 1315 B.W.) over enige fout. 5.2.1.3.5 De uitzending van 21.2.2002: De naam ENGELS werd hier enkel vermeld in een positieve context: ENGELS NV wijzigde in samenwerking met TEST-AANKOOP haar verkoopsvoorwaarden (liefst 14 clausules die consumentonvriendelijk waren). Alleen ENGELS NV, als enige in de sector, werkte zo samen. De uitzending kwam voor de gemiddelde kijker over als een vorm van reclame voor ENGELS NV (als beloning voor vermelde samenwerking). De bijkomende mededeling dat OMBUDSJAN een oogje in het zeil blijft houden is van algemene strekking en richt zich eerder tot andere bedrijven. 5.2.1.3.6 De beweerde inbreuk op het merk of de handelsbenaming ENGELS: De VRT (of TEST-AANKOOP) heeft de benaming of het merk geenszins gebruikt, misbruikt of nagebootst, maar enkel geciteerd. Het citeren van namen of merken (gedeponeerd of niet) in een consumentenprogramma is niet onrechtmatig (vgl. : de exceptio artis et scientiae). Consumentenorganisaties of makers van consumentenprogramma's hebben het recht vrijelijk informatie te geven over producten en diensten, met inbegrip van het vernoemen van hun naam ( J. MILQUET, LA RESPONSABILITÉ CIVILE DE LA PRESSE, Ann. Louvain, 1989, 84). In het slapstickfilmpje wordt wel meer gedaan dan het louter citeren. Voor zover ENGELS NV zich hier zou beroepen op een inbreuk op haar recht op de handelsnaam en de VRT het loutere vermelden van de naam op de vrachtwagen zou verwijten, is de vermelding niet foutief. De programmamakers kunnen zich voor het gebruik van de naam in het filmpje beroepen op de exceptie van karikatuur of parodie, die een uitdrukkingsvorm is van de vrije meningsuiting (zie boven; cfr. art 22 §
  11. 6° van de wet van 30.6.1994, dat zijn oorsprong vindt in het Romeinse recht, meer bepaald in de ¿exceptio iocandi causa¿; vgl. : Paul MARTENS, o.c., 144, die verwijst naar een arrest van het Arbeidshof te Brussel 27.6.1997, Soc. Kron. 1998, 95 betreffende een beweerde grove fout begaan door een vakbondsafgevaardigde die op 1 april een ¿grappige¿ tekst verspreidde en waarvoor de auteur een ¿aprilvis-exceptie¿ inroept). 5.2.2 De beweerde fouten van (de aangestelde van) TEST-AANKOOP : De heer M vertegenwoordigde de consumentenvereniging, zodat het logisch is dat hij de consument/koper in bescherming nam en de houding van ENGELS NV (in de uitzending toch ook bijgestaan door een advocaat) bekritiseerde. Zijn kritiek in verband met de ¿vasthechtingsclausule¿ was overigens terecht. Verbruikersorganisaties mogen uiteraard niet om het even wat beweren. De informatie die zij geven moet waarheidsgetrouw zijn. Niettemin houdt de meningsvrijheid, waarover ook zij beschikken, onder meer in dat een eigen, zelfs strenge beoordeling geoorloofd kan zijn, voor zover er geen intentie is om te schaden, maar wel één om een oprecht en eerlijk standpunt in te nemen omtrent een probleem dat elkeen aangaat en dit met de bedoeling om de verbruiker volledig in te lichten (TGI Rennes, 10.1.1997, Gaz. Pal., 5.7.1977, 364). Dat (de aangestelde van) TEST-AANKOOP een pro-consumenten-standpunt innam hoeft niet te verwonderen en kan haar uiteraard niet verweten worden. Evenmin kan men aan de heer M verwijten dat hij een tiental clausules in de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV nietig of verboden achtte. Het gaat om een waarde-oordeel dat mogelijk ietwat ongenuanceerd is, maar daarom nog niet foutief: in een consumentenprogramma kan men, onder meer omwille van de beperkte tijdsduur en het bevattingsvermogen en de interessesfeer van de gemiddelde kijker/consument, geen lange en ingewikkelde juridische discussies verwachten. Alhoewel het Hof hier niet gevat is door de vraag naar de geldigheid van de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV, kan het Hof op eerste zicht vaststellen dat de verkoopsvoorwaarden van ENGELS NV alleszins een opmerkelijk aantal consumentonvriendelijke bedingen bevatte die, omwille van hun kennelijk onevenwicht op grond van de artikelen 31 en 32 van de wet op de handelspraktijken en de bescherming van de consument en/of de leer van de gekwalificeerde benadeling (of de nietigheidsleer in het algemeen) nietig zouden kunnen worden verklaard: - overeenkomsten met verdelers, vertegenwoordigers of aangestelden verbinden ENGELS NV slechts na schriftelijke bevestiging (terwijl de consument onmiddellijk gebonden is ) (Precies een dergelijk beding wordt in Handelspraktijken, ed. P. DE VROEDE, p. 98 en 99, als voorbeeld aangehaald als nietig beding bij toepassing van artikel 32.1 W.H.P.C.). - klachten zijn slechts geldig voor zover ze schriftelijk door ENGELS NV worden bevestigd (dergelijke voorwaarde is potestatief en lijkt strijdig, niet alleen met de wet op de handelspraktijken en de bescherming van de consument, maar ook met artikel 1170 van het burgerlijk wetboek). - door ondertekening van de bestelbon of het werkplan aanvaardt de consument de (mogelijk nog niet door hem gekende) verkoops-voorwaarden als enige geldige (mogelijk, afhankelijk van de omstandigheden, strijdig met art
  12. 23 W.H.P.C.). - de annulering van een op een jaarbeurs getekende bestelbon wordt onmogelijk verklaard (in weerwil van art 88 W.H.P.C.). - het verhaal wegens bepaalde gebreken (zoals wormsteken) wordt uitgesloten (mogelijk in strijd met art 32.12 W.H.P.C.). - de vereiste om klachten te formuleren i.v.m. de goede functionering of de zichtbare gebreken voor de plaatsing (principieel in strijd met art 32.13 W.H.P.C.). - de koper wordt verantwoordelijk geacht voor om het even welke beschadiging bij het lossen (niet uitgezonderd : het lossen door een aangestelde van ENGELS NV zelf) (moeilijk verzoenbaar met art
  13. 11 W.H.P.C.). - geen enkele klacht wordt aanvaard 8 dagen na verzending van de factuur of de inontvangstname van het geleverde (in weerwil van art 32.13 W.H.P.C.). - de bevoegdheidstoewijzingsclausule strookt niet helemaal met de bepaling van art
  14. 20 W.H.P.C., enz. ENGELS NV ging na onderhandelingen met TEST-AANKOOP overigens akkoord om 14 wijzigingen aan te brengen aan haar verkoopsvoorwaarden; dit strekt haar tot eer en werd ook in de uitzending van 21 februari 2002 benadrukt. 5.2.3 Besluit: - De aangestelden van de VRT kan geen enkele tekortkoming worden aangewreven. Hun houding week niet af van deze van een normaal en voorzichtig journalist (-moderator). Het recht van verdediging (en van vrije meningsuiting) van ENGELS NV werd ruimschoots gerespecteerd. De op ENGELS NV gegeven kritiek was - voornamelijk in het licht van het aberrante ¿vasthechtingsattest¿ en het aberrant inroepen hiervan - gerechtvaardigd en niet nodeloos kwetsend of grievend. - De aangestelde van TEST-AANKOOP gedroeg zich zoals verwacht mag worden van een vertegenwoordiger van een consumenten-organisatie, die moet opkomen voor de belangen van de klager/consument. Hij beging niet de minste fout. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Gelet op het mondeling advies van het Openbaar Ministerie uitgesproken ter terechtzitting van 10 januari 2005 door substituut-procureur-generaal Peter De Smet; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellante tot de gerechtskosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van geïntimeerden op de rechtsplegingsvergoeding van euro 475,96 elk. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zes juni tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, J. Vermeir, plaatsvervangend raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.