← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051107.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051107.6 Rolnummer: 2004/AR/2598 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-27 Raadplegingen: 135 - laatst gezien 2026-07-02 05:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSTRANSACTIES - Betalingsachterstand bij handelstransacties Vrije woorden: Algemene factuurvoorwaarden en bestellingsvoorwaarden - tegenstrijdige strekking- Battle of forms Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. MELI, met maatschappelijke zetel te 8630 Veurne, Handelsstraat 13, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Veurne onder nr. 3.380 en thans met ondernemingsnummer 0 411 905 847, appellante, hebbende als raadsman mr. Arnoud Declerck, advocaat met kantoor te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 387, tegen GmbH HINTZ FOODSTUFF PRODUCTION, vennootschap naar Duits recht met maatschappelijke zetel te 29195 Bremen (Duitsland), Sögestrasse 58 en ingeschreven in het handelsregister te Bremen onder nr. HRB 8375, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Katleen Janssens, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Generaal Lemanstraat 55, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing. 1. Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Veurne (A/01/00458) van 23 juni 2004. II. Feiten en procedure in eerste aanleg. 2. Appellante levert twee partijen honing aan geïntimeerde en schrijft daar twee facturen voor uit. De eerste factuur wordt betaald. Daarna ontstaat betwisting omtrent de kwaliteit van de geleverde honing. De tweede factuur blijft onbetaald. Appellante steunt zich op artikel 8 van haar factuurvoorwaarden om te oordelen dat rechtbanken te Veurne bevoegd zijn. Geïntimeerde beroept zich op haar algemene voorwaarden, waar in artikel 11 de rechtbanken van Bremen als de bevoegde rechtbank aangeduid worden. 3. Partijen slagen er niet in hun geschil in der minne te beslechten en appellante dagvaardt voor de rechtbank van koophandel te Veurne om de betaling van haar factuur te bekomen. De eerste rechter stelt vast dat het hem aan de vereiste internationale rechtsmacht ontbreekt om van het geschil kennis te nemen. III. Rechtspleging in hoger beroep. 4. Het bestreden vonnis werd betekend op 24 september 2004. Appellante stelde hoger beroep in bij verzoekschrift van 21 oktober 2004. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. IV. Grieven. 5. Appellante is van oordeel dat de eerste rechter wel over de vereiste rechtsmacht beschikte. Verder herhaalt zij haar betoog ten gronde om de betaling van de factuur te bekomen. 6. Geïntimeerde vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis. Ondergeschikt vraagt zij de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren en haar oorspronkelijke tegenvordering gegrond te verklaren, de overeenkomst tussen partijen te ontbinden ten nadele van appellante en deze te veroordelen om een schadevergoeding van euro 23.981,34 te betalen, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 4 maart 1999 en met de gerechtelijke intresten. Uiterst ondergeschikt vraagt zij een deskundige aan te stellen. V. Beoordeling. 7. In de eerste plaats moet de betwisting beslecht worden welk bevoegd-heidsbeding van toepassing is op het voorliggende geschil. 8. De eerste rechter oordeelde het volgende: ¿De exceptie van onbevoegdheid (gebrek aan internationale rechtsmacht) dient beoordeeld te worden met inachtneming van de bepalingen van het EEX-Verdrag. In de mate dat eiseres verwijst naar rechtspraak die toepassing maakt van artikel 5.1-b van de EEX-Verordening (bundel eiseres, stuk nr. 24), dient opgemerkt te worden dat de EEX-Verordening slechts van toepassing is op vorderingen die vanaf 1 maart 2002 zijn ingesteld (hetgeen ten dezen niet het geval is). Artikel 17 van het EEX-Verdrag bepaalt dat wanneer partijen een gerecht hebben aangewezen om kennis te nemen van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking ontstaan, dat gerecht bij uitsluiting bevoegd is. Ingeval er een geldig forumbeding is, kan bijgevolg geen beroep meer gedaan worden op de mogelijkheden waarin art. 5 van het EEX-Verdrag voorziet (en staat ook de algemene regel van art. 2 van het EEX-Verdrag buitenspel). In casu beroepen beide partijen zich op het forumbeding dat voorkomt onder hun respectieve algemene voorwaarden. De vraag is niet indien zulke prorogatieclausules een geldig forumbeding kunnen uitmaken. Die vraag is trouwens al lang en in bevestigende zin opgelost, waar door rechtspraak en rechtsleer werd uitgemaakt - overigens in navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. arresten Segoura d.d. 14 december 1976 en MSG d.d. 20 februari 1997) - dat zulks op grond van de tweede mogelijkheid waarin art. 17 voorziet (nl. in een vorm die toegelaten wordt door de tussen partijen gebruikelijk geworden handelwijzen) het geval is, wanneer ingevolge hun vroegere transacties, de partijen geregeld met die algemene voor-waarden geconfronteerd werden, zodat zij vermoed worden - behoudens laakbare onzorgvuldigheid - van het forumbeding kennis te hebben gekregen dat in die voorwaarden vervat is. Indien zij er nooit tegen geprotesteerd hebben, zijn zij verondersteld ermee ingestemd te hebben (cf. Gent, 1 juni 2001, A.J.T., 2001-2002, 378 ; Gent (23ste kamer), 9 februari 2000, A.R. 1997/1764 inzake Eurac/Cray Valley, onuitgegeven ; Brussel, 7 september 1999, R.W., 2000-2001, 593 ; Luik, 25 november 1997, T.B.H., 1998, 393 ; H. Van Houtte en M. Pertegás Sender (red.), Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, p. 55, nr. 2.22). De vraag is in casu welk van de twee forumbedingen deel uitmaken van de overeenkomst die partijen hebben aangegaan. Alsdan moet de rechtbank vaststellen dat de overeenkomsten die partijen hebben aangegaan (zowel betreffende de levering die in december 2000 naar Riyadh in Saoudi-Arabië werd verscheept als betreffende de levering die in februari 2001 naar Dubai werd verscheept en die het voorwerp uitmaakt van de factuur die met de hoofdeis wordt opgevorderd), tot stand zijn gekomen op basis van de bestelbonnen nr. 1397 d.d. 22 september 2000 en nr. 1429 d.d. 15 december 2000, telkens uitgaande van verweerster (bundel verweerster, stukken nrs. 1-2 en 6). Die bestelbonnen behelzen een uitdrukkelijke verwijzing naar de algemene voorwaarden van verweerster en maken die algemene voorwaarden als zodanig ook uitdrukkelijk van toepassing op de bestelling. Wanneer eiseres die bestellingen vanwege verweerster aanvaard en uitgevoerd heeft, zonder andere voorwaarden en/of een tegenaanbod te formuleren, dan maken de algemene voorwaarden van verweerster zoals die voorkomen op de keerzijde van haar bestelbonnen, deel uit van de overeenkomst tussen de partijen. De algemene voorwaarden van eiseres zoals die voorkomen op de facturen die achteraf aan verweerster zijn toegezonden, kunnen daar geen afbreuk aan doen (ook al is er geen protest vanwege verweerster tegen die algemene voorwaarden van eiseres geweest). De omstandigheid dat de factuurvoorwaarden van eiseres reeds van bij vroegere transacties aan verweerster bekend waren of moesten zijn, kan daar evenmin afbreuk aan doen : wanneer bij het tot stand komen van een overeenkomst de algemene voorwaarden van één der partijen in die overeenkomst geïntegreerd worden, dan zijn die voorwaarden bindend en niet de algemene voorwaarden van de andere partij noch de (andersluidende) voorwaarden die eventueel in het verleden zouden gehanteerd geweest zijn. En in casu kan er geen twijfel over bestaan dat eiseres de bestellingen zoals geplaatst door verweerster met de hoger vermelde bestelbonnen, aanvaard heeft. Er is weliswaar geen formele, schriftelijke aanvaarding tussengekomen, doch uit de gedragingen van eiseres (die zonder enig voorbehoud de bestelde goederen geproduceerd en geleverd heeft) dient haar instemming te worden afgeleid, hetgeen geldt als aanvaarding (art. 18.1 CISG). Conclusie : het forumbeding in de algemene voorwaarden van verweerster, ten gunste van de rechtbanken te Bremen (Duitsland), maakt deel uit van de (twee) litigieuze overeenkomst(

  1. en)tussen de partijen en is tussen hen bindend als aanwijzing van een bij uitsluiting bevoegd gerecht. De door verweerster opgeworpen exceptie is terecht.¿ Het Hof bevindt deze beoordeling juist en voegt er nog het volgende aan toe. 9. Artikel 17 van het E.E.X. Verdrag is van toepassing op deze zaak (de feiten dateren van voor 1 maart 2002, datum van inwerkingtreding van de EG verordening van 22 december 2000). Meer bepaald is artikel 17
  2. c)van toepassing. De forumkeuze is geldig als deze gebeurt ¿in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen¿. Geïntimeerde verstuurde een bestelbon naar appellante. Dit is een werkwijze die appellante kende, minstens diende te kennen. De bestelbon is bovendien in de internationale handel algemeen bekend. Appellante toont niet aan dat de bestelbon niet doorgaans gebruikt wordt bij de koop - verkoop van honing. Hetzelfde geldt voor de factuur en voor de pro forma factuur. Bijgevolg is in toepassing van artikel 17 E.E.X. Verdrag een forumkeuze door partijen op basis van de door hen gebruikte documenten mogelijk. 10. Opdat standaardbedingen van toepassing kunnen zijn is in de eerste plaats vereist dat partijen er kennis van hadden. In tweede instantie moet aangetoond worden dat ze ook aanvaard zijn. In geval de standaardbedingen van beide contractspartijen niet gelijklopend zijn, rijst de vraag welke bedingen partijen overeenkomen, minstens welke bedingen geacht worden te primeren op die van de andere partij. Verschillende oplossingen werden uitgedacht en toegepast om de zogeheten ¿battle of forms¿ aan te pakken (zie DIRIX, E. en BALLON, L., De factuur, in A.P.R. 1993, nr. 245, 137-139). Eén van de meest gekende en de meest gebruikte is de theorie van het laatste woord, zoals onder meer opgenomen in artikel 19 van de Wet houdende instemming met het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 (B.S., 1 juli 1997): ¿1) Een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt, maar aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen bevat, geldt als een verwerping van het aanbod en vormt een tegenaanbod. 2) Bevat een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod aanvullingen of afwijkingen, die de voorwaarden van het aanbod niet wezenlijk aantasten, dan geldt dit niettemin als aanvaarding, tenzij de aanbieder, zonder onnodig uitstel, mondeling bezwaar maakt tegen de verschillen of een hiertoe strekkende kennisgeving verzendt. Doet hij dit niet, dan wordt de inhoud van de overeenkomst bepaald door de voorwaarden van het aanbod zoals gewijzigd bij de aanvaarding. 3) Aanvullende of afwijkende voorwaarden met betrekking tot onder andere de prijs, betaling, kwaliteit en hoeveelheid van de zaken, plaats en tijd van aflevering, omvang van aansprakelijkheid van één van beide partijen jegens de andere of de beslechting van geschillen worden geacht de voorwaarden van het aanbod wezenlijk aan te tasten.¿ De theorie van het eerste woord is evenwel het meest toegepast (zie DIRIX, E. en BALLON, L., op. cit., nr. 245, 139, met verwijzingen naar het nieuwe Nederlandse Burgerlijk Wetboek en de Engelse rechtspraak en rechtsleer). Volgens deze theorie mag degene die het aanbod doet, met zijn of haar voorwaarden, zijn of haar voorwaarden als geldend beschouwen, tenzij degene die het aanbod aanvaardt de toepassing ervan uitdrukkelijk heeft van de hand gewezen (CLOQUET, De Factuur, nr. 523, 179; Kh. Gent, 24 april 1990, T.B.H., 1991, 555, met noot STORME, M.E., ¿Wie laatst lacht, lacht niet altijd best¿, loc.cit., 557). In deze theorie wordt meer gewicht toegekend aan degene die de algemene voorwaarden eerste opgesteld en meegedeeld heeft. De handelaar die voorwaarden ontvangt en er niet mee akkoord gaat, moet enige moeite doen om dat uit te drukken en om haar eigen voorwaarden in de plaats te doen stellen. Wordt die bijkomende inspanning niet gedaan, dan dient ook niet ernstig rekening gehouden te worden met de laatst meegedeelde voorwaarden, volgens deze leer. 11. De pro forma factuur en de factuur van appellante kwamen na de bestelbon van geïntimeerde. Appellante diende dus meer te doen dan enkel haar pro forma factuur en factuur met een afwijkend forumbeding toe te sturen opdat de rechtbank te Veurne bevoegd zou zijn. Zij deed evenwel niet meer dan een gewone toezending, zodat zij geacht wordt de voorwaarden van geïntimeerde aanvaard te hebben. Ten onrechte meent appellante dat haar aanbod het eerste volledige aanbod was. Uit de stukken 1 en 6 van het dossier van geïntimeerde blijkt dat de bestelling volledig bepaald was en dat bij aanvaarding van de bestelling een overeenkomst tot stand kwam tussen partijen. Omtrent de prijs voerde geïntimeerde geen discussie. Dit betekent dat deze ofwel eerder overeengekomen was, ofwel dat geïntimeerde bereid was de prijs van appellante zonder meer te aanvaarden (partijbeslissing). Dit betekent niet dat het aanbod onvolkomen was en dat appellante eerst zelf een bod diende uit te brengen vooraleer een koopovereenkomst tot stand kon komen. Geïntimeerde bracht derhalve als eerste een bod uit, op basis waarvan de koop tot stand kwam. Het feit dat de algemene voorwaarden van appellante vermelden dat elke afwijking van de voorwaarden schriftelijk bedongen moet worden, verandert niets aan het voorgaande. 12. Op grond van het voorgaande moet geen toepassing gemaakt worden van artikel 5 van het E.E.X. Verdrag. 13. Op grond van al het voorgaande wordt het bestreden vonnis bevestigd. 14. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. OM DEZE REDENEN, Het Hof, Dat artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen heeft; Spreekt recht op tegenspraak; Verklaart het hoger principaal en incidenteel beroep toelaatbaar, maar ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis; veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, begroot als volgt: geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 475,96 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zeven november tweeduizend en vijf. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester en G. Vanderstichele, raadsheren, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.