id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20050927.4 Rolnummer: 2004/AR/2659 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-25 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 05:32 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Andere (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: De herroeping van een collectieve schuldenregeling is te situeren in de tweede, in de regel contradictoire fase van procedure, zodat de schuldeisers die hierin zijn betrokken, als volwaardige contractpartijen moeten worden beschouwd. De diverse incidenten in het raam van de contradictoire fase van de procedure van collectieve schuldenregeling, waaronder de herroeping, zijn onslitsbaar van aard. Derhalve dient krachtens art. 1053 Ger.W. het hoger beroep van een schuldenaar tegen een herroepingsbeslissing evenzeer te worden gericht tegen de schuldeisers. Tekst van de beslissing in de zaak van: V.J, wonende te X, appellant, hebbende als raadsman mr. MICHOLT Sylvie, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 7b tegen: WAES Lodewijk, advocaat te 8000 BRUGGE, Filips de Goedelaan 10 bus 3, in hoedanigheid van schuldbemiddelaar, geïntimeerde qq. in persoon, velt het Hof het volgend arrest: * J.V, appellant, stelde bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 28 oktober 2004 hoger beroep in tegen het vonnis op 29 september 2004 door de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge gewezen, waarbij - op verzoek van de schuldbemiddelaar - o.m. de herroeping overeenkomstig art. 1675/15 §1 2° Ger.W. werd bevolen lastens appellant van de collectieve schuldenregeling waartoe deze laatste was toegelaten bij beschikking van 20 april
- Met zijn hoger beroep beoogt appellant het teniet doen van het bestreden vonnis, de afwijzing van het oorspronkelijke verzoek tot herroeping en de inwilliging van het zijn verzoek tot vervanging van de schuldbemiddelaar. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 6 september
- * * *
- Relevante gegevens Appellant werd tot de procedure collectieve schuldenbemiddeling toegelaten bij beschikking van 20 april
- Op 28 maart 2002 werd door de schuldbemiddelaar een verzoek neergelegd strekkende tot akteverlening van een minnelijke aanzuiveringsregeling, hetgeen werd ingewilligd bij beslissing van 20 juni
- Deze beslissing werd met gerechtsbrieven gedateerd op 28 juni 2002 ter kennis gebracht aan zowel huidige appellant als de diverse schuldeisers. Op 25 maart 2003 volgde een verzoek tot herroeping uitgaande van de schuldbemiddelaar, waaromtrent werd geoordeeld - na een tussenbeslissing op 11 juni 2003 - in het bestreden vonnis. De betrokken debiteur en schuldeisers werden terzake opgeroepen (gerechtsbrieven gedateerd op 27 maart 2003), in kennis gesteld via gerechtsbrief van de tussenbeslissing (gedateerd op 12 juni 2003), van de verdaging ter zitting van 2 december 2003 (gerechtsbrieven gedateerd op 8 december 2003) en van het bestreden vonnis (gerechtsbrieven gedateerd op 1 oktober 2004). * De appèlakte vermeldt enkel de schuldbemiddelaar als geïntimeerde. Van de schuldeisers wordt geen gewag gemaakt noch als geïntimeerde noch als mede in het geding betrokken of te betrekken partijen. Ondanks de aard van het geschil - collectieve schuldenregeling en bovendien herroeping - is geen der partijen op de inleidende zitting verschenen en werd integendeel schriftelijk om de verzending van de zaak naar de rol verzocht, en diende zelfs een gerechtelijke instaatstelling te gebeuren.. Bij beschikking 747 §2 Ger.W. dd. 14 juni 2005 werd o.m. overwogen : ¿Gelet op alle gegevens in casu, met inbegrip van de specifieke aard van de zaak die in beginsel een dringende behandeling vereist (herroeping inzake collectieve schuldenregeling..) en de afwezigheid van agendaregeling ter inleidende zitting bij afwezigheid van de betrokken partijen, komt het aangewezen voor (korte) conclusietermijnen te regelen zoals hierna bepaald. Uit louter proceseconomische overwegingen komt het meteen aangewezen voor partijen uit te nodigen stelling te nemen en/of tegenspraak te voeren omtrent de regelmatigheid van de appèlprocedure waarbij uitsluitend de schuldbemiddelaar werd betrokken¿. Er werden korte conclusietermijnen bepaald en een rechtsdag voorzien.
- Toelaatbaarheid hoger beroep In aansluiting met de uitnodiging in voormelde beschikking 747 §2 Ger.W. zijn door de schuldbemiddelaar conclusies genomen waarin deze zich beroept op de niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep, waar dit enkel gericht is tegen hemzelf en m.n. de overige mede in zake zijnde partijen in eerste aanleg niet bij de behandeling in hoger beroep werden betrokken. * De herroeping situeert zich - in tegenstelling tot de procesgang bij de beoordeling van de toelaatbaarheid - onmiskenbaar in de tweede, in de regel tegensprekelijke fase van de procedure collectieve schuldenregeling. De toelaatbaarheidsbeschikking werd aan de schuldeisers ter kennis gebracht overeenkomstig art. 1675/9, 4° Ger.W. met de gevolgen (o.m. van samenloop) vandien, terwijl er in onderhavig dossier door de Beslagrechter ook reeds akte was verleend van de minnelijke aanzuiveringsregeling (zie hoger). De betrokken schuldeisers werden in de homologatiebeslissing als ¿opgegeven en/of indienende schuldeiser¿ vermeld, beslissing die hen ook met gerechtsbrief ter kennis werd gebracht. De aldus betrokken schuldeisers dienen in de gegeven omstandigheden dan ook als volwaardige partijen aanzien, onverminderd o.m. de vereenvoudigde en versnelde saisine en procesgang - ook ten aanzien van de schuldeisers - en het normdoel van de wet inzake collectieve schuldenregeling op dit punt (zoals deze o.m. kunnen worden afgeleid uit art. 1675/14 §2, art. 1675/16 Ger.W.). Uit het voorschrift van art. 1675/15 §1 in fine Ger.W. volgt bovendien dat een aan de schuldeisers en schuldenaar tegensprekelijke behandeling van de herroepingsprocedure door de wetgever is voorzien geworden, terwijl deze schuldeisers in onderhavige incident van de herroeping in ieder geval ook als partijen werden opgeroepen en kennisgeving hebben bekomen van de uitspraak. Gelet op hun rol bij de totstandkoming van de minnelijke aanzuiveringsregeling kan bezwaarlijk worden aangenomen dat in het kader van een herroeping de schuldeisers slechts toeschouwers zouden zijn en geen daadwerkelijke tussenkomende of in de zaak betrokken partijen die een specifiek belang hebben. De diverse incidenten in het kader van de tegensprekelijke fase van de collectieve schuldbemiddeling, waaronder de herroeping, zijn onsplitsbaar van aard. De procedure van collectieve schuldenregeling organiseert een toestand van samenloop, terwijl niet kan worden aangenomen dat o.m. omtrent de herroeping uitspraak zou worden gedaan in een andere zin tegenover de schuldeisers dan tegenover bvb. de schuldenaar, hetgeen een gezamenlijke tenuitvoerlegging verhindert en er aldus voldaan is aan de voorwaarde van art 31 Ger.W.. Overeenkomstig art. 1053 Ger.W. moet het hoger beroep in onsplitsbare geschillen worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep en moeten bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak worden betrokken. Onverminderd de tegenstrijdige belangen die normalerwijze voorhanden zijn inzake de herroeping bij de debiteur enerzijds de schuldeisers anderzijds, dient vastgesteld dat het hoger beroep in casu uitsluitend de schuldbemiddelaar als geïntimeerde vermeldt en niet tegen de betrokken schuldeisers is gericht, terwijl deze ook niet in de appèlprocedure werden betrokken. Het hoger beroep dient dan ook ingevolge art. 1053, 3e lid Ger.W. als niet-toelaatbaar afgewezen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het Taal¬gebruik in Gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep niet-toelaatbaar; Zegt voor recht dat er geen aanleiding is tot vereffening van de gerechtskosten. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE BIS KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ZEVENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. Aanwezig: Beatrijs DECONINCK, raadsheer, wn.voorzitter Gerda HUYSMAN, adjunct-griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div