← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060313.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HB

¢3 van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, zoals achteraf gewijzigd (hierna WGA).

  1. De eerste rechter heeft hierover het volgend geoordeeld: "
  2. Vormvoorschriften ex

§3WGA - algemeen.

De vormvoorschriften nopens het herstelplan zijn ingeschreven opdat bij de "stemming door de schuldeisers de vereiste meerderheden, en derhalve "hun toestemming, op een regelmatige wijze tot stand zouden komen. De "schuldeisers moeten op voldoende en op correcte wijze worden ingelicht "nopens de vraag of de voorstellen geformuleerd door de schuldenaar "haalbaar zijn. In de wet betreffende het gerechtelijk akkoord is niet "uitdrukkelijk een sanctie voorgeschreven indien niet aan de "vormvoorwaarden is voldaan. Verder is de wetgever van oordeel dat het "verzuim van een pleegvorm die de uitslag van de stemming niet kan "beïnvloeden, de homologatie van het akkoord niet in de weg kan staan "(zie Verslag namens de commissie die belast is met de problemen inzake "handels- en economisch recht uitgebracht door de heer Johan "Vandeurzen, Parl. St., Kamer, 1995-'96, nr. 329/17, p. 87). De door "eisers op derdenverzet ingeroepen miskenningen van

§3WGA "dienen in voormeld perspectief te worden benaderd.

"17.

§3WGA - vermelding kredieten.

In het plan is niets "voorzien omtrent bijkomende (nieuwe) kredieten. Het blijkt dat "verweerders de bestaande kredieten willen behouden, onder aangepaste "vorm, en geen bijkomende kredieten voorzien. Eisers op derdenverzet "tonen niet aan dat de schuldenaars nieuwe kredieten behoeven voor de "uitvoering van het herstelplan. Verder worden de bestaande kredieten "vermeld in het plan onder punt d/ en e/ op pagina 14. in de bijlage aan "het plan worden de kredieten nogmaals verduidelijkt naar de toekomst "toe (zie punt 1.3 Kasverloop prognose op p. 7 t/m 9 update prognose `januari 2004 - maart 2006). Ter zitting van 17 maart 2004 heeft de "schuldenaar verdere specificatie aangebracht in die zin dat met de "bankinstellingen een individueel akkoord was gesloten nopens de "terugbetaling Daaruit treedt meteen naar voor dat de banken het krediet "willen behouden, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zij voor het plan "hebben gestemd. In het plan, i.h.b. de bijlagen, is verder opgenomen "welke de middelen zijn die de schuldenaars veronderstellen te genereren "teneinde de werking en het herstel van de onderneming te financieren. "18.

§3WGA - vermelding niet-betaalde roerende goederen.

"Eisers op derdenverzet stellen terecht dat het neergelegde plan niet "aangeeft welke de niet-betaalde roerende goederen zijn die kunnen "worden teruggevorderd op grond van een beding dat de "eigendomsoverdracht opschort tot de volledige betaling van de prijs. De "N. V. Destrooper - Olivier heeft op de zitting van 17 maart 2004 een "aanvulling op het plan neergelegd waaruit de aanduiding van deze "goederen blijkt. Het betreft enkel en alleen de verpakkingsmaterialen van "de schuldeiser T. Voor wat betreft de GVC Biscuitech zouden er "geen goederen zijn die onder deze categorie vallen. Reeds in het "bestreden vonnis overweegt de rechtbank dat het belang van deze "vermelding erin bestaat dat de schuldeisers worden geïnformeerd "omtrent de mogelijkheid dat bepaalde roerende goederen dienen te "worden teruggegeven door de schuldenaar aan de eigenaar en de invloed "daarvan op de economische leefbaarheid van de onderneming en "derhalve op het voorliggende plan. Indien goederen die essentieel zijn "voor de exploitatie niet meer beschikbaar zijn ingevolge de "terugvordering door de eigenaar, kan de uitbating in het gedrang komen. "De rechtbank heeft echter vastgesteld dat er enkel een "eigendomsvoorbehoud kleeft aan verpakkingsmaterialen, welke "bezwaarlijk als essentieel voor de uitbating van de onderneming kunnen "worden beschouwd. Dit is op heden niet gewijzigd. Of deze materialen al "dan niet teruggevorderd zullen worden, zal de exploitatie van de "onderneming niet in het gedrang brengen. Het feit dat deze informatie "pas op de vergadering van de schuldeisers kenbaar wordt gemaakt, kan "en is van geen invloed geweest op de stemming. De rechtbank is "bijgevolg van oordeel dat dit argument van eisers op verzet niet van dien "aard is dat op de goedkeuring dient teruggekomen te worden. "

  1. Artikel 30 lid 3 WGA - verklaring van instemming. De instemming "van de schuldeisers voor wie het plan voorziet in een afbetalingsregeling "die verder gaat dan wat is voorzien in artikel 30 §1 WGA, werd niet "gevoegd bij het plan bij de neerlegging ervan ter griffie op 19 februari "
  2. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat dit de stemming van de "schuldeisers niet heeft beïnvloed. In het neergelegde plan is immers "opgenomen dat een afbetalingsregeling, waarvan de essentiële "modaliteiten zijn vermeld, nog wordt onderhandeld en dat voor zover "dienaangaande geen instemming wordt bekomen, de desbetreffende "schuld zal worden afbetaald binnen de wettelijk toegelaten modaliteiten. "De beide hypotheses worden aldus ter kennis gebracht en verduidelijkt. "Bijgevolg verschaft het neergelegde plan, zelfs zonder de verklaringen "van instemming, voldoende informatie om de schuldeisers toe te laten de "haalbaarheid ervan te beoordelen en hun stemgedrag te bepalen. Niets "belet zelfs dat de schuldenaar op de zitting waarop over het plan wordt gestemd, nog wijzigingen aan het plan aanbrengt (zie in deze zin E. "BALLON, J DE LEENHEER, M DENEF en M.D. DESIMPELAERE, De "nieuwe wet op het gerechtelijk akkoord, Diegem, ced. Samsom, 1997, p. "167). De rechtbank ziet er dan ook geen graten in dat de schuldenaar de "individuele instemming van de schuldeisers zoals voorzien in artikel 30 "WGA pas neerlegt op de zitting waarop wordt gestemd, temeer daar nu "blijkt dat de instemming slechts de dag voordien dan wel de dag zelf van "de stemming werd bekomen (zie stuk 16 verweerders op derdenverzet). "Overigens dient andermaal opgemerkt dat de betrokken schuldeisers "uitdrukkelijk hebben ingestemd met een regeling die minder zwaar om "dragen is voor de schuldenaar dan de regeling die zou gelden bij "afwezigheid van instemming, hetgeen de haalbaarheid van het herstel- en "afbetalingsplan gunstig beïnvloedt. "Gelet op hetgeen gesteld onder nrs. 13 t/m 16 hiervoor is de rechtbank "van oordeel dat het bepalend gedeelte van het plan naar formele "voorwaarden voldoet aan hetgeen door

§3

en 30 WGA is "voorgeschreven en de schuldeisers op basis van de gegevens vermeld in "het plan, een correct beeld konden vormen nopens de voorstellen en de "slaapkansen ervan.". 15. Het Hof treedt deze overwegingen, die het juist bevindt, bij. Het stelt vast, dat de eerste rechter geantwoord heeft op de bezwaren die appellanten hebben gegrond op

§3

WGA, dat appellanten eventuele middelen of grieven tegen deze overwegingen van de eerste rechter niet nader hebben verwoord en dat er terzake ook ambtshalve geen middelen op te werpen zijn. Het Hof bevestigt de bestreden vonnis op dit punt. De stemming bij volmacht.

  1. Appellanten houden voor dat de volmachten, die de meeste schuldeisers gegeven hebben om over het herstelplan te stemmen, door een wilsgebrek aangetast zijn. Doordat na het verlenen van de volmacht, op de zitting van 17 maart 2004, het herstelplan nog op verschillende punten gewijzigd is, zonder dat de volmachtgevers hierover ingelicht waren, hebben de volmachtgevers niet de wettelijke vereiste toestemming gegeven / kunnen geven. Volgens appellanten is het niet wettelijk een rechtsgeldige volmacht te geven die zo-ruim is als deze die gegeven werd. De volmacht bepaalt onder meer: "Bij deze geeft zij een onherroepelijke volmacht aan de heer L.D en / of de heer J.V, om voor de Vennootschap te verschijnen op de zitting van 17 maart 2004 van de rechtbank van koophandel te Brugge (en alle eventueel daarop volgende zittingen die verband houden met de stemming en de homologatie over het voorgestelde plan) en in naam van de Vennootschap te stemmen voor het door DESTROOPER ter griffie neergelegde herstel / betalingsplan in het kader van artikel 33 van de Wet op het gerechtelijk akkoord d. d. 17 juli 1997 of elk ander plan dat door DESTROOPER zou worden neergelegd voor zoveel het plan minimaal voorziet in een terugbetaling van de schuldeisers van uw categorie voor 40% van de hoofdsom van hun schuldvordering (dus na aftrek van verwijlintresten en verhogingsbedingen) in 24 mensualiteiten termijnen over een maximale periode van 24 maanden zonder intresten, hetgeen een kwijtschelding van 60% van de hoofdsom en de totaliteit van de intresten en verhogingsbedingen veronderstelt.".
  2. Ten onrechte argumenteren appellanten dat "de schuldeisers blijkbaar bereid [zijn] om met gelijk welk plan in te stemmen, ongeacht de inhoud ervan" (p. 15 van haar conclusie voor de Rechtbank van Koophandel te Brugge). De beperking, voor zover die al nodig zou zijn, blijkt uit het citaat hierboven. Appellanten beweren niet en tonen derhalve ook niet aan dat de gegeven volmachten niet gerespecteerd werden. Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de WGA geen bijzondere bepalingen bevat omtrent het stemmen bij volmacht en dat de algemene bepalingen van artikel 1984 en 1988 B.W. van toepassing zijn. Deze zijn niet geschonden. Appellanten waren daarenboven geen betrokken partij bij de overeenkomsten van lastgeving of volmacht. Zij kunnen zich dan ook niet in de plaats van de volmachtgever stellen, om een bevoegdheids¬overschrijding van de volmachthebber tegenover de lastgever in te roepen, of een wilsgebrek die de rechter zou toelaten om de overeenkomst tussen de volmachtgever en de volmachthouder te vernietigen (zie de artikel 1165 en volgende van het B.W.). Voor zover nodig wijst het Hof erop, dat de vereiste instemmingen neergelegd werden ter griffie (conclusie van appellanten van 17 november 2004, p. 12). En waar de volmachten bepaalden dat ook met andere/latere plannen kon worden ingestemd, kan de neerlegging van de volmachten net voor de zitting waarop het herstelplan werd neergelegd, ook aanvaard worden. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. De schending van artikel 34 WGA.
  3. Appellanten zijn van oordeel dat artikel 34 WGA geschonden is, omdat de banken/kredietinstellingen aan geïntimeerden de terugbetaling van de opgenomen kredieten hebben toegestaan over een periode langer dan 24 maanden. De eerste rechter oordeelde het volgende hierover: "
  4. Artikel 34 WGA - duur definitieve opschorting. In het vonnis van 31 "maart 2004 wordt het neergelegd herstel/afbetalingsplan, zoals "aangevuld ter zitting van 17 maart 2004, goedgekeurd en bindend "verklaard aan alle betrokken schuldeisers. De definitieve opschorting "wordt toegestaan voor de duur van 24 maanden, aanvang nemend op 31 "maart 2004 en eindigend uiterlijk op 30 maart
  5. De rechtbank is "daarmede ingegaan op hetgeen door verweerders werd gevorderd. Enkel "voor de schuldenaars gecatalogeerd onder de noemer `banken' wordt de "afbetalingsperiode bepaald op 72 maanden. Deze regeling is door ieder "van de schuldeisers vallend onder voornoemde categorie uitdrukkelijk en "schriftelijk aanvaard geworden. "Daar waar een gestrenge lezing van artikel 34 WGA ertoe zou kunnen "leiden het argument opgeworpen door eisers op derdenverzet te "aanvaarden, is de rechtbank blijvend van oordeel dat dit standpunt in "casu niet onderschreven kan worden. Enerzijds wordt de "afbetalingsperiode slechts uitgebreid voor één categorie schuldeisers "welke op objectieve basis wordt bepaald, te weten de banken / "kredietinstellingen. Het zou pervers zijn mocht het toekennen van een "gerechtelijk akkoord tot gevolg hebben dat verweerders op verzet de "eertijds bekomen financiële kredieten, welke onder normale "omstandigheden per hypothese _ouden moeten terugbetaald worden over "meerdere jaren i.f v. de contractuele bepalingen, eensklaps in een "periode van 24 maanden zouden moeten terugbetalen. Anderzijds blijft "een individueel akkoord niet schuldeisers steeds mogelijk, doch voor "zover het herstel van de onderneming kan worden bewerkstelligd binnen "de maximumtermijn van 24 maanden, desgevallend éénmaal verlengbaar "met 12 maanden (in casu cfr. infra) (vgl. L VEROUGSTRAETE, Manuel "de la faillite et du concordat. Diegem, Kluwer, 2003, nr. 202; D. "VERCRUYSSE, Knelpunten bij het gerechtelijk akkoord, begeleidende "tekst juridisch seminarie Euroconcept van 26 oktober 2004, p. 18). "Verder is er in de wet betreffende het gerechtelijk akkoord niet te lezen "dat de uitvoering van het plan de termijn van 24 maanden niet kan "overschrijden wanneer de schuldeisers voor wie een uitgebreide "ajbetalingstermijn is voorzien, daarmede uitdrukkelijk instemmen. Noch "lijkt de regeling in strijd met de openbare orde. In casu brengt de "bekritiseerde regeling geen enkel nadeel toe aan de overige schuldeisers. "Na verloop van de wettelijke maximumtermijn, desgevallend verlengd, "zal in casu slechts het wettelijk kader wegvallen en plaats maken voor het "conventioneel kader met de banken.".
  6. Het Hof onderschrijft deze overwegingen, die het juist bevindt en alleen nog verder kan aanvullen. Uit het bestreden vonnis leiden appellanten ten onrechte af, dat de eerste rechter zou vastgesteld hebben `dat artikel 34 WGA de absolute maximumduur van het gerechtelijk akkoord op 24 maanden vaststelt'. De eerste rechter gaf alleen een lezing van het artikel, meer niet. Uit het feit dat bepaalde schulden over een termijn van 6 jaar in plaats van 2 jaar lopen, leiden appellanten al even ten onrechte af dat het krediet van geïntimeerden zou wankelen. Geïntimeerden beschikken klaarblijkelijk wel over krediet, zij het dat dit krediet een looptijd van 6 en niet van 2 jaar heeft. Het kan hoe dan ook niet de bedoeling zijn van de WGA, om kredieten die een langere looptijd hadden dan 24 maanden ineens - als gevolg van de procedure op het gerechtelijk akkoord - in een korte tijdspanne te doen terugbetalen (hier zelfs binnen 1/3 de van de looptijd van 6 jaar). Appellanten stellen ten onrechte, dat de WGA "uitdrukkelijk" bepaalt "dat de schulden dienen afbetaald te worden binnen de 24 maanden (een maal verlengbaar met 12 maanden)" (pg. 9 verzoekschrift in hoger beroep). Dit is niet wat artikel 34 WGA bepaalt. Het bepaalt dat de definitieve opschorting van betaling niet meer dan 24 maanden (één maal verlengbaar met 12 maanden) mag bedragen. Niets belet dat ook nog individuele overeenkomsten gesloten worden of dat na het verstrijken van de toegestane periode individuele afspraken gemaakt worden.
  7. Benadrukt wordt dat het herstelplan zelf - dat de schuldeisers ongeacht hun instemming bindt - de 24 maanden waarin artikel 34 WGA voorziet, niet overschrijdt; alleen het akkoord dat geïntimeerden met de banken voor de afbetaling van de kredieten overeenkwamen overschrijdt de 24 maanden. De schuldenaars kunnen op volgende gronden met bepaalde schuldeisers individuele akkoorden sluiten die de maximale duurtijd van 24 maanden overschrijden, zonder dat zij een inbreuk uitmaken op artikel 34 WGA (zover zij geen afbreuk doen aan de openbare orde en aan de doelstelling van de WGA): 1)

§3

lid 2 WGA bepaalt: "Het plan vermeldt de voorgestelde betalingstermijnen en schuldverminderingen. Het kan voorzien in de omzetting van schulden in aandelen en in de gedifferentieerde regeling van bepaalde categorieën van schulden, inzonderheid op grond van hun omvang of hun aard." (onderstreping toegevoegd). Er is niet bepaald dat de voorgestelde betalingstermijnen en schuldverminderingen gelden "onverminderd de duurtijd bepaald op grond van artikel 34 WGA". Bovendien is de omzetting van schulden in aandelen in beginsel voor onbepaalde tijd, nu de schuld geactiveerd wordt. Ook in deze hypothese wordt de maximale duurtijd van 24 maanden in beginsel overschreden. 2) Per definitie moet niet het volledige passief van de onderneming in het herstelplan van een gerechtelijk akkoord betaald worden (cfr. ook VEROUGSTRAETE, I., , Manuel de la faillite et du concordat, Diegem, Kluwer, 2003, nr. 202, voetnoot 2). 3) Artikel 30, lid 3 WGA bepaalt het volgende: " Indien de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet zijn voldaan en het plan ten aanzien van die verkoper en die schuldeisers [verkopen met een beding van eigendomsvoorbehoud en de hypothecaire, pandhoudende en bijzonder bevoorrechte schuldeisers - categorie waaronder de banken / kredietverstrekkers vallen in deze zaak - en de belastingadministratie] toch in een opschorting voorziet of, niettegenstaande de eerbiediging van de voorwaarden bepaald in het eerste lid, hun huidige of toekomstige positie wordt gewijzigd, dan moeten zij met het plan uitdrukkelijk instemmen. In voorkomend geval worden de verklaringen van instemming gevoegd bij de neerlegging ervan ter griffie.". De wetgever heeft met deze bepaling voor de genoemde categorieën de mogelijkheid van individuele afwijkende akkoorden geregeld, zonder deze te koppelen aan de termijn van artikel 34 WGA. Geïntimeerden brengen de individuele akkoorden bij (stuk 2 van hun dossier). Appellanten weerleggen het bestreden vonnis niet, waar het vaststelt dat de regeling van 72 maanden uitdrukkelijk en schriftelijk door de betrokken schuldeisers aanvaard werd (zie citaat van het bestreden vonnis hiervoor). Ten onrechte leiden appellanten uit de tekst van VEROUGSTRAETE (op. cit., p. 139) af, dat een duurtijd van langer dan 24 maanden niet mogelijk is. De tekst luidt als volgt: (vrij vertaald: "Wat ook de duur van definitieve opschorting is, er wordt in herinnering gebracht dat de terugbetaling van de schulden van de hypothecaire schuldeisers ..., volgens de bewoordingen van artikel 30 van de wet, de 18 maanden niet mag overschrijden in geval het plan op hen van toepassing is zonder hun individuele toestemming. In geval deze schuldeisers een individuele toestemming gaven aan het plan, is deze maximale termijn niet van toepassing en deze schuldeisers volgen hetzelfde lot als de chirografaire schuldeisers wat de duur van de opschorting betreft binnen de grenzen van het akkoord dat ze gegeven hebben"). De tekst behandelt de individuele toestemming van de welbepaalde categorieën van schuldeisers aan het herstelplan. Deze opinie sluit nog steeds individuele akkoorden tussen schuldenaar en schuldeiser niet uit. 21. Op de vraag of dergelijk individuele akkoorden - al dan niet met de bankenlkredietverstrekkers - ook in het herstelplan moeten/kunnen opgenomen worden, stelt het Hof vast dat het vermelden van eventuele akkoorden geen nietigheid of onwettigheid van het herstelplan inhouden. Het loutere feit dat individuele akkoorden mee opgenomen zijn in het herstelplan, houdt niet in dat de schuldeisers die bij deze individuele afspraken niet betrokken zijn, door deze afspraken zouden gebonden zijn. Het brengt evenmin met zich mee, dat alle schulden en verbintenissen waarvan het herstelplan melding maakt, ook effectief binnen de 24 (+ 12) maanden moeten terugbetaald of uitgevoerd zijn. De opname van de individuele akkoorden in het globale herstelplan is vanuit economisch standpunt juist verdedigbaar, omdat de onderneming(

  1. en)in moeilijkheden, de schuldeisers en de toezichthoudende instanties hierdoor een beter inzicht verwerven over de toestand van de onderneming(
  2. en)en de herstelkansen. 22. Aangezien individuele akkoorden afgesloten kunnen worden, is het feit dat KBC geen schuldeiser is in de zin van artikel 30 WGA niet relevant. 23 Geen enkel element uit de dossiers laat toe te besluiten, dat de bedoeling van het gerechtelijk akkoord niet gerespecteerd werd bij het indienen van het herstelplan of dat de openbare orde hier geschonden is. Een gerechtelijk akkoord strekt tot het economisch en financieel herstel van een onderneming met tijdelijke moeilijkheden. Aan deze bedoeling doen de afbetalingsfaciliteiten van 6 jaar die de banken/kredietverstrekkers toestonden, geen afbreuk. En zij doen evenmin afbreuk aan het tijdelijk karakter van de herstelvoorwaarden, die bindend zijn voor de schuldeisers. 24. Het argument van de concurrentievervalsing is ongegrond. Appellanten bewijzen niet dat de afbetalingsfaciliteiten die geïntimeerden met de banken overeenkwamen niet zouden beantwoorden aan de normale marktvoorwaarden. Zij bewijzen evenmin dat het ongebruikelijk zou zijn, om kredieten in de loop van hun uitvoering opnieuw over langere termijn te negotiëren. Een schending van artikel 87 Europees Verdrag is niet bewezen in deze zaak. De terugbetaling van kredieten over een termijn van 6 jaar komt het Hof niet onredelijk voor. Appellanten tonen ook niet nader aan, hoe en in welke mate de afspraak van geïntimeerden met de banken onredelijk zou zijn. Zij bewijzen in geen geval dat de banken erop uit zouden zijn, om geïntimeerden kunstmatig in stand te houden, waar zij gedoemd zouden zijn om te verdwijnen, aangezien zij geen enkele reële overlevingskansen hebben of hadden op het ogenblik van het indienen van het herstelplan. De eerste rechter oordeelde terecht, dat het plan voldoende reële overlevingskansen creëerde en dat de concurrentiepositie op termijn (dit is na het verstrijken van 24, desgevallend 36 maanden) tegen redelijke voorwaarden kon hersteld worden. De verwijzing naar een studie die de problematiek van het gerechtelijk akkoord (p. 31 tot 33 van hun conclusie in eerste aanleg) bespreekt en de economische impact ervan analyseert en waarschuwt voor bepaalde gevolgen is te algemeen om in deze zaak als grief of bezwaar te kunnen gelden. Appellanten, op wie de bewijslast rust, moeten concrete elementen bijbrengen, die dienstig zijn in deze zaak. Zij doen dit onvoldoende, ook niet in de pagina's 33 tot 35. 25. Appellanten tonen niet naar genoegen van recht aan dat er onvoldoende waarborgen van eerlijk bestuur zijn om de definitieve opschorting te verlenen. De bewering dat de leverancier N.V. Belgomilk opgelicht zou zijn omdat zij pas als leverancier aangetrokken werd op het ogenblik dat het verzoekschrift tot aanvraag van een gerechtelijk akkoord reeds in voorbereiding was, geldt niet als bewijs van oneerlijk bestuur van de vennootschappen of als bewijs van onvoldoende waarborgen voor een eerlijk bestuur ervan. Het eerste vonnis is ook op dit punt terecht. 26. Voor alle overige middelen en grieven verwijst het Hof naar het bestreden vonnis, dat het juist bevindt. Zoals geschreven, formuleren appellanten geen andere grief in hun verzoekschrift in hoger beroep dan dat de artikel 34 WGA geschonden is. Het principaal hoger beroep is ongegrond en het bestreden vonnis wordt bevestigd. Ten gronde: het incidenteel hoger beroep: de vordering wegens tergend en roekeloos geding. 27. Geïntimeerden tonen niet naar genoegen van recht aan, dat appellanten het recht om een procedure te voeren en om hoger beroep in te stellen op foutieve wijze gebruikt hebben, wat schade zou veroorzaakt hebben. Zelfs al kadert het derdenverzet en het hoger beroep in belangrijke mate in de familievete die geïntimeerden_ geschetst hebben, dan nog is dit op zich onvoldoende om te besluiten dat een fout begaan werd door appellanten. Uit het bovenstaande blijkt dat de vordering en het hoger beroep niet manifest of zelfs prima facie ongegrond waren en dat de procedure van meet af aan tot een afwijzing zou leiden. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. Ten gronde: de kosten. 28. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. worden appellanten tot betaling van de kosten veroordeeld. V. Beslissing. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. Het principaal en incidenteel hoger beroep zijn toelaatbaar, maar ongegrond; Het bestreden vonnis wordt bevestigd. Het Hof veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, die het aan de zijde van geïntimeerden vaststelt op de rechtsplegingvergoeding van é 237,98. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertien maart tweeduizend en zes. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.