id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051130.7 Rolnummer: 1996/AR/2282 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-16 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 05:42 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - WAARDEPAPIEREN - Cheque Tekst van de beslissing in de zaak van : V.G., ¿, met kantoor te ¿, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, door de vijfde kamer gewezen dd. 6-6-1996, oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. VERMASSEN Jef, advocaat te 9340 Lede, Kasteeldreef 48 tegen : NV KBC BANK (voorheen: nv KREDIETBANK), met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 623.074, geïntimeerde, oorspronkelijk tweede verweerster, hebbende als raadsman mr. BEELE Thierry, advocaat te 9000 Gent, Gebr. De Cockstraat 2 velt het hof het volgend arrest.
- De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de stukken, neergelegd door de appellant, werden ingezien. In het tussenarrest van 6 september 2000 heeft het Hof de vordering van de heer V.G., de feiten die daartoe aanleiding gaven en de procedure voor de eerste rechter uiteengezet. Bovendien werden de grieven en stellingen van de partijen samengevat en heeft het Hof geoordeeld dat het hoger beroep van de heer V.G. ontvankelijk was. De zaak werd voor het overige naar de bijzondere rol verwezen teneinde partijen toe te laten ze ten gronde in staat te stellen.
- In zijn conclusie na tussenarrest herhaalt de heer V.G. dat de bvba Industrial Sales Link (hierna ¿ISL¿ genoemd) hem op 7 maart 1995 een cheque aan toonder, getrokken op de rekening nr. 443-4168721-58, heeft overhandigd, dat hij deze cheque op 10 maart 1995 aan de Europabank heeft afgegeven en dat uit telefonische navraag van de kantoordirecteur van de Europabank met de kantoordirecteur van de Kredietbank bleek dat er voldoende provisie aanwezig was. De bewuste cheque werd op 15 maart 1995 aangeboden in de Verrekenkamer, doch niet betaald. In een brief van 7 april 1995 zette de nv Kredietbank uiteen dat de trekker zich op 14 maart 1995 had verzet tegen de debitering. Zij stelde dat, binnen de contractuele relatie tussen bankier-betrokkene en zijn cliënt, de bankier toestond dat de betaalopdrachten die bij cheque waren gegeven, werden ingetrokken en dat de houder van de cheque geen chequerechtelijke eis kon laten gelden ten aanzien van de betrokkene.
- De heer V.G. zet uiteen dat de wetgever het verzet tegen de betaling van een cheque niet heeft geregeld, doch dat deze rechtsfiguur a contrario kan afgeleid worden uit artikel 61,4° van de chequewet, met name het geheel of gedeeltelijk onbeschikbaar maken van het fonds van de trekker. Het verzet kan volgens de heer V.G. op eenzelfde lijn geplaatst worden met de herroeping, met dit verschil dat het verzet slechts een tijdelijk karakter heeft. Bijgevolg is artikel 32, eerste lid van de chequewet van toepassing, waarin wordt bepaald dat de herroeping van de cheque eerst gevolg heeft na het einde van de aanbiedingstermijn. De heer V.G. stelt dat de (rechtsvoorganger van de) nv KBC Bank (hierna ook ¿KBC¿ genoemd) een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382 B.W. door de betaling van de kwestieuze cheque te blokkeren zonder te controleren of er al dan niet sprake was van een waarborgcheque. Voorts zet hij uiteen ¿dat er in casu geen sprake is van een onderliggende overeenkomst¿ en dat, zelfs wanneer dit wel het geval zou zijn, verzet gedurende de aanbiedingstermijn op grond van de onderliggende overeenkomst niet geldig is en de nv Kredietbank aldus niet het recht had om de cheque gedurende de aanbiedingstermijn te blokkeren. Tenslotte wijst hij er op dat het standpunt van KBC indruist tegen de Algemene Regeling der Bankverrichtingen van de nv Kredietbank, waarin werd bepaald: ¿De bank houdt geen rekening met het verzet van de cliënt tegen de uitbetaling van een door hem regelmatig uitgeschreven cheque en zal, in geval van geschil met de begunstigde, weigeren het fonds te blokkeren¿ (artikel 4
(7)van de Algemene Regeling van de Bankverrichtingen, stuk 8 van appellant). De heer V.G. volhardt in zijn vordering, die ertoe strekt KBC te horen veroordelen tot betaling van 2.478,94 EUR in hoofdsom en 1.239,47 EUR schadevergoeding, meer de vergoedende intresten vanaf 7 maart 1995, de gerechtelijke intresten en de kosten.
- KBC besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, voor wat de tegen haar gerichte eis betreft. Zij erkent dat de cheque, die op 7 maart 1995 werd getrokken, op 10 maart 1995 werd aangeboden ter bevoorschotting op de rekening van de heer V.G., dat op dat ogenblik voldoende provisie aanwezig was en dat de cheque onbetaald werd teruggestuurd omdat de trekker verzet had gedaan tegen de uitbetaling ervan, voorhoudend dat het een waarborgcheque betrof. Zij wijst erop dat de heer V.G. geen rechtstreekse vordering op grond van artikel 40 van de chequewet heeft, zodat zij enkel op grond van de artikelen 1382 e.v. B.W. kan worden aangesproken. Het is de stelling van KBC dat artikel 32 van de chequewet de mogelijkheid van verzet tegen de aanbiedingstermijn niet uitsluit. Deze bepaling betreft immers enkel de herroeping van de cheque. Zij stelt dat het verzet niet wettelijk geregeld is, doch ontstaan is uit de noodzaak om binnen de aanbiedingstermijn de cheque niet te laten uitbetalen wegens gegronde redenen en om dreigende schade voor de trekker te vermijden. Bovendien kan de heer V.G. zich volgens KBC niet beroepen op het abstracte karakter van de betalingsverplichting uit de cheque, aangezien deze niet bestaat tussen de rechtstreekse partijen, in casu de trekker en de begunstigde. Tussen hen zijn de verweermiddelen geput uit de onderliggende verbintenissen bijgevolg tegenstelbaar. Aangezien de betrokkene de inhoud en de tegenstelbaarheid van de verweermiddelen niet kan controleren, dient hij het verzet te aanvaarden wanneer het prima facie gegrond is. In het voorliggend geval verantwoordde de trekker het verzet door voor te houden dat de cheque aan de heer V.G. overhandigd was als waarborg en dat was overeengekomen dat hij deze cheque niet zou aanbieden, zolang een zaak, waarvoor hij als advocaat van de trekker optrad, niet was afgehandeld. KBC stelt aldus dat het verzet steunde op een verweermiddel uit de contractuele relatie en dat een cheque als waarborgtitel in de praktijk niet ongebruikelijk is. Dat de rechter het verzet achteraf ongegrond verklaarde, impliceert volgens haar geen fout in hoofde van de betrokkene. KBC ontkent dat haar kan verweten worden dat zij meegewerkt heeft aan de contractuele fout van de trekker. Zij had onder de hoger aangehaalde voorwaarden de mogelijkheid om gevolg te geven aan het verzet, waarvan op de gebruikelijke wijze - mondeling, gevolgd door een schriftelijke bevestiging - werd kennisgegeven. Voorts betoogt KBC dat zij geen fout beging door de provisie niet te blokkeren, aangezien dit slechts een aanbeveling is en geen verplichting. Bovendien kan de heer V.G. daar als derde in de contractuele verhouding tussen de trekker en de betrokkene geen rechten uit putten. Dat het verzet op basis van de onderliggende overeenkomst werd uitgesloten in de Algemene Regeling, verhinderde de partijen bij deze Algemene Regeling niet om daar in gemeen akkoord van af te wijken. KBC besluit dat het verzet tijdens de aanbiedingstermijn mogelijk is en dat het op het eerste gezicht gegrond voorkwam, zodat aan de nv Kredietbank geen fout kon worden verweten. In ondergeschikte orde, zelfs indien een fout zou zijn begaan, is KBC van oordeel dat enkel de trekker als lastgever gehouden is tegenover de wederpartij aangezien de nv Kredietbank als lasthebber van de trekker handelde binnen de perken van haar mandaat. In nog meer ondergeschikte orde argumenteert KBC dat de schade en het oorzakelijk verband met de vermeende fout niet bewezen zijn. Er kan slechts schade zijn in hoofde van de heer V.G. indien hij geen betaling van de cheque zou hebben bekomen. Het was de verantwoordelijkheid van de heer V.G. om een vordering ten gronde in te stellen tegen de trekker van de cheque en bewarende maatregelen te nemen. Aangezien hij zelf verantwoordelijk is voor de schade kan hij KBC niet aanspreken. Tenslotte stelt KBC dat de heer V.G. evenmin bewijst dat hij, naast een schade gelijk aan het bedrag van de cheque, nog andere schade ten belope van 1.239,47 EUR heeft geleden. Beoordeling
- Artikel 40 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet bepaalt dat de houder van de cheque zijn recht van regres kan uitoefenen op de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars, indien de cheque, die tijdig werd aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld op een van de daarin bepaalde wijzen. De nv Kredietbank was als betrokkene van de cheque geen chequeschuldenaar, zodat de heer V.G. geen vordering tegenover haar kon instellen op grond van voormeld artikel
- In de mate dat zijn vordering steunt op de artikelen 1382 en 1383 B.W. dient hij een fout of nalatigheid te bewijzen, evenals schade en het oorzakelijk verband tussen beide.
- De heer V.G. beroept zich ten onrechte op artikel 32 van de chequewet om daaruit te besluiten dat de nv Kredietbank geen gevolg mocht geven aan het verzet dat ISL formuleerde tegen de uitbetaling van de cheque. Op grond van dit artikel heeft de herroeping van de cheque eerst gevolg na het einde van de aanbiedingstermijn. De herroeping dient onderscheiden te worden van het verzet tegen de betaling van de cheque. Het verzet is een handeling, waardoor de trekker of de begunstigde van de cheque pogen de betaling ervan voorlopig te verhinderen, terwijl de herroeping een definitief karakter heeft (vgl.: VAN WUYTSWINKEL, M., Les effets de commerce et instruments scripturaux de paiement, in: JASSOGNE, C., e.a., Traité pratique de droit commercial, T. 2, nr. 179, p. 142).
- Er bestaat geen wettelijke regeling over het verzet tegen de uitbetaling van de cheque. Aangezien de betrokkene niet persoonlijk verbonden is tegenover de houder van de cheque, dient hij de betaling van de cheque op te schorten, wanneer binnen de aanbiedingstermijn verzet wordt geformuleerd wegens dringende redenen en met het oog op het vermijden van dreigende schade en wanneer de ingeroepen beweegredenen hem rechtmatig schijnen. (vgl.: BUCKINX, H., Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Art. 32 chequewet, , p. 2, nr. 2; VAN WUYTSWINKEL, M., a.w., p. 143). Zij die uit hoofde van de cheque worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze laatste bij de verkrijging van de cheque desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld (artikel 22 chequewet). Deze niet-tegenwerpelijkheid van de verweermiddelen voortspruitend uit de onderliggende rechtsverhouding geldt evenwel niet tussen de onmiddellijk verbonden partijen (vgl.: MERCHIERS, Y., e.a., Overzicht van Rechtspraak, T.P.R., 1992, nr. 336, p. 1004). Het verzet door de trekker van de cheque tegen de houder, die tevens de medecontractant was van de eerstgenoemde in de verhouding die aan de uitgifte van de cheque ten grondslag ligt, kan zijn oorsprong vinden in een betwisting omtrent de onderliggende overeenkomst (vgl.: DE VROEDE, P., De cheque, p. 82). Aldus kan het verzet aanvaard worden wanneer het steunt op excepties die wijzen op een aantasting van de wil van de trekker of betrekking hebben op de ongeoorloofdheid van de oorzaak en deze exceptie prima facie gegrond voorkomt (vgl.: BUCKINX, H., a.w., nr. 8 , p. 6).
- Het is aan de betrokkene om te oordelen of hij, binnen het algemeen kader van de chequewet, de betaling ingevolge het verzet moet uitstellen (vgl.: Gedr. St. Senaat, 1949-1950, nr. 38, p. 25-26). Hij moet zich ten aanzien van de houder van de cheque laten leiden door de algemene zorgvuldigheidsnorm (vgl.: BUCKINX, H. en VAN MINNEBRUGGEN, W., De aansprakelijkheid in het betalingsverkeer, in: WYMEERSCH, E., Financieel recht tussen oud en nieuw, p. 763, nr. 64). Hij mag niet lichtzinnig het verzet tegen de uitbetaling van de cheque aanvaarden, met het risico het vertrouwen van de deelnemers aan het betalingsverkeer in de cheque als betaalinstrument aan te tasten.
- In het voorliggend geval motiveerde ISL haar verzet op de bewering dat de uitgegeven cheque een ¿waarborgcheque¿ was die pas mocht geïnd worden wanneer de zaak, tot waarborg waarvan hij was uitgegeven, was beëindigd. De cheque is een geschreven betaalopdracht waarmee de houder van een rekening zijn bankier mandateert om het chequebedrag te betalen aan de rechtmatige houder van de cheque. De cheque is betaalbaar op zicht en binnen een zeer korte termijn (acht dagen voor een cheque uitgegeven in België - artikel 29 chequewet). Partijen kunnen overeenkomen om een cheque uit te geven, respectievelijk te ontvangen, als garantie. Door aldus te handelen beslissen zij evenwel aan de cheque een functie te geven die afwijkt van zijn essentieel kenmerk, namelijk te dienen als betaalinstrument. De loutere verklaring van de trekker, dat de cheque niet werd uitgegeven met het oog op betaling, maar wel ter garantie, liet de nv Kredietbank niet toe het verzet van ISL te aanvaarden en de betaling op te schorten (vgl.: BUCKINX, H., a.w., nr. 8, p. 6). Afgezien van de vraag of deze beweegreden het noodzakelijk maakte dat de uitbetaling van de cheque geblokkeerd werd om dreigende schade voor ISL te vermijden, had de nv Kredietbank de voorlegging van stukken dienen te vragen op grond waarvan minstens prima facie de ernst van het ingeroepen motief kon beoordeeld worden (vgl.: BUCKINX, H. en VAN MINNEBRUGGEN, a.w., nr. 82, p. 771). Het Hof is van oordeel dat de nv Kredietbank in strijd gehandeld heeft met wat van een normaal, zorgvuldig handelend bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, mocht worden verwacht, door het verzet van ISL te aanvaarden en niet tot betaling van de cheque aan de heer V.G. over te gaan, zonder de voorhanden zijnde provisie te blokkeren. In haar eigen Algemene Regeling van de Bankverrichtingen had de nv Kredietbank nochtans bedongen dat zij geen rekening hield met het verzet van de cliënt tegen de uitbetaling van een door hem regelmatig uitgeschreven cheque. Deze contractuele bepaling in de verhouding tussen de nv Kredietbank en ISL kon weliswaar niet ingeroepen worden door de heer V.G. en het stond trekker en betrokkene vrij daarvan in gemeen akkoord af te wijken, doch de vaststelling dat de nv Kredietbank de mogelijkheid om verzet te doen in principe uitsloot, bevestigt dat daarvan slechts met omzichtigheid gebruik kan gemaakt worden, met respect van de belangen van de houder van de cheque.
- In ondergeschikte orde werpt KBC op dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld, omdat enkel de trekker als lastgever gehouden is tegenover de wederpartij voor de gemaakte fouten, gezien zij als lasthebber van de trekker alles uitvoerde binnen de perken van haar mandaat. De lasthebber gaat geen persoonlijke verbintenis aan en voor de contractuele tekortkomingen die in het kader van de uitvoering van het mandaat worden gesteld, kan de medecontractant enkel de lastgever aanspreken. Wanneer evenwel, zoals in het voorliggend geval, de lasthebber in de uitvoering van zijn mandaat een buitencontractuele fout begaat waardoor een derde schade lijdt, staat de lastgever daarvoor niet in en is de lasthebber persoonlijk gehouden (vgl.: PAULUS, C. en BOES, R., Lastgeving, APR, nr. 238, p. 135; DUBUISSON, R., Responsabilité. Traité théorique et pratique; Responsabilité contractuelle en responsabilité extracontractuelle, Vol 1, nr. 52, p. 37). Dit geldt ook wanneer deze derde de medecontractant van de lastgever is (vgl.: HERBOTS, J., e.a., Overzicht van Rechtspraak, Bijzondere Overeenkomsten, T.P.R., 2002, nr. 937, p. 780).
- In haar conclusie voor het Hof voert KBC, eveneens in ondergeschikte orde, aan dat de schade en het oorzakelijk verband met de fout niet bewezen zijn. Zij argumenteert in dit verband onder meer dat er slechts schade kan zijn in hoofde van de heer V.G. indien deze geen betaling heeft bekomen, hetzij uit hoofde van de cheque, hetzij op grond van de onderliggende overeenkomst, en dat hij dient aan te tonen dat de recuperatie van het chequebedrag onmogelijk is. De heer V.G. heeft daarop geen concrete repliek geformuleerd. Hij heeft in dit verband enkel - in zijn eerste conclusie voor het Hof - gesteld dat ¿de uitvoering lastens de bvba Industrial Sales Link problematisch was geworden en [hij] geen nutteloze kosten wilde maken¿. Het Hof acht het noodzakelijk dat, vooraleer verder recht wordt gedaan, de debatten worden heropend, teneinde de heer V.G. toe te laten verduidelijking te verschaffen omtrent de mogelijkheid om betaling te bekomen van ISL voor het bedrag waarvoor de litigieuze cheque was uitgeschreven, evenals omtrent alle terzake door hem genomen initiatieven en maatregelen ten aanzien van ISL sedert het ogenblik dat hij kennis kreeg van weigering om de cheque uit te betalen. Het Hof staat aan partijen toe om, enkel in dit verband, aanvullende conclusies in te dienen en bijkomende stukken over te leggen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Toepassing makend van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Alvorens verder recht te doen, Heropent ambtshalve de debatten overeenkomstig artikel 774 Ger.W., teneinde de heer V.G. toe te laten verduidelijking te verschaffen omtrent de mogelijkheid om betaling te bekomen van ISL voor het bedrag waarvoor de litigieuze cheque van 7 maart 1995 was uitgeschreven, evenals omtrent alle terzake door hem genomen initiatieven en maatregelen ten aanzien van ISL sedert het ogenblik dat hij kennis kreeg van de weigering om de cheque uit te betalen. Staat aan de partijen toe om, enkel in dit verband, aanvullende conclusies in te dienen en bijkomende stukken over te leggen; Stelt de zaak, in toepassing van artikel 775 Ger.W., voor verdere behandeling vast op de zitting van woensdag 26 april 2006 van de twaalfde kamer van het Hof om 15.10 uur (pleitduur 20 minuten); Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 30-11-
- Aanwezig: - E. Teirlinck, voorzitter; - J. Baudrez, raadsheer; - E. Dursin, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. de heer E. Dursin overeenkomstig de artikelen 779 Ger.W. en 1042 Ger.W. bij bevelschrift van de heer Eerste Voorzitter dd. 30-11-2005 aangeduid om op heden raadsheer G. Vanderstichele te vervangen die over deze zaak mede heeft beraadslaagd overeenkomstig art. 778 Ger.W., doch thans wettig verhinderd is om de uitspraak bij te wonen; Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div