← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051020.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051020.7 Rolnummer: 2002/AR/2506 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 05:36 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Vernietiging Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - art.891 Tekst van de beslissing in de zaak met het rolnr. 2002/AR/2506 van: T.A, ¿, geboren op ¿, en wonende te X, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de veertiende kamer dd. 3-9-2002, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. HERBRANT Hans, advocaat te 9880 Aalter, Steenweg op Deinze 43B tegen: D.M (in het bestreden vonnis: D.M), ¿, wonende te Y, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. DE MUYT Benedikt, advocaat te 9910 Knesselare, Veldstraat 22 velt het Hof het volgend arrest.

  1. Het Hof, zelfde kamer, velde op 14.10.2004 een arrest waarbij het bestreden vonnis werd bevestigd en waarbij partijen werden verzocht conclusies te nemen in verband met de toepassing van artikel 891 B.W. De benadeling die volgens het Hof in de overeenkomst van 11 juni 1999 gebeurd was in hoofde van appellante, bestond hierin dat haar aandeel moest begroot worden op 2.819.900 oude BEF ( euro 69.903,50) of na vermindering met het aandeel in de leningsschuld op 2.277.527 oude BEF ( euro 56.458,42) en dat de overeenkomst slechts voorzag in de uitkering van 38.903,81 EUR: dat is een benadeling voor meer dan 1/4de.
  2. Er bestaat thans nog een meningsverschil aangaande de wijze waarop toepassing moet worden gemaakt van het artikel 891 B.W. dat aan geïntimeerde de mogelijkheid biedt om de vernietiging en de herverdeling tegen te gaan door aan appellante het ontbrekende deel te verschaffen (hetzij in geld hetzij in natura). Appellante houdt voor dat de toepassing van deze wettelijke mogelijkheid vereist dat de gelijkheid van de deelgenoten gerespecteerd wordt en dat de gelijkheid van de deelgenoten slechts kan bekomen worden door de toepassing van twee regels, nl. de betaling van het volle bedrag en de waardering van het ontbrekende deel op het moment van de effectieve verdeling. Volgens appellante volstaat het niet de aanvulling te doen tot beloop van het bedrag van euro 56.458,42 EUR maar moet het aanvullend deel naar zijn actuele waarde worden geschat. Zij wijst erop dat zij ingeval van het verschaffen van het ontbrekende deel in natura zou genieten van de meerwaarde en dat zij bij het verschaffen van het ontbrekend deel in geld ongelijk zou behandeld worden als er geen nieuwe waardering zou gedaan worden. Zij vordert aldus de aanstelling van een deskundige om de waarde van de te verdelen onroerende goederen te schatten. Zij vordert ondergeschikt de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een som van 708.151 oude BEF (17.554,60 EUR) meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrest sinds 11 juni 1999 meer de gerechtelijke intresten tot aan de dag van algehele betaling. In de conclusies van 9 juni 2005 vordert appellante in ondergeschikte orde de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van 2.277.527 oude BEF (56.458,42 EUR) meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrest sinds 11 juni 1999, méér de gerechtelijke intresten tot aan de dag van algehele betaling. Geïntimeerde stelt dat er een onverbreekbare band bestaat tussen de artikelen 890 en 891 B.W. Volgens hem laat dat laatste artikel niet toe zich op het tijdstip van de aanvulling te stellen aangezien het juist de bedoeling is de herverdeling te vermijden. Hij stelt dat appellante zich steunt op Franse minderheidsrechtspraak volgens dewelke een dubbele evaluatie moet gebeuren. Vooreerst worden de goederen geschat op de dag van de verdeling om te weten of er een benadeling is van meer dan één vierde en vervolgens, indien dit het geval is, schat men ze opnieuw maar ditmaal op het ogenblik van de afkoop van de benadeling om de vergoeding te bepalen. Voorts is geïntimeerde van oordeel dat artikel 891 B.W hem het recht geeft de benadeling op te heffen door aanvulling naar 3/4den zonder dat hij daarbij het volledige aandeel moet aanvullen. In hoofdorde vraagt hij dus te zeggen voor recht dat het bedrag van de compensatie bepaald wordt door het verschil in waarde tussen hetgeen appellante bij de verdeling had moeten ontvangen teneinde benadeling met 1/4de te voorkomen en hetgeen zij in werkelijkheid ontvangen heeft, d.w.z. te zeggen voor recht dat de compensatie bestaat uit het bedrag van 138.769 oude BEF of 3.439,99 EUR. In ondergeschikte orde vordert geïntimeerde dat het supplement zou berekend worden overeenkomstig een bepaald deel van de rechtsleer, nl. het geïndexeerd bedrag van de benadeling vermeerderd met het gekapitaliseerd vruchtgebruik op het oorspronkelijk bedrag der benadeling. Zo wordt het bedrag van de benadeling geïndexeerd en vertegenwoordigt het gekapitaliseerd vruchtgebruik op het oorspronkelijk bedrag van de benadeling de vruchten waarop de benadeelde sedert de verdeling recht had. Geïntimeerde betwist dat er intresten verschuldigd zijn op het bedrag van de compensatie. Hij stelt dat hij altijd al wilde overgaan tot betaling van het verschil in waarde tussen hetgeen de appellante bij de verdeling had moeten ontvangen en hetgeen zij toen ontvangen heeft, maar dat het appellante was die dit nimmer aanvaardde.
  3. Wanneer in artikel 891 B.W. het recht wordt gegeven aan degene tegen wie de vordering tot vernietiging is ingesteld om die vordering tegen te houden en een herverdeling te beletten door aan de eiser aan te bieden en te verschaffen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt, dan wordt duidelijk bedoeld dat de eiser op die manier moet bekomen hetgeen hij zou hebben bekomen als er helemaal geen benadeling was gebeurd. Toepassing van artikel 891 B.W. vereist dat het juiste evenwicht wordt hersteld (zie: Ch. SLUYTS, Gevolgen en oorzaken van onvolkomenheid van de verdeling in Liber Amicorum R. Dillemans Deel I Familierecht en familiaal vermogensrecht, p 307; DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge 1974, nr 1481). Geïntimeerde wordt dus niet gevolgd in zijn stelling dat er geen aanvulling moet gebeuren tot het volledige deel en dat een aanvulling naar 3/4den volstaat. In zijn stelling wordt aan appellante niet gegeven waarop zij recht heeft en dat is nochtans hetgeen waar het om te doen is bij een verdeling. Als het resultaat is dat appellante ontvangt waarop zij recht heeft, dan is dat een resultaat dat bekomen is door een gecorrigeerde overeenkomst hetgeen nog steeds een resultaat is dat te verkiezen is boven een gerechtelijke verdeling. Er rijst een moeilijkheid doordat zoveel tijd na de verdelingsakte moet bepaald worden wat het ontbrekende deel is dat moet verschaft worden. Appellante kan niet gevolgd worden in haar stelling dat het noodzakelijk is een nieuwe schatting te doen van het te verdelen onroerend goed om te komen tot een juiste waardering van het ontbrekende deel. Als een schatting van het onroerend goed volgens de actuele waarde als basis wordt genomen om het ontbrekende deel te bepalen, dan is het mogelijk dat een waardevermeerdering van het onroerend goed in aanmerking wordt genomen, welke volledig losstaat van de aanvechtbare verdeling en dus ook niet moet gecompenseerd worden. Het Hof is voorstander om het aanvullend deel naar zijn actuele waarde te bepalen op grond van de berekeningswijze waarbij het verschil van 17.554,60 EUR, dit is 56.458,42 EUR - 38.903,81 EUR, (708.151 oude BEF, dit is 2.277.527 oude BEF - 1.569.376 oude BEF) wordt geïndexeerd op basis van de index der consumptieprijzen te vermeerderen met het gekapitaliseerd vruchtgebruik op het oorspronkelijk bedrag van de benadeling. Aangezien door deze berekeningswijze bepaald zal worden wat op heden aanvullend verschuldigd is, kunnen slechts vanaf heden gerechtelijke intresten verschuldigd zijn op dat bedrag. Wat betreft de intresten die gevorderd worden op het bedrag van 1.569.376 oude BEF ( euro 38.903,81), zijnde het bedrag dat in de overeenkomst van 11 juni 1999 werd bepaald, dienen de partijen nog gehoord te worden. Deze intresten zijn blijkbaar voor het eerst gevorderd in de laatste conclusies, die appellante op 8 juni 2005 heeft genomen. Partijen dienen de kans te krijgen een afrekening op te maken en gehoord te worden over deze afrekening vooraleer het Hof een veroordeling uitspreekt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; in voortzetting van het arrest van 14 oktober
  4. Zegt voor recht dat het ontbrekend deel dat aan appellante nog moet verschaft worden hoofdens artikel 891 B.W., bepaald wordt op de som die verkregen wordt als op heden op basis van de index der consumptieprijzen de indexering wordt gedaan van het bedrag van de benadeling dat op 11 juni 1999 17.554,60 EUR beliep, deze som te vermeerderen met het gekapitaliseerd vruchtgebruik op het oorspronkelijk bedrag der benadeling; Verstaat dat partijen conclusies zullen nemen aangaande de afrekening die appellante dient te maken en dat partijen opnieuw zullen gehoord worden op de openbare terechtzitting van DONDERDAG 1 december 2005 om 10 uur ; Reserveert de uitspraak nopens de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de elfde-bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op heden 20 oktober
  5. Aanwezig: - Patrick De Buck, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend, - Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.