← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050630.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050630.8 Rolnummer: 2002/RK/144 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-25 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-02 05:32 Fiche 1 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud - Ouders/kinderen Fiche 2 BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Ouderlijk genotsrecht Tekst van de beslissing in de zaak van: M.L, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. DEWULF Veerle, advocaat te 8500 KORTRIJK, Pres. Kennedypark 4A, tegen: D.J, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. VIDY Luc en mr. NECKEBROUCK Bernadette, beiden advocaat te 9300 AALST, Res. "Ursmar" Graanmarkt 17, en mr. SCHEERLINCK Frank, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei 41, velt het Hof het volgend arrest: Het Hof heeft kennis genomen van het op 20 januari 2005 door deze kamer van het Hof van beroep te Gent uitgesproken tussenarrest ¿ in hoger beroep van de beschikking verleend op 29 maart 2002 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde ¿, waarbij: - het verzoek van geïntimeerde tot heropening van de debatten als ongegrond werd afgewezen; - vanaf de datum van het desbetreffend arrest de uitoefening van het ouderlijk gezag over T, geboren op ¿, met uitsluiting van geïntimeerde, exclusief werd toevertrouwd aan appellante; - gezegd werd dat het kind vanaf de datum van het desbetreffend arrest zijn wettelijke verblijfplaats zal hebben bij appellante en aldaar zal worden ingeschreven in het gemeentelijk bevolkingsregister; - verstaan werd dat vanaf de datum van het desbetreffend arrest de uitbetaalde kinderbijslagen voor T toekomen aan appellante; - voorlopig aan geïntimeerde een recht op persoonlijk contact toegekend werd met T, wekelijks, alternerend op zaterdag en op zondag, telkens van 9 tot 18 uur en voor het eerst op zondag 6 februari 2005; - verstaan werd dat het kind steeds door geïntimeerde ten huize van appellante zal worden afgehaald en teruggebracht; - de zaak gesteld werd voor evaluatie en eventuele opvolging met betrekking tot T, alsmede voor een definitieve beslissing over het recht op persoonlijk contact van geïntimeerde met het kind, alsmede voor een beslissing over de gevorderde onderhoudsgelden voor T en voor appellante persoonlijk, op de openbare terechtzitting van donderdag 16 juni 2005 om 15 uur; - de beslissing over de kosten inmiddels werd aangehouden. * * * De procedurevoorgaanden werden in deze zaak reeds genoegzaam uiteengezet in de opeenvolgende tussenarresten van 20 februari 2003, 25 september 2003, 29 april 2004 en 20 januari

  1. Het volstaat thans om daarnaar te verwijzen. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2005 heeft appellante conclusies neergelegd, waarbij zij vordert dat het Hof: - om reden dat geïntimeerde het arrest van 20 januari 2005 weigert uit te voeren, de zaak wat de evaluatie en verdere opvolging van T betreft, alsook wat betreft het onderhoudsgeld, zowel voor het kind als voor appellante persoonlijk, naar een latere datum zou verdagen; - evenwel, teneinde te voldoen aan de in kracht van gewijsde getreden veroordeling van het arrest van 20 januari 2005 waarbij het kind onmiddellijk door geïntimeerde bij de moeder moet worden afgegeven, zou zeggen voor recht dat de afgifte van T wordt gekoppeld aan een dwangsom van 2.500 EURO per dag vertraging om het kind bij appellante af te leveren, weigering vast te stellen met alle middelen van recht en kosten van vaststelling lastens geïntimeerde; - verder geïntimeerde zou veroordelen om aan appellante als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding te betalen de som van 2.500 EURO, te vermeerderen met de gerechtelijke rente met ingang van de datum van betekening van het tussen te komen arrest; - dit alles in een arrest uitvoerbaar bij voorraad; - de kosten zou aanhouden. Op diezelfde openbare terechtzitting heeft geïntimeerde eveneens conclusies neergelegd waarbij hij vorderde:
  2. aangaande het ouderlijk gezag - omgangsrecht dat de regeling zoals opgelegd bij arrest van 20 januari 2005 voorlopig zou worden opgeschort en dat: - een sociaal assistent zou worden benoemd (waarschijnlijk bedoelt geïntimeerde dat de procureur-generaal zou worden uitgenodigd om een maatschappelijk onderzoek te doen uitvoeren door een justitieassistent van de dienst burgerrechtelijke opdrachten van de FOD Justitie) teneinde meer verduidelijking te bekomen aangaande de leefsituatie van appellante (haar drankprobleem, haar labiel karakter, haar psychische toestand); - een onderzoek zou worden bevolen aangaande de situatie van het kind en dat terzake een psychiater-deskundige zou worden aangesteld, die tevens als opdracht meekrijgt om de verslagen op te vragen bij het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg te Ninove, Abdijstraat nr. 22; - aan het openbaar ministerie opdracht zou worden gegeven om een objectief en diepgaand onderzoek te voeren naar de Sint-Michielsbeweging, de betrokkenheid van de familie M bij deze beweging en de invloed ervan op appellante en het kind (appellante woont in bij haar ouders en wordt door dezen in grote mate gedomineerd); - de contacten tussen appellante en T opnieuw worden opgestart waarop hij zelfs aandringt en voorstelt dat dit opstarten zou gebeuren hetzij via tussenkomst van een neutrale bezoekruimte, hetzij via bemiddeling van prof. dr. Marchand (vertrouwenscentrum Jette);
  3. dat aangaande het onderhoudsgeld voor appellante persoonlijk deze vordering van geïntimeerde zou worden afgewezen als ongegrond;
  4. dat de kosten zouden worden aangehouden. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzittingen van 16 juni 2005 en 23 juni
  5. Op deze beide terechtzittingen werden de partijen ook in persoon gehoord. Op de openbare terechtzitting van 23 juni 2005 werden de debatten gesloten, waarna het openbaar ministerie, in de persoon van advocaat-generaal Philippe Gysbergs, mondeling advies heeft uitgebracht. De raadsman van geïntimeerde heeft hierop opmerkingen geformuleerd en de raadsman van appellante heeft afstand gedaan van het recht op repliek. De zaak werd in beraad genomen. bespreking
  6. Het tussenarrest van 20 januari 2005 is ten verzoeke van appellante op 2 februari 2005 aan geïntimeerde betekend geworden en is bij gebreke van het instellen van een cassatieberoep binnen de nuttige termijn thans in kracht van gewijsde getreden. Nochtans blijft geïntimeerde weigeren dat tussenarrest uit te voeren en het kind T, volgens de in het tussenarrest beschreven modaliteiten, te brengen bij geïntimeerde. Geïntimeerde heeft echter op grond van beweerde gewijzigde omstandigheden appellante op 1 februari 2005 laten dagvaarden voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zitting houdend in kort geding, teneinde een herziening/wijziging te bekomen van de maatregelen met betrekking tot T bevolen in het tussenarrest van 20 januari 2005, in die zin dat de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige terug aan hem zou worden toevertrouwd en dat T op zijn adres zou worden ingeschreven als hebbende aldaar zijn wettelijke verblijfplaats. Onverminderd de vraag naar de bevoegdheid van de kort gedingrechter, niet alleen om, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, kennis te nemen van de hiervóór beschreven vordering van geïntimeerde, maar daarenboven ook de verdere uitvoering van het arrest van 20 januari 2005 tijdelijk te schorsen tot 16 juni 2005 om 16 uur, dient vastgesteld dat de door geïntimeerde ingeroepen ¿gewijzigde' omstandigheden (voor zover deze ook als dusdanig kunnen worden bestempeld) hetzij helemaal niet aanwezig zijn, hetzij onjuist zijn, hetzij niet van aard zijn om de door de geïntimeerde gewenste wijziging aan de maatregelen bevolen ten aanzien van de persoon van T door het arrest van 20 januari 2005 te rechtvaardigen.
  7. Vooreerst dient immers opgemerkt dat waar geïntimeerde nog beweerde in zijn voornoemd dagvaardingsexploot gericht aan de kort geding rechter te Oudenaarde dat T, ten huize van appellante die inwoont bij haar ouders, zich in een problematische opvoedingssituatie zou bevinden, dit manifest onjuist is aangezien geïntimeerde sinds het arrest van 20 januari 2005 juist nooit toegelaten heeft dat T de woning van appellante en haar ouders vervoegde. Vervolgens beweerde geïntimeerde in hetzelfde exploot dat T in de woning van appellante en haar ouders het slachtoffer is geweest van zware sexuele en sadistische praktijken en daardoor zwaar getraumatiseerd geworden is. Daarbij vergat hij echter te vermelden dat zijn klacht met burgerlijke partijstelling dienaangaande lastens o.m. appellante, na een zeer grondig uitgevoerd strafonderzoek, reeds geleid had op 10.02.2004 tot een buitenvervolgingstelling van o.m. appellante als inverdenkinggestelde uit dien hoofde door de correctionele raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, beschikking die trouwens bevestigd werd in graad van hoger beroep door een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij het Hof van beroep te Gent van 14 juni
  8. De Kamer van Inbeschuldigingstelling overwoog uitdrukkelijk dat uit de volledige strafinformatie hoegenaamd geen elementen naar voor komen die toelaten o.a. appellante en haar inverdenkinggestelde familieleden voor de hen door geïntimeerde ten laste gelegde feiten te verwijzen naar de bodemrechter. De 11e kamer heeft in zijn tussenarrest van 20 januari 2005 tevens ook reeds vastgesteld dat de verschillende opeenvolgende ¿deskundigen' die geïntimeerde ook nu nog steeds blijft raadplegen, zonder enig contact met de moeder en het moederlijk milieu te hebben gehad, zich louter steunend op én de fantasiewereld van T én de eenzijdige beweringen van geïntimeerde, alsmede daarenboven ieder voortbouwend op de verslagen van zijn/haar voorganger, niet alleen van mening zijn dat T effectief aan zware sexuele en sadistische praktijken is blootgesteld geworden, maar eveneens zonder meer als verantwoordelijke daarvoor het moederlijk milieu aanduiden, dit met volledig voorbijgaan aan de realiteit dat die beweringen zelfs na een zeer diepgaand strafonderzoek door geen enkel vaststaand element worden geobjectiveerd.
  9. Daarenboven moet het Hof besluiten dat voor zover de ingeroepen ¿gewijzigde' omstandigheden welke zouden zijn opgetreden na het tussenarrest van 20 januari 2005 betrekking hebben op het feit dat appellante terug een drankprobleem heeft (volgens het vonnis van de vrederechter van Zottegem van 20 december 2001 in het kader van een procedure ex art. 223 B.W. blijkt dat appellante inderdaad in het verleden met dergelijke problemen heeft geworsteld), een dergelijk gegeven niet ten genoege van recht wordt aangetoond. Geïntimeerde verliest vooreerst uit het oog dat deze kamer op p. 15 en 16 van haar tussenarrest van 29 april 2004 o.a. overwoog dat er toen geen enkele aanwijzing voorhanden was dat appellante door een aanhoudend drankprobleem niet in staat zou zijn voor de opvang en verzorging van T te zorgen. Naar deze overweging werd trouwens expliciet verwezen op p. 5 van het tussenarrest van 20 januari
  10. De omstandigheid dat appellante zich vrijwillig liet opnemen in de St.-Martenskliniek te Kortrijk, o.a. in de maand maart 2005, blijkt volgens een overgelegd medisch attest te maken te hebben met psychische problemen omdat zij het jarenlang procederen niet meer aankan en T al twee jaar niet meer heeft gezien. Dat medisch attest (van de huisarts van appellante) wordt door geïntimeerde niet weerlegd. Met de totaal oncontroleerbare beweringen van de te elfder ure opgedoken J.D, die in een handgeschreven brief van 17 juni 2005 en in een verklaring van 18 juni 2005 aan de politie van Zottegem telkens allerlei verklaringen van drankmisbruik en labiliteit (appellante) en pedofilie (de vader van appellante) aflegt, kan immers bezwaarlijk rekening worden gehouden. Hoe dan ook, om alle verdere discussies dienaangaande te vermijden, komt het aangewezen voor appellante uit te nodigen om ter gelegenheid van de hierna te bevelen nieuwe evaluatie een medisch attest van de behandelde geneesh(e)er(en) in de St.-Martenskliniek in Kortrijk over te leggen, waarin expliciet bevestigd wordt dat haar opnames aldaar vreemd zijn geweest aan een alcoholprobleem.
  11. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2005 heeft de raadsman van geïntimeerde eveneens beweerd dat appellante niet meer bij haar ouders inwoont, doch met een vriend samenwoont. Niet alleen wordt die bewering niet hard gemaakt, maar het is voor het Hof evenmin duidelijk op welke wijze de stoffelijke en/of morele belangen van T zouden zijn of worden geschaad door het enkel feit dat geïntimeerde een nieuwe relatie aangaat met een andere man dan geïntimeerde.
  12. Tenslotte voert geïntimeerde als ¿gewijzigde' omstandigheid aan dat hij na het arrest van 20 januari 2005 heeft vernomen dat de moederlijke familie lid is van de St.-Michielsbeweging die volgens hem in feite een religieuze sekte is. In het algemeen taalgebruik wordt een religieuze sekte binnen de christelijke kerken gedefinieerd als een groepering die zich heeft afgesplitst van een bestaande christelijke kerkgemeenschap op grond van afwijkende opvattingen betreffende één of meer niet-centrale geloofspunten (zie o.a. Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, elfde herziene druk, p. 2572). Uit de beschikbare gegevens met betrekking tot de St.-Michielsbeweging dient het Hof echter vast te stellen dat deze beweging zich situeert en werkzaam is binnen de krijtlijnen van de officiële rooms-katholieke leer en zich onderwerpt aan de organisatie van de rooms-katholieke Kerk die toch één van de wettelijk erkende godsdiensten in ons land betreft. Alleen reeds op grond daarvan kan de St.-Michielsbeweging helemaal niet worden bestempeld als een religieuze sekte, zodat de verwijzing naar een arrest van dit Hof van 13 februari 2003 niet relevant is, aangezien in die zaak sprake was van een moeder die aanhangster was van een kerkgemeenschap die zich had afgescheiden van de officiële rooms-katholieke Kerk en waarvan de overtuigingen door zijn extreem-conservatisme ernstig afweken van de hedendaagse officiële leer van die Kerk. Trouwens, zelfs indien te dezen sprake zou zijn van een ¿sekte', betekent dit als dusdanig nog niet dat de fysieke of psychische integriteit van T gevaar loopt wanneer hij met de St.-Michielsbeweging in contact komt en dat hij gelet op zijn leeftijd in verwarring zou kunnen worden gebracht door een extreme geloofsovertuiging die ernstig afwijkt van of indruist tegen de algemeen aanvaarde basisnormen en -waarden in onze samenleving. Overeenkomstig art. 2 van de wet 2 juni 1998 houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties wordt er voor de toepassing van onderhavige wet onder schadelijke sektarische organisatie verstaan, elke groepering met een levensbeschouwelijk of godsdienstig doel of die zich als dusdanig voordoet en die zich in haar organisatie of praktijken overgeeft aan schadelijke onwettige activiteiten, het individu of de samenleving schaadt of de menselijke waardigheid aantast. Het schadelijk karakter van een sektarische organisatie wordt onderzocht op basis van de principes welke zijn vastgelegd in de grondwet, de wetten, de decreten, ordonnanties en in de internationale verdragen inzake de bescherming van de rechten van de mens welke door België werden geratificeerd. Uit de ¿zendingsopdracht' van de St.-Michielsbeweging, opgericht in 1993 op vraag van de bisschop van Brugge, zoals blijkt uit een door appellante overgelegde folder (stavingstuk 13 van appellante), kan er in elk geval niet worden afgeleid dat die beweging een schadelijke organisatie betreft in de zin van art. 2 van voornoemde wet.
  13. Besluit: de maatregelen bevolen door het tussenarrest van 20 januari 2005 dienen bij gebrek aan bewezen ¿gewijzigde' omstandigheden onverwijld te worden nageleefd. De door geïntimeerde gevorderde onderzoeksmaatregelen zijn niet dienstig, het Hof voldoende voorgelicht zijnde. Het Hof vermag de procureur-generaal trouwens geen ¿opdracht' te geven.
  14. Het is zeer lovenswaardig dat appellante in het belang van T spontaan het initiatief heeft genomen om beroep te kunnen doen op een professionele begeleiding bij de overgang van T van de vader naar de moeder (stavingstuk 10 van appellante). Het Hof is van oordeel dat een dergelijke begeleiding zeker noodzakelijk is niet alleen bij die overgang maar ook in de eerstkomende daaropvolgende maanden. Ook dienaangaande wordt appellante uitgenodigd bij de hierna te bepalen evaluatie een attest voor te leggen van het desbetreffend centrum dat T en haarzelf begeleid heeft.
  15. Gelet op de duidelijke onwil van geïntimeerde en het naast zich neerleggen van het tussenarrest van 20 januari 2005 is de door appellante gevorderde verbeurd verklaring van een dwangsom noodzakelijk en gepast.
  16. Tenslotte kan appellante aan geïntimeerde geen tergend en roekeloos geding ten laste leggen aangezien zijn oorspronkelijke klacht van sexuele en sadistische praktijken tegenover het moederlijk milieu (klacht waarvan thans geen enkel bewijs voorhanden blijkt te zijn) gesteund werd en nog wordt door verslagen van verschillende psychiaters/psychologen en anderen. De omstandigheid dat de in die verslagen gestelde conclusies op geen enkele wijze geobjectiveerd worden, doet daaraan geen afbreuk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verder recht doende na de tussenarresten van 20 februari 2003, 25 september 2003, 29 april 2004 en 25 januari 2005, Zegt dat de maatregelen bevolen bij tussenarrest van 20 januari 2005 verder onverkort van kracht blijven, met dien verstande echter dat geïntimeerde thans ook veroordeeld wordt tot het betalen van een dwangsom van 500 EURO per dag vertraging dat hij nalaat het kind T vrijwillig bij appellante af te leveren na het betekenen van huidig arrest; weigering vast te stellen op kosten van geïntimeerde. Heropent de debatten. Stelt de zaak wederom voor evaluatie en eventuele opvolging m.b.t. T, alsmede voor een definitieve beslissing over het recht op persoonlijk contact van geïntimeerde met het kind, alsmede voor een beslissing over de gevorderde onderhoudsgelden voor T en voor appellante persoonlijk, op de openbare terechtzitting van donderdag 24 november 2005 om 15.00 uur. Nodigt appellante uit om uiterlijk op die evaluatie de twee voornoemde attesten over te leggen: - een eerste uitgaande van de behandelende geneeshe(e)r(en) dat aantoont dat haar opnames in de St.-Martenskliniek te Kortrijk vreemd waren aan een alcoholproblematiek; - een tweede dat bevestigt dat een erkend hulpverleningscentrum T en appellante bij de overgang van het kind van de vader naar de moeder en tijdens de daaropvolgende maanden daadwerkelijk begeleid heeft. Houdt inmiddels de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op DERTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer-voorzitter, A. DEENE, raadsheer, L. THABERT, raadsheer, P. GYSBERGS, advocaat-generaal, D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.