← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050627.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050627.4 Rolnummer: 2004/AR/2018 Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 05:32 Fiche C.M.R.--vervoer van Frankrijk naar België... UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeer - Internationaal recht - Verdrag Genève 8 november 1968 - Wegverkeer HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Algemeen Tekst van de beslissing in de zaak van : PLUVIAUD ORGANISATION SAS, vennootschap naar Frans recht met maatschappelijke zetel te 36130 Deols (Frankrijk), Le Grand Verger, Avenue du Général de Gaulle en ingeschreven in het handelsregister te Châteauroux onder nr. B 380 605 576, appellante, hebbende als raadsman mr. Kevin Mackay, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Schaliënstraat 30, tegen N.V. DE KLOK BELGIE, met maatschappelijke zetel te 9160 Lokeren, Moortelstraat 16, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nr. 61.806 en met ondernemings-nummer 0 439 060 008, woonstkiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarder Hugo Vossen, Solvynsstraat 7 te 2018 Antwerpen, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Herman Naeyaert, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Lozannastraat 2, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.

  1. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  2. PLUVIAUD ORGANISATION SAS stelde op 28 juli 2004 hoger beroep in tegen het vonnis van 21 mei 2004 van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. DE KLOK NV vordert de bevestiging van het vonnis. 1.
  3. De blijvende betwisting betreft de vraag of de Franse interne wet (de wet Gayssot), die voorziet in een rechtstreekse vordering van de vervoerder tegenover de geadresseerde voor zijn onbetaalde vervoerprestatie, ¿aanvullend' de verhouding beheerst in het internationaal wegvervoer dat PLUVIAUD ORGANISATION SAS in opdracht van de failliete bedrijven L. DE POORTERE NV en BALSAN NV in 2000 heeft uitgevoerd met DE KLOK NV als geadresseerde van de vervoerde goederen. PLUVIAUD ORGANISATION SAS vordert van DE KLOK NV de betaling van zijn onbetaald gebleven facturen en haar provisionele veroordeling tot de betaling van 44.305,70 EUR, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf de respectieve factuurdata en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding voor de rechtbank van koophandel te Châteauroux op 7 februari
  4. 1.
  5. PLUVIAUD ORGANISATION SAS stelt: - dat de geadresseerde DE KLOK NV door de voorbehoudloze aanvaarding van de goederen medecontractant werd in de vervoerovereenkomst; - dat het C.M.R.-verdrag wat de contractuele verhouding tussen de vervoerder en de geadresseerde betreft niet voorziet in een rechtstreeks vorderingsrecht van de vervoerder tegenover de geadresseerde en hun contractuele verhouding op dit punt aldus aanvullend beheerst wordt door de interne nationale wetgevingen; - dat bij toepassing van artikel 4.4 van het Verdrag van Rome op de verbintenissen uit overeenkomst de contractuele verhouding tussen haar en DE KLOK NV beheerst wordt door het Franse recht, aangezien de vervoerovereenkomst het nauwst verbonden is met het land waarin zij als vervoerder haar hoofdvestiging heeft, waar de goederen werden ingeladen en waar de afzender gevestigd is. - dat artikel L 132-8 van het Franse wetboek van koophandel bepaalt, ¿dat de vrachtbrief een overeenkomst vormt tussen de afzender, de vervoerder en de geadresseerde of tussen de afzender, de geadresseerde, de commissionair-expediteur en de vervoerder; dat de vervoerder aldus een rechtstreekse vordering heeft op de afzender en op de geadresseerde ter betaling van zijn prestaties, die garant staan voor de betaling van de vrachtprijs voor het vervoer; dat elk hiermee strijdig beding voor niet geschreven wordt gehouden' (vrij vertaald). 1.
  6. De eerste rechter verklaarde op volgende relevante overwegingen de eis van PLUVIAUD ORGANISATION SAS ongegrond: ¿[PLUVIAUD ORGANISATION SAS] beroept zich ten onrechte op artikel 4.4 van het Verdrag van Rome d.d. 19.06.1980 om te stellen dat op basis van dit verdrag de Franse wet ¿Loi Gayssot' van toepassing zou zijn. Artikel 1 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 stelt uitdrukkelijk: ¿De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin het recht van verschillende landen moet worden gekozen¿. Welnu, uit de stukken blijkt dat er geen overeenkomst voorligt tussen partijen in het geding. Het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 is aldus niet van toepassing. De vordering van [PLUVIAUD ORGANISATION SAS] kan evenmin gegrond worden op het CMR-verdrag van 19 mei 1956, gezien het CMR-verdrag geen rechtstreeks vorderingsrecht toekent aan de vervoerder tegenover de bestemmeling. De Franse wet ¿Loi Gayssot' kent wel een rechtstreeks vorderingsrecht toe aan de vervoerder tegenover de bestemmeling in artikel L 132-8 van het wetboek van koophandel, welke bestemmeling dan nog maar garant staat voor de prijs van het transport. Echter, het CMR-verdrag primeert op de nationale wetgeving, zodat dient besloten dat [PLUVIAUD ORGANISATION SAS] niet rechtstreeks kan vorderen lastens [DE KLOK NV].
  7. Beoordeling Het Hof onderschrijft integraal het vonnis. Aanvullend laat het Hof nog volgende overwegingen gelden. 2.
  8. Het CMR-verdrag regelt

(1)sluitend de rechten die de geadresseerde kan uitoefenen op grond van de internationaal vervoerovereenkomst die de verzenders (L. DE POORTERE NV en BALSAN NV) en de vervoerder (PLUVIAUD ORGANISATION SAS) hebben afgesloten en
(2)even sluitend de verplichtingen die geadresseerde door de uitoefening van de hem toegekende rechten tegenover de vervoerder opneemt. 2.1.
  1. Vervoerovereenkomsten worden door het CMR-verdrag beheerst, zo zij onder bezwarende titel werden afgesloten voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen en wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het Verdrag partij zijnde land is, ongeachte de woonplaats en de nationaliteit van de partijen (zie artikel 1.1 van het CMR-verdrag). Het CMR-verdrag moet als een afzonderlijk systeem naast het nationale rechtssysteem beschouwd worden. Dit impliceert: - dat de Franse of Belgische wet alleen het interne vervoer - dat zich volledig binnen het eigen nationaal grondgebied voltrekt - beheerst. - dat de interpretatie van het CMR-verdrag dat strekt tot de eenmaking van het recht in de verschillende landen, niet kan gebeuren door te verwijzen naar het nationaal recht van één van de verdragsluitende landen; de uitlegging moet in eerste orde gebeuren op grond van gegevens eigen aan het verdrag, namelijk zijn voorwerp, doel, context, voorbereiding en wordingsgeschiedenis (zie o.a. Cass 27 januari 1977, Arr. Cass. 1977, 595). Over de toepassing van het interne Franse recht op een internationaal vervoer is het door PLUVIAUD ORGANISATION SAS ingeroepen cassatiearrest van 24 maart 2004 in elk geval in tegenspraak met vorige cassatierechtspraak die in de internationale context terecht besliste, dat artikel L 132-8 van het Franse wetboek van koophandel niet van toepassing was op het internationaal vervoer (zie Cass. Fr. 26 november 2002, Bull. civ. IV, n° 180). 2.1.
  2. De vervoerovereenkomst is immers een consensueel contract dat de vervoerder en de opdrachtgever afsluiten en waarbij de vervoerder zich tegenover de opdrachtgever verbindt, om tegen betaling goederen te vervoeren en af te leveren op een bepaald adres. Het ontstaat door de enkele wilsovereenstemming tussen deze partijen en dit onafhankelijk van elke afgifte of aanvaarding van de goederen, die alleen de uitvoering van de overeenkomst betreffen. De geadresseerde is in beginsel dan ook een derde, die de begunstigde is van de aflevering van de vervoerde goederen op zijn adres. 2.1.
  3. Het CMR-verdrag dat de overeenkomst van internationaal vervoer beheerst, verleent de geadresseerde - die geen partij was bij de contractsluiting - in de artikelen
  4. 2 en
  5. 3 wel een beschikkingsrecht over de goederen en in artikel 13, 1 het recht om de aflevering van het tweede exemplaar van de vrachtbrief te vorderen en om bij verlies van de goederen of bij laattijdige levering in eigen naam tegenover de vervoerder gebruik te maken van de rechten die uit de vervoerovereenkomst voortspruiten. In die zin wordt de geadresseerde - op het ogenblik, dat hij de goederen of de CMR-vrachtbrief in ontvangst neemt - dan ook geacht partij te worden aan het internationaal vervoercontract. Vanaf dat ogenblik kan hij immers het beschikkingsrecht en het recht op aflevering - die het CMR-verdrag hem uit hoofde van de vervoerovereenkomst toekent - uitoefenen onder de verplichtingen, die het CMR-verdrag bij een uitoefening van deze rechten voorziet. 2.1.
  6. Aangezien de geadresseerde geen partij was bij de contractsluiting van het internationaal vervoer, definieert het CMR-verdrag immers niet alleen sluitend de rechten die de geadresseerde uit de vervoerovereenkomst kan putten, maar ook sluitend de verplichtingen, die de geadresseerde door de uitoefening van deze rechten op zich neemt. Zo bepaalt artikel
  7. 2 van het CMR-verdrag, dat de geadresseerde - zo hij gebruik maakt van de rechten die artikel
  8. 1 van het CMR-verdrag hem toekent - gehouden is de volgens de vrachtbrief verschuldigde bedragen te betalen en dat de vervoerder bij betwisting over de vrachtprijs, zekerheidstelling door de geadresseerde kan vorderen. Verder bepaalt artikel
  9. 1 van het CMR-verdrag, dat de vervoerder recht heeft op vergoeding van de kosten, die zijn verzoek om instructies of de uitvoering van de ontvangen instructies voor hem meebrengt, mits deze kosten niet door zijn schuld zijn ontstaan. Het CMR-verdrag houdt voor de geadresseerde geen verdere verplichtingen voor de betaling van de vervoerprestaties in. 2.1.
  10. PLUVIAUD ORGANISATION SAS houdt niet voor en bewijst in elk geval niet, dat DE KLOK NV gebruik maakte van de rechten die artikel
  11. 1 van het CMR-verdrag aan de geadresseerde toekent of haar instructies gaf betreffende het vervoer en de bestemming van de goederen. Zij heeft ook voorbehoudloos en zonder zekerheidstelling te eisen voor de betaling van de vrachtprijs, de goederen afgeleverd. Haar aanspraak op betaling van de vervoerprestaties, die zij met L. DE POORTERE NV en BALSAN NV is overeengekomen en waarvan zij geen kennis gaf aan DE KLOK NV op het ogenblik van de aflevering van de goederen en die achteraf onbetaald blijkt te zijn (zie ook hieronder punt 2.3), is dan ook niet gegrond. 2.
  12. Gesteld dat het CMR-verdrag niet sluitend de rechten en verplichtingen van DE KLOK NV zou beheersen, dan nog kan PLUVIAUD ORGANISATION SAS zich hier niet beroepen op de toepassing van artikel
  13. 4 van het Europees Overeenkomstenverdrag (of het verdrag van Rome van 19 juni 1980) inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. 2.2.
  14. PLUVIAUD ORGANISATION SAS had zich alleen op artikel
  15. 4 van het Europees Overeenkomstenverdrag (of het verdrag van Rome van 19 juni 1980) inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst kunnen beroepen, zo het CMR-verdrag de vervoerovereenkomst had gekwalificeerd als een overeenkomst tussen drie partijen, zij tussen
(1)de vervoerder,
(2)de opdrachtgever/afzender en
(3)de geadresseerde/begunstigde. Maar het CMR-verdrag gaat - zoals hierboven weerhouden - uit van een consensueel contract, dat tot stand komt door de loutere wilsovereenstemming tussen de opdrachtgever en de vervoerder. Het bepaalt nergens dat de vrachtbrief een contract vastlegt tussen drie contractpartijen: de afzender, de vervoerder en de bestemmeling van de goederen. Het bepaalt alleen, dat de vrachtbrief ondertekend wordt door de afzender en de vervoerder (zij de wezenlijke partijen in het vervoercontract), en dat het in drie exemplaren wordt opgemaakt (zij een exemplaar voor elk van de twee betrokken contractpartijen en een derde exemplaar dat de goederen begeleid en waarvan de geadresseerde gebruik kan maken); (zie artikel 5, 1 van het CMR-verdrag). Vandaar dat het ook alleen in de betaling van vervoerkosten door de geadresseerde voorziet, zo de geadresseerde - die geen partij was in de overeenkomst - gebruik maakt van het derde exemplaar en rechten uitoefent die de vervoerovereenkomst inhoudt (zie boven). De bepaling waarbij de vrachtbrief het contract tussen drie of meer partijen vormt, ressorteert volledig onder de interne Franse wet en meer bepaald onder artikel L 132-8 van het Franse wetboek van koophandel, die zoals hierboven gesteld, alleen het intern Frans vervoer beheerst, maar niet het internationaal vervoer. 2.2.
  1. Daarenboven volgt uit de lezing van artikel 4, 4 van het Europees Overeenkomstenverdrag, dat bij de bepaling van het toepasselijk recht op de vervoerovereenkomst alleen werd uitgegaan van de vervoerder en de verzender, zij de wezenlijke contactpartijen bij de afsluiting van de vervoerovereenkomst. Het artikel neemt immers alleen de aansluiting met het land waar zij hun hoofdvestiging hebben onder ogen; het neemt geen enkele aansluiting met het land van de geadresseerde in oogschouw. Bij toepassing van artikel
  2. 1 en
  3. 5 van het Europees Overeenkomstenverdrag had het Hof dan ook minstens nog moeten onderzoeken, of een deel van de voorgehouden drie-partijen-overeenkomst niet kan worden afgescheiden en of de (beweerde) contractuele verhouding tussen de vervoerder en de geadresseerde niet nauwer verbonden is met een ander land, dan het land waarmee de contractuele verhouding tussen de vervoerder en de verzender het nauwst verbonden is. 2.2.
  4. Aangezien de afzender eerst partij in de internationale vervoerovereenkomst wordt op het ogenblik, dat hij de goederen of de CMR-vrachtbrief in ontvangst neemt, zou het ook niet onlogisch zijn, om het land waar dit gebeurt te beschouwen als het land, waarmee de overeenkomst tussen de vervoerder en de geadresseerde het nauwst verbonden is. 2.
  5. Een verder onderzoek naar de strekking van het rechtstreeks vorderingsrecht in het voordeel van de vervoerder, dat de Franse wet instelde in het wetboek van koophandel onder titel TITRE III ¿Des courtiers, des commissionnaires, des transporteurs et des agents commerciaux' - dat zich in de artikelen L 131-1 tot L 134-17 richt tot ¿makelaars, commissionairs, vervoerders en commerciële agenten' en onder Hoofdstuk II, Sectie 2 op de vervoer-commissionairs in artikel L 132-8 voorziet in een betalingsverplichting of waarborgverplichting van de geadresseerde voor de betaling van de vervoerkosten, die de vervoerder met de afzender overeenkwam - dringt zich niet op. 2.3.
  6. Het Hof stelt wel vast, dat de strekking van artikel L 132-8 in Frankrijk het voorwerp uitmaakt van heftige betwistingen (zie onder andere punt 2 in de noot van D'ISABELLE BON-GARCIN onder het Franse cassatiearrest van 2 juni 2004, Recueil Dalloz 2004, pg. 2102). 2.3.
  7. Het stelt ook vast, dat de verzenders L. DE POORTERE NV en BALSAN NV en de vervoerder PLUVIAUD ORGANISATION SAS die de vrachtbrieven ondertekenden, de vakken 14 en 20 niet hebben ingevuld, die respectievelijk opgave moeten doen van
(1)de instructies voor de betaling van de vervoers/transport/ verzendkosten (de vrachtprijs) en
(2)de nog door de verzender te betalen transportkosten. Het laat de vraag onbeantwoord ¿of naar Frans recht de vrachtprijs in de vrachtbrief moet vermeld worden en wat de sanctie is, zo deze vermelding ontbreekt'. Wel stelt het vast, dat het CMR-verdrag deze verplichting onder artikel
  1. 1 - i weerhoudt, maar niet voorziet in een sanctie of verdeling van aansprakelijkheid onder de verzender en vervoerder ten gevolge van een onnauwkeurigheid of onvolledigheid voor de vermelding hiervan, in tegenstelling tot onnauwkeurigheden of onvolledigheden voor andere vermeldingen, wat verklaard wordt door het gegeven dat het CMR-verdrag alleen voorziet ¿dat de geadresseerde gehouden is de volgens de vrachtbrief verschuldigde bedragen te betalen of dat de vervoerder bij betwisting over deze prijs zekerheidstelling door de geadresseerde kan vorderen, voor zover de geadresseerde gebruik maakt van de rechten die artikel
  2. 1 van het CMR-verdrag hem toekent'. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst PLUVIAUD ORGANISATION SAS in de kosten van het hoger beroep, die het Hof aan de zijde van DE KLOK NV vaststelt op de rechtsplegingsvergoeding van 475,96 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zevenentwintig juni tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, aangewezen bij bevelschrift van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep alhier, de dato 27 juni 2005, om mevrouw P. Brad, raadsheer, op het ogenblik van de uitspraak te vervan¬gen, deze laatste wettig verhinderd zijnde de uitspraak bij te wonen van onderhavig arrest, waarover zij mede heeft beraadslaagd (art. 779, al. 2 Gerechtelijk Wetboek), A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.