id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051027.9 Rolnummer: 2005/AR/309 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-27 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 05:36 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Algemeen Tekst van de beslissing in de zaak met het rolnr. 2005/AR/309 van: C.B, ¿, wonende te X, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de veertiende kamer dd. 30-3-2004, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DE BOEL Marc, advocaat te 9000 Gent, Coupure 5; tegen:
- D.E, ¿, geboren te ¿ op ¿, wonende te Y,
- D.S, ¿, geboren te ¿ op ¿, en wonende te Z,
- D.P, geboren te ¿ op ¿, wonende te A, wiens naam ten gevolge van de volle adoptie thans T.P is en wiens meerderjarigheid vaststaat op ¿, en die blijkens ¿CONCLUSIE TOT VOORTZETTING VAN HET GEDING IN EIGEN NAAM¿, neergelegd ter terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11-bis-kamer, dd. 29-9-2005, verklaard heeft het geding in eigen naam verder te willen zetten en daarvan akte heeft gevraagd, geïntimeerden, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. NIJS Josef, advocaat te 9200 Dendermonde, Noordlaan 82-84; velt het Hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 2005, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 30 maart 2004 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, veertiende kamer, en waarbij de vordering van appellante en de tegenvordering, ingesteld door D.N in haar hoedanigheid van wettelijke voogdes over de persoon van P.D, gedeeltelijk gegrond werden verklaard en waarbij gezegd werd voor recht dat de koopsom die geblokkeerd is in handen van de notarissen Caudron te Erembodegem en Meert te Erpe zal worden vrijgegeven om ermee te handelen als naar recht. Het beroep van B.C strekt ertoe het vonnis te laten teniet doen en haar vordering volledig te zien inwilligen. 1.
- Op 31 maart 2005 en op 30 mei 2005 werden conclusies genomen door E en S.D, voorts ook door : - S.D gedagvaard in haar hoedanigheid van wettelijke voogdes over de persoon van D.P, geboren op ¿; - R.T en S.D optredend in hun hoedanigheid van volle adoptanten van P.D wiens naam ten gevolge van de volle adoptie thans P.T is; In deze conclusies werd gevraagd het beroep ongegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis integraal te bevestigen. Op de zitting van 29.09.2005 werden door P.T conclusies neergelegd tot voortzetting van het geding in eigen naam nadat hij op 24 september 2005 meerderjarig werd.
- 2.
- J.D was aanvankelijk gehuwd met R.N en uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, meer bepaald E.D en S.D. Nadat J.D uit de echt was gescheiden van R.N, hertrouwde hij met N.D. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, met name P.D. Nadat ook tussen J.D en N.D een echtscheiding was tussengekomen, ging eerstgenoemde samenwonen met appellante. Het onroerend goed waarin J.D en appellante samenwoonden en dat gelegen is te C, werd door hen beiden aangekocht bij notariële akte, verleden voor notaris Meert op 29 september
- In deze akte werd volgend tontinebeding opgenomen: ¿De kopers verklaren te kopen elk voor de helft met beding van tontine, dit wil zeggen dat ieder van de verkrijgers een onverdeelde helft in volle eigendom aankoopt onder ontbindende voorwaarde van zijn eigen vooroverlijden en de andere onverdeelde helft in volle eigendom onder schorsende voorwaarde van vooroverlijden van de medeverkrijger. Bij overlijden van de eerststervende van de kopers zal het bij deze aangekochte goed voor de geheelheid volle eigendom door aanwas toekomen aan de langstlevende van hen. De kopers verklaren reeds uitdrukkelijk te verzaken aan dit tontine beding ingeval zij met elkaar mochten huwen¿ Genoemd onroerend goed werd door de deelgenoten J.D en ¬B.C bij onderhandse akte op 11 januari 1997 verkocht aan het echtpaar D - D voor een prijs van 148.736 euro (6.000.000 oude BEF), waarvan een voorschot van 250.000 oude BEF op diezelfde datum werd betaald. In deze onderhandse akte werd bepaald dat de kopers de volle eigendom en het genot zullen bekomen met het ondertekenen van de notariële akte. Op ¿ is J.D overleden. Op 2 juli 1997 werd de notariële akte verleden met zowel appellante als de erfgenamen van J.D, met name E, S en P.D als verkopers. Laatstgenoemde werd toen vertegenwoordigd door zijn moeder N.D. In deze notariële akte werd het volgende bepaald: ¿Overeenkomstig artikel 1589 van het Burgerlijk Wetboek dat stelt dat een verkoopbelofte geldt als verkoop wanneer er wederzijdse toestemming van de partijen is omtrent de zaak en omtrent de prijs en aangezien de Heer J.D en Mevrouw B.C hebben verkocht aan de Heer P.D en zijn echtgenote Mevrouw M.D mits de prijs van zes miljoen frank, waarop de kopers een voorschot hebben gestort van tweehonderdvijftigduizend frank, hebben de partijen de uitvoering geëist van voormelde overeenkomst, de erkenning en de authentieke bevestiging van voormelde verkoopsovereenkomst mits uitvoering van alle rechten en plichten vervat in gemelde verkoopsovereenkomst evenals de betaling van de prijs' en voorts : 'Vervolgens en voor zover dit nodig zou zijn, verklaren de partijen alle overeenkomsten vervat in voormeld document, en dit met terugwerkende kracht tot voormelde overeenkomst van elf januari negentienhonderd zevenennegentig te herbevestigen, willende dat deze hetzelfde gezag en dezelfde gevolgen zullen hebben als ware zij in authentieke akte opgenomen op dezelfde datum, zonder dat deze verklaring voor de erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving van de Heer J.D een zuivere aanvaarding inhoudt van zijn nalatenschap, de gelden voortkomende uit huidige verkoop alleen in de massa van de nalatenschap vallende en deze bevestiging een loutere daad van beheer zijnde¿ 2.
- In de dagvaarding vorderde appellante wat volgt: - te zeggen voor recht dat het tontinebeding ten volle uitwerking had bij het overlijden van de heer J.D tengevolge waarvan de appellante ab initio geacht wordt eigenaar te zijn geweest van het onroerend goed gelegen te ¿; - te zeggen voor recht dat de bij notaris Caudron te Erembodegem en notaris Meert te Erpe geblokkeerde koopsom integraal, hoofdsom vermeerderd met de intresten, dient te worden vrijgegeven ten gunste van de appellante, onder verbeurte van dwangsom van 5.000 BEF per dag ingaand één maand na betekening van het tussen te komen vonnis; - de gedaagden te veroordelen tot de kosten. In haar conclusies van 21 januari 2002 vorderde N.D qualitate qua bij tegeneis dat zou gezegd worden voor recht dat de gelden dewelke geblokkeerd staan bij notaris Caudron te Erembodegem en notaris Meert te Erpe integraal, hoofdsom vermeerderd met de intresten, dienen te worden vrijgegeven ten gunste van de erfgenamen van wijlen J.D.
- Het oordeel van het Hof is dat de stelling van de erfgenamen van J.D dat het tontinebeding geen uitwerking meer kon hebben na de overeenkomst van 11.01.1997, juist is De redenering die de rechter in eerste aanleg heeft gevolgd, is in hoofdlijnen als volgt samen te vatten De koopovereenkomst is overeenkomstig artikel 1583 B.W. voltrokken zodra er overeenstemming is omtrent de zaak en de prijs, waarbij de eigendomsoverdracht een essentieel element is opdat er sprake zou zijn van verkoop. Het ogenblik van eigendomsoverdracht. kan nochtans wel contractueel worden uitgesteld, bijvoorbeeld tot op het ogenblik van het verlijden van de notariële akte. . De eerste rechter interpreteert dergelijk beding als een clausule van tijdsbepaling: de verbintenis bestaat maar is niet afdwingbaar vooraleer de toekomstige maar zekere gebeurtenis (het verlijden van de akte) zich heeft voorgedaan. Door de onderhandse verkoopovereenkomst hebben de tontine-deelgenoten elk hun deel in het goed verkocht en kwam er een einde aan de onverdeeldheid die tussen hen bestond ten aanzien van het onroerend goed. Nu het tontinebeding niet uitdrukkelijk voorzag dat het zou blijven gelden voor de roerende goederen die in de plaats kwamen van het onroerend goed (met name de koopsom) is het tontinebeding zonder voorwerp geworden. Het had dus niet de volle uitwerking op het ogenblik van het overlijden van J.D. 4 Het Hof volgt, zoals de eerste rechter, de stelling van de erfgenamen van J.D. Dit oordeel is gesteund op de volgende overwegingen. Het echtpaar D - D heeft de eigendom verkregen van J.D en appellante omdat het overmaken door de verkopers van het eigendomsrecht niet beschouwd wordt als een verbintenis die uit het contract voortspruit maar wel als een wezenlijk kenmerk van de koop van 11.01.1997 (vgl. : Overzicht van rechtspraak Bijzondere overeenkomsten 1995-1998 , TPR 2002 , p. 90 en volg., nrs. 5). Bij gemis aan eigendomsoverdracht is er immers geen verkoop. Spijts het conventioneel beding van uitstel van eigendomsoverdracht stond het bij het sluiten van de overeenkomst reeds vast dat de eigendomsoverdracht die inherent was aan deze koop, van rechtswege zou plaatsvinden bij het verlijden van de akte. Het overlijden van J.D kon aan de uitwerking van de koop-verkoop op het gebied van de eigendomsoverdracht niets meer veranderen. Dat wordt bevestigd door appellante waar ze stelt dat de eigendomsoverdracht een essentieel effect is van de koopovereenkomst. De eigendomsoverdracht die plaats vond, is deze die gewild was door J.D en B.C, die door de gezamenlijke verkoop van de eigendom op 11.01.1997 geacht worden stilzwijgend te hebben verzaakt aan het tontinebeding, wegens de onverenigbaarheid ervan met de verkoop aan het echtpaar D - D. J.D en B.C konden zich niet meer ontdoen van de verkochte zaak. Een verdere handhaving van het tontinebeding kan niet beoogd geweest zijn aangezien dit impliceert dat bij het overlijden van één der verkopers, de overledene geacht zou worden nooit eigenaar te zijn geweest van zijn onverdeelde helft en dit terwijl hij toch medeverkoper is geweest van het betrokken onroerend goed. Het kan niet de bedoeling geweest zijn dat in geval van overlijden van een van de onverdeelde eigenaars, het bekomen van de onverdeelde helft van de overledene door de kopers uitsluitend afhankelijk zou zijn van de goede wil/de medewerking van de overlevende deelgenoot. Het feit dat er slechts een vermogensverschuiving is geweest bij het verlijden van de authentieke akte is geen argument om te besluiten dat het tontinebeding nog volle uitwerking heeft gekregen waardoor appellante ab initio moet geacht worden eigenaar te zijn geweest van het kwestieuze onroerend goed. Het is hier niet relEnt nog te verwijzen naar de beweegreden, die J.D en B.C hadden toen ze bij de aankoop van het betrokken onroerend goed op 29 september 1993 een tontinebeding lieten opnemen. In de notariële akte van 2 juli 1997 gebeurde tenslotte een retroactieve herbevestiging van de koop/verkoop van 11 januari
- Daarmee is de juistheid van hogerstaande zienswijze des te duidelijker. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verleent akte aan P.T van zijn verklaring van hervatting van geding. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het vonnis in de mate dat het is bestreden. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Begroot de kosten van de aanleg in hoger beroep voor geïntimeerden op 237,98 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 27 oktober
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div