← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060307.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060307.5 Rolnummer: 2006/AR/284 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-01 04:13 Fiche 1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Collectieve schuldenregeling Vrije woorden: Collectieve schuldenregeling--hoger beroep niet toelaatbaar Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1675/9,4°;1675/14§2; 1675/§1 in fine; Fiche 2 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1053,3° Tekst van de beslissing in de zaak van: D.B , geboren te X, wonende teY, appellante, hebbende als raadsman mr. MOUTON Céline, advocaat te 8310 ASSEBROEK, J. Moritoenstraat 1/7 tegen: Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN, te 8200 SINT-ANDRIES, Jann Breydellaan 107, in de hoedanigheid van schuldbemiddelaar, voor wie ter terechtzitting verschijnt mevrouw Katleen GOYENS. geïntimeerde qq velt het Hof het volgend arrest: * B.D, appellante, stelde bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 6 februari 2006 hoger beroep in tegen het vonnis op 29 december 2005 door de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge gewezen, waarbij - op verzoek van de schuldbemiddelaar - o.m. de herroeping overeenkomstig art. 1675/15 §1 3°, 4° en 5° Ger.W. werd bevolen lastens appellante van de collectieve schuldenregeling waartoe deze laatste was toegelaten bij beschikking van 19 maart

  1. Met haar hoger beroep beoogt appellante het teniet doen van het bestreden vonnis en impliciet de voortzetting van de collectieve schuldenregeling. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 28 februari
  2. *
  3. Relevante gegevens Appellante, alsdan nog B.D, werd tot de procedure collectieve schuldenbemiddeling toegelaten bij beschikking van 19 maart
  4. Op 29 oktober 2001 werd door de schuldbemiddelaar een P.V. van gebrek aan minnelijke regeling neergelegd, gevolgd door een eerste tussenvonnis gewezen op 31 mei 2002 waarbij o.m. werd vastgesteld: - dat er alsdan ¿geen mogelijkheid (was) om een haalbare gerechtelijke aanzuiveringsregeling op te leggen; - de indienende schuldeisers uitgenodigd werden ¿om desgewenst schriftelijk, of op de hierna gestelde zitting, hun houding te bepalen tav de voortzetting van de collectieve schuldenregeling, aan de hand van hetgeen hierboven is vastgesteld en de inhoud van het verslag van de schuldbemiddelaar op 16 mei 2002 welke hierbij in kopie wordt meegedeeld¿; - en de heropening der debatten werd bevolen. Deze eerste beslissing met vermelding van de diverse schuldeisers als ¿opgegeven en/of indienende schuldeiser¿ werd met gerechtsbrieven gedateerd op 4 en 18 juni 2006 ter kennis gebracht aan zowel huidige appellante als de diverse schuldeisers, en tevens met oproeping op de vastgestelde zitting van 31 oktober
  5. Bij (tweede) tussenvonnis van 14 november 2002 werd machtiging verleend tot het aanwenden van een bedrag van de rubriekrekening voor de geplande operatie en werd de beslissing omtrent de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aangehouden, gelet op de bestaande onzekerheden. De zaak werd andermaal in voortzetting gesteld met opnieuw kennisgeving bij gerechtsbrief van deze tussenbeslissing en oproeping voor de volgende terechtzitting, waarna het (derde) vonnis van 11 september 2003 volgde waarbij een tijdelijke gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd opgelegd voor een bedrag van euro 1.733,90 en de debiteur aangezet werd om werk te zoeken en de debatten werden heropend voor een zitting in september
  6. Andermaal gebeurde de kennisgeving van deze beslissing aan dezelfde partijen met oproeping voor de nieuw vastgestelde rechtsdag. Hierop volgde een nieuwe (vierde) beslissing op 14 oktober 2004, waarbij ¿voor zoveel kwijtschelding van de schuldeiseres F zou worden vastgesteld¿ een tweede tijdelijke gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd bepaald en de debiteur andermaal aangezet werd om werk te zoeken. Ook in deze beslissing werd ambtshalve een datum voor heropening der debatten voorzien, gebeurde kennisgeving van de beslissing aan alle partijen met oproeping voor de nieuwe rechtsdag (kennisgeving gedateerd op 19 oktober 2004). Op 28 juli 2005 werd door de schuldbemiddelaar een verzoek tot herroeping neergelegd, waarop een nieuwe oproeping volgde voor alle partijen (gerechtsbrieven gedateerd op 2 en 25 augustus 2005) met in bijlage het verzoek tot herroeping. Hierop volgde het bestreden vonnis. De betrokken debiteur en schuldeisers werden ook nu in kennis gesteld via gerechtsbrief van de beslissing (gerechtsbrieven gedateerd op 6 januari 2006, maar door eerstvermelden voor ontvangst afgetekend op ¿28/09/01¿ (??)). * De appèlakte vermeldt enkel de schuldbemiddelaar als geïntimeerde. Van de schuldeisers wordt geen gewag gemaakt noch als geïntimeerde noch als mede in het geding betrokken of te betrekken partijen.
  7. Toelaatbaarheid hoger beroep De schuldbemiddelaar beroept zich in hoofdorde op de niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep. De herroeping situeert zich - in tegenstelling tot de procesgang bij de beoordeling van de toelaatbaarheid - onmiskenbaar in de tweede, in de regel tegensprekelijke fase van de procedure collectieve schuldenregeling. De toelaatbaarheidsbeschikking werd aan de schuldeisers ter kennis gebracht overeenkomstig art. 1675/9, 4° Ger.W. met de gevolgen (o.m. van samenloop) vandien, terwijl er in onderhavig dossier door de Beslagrechter reeds diverse tussenbeslissingen waren genomen en zelfs meerdere tijdelijke gerechtelijke aanzuiveringsregelingen werden opgelegd (zie hoger). De betrokken schuldeisers werden in al deze beslissingen als ¿opgegeven en/of indienende schuldeiser¿ vermeld, opgeroepen voor de verdere behandeling, en telkens ook in kennis gesteld met gerechtsbrief van de opeenvolgende uitspraken. De aldus betrokken schuldeisers dienen in de gegeven omstandigheden dan ook als volwaardige partijen aanzien, onverminderd o.m. de vereenvoudigde en versnelde saisine en procesgang - ook ten aanzien van de schuldeisers - en het normdoel van de wet inzake collectieve schuldenregeling op dit punt (zoals deze o.m. kunnen worden afgeleid uit art. 1675/14 §2, art. 1675/16 Ger.W.). Uit het voorschrift van art. 1675/15 §1 in fine Ger.W. volgt bovendien dat een aan de schuldeisers en schuldenaar tegensprekelijke behandeling van de herroepingsprocedure door de wetgever is voorzien geworden, terwijl deze schuldeisers in onderhavige incident van de herroeping in ieder geval ook als partijen werden opgeroepen en kennisgeving hebben bekomen van de uitspraak. Gelet op de in de tussenbeslissingen opgenomen uitnodiging, gelet tevens op hun rol bij de totstandkoming van de aanzuiveringsregeling kan bezwaarlijk worden aangenomen dat in het kader van een herroeping de schuldeisers slechts toeschouwers zouden zijn en geen daadwerkelijke tussenkomende of in de zaak betrokken partijen die een specifiek belang hebben. De diverse incidenten in het kader van de tegensprekelijke fase van de collectieve schuldbemiddeling, waaronder de herroeping, zijn onsplitsbaar van aard. De procedure van collectieve schuldenregeling organiseert een toestand van samenloop, terwijl niet kan worden aangenomen dat o.m. omtrent de herroeping uitspraak zou worden gedaan in een andere zin tegenover de schuldeisers dan tegenover bvb. de schuldenaar, hetgeen een gezamenlijke tenuitvoerlegging verhindert en er aldus voldaan is aan de voorwaarde van art 31 Ger.W.. Overeenkomstig art. 1053 Ger.W. moet het hoger beroep in onsplitsbare geschillen worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep en moeten bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak worden betrokken. Onverminderd de tegenstrijdige belangen die normalerwijze voorhanden zijn inzake de herroeping bij de debiteur enerzijds de schuldeisers anderzijds, dient vastgesteld dat het hoger beroep in casu uitsluitend de schuldbemiddelaar als geïntimeerde vermeldt en niet tegen de betrokken schuldeisers is gericht, terwijl deze ook niet tijdig in de appèlprocedure werden betrokken. Het hoger beroep dient dan ook ingevolge art. 1053, 3e lid Ger.W. als niet-toelaatbaar afgewezen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het Taal¬gebruik in Gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep niet-toelaatbaar; Verwijst appellante, voor zoveel als nodig in de gerechtskosten van deze aanleg. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, veertiende bis kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op zeven maart tweeduizend en zes. Aanwezig: Beatrijs DECONINCK, raadsheer, wn.voorzitter Gerda HUYSMAN, adjunct-griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.