← België

ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051220.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2005:ARR.20051220.20 Rolnummer: 1128/2004 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 151 - laatst gezien 2026-07-02 05:46 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door privé-personen - Weerspannigheid STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door privé-personen - Smaad, geweld tegen overheid STRAFRECHT - POLITIE Vrije woorden: bestuurlijke aanhouding - toepassing art. 31,3° Wet op het Politieambt Tekst van de beslissing Arrest van de 4de Kamer van het Hof van beroep te Gent not.nr. 1128/2004 nr. arrest: 96.290 Nr. D. P. J., P., Zonder beroep, geboren te ...................................., wonende te ...................................................... . VERDACHT VAN : A. Tegen D. R. N., V. K., A. T. en V. I., allen inspecteur van politie, drager of agent van de openbare macht, wanneer zij handelden ter uitvoering van de wetten, van de bevelen, of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen, weerspannigheid zijnde elke aanval, elk verzet met geweld of bedreiging te hebben gepleegd. Te 9000 Gent op 13.11.2003 B. Tegen D. R. N. en V. K., beiden inspecteur van politie, agent, drager van de openbare macht, in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, smaad door woorden, daden, gebaren of bedreigingen gepleegd te hebben. Te 9000 Gent op 13.11.2003 * * * * * Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 22° correctionele kamer met 1 rechter, dd. 9 september 2004, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist: Vult de tenlastelegging A aan als volgt: Tegen D. R. N., V. K., A. T. en V. I., allen inspecteur van politie, drager of agent van de openbare macht, wanneer zij handelden ter uitvoering van de wetten, van de bevelen, of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen, weerspannigheid zijnde elke aanval, elk verzet met geweld of bedreiging te hebben gepleegd, de weerspannigheid gepleegd zijnde door een enkele persoon, niet voorzien van wapens. te 9000 Gent op 13.11.2003 * * * Veroordeelt de beklaagde voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A en B SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van TWEE MAANDEN en een GELDBOETE van TWEEHONDERD EURO. Verhoogt de geldboete met veertig opdeciemen, aldus gebracht op DUIZEND EURO. Beveelt dat bij gebreke van betaling binnen de termijn bepaald bij art. 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van VEERTIEN DAGEN. Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van TIEN EURO, verhoogd met vijfenveertig deciemen, aldus gebracht op VIJFENVIJFTIG EURO, te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 10,18 EUR Legt de veroordeelde eveneens een vergoeding op van VIJFENTWINTIG EURO in uitvoering van art. 71 van de Wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van art. 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950, houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. * * * * * Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld door: - de beklaagde, J. D. P., op 23 september 2004; - het Openbaar Ministerie, tegen voornoemde beklaagde, op 23 september

  1. Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 8 november 2005 in het Nederlands: - de beklaagde, J. D. P., in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door meester Joris Van Cauter, in plaats van meester Hans Rieder, beiden advocaat te Gent; - Advocaat-generaal J.M. Cool in zijn vordering. De hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm. Terecht heeft de eerste rechter de lastens de beklaagde, J. D. P., oorspronkelijk betekende dagvaarding met betrekking tot de omschrijving van de tenlastelegging A in zijnen hoofde aangevuld zoals bepaald op het tweede blad van het bestreden vonnis. Ter terechtzitting van 8 november 2005 bracht het Hof partijen ter kennis dat de omschrijving van de tenlastelegging B in hoofde van de beklaagde, J. D. P., als volgt wordt verbeterd: "B. ‘Tegen I. V. en T. A., beiden inspecteur van politie, ...' in plaats van : ‘Tegen N. D. R. en K. V.' ... " Daartoe op dezelfde voormelde terechtzitting uitgenodigd, heeft de beklaagde voor-noemd met betrekking tot het voorgaande zijn verdediging aangepast.
  2. Op grond van de voor het Hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de beklaagde, J. D. P., ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A en B - de tenlastelegging A naar omschrijving zoals terecht door de eerste rechter aangevuld en de tenlastelegging B naar omschrijving zoals door het Hof verbeterd - in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het Hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven. Het Hof voelt zich met betrekking tot voormeld besluit voldoende gesteund door de oordeelkundige motieven zoals vervat op het tweede blad van het bestreden vonnis, die het beaamt en dan ook overneemt, temeer deze voldoende onder-steund worden door alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier, waaraan de eerste rechter op basis van een juiste en kritische analyse hun juiste bewijswaarde heeft toegekend.
  3. De door de beklaagde voornoemd in zijn regelmatig ter terechtzitting van het Hof dd. 8 november 2005 neergelegde beroepsconclusie ontwikkelde beweeg-redenen wettigen geen ander besluit, nu zij niet van voldoende grond zijn om diezelfde oordeelkundige motieven van de eerste rechter, zoals door het Hof beaamd en overgenomen, in rechte te ontkrachten. Het Hof voegt aan diezelfde oordeelkundige motieven nog volgende overwegingen toe: 2.
  4. Omtrent de tenlastelegging A. Op 13 november 2003 belde de beklaagde voornoemd om 20.20 uur vanuit een openbare telefooncel een eerste maal naar de politiediensten in verband met de verdwijning van zijn vriendin, G. P., die op dat ogenblik bij hem aanwezig was in het door hem bewoond appartement, gelegen te .......................................... Aangezien de politiediensten niet onmiddellijk ter plaatse kwamen, belde hij deze diensten een tweede maal omstreeks 21.15 uur. Deze keer belde hij met het mobiel telefoontoestel van zijn buurman. Hij zei toen aan de operator van de dienst 101 - volgens zijn vriendin met de bedoeling dat de politie deze keer wel zou ter plaatste komen - dat hij zijn vrouw ging vermoorden. Bij hun aankomst ter plaatse stelden de verbalisanten, N. D. R. en K. V., vast dat de beklaagde voornoemd, diens vriendin, G. P., alsook de bovenbuur aldaar aanwezig waren en dat de beklaagde voornoemd met een mes in zijn handen stond. De verbalisanten maanden hem aan zijn mes te laten vallen, wat de beklaagde voornoemd uiteindelijk deed. Zij maanden hem tevens aan te gaan zitten, wat hij evenwel niet spontaan deed, waarop de verbalisanten lichte dwang dienden aan te wenden om hem in zijn zetel te doen zitten, en dit teneinde een veilige controle te hebben op alle individuen aanwezig in de woning. De hoofdinspecteur D. L. die naderhand ter plaatse kwam, kon al evenmin een normaal gesprek met de aanwezigen aanknopen. Omdat de interventie bleef escaleren en de betrokkenen geen directe klacht of duidelijke reden hadden laten gelden om de politiediensten op te bellen, besloten de verbalisanten de woning te verlaten. Na het verlaten van de woning nam hoofdinspecteur D. L. weliswaar contact op met de Coördinatie officier Permanente Sturing, zijnde Commissaris H., die de beslissing nam om een vaststellende ploeg te sturen en de betrokkene mee te nemen voor verhoor. Bij het ter plaatse komen van de vaststellende ploeg gingen de verbalisanten, N. D. R. en K. V., nogmaals mee naar de woning, gezien de betrokkene blijkbaar met messen op zak liep. Hoofdinspecteur D. L. belde aan, waarop de beklaagde voornoemd na lang discussiëren de deur open deed. Hij werd gevraagd mee te komen naar de burelen. Dit werd door de beklaagde voornoemd geweigerd en hij stelde zich opnieuw dreigend ten opzichte van de verbalisanten. De beklaagde voornoemd werd met lichte dwang geneutraliseerd, geboeid en overgebracht naar het stedelijk bewaarhuis. G. P. werd eveneens overgebracht. Het Hof stelt vast dat de houding van de beklaagde voornoemd, en dus ook de situatie in de woning van de beklaagde voornoemd waarin nog twee andere personen aanwezig waren, bij de eerste interventie gevaarlijk was en dat deze toestand bleef voortduren na die eerste interventie alsook tijdens de tweede interventie. Het Hof weerhoudt dit besluit op grond van de vaststelling dat de beklaagde voornoemd in wezen om onduidelijke redenen de politiediensten naar zijn woning wilde laten komen, dat hij meldde zijn vrouw te zullen vermoorden, en dat hij in zijn woning rondliep met een mes alsook een dreigende houding aannam. Bovendien is het Hof van oordeel dat de situatie, en vooral het gedrag van de beklaagde voornoemd, onvoorspelbaar en onberekenbaar was. M.a.w. zowel de verbalisanten als de commissaris mochten niet zo maar aannemen dat de melding van de beklaagde voornoemd dat hij zijn vrouw zou vermoorden niet alsdusdanig - en dus niet - ernstig bedoeld was. Zij mochten evenmin zo maar aannemen dat de situatie aldaar veilig was. De verbalisanten, K. D. R. en K. V., verlieten de woning, enerzijds omdat er geen directe klacht of duidelijke reden was om de politie-diensten te bellen en anderzijds, omdat ‘de interventie bleef escaleren'. Die verbalisanten hebben - wellicht mede omdat zij in de al dan niet terechte veronderstelling waren dat hun aanwezigheid de gemoedstoestand van de belaagde voornoemd verhitte - de woning verlaten. Nadat commissaris H. van de toestand op de hoogte werd gebracht heeft hij de situatie correct ingeschat en besloot hij een vaststellende ploeg ter plaatse te sturen en de beklaagde voornoemd te laten meenemen voor verhoor. Bij de tweede interventie werden de politiediensten - zij het na wat discussiëren - in de woning binnen gelaten. Zij troffen er dezelfde persoon aan, die zich opnieuw ten hunnen aanzien dreigend opstelde. Er waren derhalve - ononderbroken en op ieder ogenblik van de eerste en van de tweede interventie - alsook tijdens de tijd ertussen - redelijke gronden voorhanden om ten aanzien van de beklaagde voornoemd - op grond van zijn eigen gedragingen, alsook van de materiële vaststellingen en omstandigheden - te denken dat het hem mogelijks menens was om een aanslag te plegen op de fysische integriteit van de aldaar aanwezige personen en dus om een misdrijf te plegen dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in het gevaar brengt. Om de beklaagde voornoemd te beletten een dergelijk misdrijf te plegen, waren de verbalisanten in de concrete omstandigheden dan ook volkomen gerechtigd om, met toepassing van artikel 31 3°, van de Wet op het Politieambt, tot de bestuurlijke aanhouding van de beklaagde voornoemd over te gaan. Met betrekking tot het hierboven door het Hof weerhouden besluit is de vaststelling dat het misdrijf van de aantasting van fysische integriteit zich in een privé-woning zou voordoen en dat de aanhouding door de politiemensen geschiedde in een privé-woning - nadat hen eerder de toegang tot deze woning werd verleend - helemaal niet dienend. Naar het oordeel van het Hof was er de volstrekte noodzakelijkheid om over te gaan tot de bestuurlijke aanhouding van de beklaagde voornoemd, en dit gelet op de verhitte, voortdurende, gevaarlijke en escalerende situatie, die een aanvang had genomen met de oproep van de betrokkenen aan de dienst 101, waarbij de beklaagde voornoemd daarenboven meldde dat hij zijn vrouw zou vermoorden, zodat hij uit de woning diende te worden verwijderd. Het optreden van politiediensten was dus in de concrete omstandigheden naar het oordeel van het Hof geenszins, laat staan manifest, onwettig, zodat de beklaagde voornoemd niet kan worden bijgetreden in zijn argumenten, als geformuleerd in zijn ter zitting van het Hof van 8 november 2005 neergelegde beroepsconclusie en strekkende tot de vrijspraak voor de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A in zijnen hoofde. 2.
  5. Omtrent de tenlastelegging B. 2.2.a. Het misdrijf omschreven in artikel 276 van het Strafwetboek bestaat uit het uiten (door woorden, daden, gebaren of bedreigingen) van een belediging tegenover een persoon met een bijzondere hoedanigheid. Waar enerzijds vereist wordt dat de persoon tegenover wie de belediging wordt geuit ook effectief aanwezig is op het ogenblik van de veruitwendiging van de belediging, dan is het anderzijds niet vereist dat de gesmade persoon de tegen hem gerichte smaad zou horen of zien (vgl. Nypels en Servais, II, art. 275 - 20; Cass. fr. 21 juli 1910, JJP, 1911, 592). Het woord "smaad" slaat op iedere aantasting van de waardigheid, op iedere uiting van misprijzen van aard om het respect voor de autoriteit van de gesmade persoon te verminderen (vgl. RPDB, tw. Outrage, inzonderheid nrs. 2, 3, 26 en 27). Naar het oordeel van het Hof is de interpretatie van de beledigende uitdrukking door de persoon aan wie ze gericht werd niet van belang: als constitutief element van het in artikel 276 van het Strafwetboek omschreven misdrijf wordt niet vereist dat de geuite woorden, daden, gebaren of bedreigingen door de persoon aan wie ze gericht werden ook als smadend of beledigend werden ervaren. Het is overigens ook niet nodig dat de gesmade persoon klacht zou neerleggen wegens smaad, nu het misdrijf zoals verstaan in artikel 276 van het Strafwetboek geen klachtdelict is in de zin van artikel 2 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering . Ten deze is het Hof van oordeel dat de door de beklaagde voornoemde geuite woorden (zie strafdossier, OK 2, pag. 3) een uitdrukking van misprijzen vormen ten opzichte van I. V. en T. A., beiden inspecteur van politie. Aangezien de voormelde misprijzende uiting met een beledigende bedoeling geschiedde in aanwezigheid van voornoemde personen, van wie de voornoemde beklaagde wist dat ze met een openbare hoedanigheid waren bekleed, en aangezien zij geschiedde in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van hun bediening, dan werd aan alle constitutieve elementen van het in artikel 276 van het Strafwetboek voorziene misdrijf voldaan, en kan derhalve geen gunstig onthaal worden verleend aan de desbetreffende door de beklaagde voornoemd in zijn regelmatig ter terechtzitting van 8 november 2005 van het Hof neergelegde conclusie ontwikkelde argumenten, zodat zijn schuld aan voormeld misdrijf dan ook ten genoegen van recht bewezen is. 2.2.b. Ten overvloede kan de beklaagde voornoemd immers evenmin worden bij-getreden in zijn in diezelfde conclusie ontwikkelde argumenten, waarbij hij besluit tot de vrijspraak en waarbij hij aanvoert dat de beledigingen werden geuit naar aanleiding van het onregelmatig optreden van de gesmade personen, waar voorgaand werd besloten dat er geen sprake is van enige onregelmatigheid en waar het Hof bijaldien en ten overvloede nog opmerkt op dat de beweerde - en door het Hof niet weerhouden - onregelmatigheid van het optreden van de gesmade personen de smaad geenszins zou hebben kunnen rechtvaardigen (Cass., 17 mei 1989, Arr. Cass., 1989-90, 1095) zelfs niet eens een verschoningsgrond zou hebben kunnen vormen voor het misdrijf voorzien in artikel 276 van het Strafwetboek (vgl. Nypels en Servais, t. II, p. 227, nr. 24).
  6. Zoals terecht door de eerste rechter aanvaard zijn de door de beklaagde voor-noemd gepleegde feiten, voorwerp van de bewezen tenlasteleggingen A en B - de tenlastelegging A zoals naar omschrijving door de eerste rechter aangevuld en de tenlastelegging B naar omschrijving zoals door het Hof verbeterd - in zijnen hoofde de uitwerking van een zelfde misdadig opzet, zodat voor ze samen, bij toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek, lastens hem slechts één bestraffing dient te worden opgelegd.
  7. De door de eerste rechter lastens de beklaagde voornoemd wegens de gezamen-lijk in zijnen hoofde bewezen tenlasteleggingen A en B - de tenlastelegging A zoals naar omschrijving door de eerste rechter aangevuld en de tenlastelegging B naar omschrijving zoals door het Hof verbeterd - opgelegde straffen (hoofd-gevangenisstraf, geldboete en vervangende gevangenisstraf) zijn de wetmatige en passende beteugeling van de gezamenlijk in zijnen hoofde aangehouden misdrijven. Zij werden bepaald op basis van oordeelkundige motieven die het Hof beaamt en dan ook overneemt.
  8. De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de gerechtskosten en de vaste vergoeding zijn te bevestigen. OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op: - de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen, en gelet op: - artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; - de artikelen 190, 195 en 211 van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 1 en 2 van het KB van 11 december 2001; - artikel 36 van de Wet van 7 februari 2003; - artikel 29 tweede lid van de Wet van 1 augustus 1985 zoals gewijzigd door het K.B. van 31 oktober 2005; alle voormelde wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de Voorzitter aangehaald. Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk, en erover beslissende BEVESTIGT het bestreden vonnis, met dien verstande: Ø dat in de omschrijving van de in hoofde van de beklaagde, J. D. P., bewezen gebleven tenlastelegging B de woorden ‘ tegen N. D. R. en K. V. ' dienen te worden gelezen als ‘tegen I. V. en T. A. '; Ø dat de solidariteitsbijdrage thans bepaald wordt op VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, en aldus gebracht wordt op 137,50 EUR. VEROORDEELT de beklaagde, J. D. P., tot de kosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, te begroten op 62,69 EUR. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van: 20 december TWEEDUIZENDENVIJF. C. VAN DAMME, Voorzitter, J. DOOM en P. DAUW, Raadsheren, J.M. COOL, Advocaat-generaal, Y. HENDERICKX, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.