id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050620.11 Rolnummer: 2004/AR/2178 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-11-12 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 05:32 Fiche Het Hof beoordeelt de toepasselijkheid van een interpretatie van het Europees Hof van Justitie van een artikel van de „Eerste Merkenrichtlijn 89/104/EEG' en van een artikel van de Benelux Merkenwet, handelend over de bescherming van merken. Het Hof stelt geen inbreuk vast aangaande bepaalde verpakkingen van chocolade zeevruchten UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux Merkenwet - handelspraktijken - namaak inbreuk Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT 7de Kamer Terechtzitting van 20-06-2005 Nr. 2004/AR/2178 in de zaak van N.V. CHOCOLATERIE GUYLIAN, met maatschappelijke zetel te 9100 Sint-Niklaas, Europark-Oost 1, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nr. 26.377 en met ondernemingsnummer 0 405 986 273, appellante, hebbende als raadslieden mr. Carl De Meyer en mr. Patricia Cappuyns, advocaten met kantoor te 1040 Brussel, Nervierslaan 9/31, tegen: N.V. KATHY CHOCOLATERIE, - met maatschappelijke zetel te 8000 Brugge, Pathoekeweg 84, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. 68.528 en met ondernemingsnummer 0 436 303 129, geintimeerde, hebbende als raadsman mr. Geert Glas, advocaat met kantoor te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268A, velt het Hof volgend arrest: Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies. De stukken werden ingezien. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm. Bij verzoekschrift van 24 augustus 2004 stelt de N.V. Chocolaterie Guylian (hierna "appellante" of "Guylian") hoger beroep in tegen het vonnis van de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge op tegenspraak gewezen op 9 maart 2004 (A102/01788). I. Feiten en procedure in eerste aanleg. 1 Appellante is een familiebedrijf dat verschillende creaties in chocolade maakt, waaronder pralines en zeevruchten. Zij deponeerde als Benelux- en als Gemeenschapsmerk zowel het woord "Guylian" als een aantal verpakkingen (stuk l./1 tot en met 5 van het dossier van appellante). Ook de vorm van het (gestileerde) chocolade zeepaardje werd gedeponeerd (stuk 1.6 van het dossier van appellante). Appellante beschrijft de verpakkingen als volgt: "Deze ... verpakkingen ... worden gekenmerkt door een configuratie die bestaat uit de onderscheidende combinatie van de hiernavolgende elementen. Eerst en vooral worden zij gekenmerkt door een witte doos waarop in gouden sierletters de naam van de onderneming van appellante ("Guylian ") is aangebracht met daarnaast de afbeelding van enkele chocolade zeevruchten. Verder bevat de bovenkant van de doos een doorschijnend plastic venster waardoor de chocolade zeevruchten zichtbaar zijn en is de doos afgewerkt met gouden lijnen die parallel lopen met de randen van de doos." (p. 3 van de conclusie van appellante).
- De N.V. Kathy Chocolaterie (hierna "geïntimeerde" of "Kathy") is eveneens een familiebedrijf, dat chocoladeproducten commercialiseert, waaronder zeevruchten. De producten van partijen betreffen derhalve soortgelijke waren. Ook de verpakkingen kunnen als soortgelijk bestempeld worden.
- Partijen hebben in de loop van 1992 een discussie over de gelijkenis van de verpakking die geïntimeerde gebruikt ten opzichte van de verpakking van appellante (stukken IV. l tot en met 5 van het dossier van appellante). Zonder te erkennen dat zij een inbreuk beging, stemt geïntimeerde toe haar verpakking aan te passen.
- Op 7 februari 2002 stelt de raadsman van appellante geïntimeerde in gebreke (stuk N.6 van het dossier van appellante) omdat zij van oordeel is dat geïntimeerde verpakking gebruikt voor chocolade zeevruchten die de consument in verwarring brengt met betrekking tot de herkomst van het product, wegens de te grote gelijkenis met de verpakking waarvoor appellante merkenrechtelijke bescherming bekwam. Partijen bereiken geen overeenstemming en huidige appellante dagvaardt geïntimeerde. De eerste rechter oordeelde dat geïntimeerde geen inbreuk beging op het merkenrecht, noch op de Wet 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, zoals achteraf gewijzigd (hierna WHPC), zodat er geen staking bevolen werd en geen schadevergoeding toegekend werd. II. Procedure in hoger beroep - grieven.
- Het hoger beroep van appellante is erop gericht om haar oorspronkelijke vordering (toelaatbaar en) gegrond te horen verklaren. Zij vordert dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot - de stopzetting van elk gebruik van de verpakking waarvan een kopie onder stuk III.6 in het dossier gevoegd is alsook van enige andere overeenstemmende verpakking, onder verbeurte van een dwangsom van euro 2.500 per inbreuk en per dag zolang de inbreuk voortduurt, vanaf de tiende dag na de betekening van het tussen te komen arrest; - betaling van een schadevergoeding die ex aequo et bono op euro 25.000 geraamd is. Haar grieven zijn de volgende: - de eerste rechter heeft ten onrechte geweigerd door richtlijnconforme interpretatie artikel 5 lid 2 van de Eerste Merkenrichtlijn (hierna EMRL) in de Belgische rechtsorde toe te passen; - de eerste rechter had moeten vaststellen dat de toepassingsvoorwaarden van de bijzondere bescherming, die in artikel 5 lid 2 van de EMRL geboden wordt, in casu vervuld zijn. In eerste aanleg baseerde appellante haar vordering op de artikelen 13.A. 1.b en c van de Eenvormige Beneluxwet op de merken (Beneluxverdrag van 19 maart 1962, goedgekeurd bij wet van 30 juni 1969, zoals achteraf aangevuld en gewijzigd - hierna BMW), op artikel 5 lid 2 EMRL en op de WHPR. In hoger beroep beperkt appellante de rechtsgronden tot artikel 5 lid 2 EMRL en de implementatie ervan in artikel 13.A.1.c van de Benelux BMW.
- Twee vragen dienen beslecht te worden in graad van beroep: 1) is de interpretatie die het Europees Hof van Justitie in de zaken Davidoff van 9 januari 2003 en Adidas van 23 oktober 2003 aan artikel 5, tweede lid van de Eerste Merkenrichtlijn 89/104/EEG gegeven heeft van toepassing in de voorliggende zaak? 2) zo ja, zijn de voorwaarden van het zo-even genoemde artikel en van artikel 13A 1 c van de Eenvormige Beneluxwet op de merken (Beneluxverdrag van 19 maart 1962, goedgekeurd bij wet van 30 juni 1969, zoals achteraf aangevuld en gewijzigd - hierna BMW), zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, vervuld?
- Geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. III. Beoordeling. 1) Is de interpretatie die het Europees Hof van Justitie in de zaken Davidoff van 9 januari 2003 en Adidas van 23 oktober 2003 aan artikel 5, tweede lid van de Eerste Merkenrichtlijn 89/104/EEG gegeven heeft van toepassing in de voorliggende zaak?
- Artikel 5, lid 2 van de genoemde Eerste Richtlijn (hierna EMRL) bepaalt het volgende: "Elke Lidstaat kan tevens bepalen dat de houder gerechtigd is derden die zijn toestemming niet hebben gekregen, het gebruik in het economisch verkeer te verbieden van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk voor waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk ingeschreven is, wanneer dit bekend is in een Lidstaat en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.". De Benelux wetgever heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en artikel 13A 1 c BMW aangepast door de merkhouder toe te laten het gebruik van een teken te verbieden: "wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor waren, die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, indien dit merk bekend is binnen het Benelux-gebied en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of reputatie van het merk.".
- In een arrest van 9 januari 2003 (C-292/00, Davidoff & Cie SA / Zino Davidoff SA, www.curia.eu.int) heeft het Europees Hof van Justitie het volgende overwogen: "
- Op dit punt is voor het Hof niet ernstig betwist, dat het bekende merk in geval van gebruik van een teken voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, een minstens even ruime bescherming moet genieten als in geval van gebruik van een teken voor niet-soortgelijke waren of diensten.
- Gelet op een en ander, dient op de eerste vraag te worden geantwoord, dat de artikelen 4, lid 4, sub a, en 5, lid 2, van de richtlijn aldus dienen te worden uitgelegd, dat zij de lidstaten de bevoegdheid laten om voor een ingeschreven bekend merk in een specifieke bescherming te voorzien, wanneer het jongere merk of teken dat gelijk is aan of overeenstemt met dit ingeschreven merk, bestemd is om te worden gebruikt of wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk of soortgelijk zijn aan die waarvoor bedoeld merk is ingeschreven. " In antwoord op een prejudiciële vraag van de Hoge Raad der Nederlanden (m.a.w. op een vraag die uitgaat van een Benelux-lidstaat) velt het Europees Hof van Justitie het volgende arrest (C-408/01, Adidas-Salomon AG en Adidas Benelux / Fitnessworld Trading Ltd, www.curia.eu.int ): "
- Gelet op het voorgaande moet een lidstaat bij de omzetting van artikel 5, lid 2 van de richtlijn dus voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten een minstens even ruime bescherming verlenen als voor niet-soortgelijke waren of diensten. De keuzemogelijkheid van de lidstaat betreft aldus de vraag of bekende merken principieel een verdergaande bescherming verdienen, maar niet de situaties waarvoor de bescherming moet gelden, wanneer deze wordt verleend.
- Het is vaste rechtspraak dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, met name van een speciaal ter omzetting van een richtlijn vastgestelde nationale wet, zijn nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van die richtlijn ....
- Derhalve moet op de eerste vraag sub a worden geantwoord dat een lidstaat die van de door artikel 5, lid 2 van de richtlijn geboden keuzemogelijkheid gebruik maakt, de betrokken specifieke bescherming in geval van gebruik door een derde van een jonger merk of teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het ingeschreven bekende merk, moet verlenen zowel voor niet-soortgelijke waren of diensten als voor waren of diensten die gelijk of soortgelijk zijn aan die waarvoor het bekende merk is ingeschreven.".
- Tussen partijen is betwisting gerezen met betrekking tot de vraag of de bovenstaande interpretatie door het Europees Hof van artikel 5, lid 2 EMRL in de arresten Davidoff en Adidas ook van toepassing is op artikel 13 A 1 c BMW. Geïntimeerde argumenteert in essentie dat een richtlijn conforme interpretatie zo veel mogelijk moet, maar dat dit nooit contra legem kan zijn; dat basisbeginselen als rechtszekerheid en het verbod terugwerkende kracht in elk geval gerespecteerd moeten worden en dat er geen niet geoorloofde, niet wettelijke uitzondering mag gemaakt worden op het basisprincipe van de vrijheid van handel. Appellante is van mening dat het niet gaat om een interpretatie contra legem in de arresten Davidoff en Adidas en dat de rechtszekerheid, noch het verbod van terugwerkende kracht geschonden zijn. Verder argumenteert zij dat eigenlijk geen toepassing gemaakt moet worden van de leer van de richtlijn conforme interpretatie, nu de voorliggende feitelijke situatie verschilt van de klassieke situatie waarin een nationale regel afwijkt van een richtlijn en nu de formulering van artikel 13 A 1 c BMW een mime interpretatie toelaat. In derde instantie put appellante een argument uit de interpretatie van artikel 13 A 1 b BMW. Ten vierde beroept appellante zich op artikel 93 WHPR. Tenslotte baseert zij zich op artikel 1382 B.W.. Het Hof is van oordeel dat in deze zaak niet noodzakelijk een beroep moet gedaan worden op de principes van de richtlijn conforme interpretatie, nu de feitelijke situatie verschilt van de klassieke situatie waarin teruggegrepen wordt naar de beginselen van de richtlijn conforme interpretatie. In deze zaak betreft het niet een regel van nationaal recht die afwijkt van de bepaling uit een richtlijn. Wel werd de richtlijn in nagenoeg identieke bewoordingen omgezet in de BMW. Op grond van de voorrang van het gemeenschapsrecht op het interne recht en omwille van het belang van een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in de gehele unie, kan het niet anders dan dat de nationale rechter de omgezette richtlijn zo toepast zoals het Europees Hof van Justitie deze heeft toegepast en desgevallend uitgelegd. In r.o. 18 van het meer genoemde Adidas arrest, wijst het Europees Hof van Justitie trouwens op het belang dat de omgezette regel in overeenstemming is met de richtlijn. Door het nationale recht niet toe te passen zoals het Europees Hof dit doet, zou die overeenstemming teloor gaan.
- Het bestreden vonnis wordt hervormd wat dit punt betreft. Gelet op het voorgaande moet niet verder op de argumenten van partijen met betrekking tot deze rechtsvraag ingegaan worden. 2) Zijn de voorwaarden van het zo-even genoemde artikel en van artikel 13A 1 c BMW, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie vervuld?
- Vijf voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn opdat appellante zou kunnen genieten van de bescherming van artikel 13 A 1 c BMW voor soortgelijke waren. 1 . het ingeroepen merk moet bekend zijn;
- er moet een overeenstemmend teken gebruikt worden;
- er moet associatiegevaar zijn;
- er moet een ongerechtvaardigd voordeel uit het gebruik voortvloeien voor geïntimeerde of er moet afbreuk gedaan worden aan het onderscheidend vermogen van het merk van appellante of aan de reputatie van haar merken;
- er mag geen gegronde reden zijn om de betwiste verpakking te gebruiken. Is de verpakking, zoals neergelegd in stuk III.6 van het dossier van appellante een overeenstemmend teken met het merk van appellante,,zoals neergelegd in de stukken I.1 en I.2 van appellante?
- Om te oordelen of een teken overeenstemt met een merk moet een globale beoordeling gebeuren, waarbij zowel visuele, auditieve als begripsmatige overeenstemming in aanmerking komen (Benelux Gerechtshof, 20 mei 1983, Julien / Verschuere, A 82/5, Ing.-Cons., 1983, 191; Cass., 21 januari 1988, Ferrero S.P.A. / N.V. Me TO, www.cass.be (samenvatting); R. W, 1988-'89, 120, met noot) Die globale beoordeling moet berusten op de totaalindruk die door merk en teken wordt opgeroepen, daarbij onder meer rekening houdend met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen (H.v.J., C 251/95, 11 november 1997, Puma / Sabel, www.europa.eu.int/). Bij de beoordeling van het merk en het betwiste teken in deze zaak vallen de volgende verschillen op. In de eerste plaats verschilt de vorm. De doos van Guylian is vierkant, terwijl die van Kathy rechthoekig is. Dit onderscheid is van zeer groot belang en schept een wezenlijk onderscheid tussen de twee verpakkingen. Guylian beschikt ten andere zelf over rechthoekige verpakkingen, die zeer gelijken op de merkenrechtelijk beschermde doos, maar die thans niet in het geding zijn, wellicht wegens de afwezigheid van een merkenrechtelijke bescherming voor de eigen rechthoekige verpakking. Verder verschilt de naam die bovenop de verpakking' voorkomt. Visueel noch auditief gelijken "Guylian" en "Kathy" op elkaar. Een gemiddeld aandachtige consument van chocolade zeevruchten moet zoiets opmerken. De naam, het gebruikte lettertype en de plaatsing van de naam zijn, in tegenstelling tot wat appellante argumenteert, wel een dominerend element bij de waarneming van de verschillende verpakkingen, die in het geding zijn. Het woordmerk is in deze zaak hoe dan ook een dominerend element van het complexe merk en van de globale indruk die de verpakking nalaat. De afdruk van chocoladevruchten op de dozen vormt geen dominerend bestanddeel. Deze bedrukking omvat niet meer dan een verwijzing naar de inhoud van de doos en komt bij veel verschillende verpakkingen van andere merken waaronder chocolade zeevruchten verkocht worden, voor. Deze opdruk gaat mee met de deels doorzichtige bovenzijde van de doos, waardoor de chocolade zeevruchten zichtbaar worden. De keuze voor een witte doos, voor gouden opdruk en voor cellofaan als materiaal voor, een gedeelte van de bovenkant van de doos, waardoor de inhoud goed zichtbaar wordt, brengen de doos van Kathy bijzonder dicht bij de doos waarvoor Guylian bescherming verkreeg. Deze gelijkenissen zijn evenwel net niet voldoende om te besluiten dat het teken overeenstemt met het merk en dat deze voorwaarde om tot een merkinbreuk te kunnen besluiten voldaan is. Bij een synthetische beoordeling van het betwiste teken primeren de verschillen met het beschermde merk en zijn de dominerende bestanddelen als de naam en de vorm van de doos voldoende verschillend. Door de keuze van een witte doos, gouden opdruk en twee venstertjes in cellofaan poogt geïntimeerde een verwijzing te creëren naar de producten van appellante, zonder dat evenwel aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2 EMRL is voldaan. De soberheid van de beide dozen, mee tot stand gebracht door de witte kleur van de verpakkingen, is dominant, maar doordat andere elementen als de naam, het lettertype waarin de naam is aangebracht en vooral de vorm van de dozen verschilt, verschilt de globale indruk uiteindelijk toch. De verschillende vorm is het meest distinctieve element, dat ervoor zorgt dat er geen totaalbeeld van gelijkenis of overeenstemming achterblijft. Het is precies ook de vierkante vorm, die appellante beschermd heeft bij haar merkinschrijving. De gemiddeld aandachtige consument kan in de winkelrekken het onderscheid maken en zal niet het product van geïntimeerde associëren met dat van appellante. Zonder verder marktonderzoek is het gerechtvaardigd te besluiten dat chocolade zeevruchten door de consument geassocieerd worden met een sobere, witte verpakking, met gouden opdruk en een doorzichtig deksel. Omgekeerd is het eveneens gerechtvaardigd te besluiten dat een dergelijke verpakking met chocolade zeevruchten geassocieerd wordt, zonder dat evenwel de verpakking van geïntimeerde geassocieerd wordt met deze van appellante. Dit alles is mee gebaseerd op en zelfs veroorzaakt door de houding van appellante zelf, die een vierkante witte doos, met gouden opdruk, opdruk van chocolade zeevruchten en een doorzichtig deksel op de markt bracht voor het private label van Lidl (stukken 6 a en b van het dossier van geïntimeerde). Het onderscheidend vermogen van appellantes merk is hierdoor wel degelijk verminderd, in tegenstelling tot wat appellante schrijft (p. 28 van haar conclusie). Doordat appellante haar toestemming verleend heeft voor het gebruik van wat zij zelf als een overeenstemmend teken bestempelt door Lidl, zonder dat de consument evenwel de verbinding kan maken met appellante of haar product, aangezien geen enkel element op de doos duidelijk of uitdrukkelijk verwijst naar appellante, heeft appellante de verwatering en dus de verzwakking van het onderscheidend vermogen zelf in de hand gewerkt. Voor de consument is onvoldoende duidelijk dat de oorsprong van de producten bij Lidl bij appellante gelegen is, wat voor een verwatering van het merk zorgt. De abstracte oorsprong is verworden tot "chocolade zeevruchten" zonder meer en op dit product kan appellante geen exclusieve rechten laten gelden. Gelet op het voorgaande wordt besloten dat de voorwaarde van de overeenstemming tussen het merk en het betwiste teken niet voldaan is.
- Aangezien de verschillende voorwaarden van artikel 5, lid 2 EMRL cumulatief vervuld moeten zijn en aangezien een van de voorwaarden niet vervuld is, dienen de andere voorwaarden niet onderzocht te worden. Geïntimeerde heeft geen merkinbreuk gepleegd. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, zij het op andere gronden. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. OM DEZE REDENEN, Het Hof, in acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; recht sprekend op tegenspraak; verklaart het hoger principaal beroep toelaatbaar, maar ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden; veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, in graad van beroep bepaald op: rechtsplegingvergoeding: euro 475,96 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op twintig juni tweeduizend en vijf. Aanwezig: H. Debucquoy, raadsheer, waamemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div