← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051031.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 31 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051031.5 Rolnummer: 2001/AR/1420 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 05:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 710 Gerechtelijk Wetboek - 867 Gerechtelijk Wetboek - 1062 Tekst van de beslissing in de zaak van : B.V.B.A. SKaaL, met maatschappelijke zetel te 3930 Hamont-Achel, Michielsplein 2/2 en ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nr. 88.043, appellante, hebbende als raadsman mr. Hugo Lamon, advocaat met kantoor te 3500 Hasselt, de Schiervellaan 23, tegen N.V. PUBLICARTO RECLAMEREGIE, met maatschappelijke zetel te 1150 Brussel (Sint-Pieters-Woluwe), Langestraat 170, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 404.048 en met ondernemingsnummer 0 417 085 766, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Maurice Appelmans, advocaat met kantoor te 1080 Brussel, Schoonslaapsterstraat 29 bus 1, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing.

  1. Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (99/3155/A) van 4 april
  2. II. Feiten en procedure in eerste aanleg.
  3. Geïntimeerde werd in 1995 aangezocht door de ¿Bond van de Grote en Jonge Gezinnen¿ om ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Bond een maandelijkse bijlage te publiceren bij het weekblad ¿De Bond¿, met de naam ¿Graag gezi(e)n¿. Bij het tot stand komen van deze bijlage deed geïntimeerde een beroep op appellante. De precieze inhoud en de omvang van de verbintenissen van partijen is betwist (zie verder). Appellante houdt voor dat overeengekomen werd dat op haar beroep gedaan zou worden voor het helpen maken van 9 nummers. Onder meer de lay-out verzorgen behoorde tot haar taken. Niet betwist is dat 4 nummers gemaakt werden en dat de samenwerking daarna stopgezet werd. Appellante bracht aanvankelijk de redactionele teksten en foto's aan en verzorgde de lay-out. Dit laatste gebeurde enkel voor de eerste vier nummers (niet betwist). Geïntimeerde zorgde voor de advertenties, het drukwerk en de verspreiding. Zij nam de technische coördinatie op zich en oefende toezicht en controle uit. Het redactionele concept is afkomstig van geïntimeerde. De Bond verzorgde de eindredactie. Uit een interne nota van geïntimeerde blijkt dat zij op 4 september 1995 reeds de naam van het tijdschrift ¿Graag gezi(e)n¿ naar voor schoof (stuk 2 van het dossier van geïntimeerde). Deze naam werd besproken in de vergadering met appellante van 5 september 1995 (stuk 3 van hetzelfde dossier). Appellante werkt in haar nota van 5 september 1995 met de werktitel ¿Thuis Magazine¿ (p. 3 van stuk 4 van het dossier van geïntimeerde: ¿Laten we het in deze nota verder hebben over ¿ het Thuis Magazine van de Bond. Werktitels zijn er om neergesabeld te worden.¿). Reeds in oktober 1995 doet geïntimeerde een beroep op een derde voor het ontwerpen van het logo van het geplande tijdschrift. Appellante wordt hiervan op de hoogte gebracht per fax van 3 november 1995 (stuk 11 van het dossier van geïntimeerde), maar reageert hier niet tegen. Op 28 februari 1996 weigert geïntimeerde het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift en maakt zij haar opmerkingen over (stukken 12, 13, 16 en 19 van het dossier van geïntimeerde). Na een gesprek tussen partijen stelt appellante op 1 maart 1996 zelf voor om de lay-out aan een ander bedrijf toe te vertrouwen en de factuur overeenkomstig te verminderen (stuk 17 van het dossier van geïntimeerde). Op 5 maart 1996 blijkt appellante toch niet de nodige teksten en illustraties over te maken aan geïntimeerde (stuk 21 van het dossier van geïntimeerde). Dit wordt bevestigd in haar fax van 8 maart, waarin appellante voorstelt het eerste nummer zelf te herbeginnen (stuk 22 van hetzelfde dossier. Zij vraagt om een geschreven overeenkomst voor de volgende nummers. Dezelfde dag stemt geïntimeerde met het voorstel tot herbeginnen en met de vraag om een geschreven overeenkomst in (stuk 23 van hetzelfde dossier). Kort nadien (8 maart?) zet de toenmalige raadsman van appellante een aantal feiten op een rij ten overstaan van geïntimeerde (stuk I.9 van het dossier van appellante). In dezelfde brief wordt verder ook de verantwoordelijkheid voor de vertraging van de hand gewezen en nogmaals om een geschreven contract gevraagd. Appellante wijst er op dat zij haar teksten enkel wil afgeven in het kader van een duidelijke regeling omtrent ¿alle punten¿. Partijen onderhandelen in de loop van de maand maart 1996 over een schadevergoeding voor het geweigerde nummer en over een schriftelijke overeenkomst (stukken 25 tot 29). Uit de brief van de toenmalige raadsman van appellante van 25 juli 1996 kan afgeleid worden dat op 5 april 1996 een vergelijk gevonden werd tussen partijen inzake het niet uitgegeven eerste nummer (stuk I.14 van het dossier van appellante). Op 7 juni 1996 schrijft appellante geïntimeerde aan met de vraag om duidelijkheid over het concept en de werkwijze van het tijdschrift (stuk 30 van het dossier van geïntimeerde). Blijkbaar heeft de Bond als eindredacteur nu ook inzage op voorhand gevraagd van de onderwerpen. De Bond zou als eindredacteur meer en een rechtstreeks toezicht uitoefenen op appellante. Appellante wenst te vernemen of geïntimeerde akkoord is met deze wijzigingen en wil weten wie de eindverantwoordelijkheid draagt. Hierna volgt een briefwisseling tussen partijen, waarbij een belangrijk deel van de discussie draait over de te dunne lijn tussen reclame en redactionele teksten (stukken 31 en 32 van het dossier van geïntimeerde; zie ook stuk 33 met het verslag van de vergadering tussen de Bond en geïntimeerde). Geïntimeerde neemt minstens een deel van de verantwoordelijkheid voor het niet respecteren van de afspraken mbt de duidelijke scheiding tussen redactie en reclame op zich (stuk 33 van het dossier van geïntimeerde, onderaan eerste bladzijde). Uit het verslag van de vergadering (gevoegd bij stuk 33) blijkt nog dat van appellante een stiptere timing gevraagd wordt. In het algemeen is er ongenoegen over het feit dat het blad te veel als reclame oogt en er te weinig redactionele tekst is. Tenslotte blijkt uit het genoemde verslag dat het de wens is van de redactie van de Bond om rechtstreeks met appellante een nauwere samenwerking tot stand te brengen. Appellante bevestigt de nieuwe werkwijze nogmaals per brief van 8 juli 1996 (stuk 34 van het dossier van geïntimeerde) en wijst er op dat zij reeds maanden om een overeenkomst vraagt. Dit alles wordt opnieuw betwist door geïntimeerde (stuk I.12 van het dossier van appellante). Op 23 juli 1996 deelt geïntimeerde aan appellante mee dat het nummer van 30 augustus 1996 niet zal uitgegeven worden. Als reden geeft geïntimeerde op ¿De commerciële contacten verliepen bijzonder stroef in deze ¿komkommertijd¿ en laten ons niet toe om een resultaat te halen binnen de gestelde verwachtingen.¿ (stuk I.13 van het dossier van appellante). Geïntimeerde vraagt nog om de reeds geschreven artikels over te maken. De raadsman van appellante protesteert tegen het feit dat het juli- en augustusnummer niet verschijnen. Appellante wijst erop dat zij een (mondelinge) overeenkomst had voor 9 nummers en dat zij nu haar vaste kosten moet spreiden over slechts 7 of 8 nummers. Appellante wijst er op dat de handelswijze van geïntimeerde als ¿formele contractbreuk¿ beschouwd moet worden. Zij raamt de schade op 1.390.000 BEF.. De brief eindigt met ¿Graag per kerende uw bericht en tevens standpunt omtrent de nummers die nog moeten volgen. Cliënte gaat absoluut niet zitten wachten en werken tot de laatste dag om dan te horen dat het volgende nummer opnieuw geannuleerd wordt.¿ (laatste blad stuk I.14). De raadsman van appellante stuurt op 7 augustus 1996 een herinnering aan geïntimeerde (stuk I.15 van het dossier van appellante), die dezelfde dag antwoordt (stuk 35 van het dossier van geïntimeerde) en vaststelt dat appellante eenzijdig de samenwerking verbreekt. Zij deelt mee op andere medewerkers een beroep te zullen doen en een schadevergoeding te zullen vorderen. De raadsman van appellante reageert hierop een laatste maal per brief van 12 augustus 1996 (stuk 17 van het dossier van appellante).
  4. Op 10 september 1996 deponeert appellante het woordmerk ¿Graag Gezien¿ voor de klassen 16 en 41 bij het Beneluxmerkendepot (niet betwist).
  5. Appellante dagvaardt op 27 september
  6. Op 4 april 2001 verklaart de eerste rechter de hoofdvordering van huidige appellante toelaatbaar en ongegrond. De tegenvordering van huidige geïntimeerde verklaart zij toelaatbaar en beperkt gegrond, met name dat het Beneluxdepot door appellante op 10 september 1996 van het woordmerk ¿Graag gezien¿ voor de klassen 16 en 41 nietig verklaard wordt en de ambtshalve doorhaling van de inschrijving bevolen wordt. Huidige appellante wordt veroordeeld tot het betalen van de gedingkosten. III. Rechtspleging in hoger beroep.
  7. Appellante stelt hoger beroep in bij verzoekschrift van 18 juni
  8. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Zij vordert: - haar vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren; - de overeenkomst ten nadele van geïntimeerde verbroken te horen verklaren; - geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie en schending van het merkenrecht en het auteursrecht van 106.594,22 euro , onder voorbehoud van schadevergoeding van de fotogravure, te vermeerderen met de BTW aan 21%, voor zover dit bedrag dient gefactureerd te worden en te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf de ingebrekestelling van 25 juli 1996 en met de gerechtelijke intresten; - ondergeschikt een gerechtsdeskundige aan te stellen tot begroting van de schade; - de tegeneis toelaatbaar maar ongegrond te horen verklaren en geïntimeerde tot de kosten van het geding te horen veroordelen.
  9. Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in. Zij vordert: - het hoofdberoep ontoelaatbaar, minstens ongegrond te horen verklaren; - het incidenteel hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en geïntimeerde op incidenteel beroep te veroordelen om het bedrag te betalen van euro 78.652,35, te vermeerderen met de moratoire intresten op een bedrag van euro 57.036,19 vanaf 5 maart 1996 en vanaf 7 augustus 1996 op het totale bedrag, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding; - voor het overige het vonnis a quo in al zijn beschikkingen te bevestigen. IV. Grieven.
  10. Appellante is van oordeel dat de eerste rechter zich in feite vergist door te oordelen dat: - er geen overeenkomst voor 9 nummers tussen partijen tot stand kwam; - beide partijen aansprakelijk zijn voor de contractbreuk, terwijl deze enkel te wijten is aan geïntimeerde; - appellante niet aantoont dat de auteursrechten van de auteur van het tijdschrift ¿Graag Gezien¿ overgedragen werden aan geïntimeerde, zodat zij geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding wegens inbreuk op het auteursrecht; - appellante een depot te kwader trouw verrichte van het woordmerk.
  11. Geïntimeerde voert als grief aan dat zij misschien haar klachten niet binnen de 8 dagen per aangetekend schrijven heeft overgemaakt aan appellante, zoals de algemene voorwaarden van deze laatste voorschrijven, maar dat appellante toch zeer goed op de hoogte was van de klachten, zodat deze een schadevergoeding verschuldigd is. V. Beoordeling. De exceptie van ontoelaatbaarheid.
  12. Geïntimeerde werpt op dat het hoger beroep van appellante niet toelaatbaar is om de volgende reden. Appellante legde haar verzoekschrift tot hoger beroep ter griffie neer op 18 juni
  13. De zaak werd ingeleid op de zitting van 28 juni
  14. De termijn van 15 dagen voor de verschijning, op straffe van nietigheid op 15 dagen bepaald door de artikelen 710, 862, 1042 en 1062 Ger. Wb., werd derhalve niet gerespecteerd. Geïntimeerde staaft haar stelling met een verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 5 januari
  15. Partijen gaan voorbij aan het feit dat artikel 867 Ger. Wb. na dit Cassatiearrest nog gewijzigd werd en aan het feit dat het gewijzigde artikel van toepassing is in dit geding. Bij wet van 23 november 1998 (B.S., 20 februari 1999) werden in dat artikel, vervangen door de wet van 3 augustus 1992, tussen de woorden « de vorm van een proceshandeling » en de woorden « of van de vermelding van een vorm » de woorden « met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen » ingevoegd. Het doel van de verschijningstermijn van 15 dagen bestaat erin dat een geïntimeerde de mogelijkheid moet krijgen zijn of haar verweermiddelen naar voor te brengen. In deze zaak blijkt dat dit duidelijk het geval is geweest. Op 27 juni 2001 heeft geïntimeerde een verklaring van verschijning gefaxt, waarin zij tevens vroeg de zaak naar de rol te verzenden (procedurebundel, stuk 4). In het proces-verbaal van de zitting van 28 juni 2001 werd akte genomen van de schriftelijke verklaring van verschijning van geïntimeerde (stuk 5 van hetzelfde bundel). Het origineel van de fax van 27 juni 2001 bereikte de griffie op 29 juni 2001 (stuk 6a van hetzelfde dossier), daarna heeft geïntimeerde drie conclusies genomen en hebben partijen op 31 januari 2005 gezamenlijk verzocht om een pleitdatum in toepassing van artikel 750, §1 Ger. Wb.. Beide partijen pleitten op de zitting van 5 september
  16. Op grond van het voorgaande wordt de exceptie verworpen. Het hoger beroep, dat voor het overige tijdig is en regelmatig naar de vorm, is toelaatbaar. De overeenkomst tussen partijen.
  17. Het geheel der stukken toont afdoende aan dat partijen een samenwerking aangingen voor 9 maanden. Met name het feit dat geïntimeerde appellante een werkschema bezorgde met de redactionele kalender voor 9 nummers op 16 november 1995, een ogenblik waarop titel en logo al vastlagen (logo dat door een derde uitgewerkt werd) (stuk I.
  18. van het dossier van appellante) wijst op het bestaan van een overeenkomst voor 9 nummers. In elk geval werd samengewerkt voor meer dan de 4 gerealiseerde nummers, aangezien een juli en augustus nummer gepland waren, maar afgelast door geïntimeerde. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. De beëindiging van de overeenkomst.
  19. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat er langs beide zijden problemen geweest zijn. Enerzijds: - traden er zekere vertragingen op, die gedeeltelijk kunnen toegeschreven worden aan appellante; - beantwoordde de lay-out en de algemene vormgeving niet aan wat geïntimeerde en de Bond ervan verwachtten en gepast achtten voor een bijlage bij het ledenblad ¿De Bond¿; - was de timing van appellante niet voldoende stipt; - was er te weinig redactionele tekst en oogde het blad te veel als reclame. Anderzijds: - blijkt uit de stukken (zie hoger en zie dossiers) dat geïntimeerde eenzijdig beslist heeft het juli - en augustusnummer van het blad niet te laten verschijnen. Na protest en een nieuwe vraag om duidelijke afspraken heeft geïntimeerde de overeenkomst als verbroken beschouwd; - heeft geïntimeerde een deel van de vertragingen op zich genomen; - heeft geïntimeerde geen schriftelijke overeenkomst gemaakt, met precieze afspraken, niettegenstaande hierom herhaaldelijk verzocht werd. Uit de stukken van de dossiers blijkt eveneens dat de samenwerking tussen partijen zeer moeilijk was geworden en dat er zowel wrevel was over de lay-out als over het vermengen van redactie en reclame. Hoewel het formeel geïntimeerde en niet appellante was die een einde aan de overeenkomst maakte in haar brief van 7 augustus 1995 (stuk 35 van het dossier van geïntimeerde), dient de verantwoordelijkheid voor het voortijdige einde van de overeenkomst gelijkelijk over beide partijen verdeeld te worden, gelet op het voorgaande. Eventuele schade-vergoedingen, die zouden verschuldigd zijn, compenseren elkaar in elk geval. De respectievelijke vorderingen van beide partijen met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst worden dan ook afgewezen. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd, zij het met een enigszins andere motivering. De beweerde inbreuk op het auteursrecht.
  20. Appellante brengt geen enkel bewijs bij over het feit dat haar zaakvoerder de auteursrechten op het tijdschrift ¿Graag Gezien¿ aan haar zou overgedragen hebben. Het blijft bij een loze bewering zonder stukken van overdracht. Alleen al om die reden is de vordering van appellante ongegrond.
  21. Ten overvloede kan nog op het volgende gewezen worden. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat appellante niet de titel heeft aangebracht voor het tijdschrift. Deze is gesuggereerd in een gemeenschappelijke werkvergadering tussen appellante en geïntimeerde. Zelfs daarna nog heeft geïntimeerde in haar nota van 5 september 1995 (stuk 4 van het dossier van geïntimeerde) het over de werktitel ¿Thuis Magazine¿. Appellante bewijst op zijn minst niet dat zij de titel aanbracht. Ook om deze reden kan appellante derhalve geen auteursrecht laten gelden op de titel. Na het vierde nummer werd de lay-out aan een derde overgedragen (zie stuk 17 van het dossier van geïntimeerde, 1 maart 1996). Ook om die reden kan appellante geen auteursrechtelijke bescherming vragen. Appellante toont onvoldoende aan waarin de creatie van het blad-concept gelegen is, op grond waarvan zij auteursrechtelijke bescherming zou kunnen genieten. Nochtans rust de bewijslast hiervoor bij haar. Hetzelfde geldt voor de puzzel op p. 30 van de stukken 3 en 4 van haar dossier. Appellante toont niet aan dat zij een fotozoekwedstrijd gecombineerd met het vinden van een letterwoord bedacht heeft en daarop dan nog eens exclusieve rechten zou kunnen laten gelden. Zij bedacht het concept niet, minstens toont zij dit niet aan. Zij toont ook niet aan dat dezelfde puzzel daarna door geïntimeerde gekopieerd werd. De vordering van appellante wordt verworpen. De beweerde inbreuk op het merkenrecht.
  22. Op 10 september 1996 deponeerde appellante het woordmerk ¿Graag Gezien¿ voor de klassen 16 en 41 bij het Beneluxmerkendepot. Dit is een maand nadat de overeenkomst tussen partijen beëindigd was. Appellante wist dat geïntimeerde van het teken in de voorafgaande maanden een normaal gebruik gemaakt had en dat zij dit te goeder trouw deed. Vooral blijkt uit de feitelijke uiteenzetting en de beoordeling hiervoor dat niet appellante de naam aangebracht heeft, maar wel geïntimeerde. Appellante eigent zichzelf een recht toe, waarover zij niet rechtmatig beschikt. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het depot te kwader trouw gebeurde en om die reden nietig is en dat de inschrijving ambtshalve doorgehaald moet worden. Kosten.
  23. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. OM DEZE REDENEN, Het Hof, Dat artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen heeft; Spreekt recht op tegenspraak; Verklaart het hoger principaal en incidenteel beroep toelaatbaar, doch beide ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis, zij het met een enigszins andere motivering; veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, begroot als volgt: geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 475,96 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op éénendertig oktober tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, E. Dursin, raadsheer, aangewezen bij bevelschrift van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep alhier, de dato 31 oktober 2005 om mevrouw G. Vanderstichele, raadsheer, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen, deze laatste wettig verhinderd zijnde de uitspraak bij te wonen van onderhavig arrest, waarover zij mede heeft beraadslaagd (art. 779, al. 2 Gerechtelijk Wetboek), A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.