← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060313.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060313.6 Rolnummer: 2002/AR/2557 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-08-01 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 14:58 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - WAARDEPAPIEREN - Cheque Vrije woorden: Cheque - P.E.G clausule - gedeelde aansprakelijkheid van incassobank en trekker voor de verzilvering van een vervalste cheque, die bij gewone brief naar Italië werd verstuurd. Tekst van de beslissing in de zaak van : BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG, (afgekort BKS), vennootschap naar Oostenrijks recht met maatschappelijke zetel in Oostenrijk te Klagenfurt, St. Veiter Ring 43, Postfach 499, appellante, hebbende als raadsman mr. Frank Weinand, advocaat met kantoor te 1050 Brussel, Bolwerksquare 1/A, tegen

  1. N.V. VAN MARCKE LOGISTICS, met maatschappelijke zetel te 8500 Kortrijk, Weggevoerdenlaan 5, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 123.383 en thans met ondernemingsnummer 0433.343.943, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Koen Geens, advocaat met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5-7,
  2. N.V. KBC_BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 623.074 en thans met ondernemingsnummer 0462.920.226, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Stefaan Beele, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 26a, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.
  3. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  4. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG stelde op 4 december 2002 hoger beroep in tegen het vonnis van 25 juni 2002 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk. VAN MARCKE LOGISTICS NV stelde in besluiten neergelegd op 28 augustus 2003 incidenteel hoger beroep in. KBC NV vordert de bevestiging van het vonnis. In ondergeschikte orde herneemt zij haar eis in vrijwaring tegen BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die VAN MARCKE LOGISTICS NV ook haar blijft vorderen (en waarover de eerste rechter zich niet meer heeft moeten uitspreken, nadat hij de hoofdeis van MARCKE LOGISTICS NV tegenover KBC NV ongegrond had verklaard). 1.
  5. De blijvende betwisting betreft de eis van VAN MARCKE LOGISTICS NV, die strekt tot de hoofdelijke veroordeling van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG en KBC NV tot de betaling van een schadevergoeding van 651.570,80 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 7 mei 2003, 1 provisionele euro aan Kten voor juridische bijstand en de gedingKten. 1.2.
  6. VAN MARCKE LOGISTICS NV grondt deze eis op de manifeste fouten van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG en KBC NV bij de aanvaarding en uitbetaling van een gekruiste cheque voor 398.149,82 EUR (16.061.324 BEF), die zij op 29 december 1996 had getrokken op haar bank KBC NV in betaling van een factuurschuld tegenover haar klant FERROLI SPA. Deze cheque werd klaarblijkelijk gestolen en nadien vervalst. - De gekruiste cheque werd in blanco geëndosseerde door een zekereW.F, die onbekend is bij FERROLI SPA en ook onbekend bleef. - De cheque werd daarna ter incasso bij BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG aangeboden door een zekere H, die zich als K.V uitgaf. De aanbieding werd voorafgegaan door een afspraak buiten het bankkantoor in het koffiehuis ¿Am Platzl¿, die een Sloveens journalist A.K als tolk voor K.V had geregeld met een relatiebeheerder van de bank, de heer A.E, en waarop ook nog een zekere R aanwezig was. - Deze kantoorverantwoordelijke liet H een bank-rekening bij BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG openen, om het bedrag van de cheque hierop te kunnen storten. Hij voorzag er ook meteen in, dat H.S - aan wie H het bedrag van de cheque verschuldigd zou geweest zijn voor een of andere contractuele schuld - een volmacht op deze rekening zou krijgen. - Als incassobankier heeft BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG bij KBC NV om de uitbetaling gevraagd van de cheque. Zij bracht hiervoor de stempel ¿Prior endorsements guaranteed' op de cheque aan. En nadat zij hiervoor door KBC NV was geprovisioneerd heeft zij het bedrag gestort op de rekening, die zij H had laten openen. Daarop nam H.S meteen het geld op van de bankrekening waarop hij volmacht had, om het - na aftrek van een commissie - door te geven aan A.K, die het op zijn beurt doorgaf aan H. - Aangezien FERROLI SPA onbetaald bleef, heeft de eerste rechter VAN MARCKE LOGISTICS NV - van wie de rekening met het bedrag van de cheque al gedebiteerd was - veroordeeld om (nog eens) 456.206,75 EUR te betalen aan FERROLI SPA, vermeerderd met de verwijlintresten aan de overeengekomen intrestvoet van 10% op 398.149,82 EUR vanaf 1 juni 1998 tot aan de betaling. - VAN MARCKE LOGISTICS NV bekwam voor de eerste rechter vergoeding van de schade die zij als gevolg van de uitbetaling van de vervalste cheque leed, doordat hij BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG tot haar vrijwaring veroordeelde voor alle sommen, intresten en Kten, waarvan VAN MARCKE LOGISTICS NV het bewijs levert ze in uitvoering van het vonnis te hebben betaald aan FERROLI SPA. Hij verklaarde de eis van VAN MARCKE LOGISTICS NV tegenover KBC NV ongegrond. 1.2.
  7. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG en KBC NV vorderen wederzijds van elkaar vrijwaring voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die VAN MARCKE LOGISTICS NV van hen vordert. 1.
  8. Het Hof weerhoudt volgende relevante overwegingen uit het vonnis: 1.3.
  9. In de nummers 37 tot en met 41 preciseerde de eerste rechter welk recht van toepassing was op de zaak: ¿

(37)In zover [VAN MARCKE LOGISTICS NV aan BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] verwijt een fout te hebben begaan bij het aanvaarden en de uitbetaling van de kwestieuze cheque, beroept Van Marcke zich op de aquiliaanse aansprakelijkheid van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG]. Meer bepaald roept zij in dat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] naar aanleiding van de uitvoering van het mandaat tot incasso dat zij gekregen heeft van de aanbieder van de cheque, ten aanzien van Van Marcke haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden en een extra-conctractuele fout heeft begaan. Het incassomandaat is, naar Belgisch recht, een overeenkomst van lastgeving, waarbij een bank als lasthebber optreedt van de houder van de cheque, die hem ter incasso aanbiedt. [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] is opgetreden als mandataris ter incasso. Het feit dat zij de cheque pas heeft betaald, nadat de cheque door de betrokken bank werd betaald, doet daaraan geen afbreuk (Antwerpen, 10 januari 1995, R.W., 1995-96, 262). In het voorliggend geval werd het verzoek tot incasso door de houder in Oostenrijk gedaan aan [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], die een Oostenrijkse bank is. Partijen zijn het er over eens dat op dit verzoek tot incasso het Oostenrijks recht van toepassing is. Ook het Oostenrijks recht kwalificeert de overeenkomst tot incasso als een mandaat ("Auftrag') (Avancini, Iro en Koziol, Österreichisches Bankvertragsrecht, nr. 7/81 , p. 429)¿. ¿
(38)Naar Belgisch I.P .R. geldt de "lex loci delicti commissi "- regel als conflictenregel in de aanknopingscategorie van de onrechtmatige daad (Claeys, M., in: Erauw, J., Claeys, M., Lambein, K., en Roox, K., Overzicht van rechtspraak, Internationaal privaatrecht en nationaliteitsrecht, 1993-1998, T.P.R., 1998, nr. 267, p. 1524; Cass. 29 apri11996, R.W. 1996-97, 812; Cass. 10 maart 1988, Arr. Cass., 1987-1988, 900). Dit betekent dat op geschillen inzake onrechtmatige daad het recht toegepast wordt van het land waar de onrechtmatige daad werd gesteld. Aangezien de door Van Marcke als foutief omschreven handelingen van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] in Oostenrijk werden gesteld, beroept zij zich op de bepalingen inzake onrechtmatige daad volgens Oostenrijks recht. In dat verband haalt zij § 1295
(1)van het Oostenrijkse "AIlgemeines Bürgerliches Gesetsbuch (ABGB)" of Algemeen Burgerlijk Wetboek aan, (¿) vrij vertaald: "Iedereen is gerechtigd om van degene die schade veroorzaakt heeft vergoeding te vorderen van de schade die deze hem door zijn fout heeft toegebracht; de schade kan zowel door contractuele wanprestatie als buiten elke overeenkomst veroorzaakt zijn". ¿
(39)Wanneer Van Marcke voorhoudt dat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] tegenover haar onrechtmatig zou gehandeld hebben naar aanleiding van de verrichtingen met het oog op het incasso van de cheque, moet dit onrechtmatig handelen getoetst worden aan de bepalingen van de Oostenrijkse chequewet van 16 februari 1955 ("Bundesgesetz vom. 16 Februar 1955 betreffend das Scheckrecht). Aldus bepaalt artikel 19 van deze wet onder meer: (¿) vertaald: "Hij die een door endossement overdraagbare cheque in handen heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook wanneer het laatste endossement in blanco is gesteld (...). In artikel 21 van dezelfde wet wordt bepaald: (¿) vertaald: "Indien iemand op welke manier dan ook, het bezit van een cheque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de cheque zich bevindt - tenzij het om een cheque aan toonder of een door endossement overdraagbare cheque gaat, ten aanzien waarvan de houder van zijn recht doet blijken op de in art. 19 bepaalde wijze - slechts tot teruggave van de cheque verplicht, wanneer hij deze te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is". ¿
(40)De kredietinstelling die een cheque ter incasso aanvaardt, is in principe niet verplicht om te controleren of de houder van de cheque hiertoe gerechtigd is, tenzij wanneer heel bijzondere omstandig-heden, vooral in de persoon van de houder, of de ongewoonheid van de transactie met inbegrip van de begeleidende omstandigheden, de verdenking doen rijzen dat de cheque verloren zou kunnen geraakt zijn (Avancini, Iro en Koziol, Österreichisches Bankvertragsrecht, nr. 7/37, p. 412). De bank heeft niet de plicht te zoeken naar opvallende omstandigheden die zouden kunnen blijken uit het feit dat degene die de cheque aanbiedt, verschilt van de aanvankelijke begunstigde ervan, aangezien het in het commerciële verkeer niet ongewoon is dat de eerste ontvanger van een cheque die vermeld is in het chequeformulier, de cheque niet meteen ter incasso aanbiedt, maar hem ter betaling opnieuw in omloop brengt (Hauser, Österreichisches Wechsel- und Scheckrecht, II, 1999, nr. 555, p. 211). Degene die een cheque verkrijgt is slechts ernstig nalatig, wanneer hij de in het verkeer vereiste zorgvuldigheid in ongewone, bijzonder zware mate geschonden heeft, doordat hij niet gelet heeft op wat in een concreet geval voor iedereen volkomen duidelijk had moeten zijn (Avancini, Iro en Koziol, a.w., nr. 7/37, p. 413)¿. ¿
(41)Door het Oostenrijkse Hooggerechtshof werd geoordeeld dat de bank, die een cheque ter incasso aanvaardt, hoewel ze op grond van opvallende omstandigheden bij de indiening van de cheque had moeten twijfelen aan het recht van de toonder, wordt verplicht tot schadeloosstelling indien de ondertekenaar aan zijn schuldeiser, aan wie hij door middel van de cheque wilde betalen, een tweede maal moet betalen (OGH 9 april 1991, 4 Ob 504/91 ). In het geval dat voor het Oostenrijks Hooggerechtshof werd behandeld, bestond een opvallende omstandigheid erin dat gevraagd was het bedrag van een verrekeningscheque te boeken op een spaarrekening, die speciaal daarvoor geopend werd en waarvan het totale chequebedrag onmiddellijk na de creditering opnieuw van de spaarrekening werd afgehaald. Een verrekeningscheque is een cheque die alleen mag voldaan worden door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking) (art. 38
(2)van de Oostenrijkse chequewet). Een buitenlandse gekruiste cheque wordt in Oostenrijk als een verrekeningscheque beschouwd (art. 39
(1)Oostenrijkse chequewet)¿. 1.3.2. In de nummers 42 tot en met 47 toetste de eerste rechter de eigen gegevens van de zaak aan de toepasselijke rechtsregels, om tot een tekortkoming van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG te besluiten: ¿
(42)Uit de gegevens van de zaak, die blijken uit de verklaringen van de partijen en de andere betrokkenen, zoals ze onder meer gedaan werden naar aanleiding van het strafonderzoek, komt naar voor dat de wijze waarop -, en de omstandigheden waarin de cheque die door Van Marcke getrokken was, werd aangeboden met het oog op incasso, evenals de wijze waarop tot opname van het bedrag van de cheque werd overgegaan, abnormaal en bijzonder verdacht waren. Vooreerst is er de vaststelling dat de bijeenkomst met K, "V" - die in werkelijkheid H was - en een derde, die zich niet bekend maakte, maar een zekere "R" bleek te zijn, niet plaats vond in de kantoren van de bank maar in een café. [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] roept weliswaar in dat het niet ongewoon is dat haar medewerkers zaken met klanten bespreken in een café, maar in het voorliggend geval ging het er niet om zaken te bespreken, maar gewoon om een cheque ter incasso aan te bieden. De heer Suschnig, die de hiërarchische overste was van E bij [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], verklaarde dat dagelijks wel 100 buitenlandse cheques in het bankkantoor van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] te Klagenfurt werden aangeboden (stuk 23 van BKS, p. 2). Het betrof dus blijkbaar een courante verrichting, die kon gebeuren aan het loket en waarvoor geen beroep hoefde gedaan te worden op E, die een relatiebeheerder was. Het feit dat de aanbieder geen Duits sprak, belette hem niet om zich samen met zijn tolk aan het loket aan te bieden. De rechtbank stelt vast dat, wanneer [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] in maart 1997 melding maakte van het gebeurde aan het Openbaar Ministerie en aan de witwascel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, zij niet verklaarde dat de samenkomst met K, "V" en een onbekende "R" plaats vond in een café, maar beweerde dat dit gebeurde in het bankfiliaal te Klagenfurt (stukken 14 en 15 van BKS). Dit zou er kunnen op wijzen dat het niet zo gebruikelijk is als wordt beweerd, dat bankzaken in een café worden gedaan¿. ¿
(43)Naast het feit dat de afspraak met het oog op het incasso van een cheque werd gemaakt buiten het bankkantoor, was ook de vaststelling ¿dat deze vraag uitging van K en de cheque moest geïnd worden in het voordeel van S' een voldoende reden voor enige argwaan bij E. K was immers reeds enkele maanden eerder langs was geweest om een cheque te verzilveren in voordeel van S en toen was gebleken dat deze cheque niet gedekt was. Volgens de verklaring die K in het kader van het strafonderzoek aflegde, waren E en S "woedend" toen dit bleek. Bovendien verklaarde K (¿) vertaald: "Beide maakten toendertijd verwijten aan het adres van H wegens de afgifte van deze cheque" (stuk 26 van KBS). Daarmee leek K te suggereren dat E H kende. Overigens blijkt uit de verklaring die de heer W, jurist van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], aflegde in het kader van het strafonderzoek, dat het [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] bekend was dat geregeld cheques gestolen werden die met de post naar Italië verzonden werden. Het feit dat een Sloveen bij een Oostenrijkse bank een cheque komt innen die door een Belgische trekker werd uitgeschreven, met als betrokkene een Belgische bank en aan order van een Italiaanse vennootschap, is in het kader van de internationale handel als zodanig niet abnormaal of verdacht. Het feit dat zij er evenwel van op de hoogte was dat de georganiseerde criminaliteit zich inliet met het stelen van cheques die met de post naar Italië werden verzonden, moest [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] evenwel tot bijzondere waakzaamheid aanzetten, gelet op de andere bijzondere omstandigheden van de zaak¿. ¿
(44)[BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] stelt dat het verhaal van K en "V" - dat de cheque moest dienen om een betaling te verrichten aan S in het kader van een commerciële transactie - geloofwaardig was, omdat zij wist dat S actief was in de internationale handel. Nochtans waren zowel de houding van H alias V, als deze van S, van die aard dat zij bij [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] niet enkel ernstige vragen moesten doen rijzen over de beweerde goederentransactie, doch bovendien duidelijk wezen op de ongeloofwaardigheid van dit verhaal. De heer E was blijkbaar van meet af aan op de hoogte, dat het de bedoeling was de cheque in contanten te innen. In het kader van het strafonderzoek verklaarde hij immers op 24 maart 1997 dat hij aan de heer K meedeelde dat een verrekeningscheque niet in contanten kon geïnd worden (¿) (sic !) (stuk 18 van BKS). Tijdens zijn verklaring op 4 april 1997 in het kader van het strafonderzoek, bevestigde E dat het hem tijdens het gesprek in café "Am Platzl" duidelijk werd dat S het geld zou afnemen van de rekening, die zou geopend worden (stuk 22 van BKS, onderaan p. 3 en bovenaan p. 4). Het voorschrift van artikel 38
(2)van de Oostenrijkse chequewet, dat een verrekeningscheque slechts mag voldaan worden door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking), werd door [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] omzeild door voor te stellen dat "V" een rekening zou openen, waarop S een volmacht had, zodat de daarop geboekte som onmiddellijk in contanten kon opgenomen worden¿. ¿
(45)De reispas die H bij de opening van de rekening overhandigde en waarvan E een kopie nam, was van - de echte -V. Uit een vergelijking van de handtekening die H plaatste op de documenten voor opening van de rekening, die hem door [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] werden overgelegd (stukken 2 en 3 van BKS) en op de cheque (stuk I van BKS) met deze vermeld op de reispas (stuk 4 van BKS), blijkt dat er geen enkele gelijkenis is. Waar E stelde dat het noodzakelijk was een reispas voor te leggen om een rekening te kunnen openen, moet vastgesteld worden dat hij deze reispas niet eens bekeken heeft. Gelet op de andere elementen, die van de zaak een op zijn minst ongewone transactie maakten, moet dit als een ernstige nalatigheid worden beschouwd. Een eenvoudige vergelijking van de handtekening op de reispas met deze op de documenten die in de bank werden ondertekend en van de foto op dezelfde reispas met de persoon die de rekening opende, volstond om het bedrog aan het licht te brengen. Het is onbegrijpelijk dat E deze elementaire controle niet heeft gedaan. [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] is derhalve op manifeste wijze tekortgeschoten aan haar verplichting om de identiteit van de persoon die de rekening opende, te controleren (cfr. Schinnerer en Avancini, Bankvertrag, p. 35). Artikel 3 van de Europese Richtlijn van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld legt overigens uitdrukkelijk aan de Lidstaten op, om er op toe te zien dat de kredietinstellingen en financiële instellingen van hun cliënten legitimatie door overlegging van bewijsstukken vragen, onder meer bij het openen van een rekening (Publicatieblad nr. L. 166 van 28 juni 1991, p. 77). [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] kan de ernst van deze tekortkoming niet betwisten door er op te wijzen dat de uiteindelijke begunstigde van de transactie S was, die een bekende klant was en die een volmacht had op de rekening. Feit is immers dat de rekening werd geopend op naam van V, die alle verrichtingen op deze rekening kon uitvoeren (stuk 3 van BKS)¿. ¿
(46)Wanneer S op 7 februari 1997 het bedrag van de rekening kwam opnemen, werd dit hem ter beschikking gesteld, zonder dat hij stukken had voorgelegd, waaruit bleek welke de onderliggende transactie was. Bovendien moest [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] zich toch ernstig vragen stellen bij het feit dat S het geld in contanten opnam. Wanneer het immers een bedrag betrof dat "V" wilde betalen aan S in het kader van een verkoop van goederen, dan mocht toch verwacht worden dat S deze som niet in contanten zou opnemen, maar ze zou laten overboeken op de rekening die hij volgens E had bij [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] (stuk 18 van BKS). Wanneer [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] dan op 10 februari 1997 uiteindelijk een overeenkomst en een - pro forma (!) -factuur ontvangt, die de transactie met de cheque moet verantwoorden, heeft het voorgelegde contract betrekking op een verkoop van drank aan een Tsjechische vennootschap, doch blijkt er geen enkel verband te bestaan tussen dit contract en de Sloveen "V". [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] die ondertussen het geld aan S had uitbetaald, ondernam evenwel nog steeds niets. Tijdens zijn verhoor in het kader van het strafonderzoek gaf de heer W, jurist van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], toe dat E een fout had gemaakt door de overeenstemming tussen de transactie en de overgelegde contractdocumenten niet te verifiëren (stuk 30 van BKS)¿. ¿
(47)Uit het geheel van de bovenvermelde feiten en omstandigheden besluit de rechtbank tot het bestaan van een grove nalatigheid in hoofde van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], die zich bij het uitvoeren van haar mandaat ter incasso van de cheque getrokken door Van Marcke niet gedragen heeft zoals van een voorzichtig en professioneel handelend bankier mocht verwacht worden. Zoals in het geval, waarover het Oostenrijks Hooggerechtshof te oordelen had, werd in de voorliggende zaak een rekening geopend met het oog op de uitbetaling van een gekruiste cheque of verrekeningscheque, waarvan het provenu dan onmiddellijk werd opgenomen. Uit het aangehaalde arrest valt, in tegenstelling tot wat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] voorhoudt, niet af te leiden dat wat daarin werd beslist, niet zou gelden wanneer, zoals in het voorliggend geval, de incassobank pas tot uitbetaling overgaat nadat zij zelf betaling heeft ontvangen van de betrokken bank. Het feit dat zij de betaling door de betrokken bank heeft afgewacht, doet geen afbreuk aan haar grove nalatigheid. Door aldus te handelen heeft zij enkel haar eigen risico verminderd. Haar fout wordt er eerder zwaarder dan lichter door. Immers, door op de cheque de vermelding "Prior Endorsments Guaranteed" aan te brengen, heeft zij bevestigd dat de op de cheque aangebrachte endossementen formeel en materieel correct waren, terwijl de betrokken bank bovendien niet op de hoogte kon zijn van de omstandigheden waarin de cheque bij [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] werd aangeboden. Tot de endossementen waarop de garantieclausule betrekking hadden, behoorde ook dit van de aanbieder van de cheque, waarvan [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] door eenvoudige vergelijking van zijn handtekening op de rugzijde van de cheque met deze op de door hem afgegeven reispas, ondubbelzinnig kon vaststellen dat het niet dezelfde persoon betrof. [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] roept in dat in het voorliggend geval geen toepassing zou kunnen gemaakt worden van § 335 van het ABGB, waarop het Oostenrijks Hooggerechtshof steunde, omdat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] geen "verkrijger " te kwader trouw van de cheque was (naar Belgisch recht wordt de bankier die de cheque ter incasso in zijn bezit heeft, wel als een houder beschouwd; cfr . De Vroede, P., De cheque, de postcheque en de reischeque, 188). Indien dit juist is, dan belet zulks niet dat zij hoe dan ook op basis van de algemene bepaling van § 1295 (I) ABGB aansprakelijk kan gesteld worden¿. 1.3.3. In de nummers 48 tot en met 50 weerhield de eerste rechter op grond van de hierboven weerhouden tekortkomingen - en met uitsluiting van het beroep van VAN MARCKE LOGISTICS NV op de "Prior Endorsments Guaranteed"-clausule, die BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG op de cheque heeft aangebracht (de P.E.G.-clausule) - de aansprakelijkheid van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG voor de schade die VAN MARCKE LOGISTICS NV heeft geleden: ¿
(48)Uit het voorgaande volgt dat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] een zware fout heeft begaan. Bovendien lijdt Van Marcke schade, die in oorzakelijk verband staat met deze fout. Alhoewel haar rekening gedebiteerd werd voor het bedrag van de cheque aan Ferroli, dient zij laatstgenoemde een tweede keer de prijs voor de geleverde goederen te betalen. Deze schade staat vast. De eerste debitering zou niet hebben plaats gevonden, indien [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] de ingevolge de bijzondere omstandigheden van de aanbieding te verrichten verificaties had uitgevoerd en de Kredietbank als betrokken bank daarvan op de hoogte had gebracht. Ten onrechte betwist [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] het oorzakelijk verband door voor te houden dat de schade zich pas voordeed wanneer S het geld van de rekening nam en dat ten aanzien van hem, als vaste klant van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], geen reden bestond om van gegronde verdenking te spreken, die een bijzondere verificatie noodzakelijk maakte. Hoger werd reeds gesteld dat de handelwijze van S, die erin bestond het geld in contanten op te nemen, gelet op de omstandigheden, wel bijzonder verdacht was. Zoals Van Marcke terecht stelt ontstond de schade bovendien reeds op het ogenblik dat haar rekening gedebiteerd werd, niet ter voldoening van haar schuld aan Ferroli, maar om de rekening te crediteren die door de onrechtmatige houder van de cheque in de hoger aangehaalde omstandigheden was geopend. Op het ogenblik van de opname van het geld door S, die kaderde in de uitvoering van de frauduleuze transactie die H had opgezet, was het geld reeds uit het patrimonium van Van Marcke verdwenen, zonder dat Ferroli het ontvangen had¿. ¿
(49)[BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] kan niet aan haar aansprakelijkheid ontsnappen door te wijzen op het feit dat haar aangestelde niet strafrechterlijk vervolgd noch veroordeeld is geworden en op de vaststelling dat het Landesgericht in Klagenfurt in de motivering van zijn vonnis o.m. heeft gesteld dat E de authenticiteit van de handtekening voor Ferroli niet kon nagaan. De lex fori regelt de gevolgen van een vonnis. De lex fori van de rechtsprekende rechtbank geeft bijgevolg het antwoord op de vragen wanneer het vonnis uitvoerbaar is, gezag van gewijsde verkrijgt en tegenover wie dit gezag van gewijsde kan worden ingeroepen (Van Hecke, G. en Lenaerts, K., a.w., nr. 841, p. 382). Krachtens artikel 13 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering belet het bestaan van een in het buitenland gestelde handeling de vervolging in België van diezelfde handeling. Het gezag van gewijsde, in die zin dat de inhoud van de buitenlandse beslissing bindend zou zijn voor de Belgische rechter die een burgerlijk geschil over dezelfde feiten moeten berechten, wordt evenwel niet erkend (Van Hecke, G. en Lenaerts, K., a.w., nr. 120, p. 77; c fr. Antwerpen, 15 februari 1989, De Verz., 1989,746). Overigens geldt het gezag van gewijsde in strafzaken alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven, die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken (Cass, 22 september 1999, Arr. Cass., 1999,1151). Het is niet omdat het vonnis van het Landesgericht te Klagenfurt geoordeeld heeft dat E het slachtoffer werd van het bedrog van H en overwogen heeft dat E de authenticiteit van het endossement van Ferroli niet kon nagaan, dat [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] zich niet schuldig kan gemaakt hebben aan ernstige tekortkomingen ter gelegenheid van de aanbieding van de cheque en de uitbetaling van het provenu ervan¿. ¿
(50)Van Marcke steunt haar vordering tegen [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] ook op de "Prior Endorsments Guaranteed"-clausule, die [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] op de cheque heeft aangebracht. Deze clausule en haar rechtsgevolgen zijn niet verdragsrechtelijk noch wettelijk geregeld, doch vormen een handelsgebruik tussen banken. Door het plaatsen van deze clausule gaat de bank een contractuele verbintenis aan ten aanzien van alle volgende houders van de cheque. Meer bepaald wordt door deze clausule een garantie verleend aan de opvolgende houders, dat alle op de cheque voorkomende endossementen formeel en inhoudelijk correct zijn (Buckinx, H. en Van Minnebruggen, W., Aansprakelijkheid in het betalingsverkeer, in: Wymeersch, E., (ed.) Financieel recht tussen oud en nieuw, 781). Met deze clausule nam [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] in het voorliggend geval t.a.v. KBC (of haar rechtsvoorganger Kredietbank) het risico op zich van het niet correct zijn van de opeenvolgende endossementen. Dit betekent dat, voor zover KBC zou gehouden zijn om de trekker van de cheque, in dit geval Van Marcke te vergoeden, [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] haar zou dienen te vrijwaren. Van Marcke is evenwel een derde ten aanzien van de contractuele waarborgverbintenis die [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] tegenover de Kredietbank heeft genomen, en kan zich niet op deze garantie beroepen. Er anders over oordelen zou bovendien aan de wettelijke bepalingen (o.m. artikel 35 bis van de Belgische chequewet) elke betekenis ontnemen. Van Marcke houdt overigens ten onrechte voor dát de P.E.G.-clausule bij toepassing van het Belgisch chequerecht geen enkele betekenis zou hebben. Indien de betrokkene, bijvoorbeeld in toepassing van artikel 35 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque, gehouden zou zijn tot vergoeding van de trekker, terwijl zou blijken dat een endossement niet correct was, zou hij de incassobankier die een P.E.G.-clausule heeft aangebracht, in vrijwaring kunnen roepen. In de mate dat Van Marcke uit deze garantie die tussen banken wordt toegestaan geen rechten kan putten, kan zij zich ten aanzien van [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] niet op de P.E.G.-clausule beroepen om schadeloosstelling te bekomen¿. 1.3.4. In de nummers 51 tot en met 59 wees de eerste rechter elke medeverantwoordelijkheid van VAN MARCKE LOGISTICS NV voor haar schade af: ¿
(51)Tenslotte werpt [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] op dat er drie redenen zijn waarom niet zij, maar Van Marcke, als trekker van de cheque, de schade die zij inroept, zelf moet dragen, namelijk: haar eigen fout, de bepaling van artikel 35 bis van de Belgische chequewet, en de overweging in het vonnis van het Landesgericht te Klagenfurt, dat haar een niet onaanzienlijke medeschuld aan te wrijven is¿. ¿
(52)Artikel 35 bis van de Belgische chequewet bepaalt dat de eigenaar van een chequeboekje aansprakelijk is voor de orders gegeven op de chequeformulieren uit zijn boekje. Hij draagt alle gevolgen die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het verkeerd gebruik van die formulieren, tenzij hij bewijst, ofwel dat aan de betrokkene bedrog of grove schuld te wijten is, ofwel dat de cheque verloren, gestolen of vervalst werd nadat de wettige geadresseerde hem ontvangen had. Artikel 35 bis is evenwel slechts van toepassing in de relatie tussen de trekker en de betrokkene (Van Ryn, J. en Heenen, J., Principes de droit commercial, 1981, T. III, nr. 612, p. 453; Luik, 14 februari 1985, J.L., 1985,215). Wanneer, zoals in het voorliggend geval, de trekker de aansprakelijkheid van de incassobankier in het geding acht, moet deze kwestie beoordeeld worden volgens de beginselen van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid (Buyle, J.P. en Thunis, X., noot onder Brussel, 6 november 1991, T.B.H., 1992,971; Buckinx, Handels- en economisch recht, commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Art. 15 chequewet, p. 6, nr.9)¿. ¿
(53)Wat vervolgens de door [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] aangehaalde overweging uit het vonnis van het Landesgericht Klagenfurt in de strafzaak tegen H betreft, kan de rechtbank verwijzen naar hetgeen hoger werd uiteengezet (zie randnummer 49). Ten overvloede kan daar aan toegevoegd worden dat de betreffende overweging geenszins deel uitmaakte van de motieven die de noodzakelijke grondslag van de uitspraak in de strafzaak vormden en dat zij overigens niet verhinderde dat het Landesgericht te Klagenfurt het principieel recht van Van Marcke op schadeloos-stelling erkende¿. ¿
(54)Blijft tenslotte de vraag of Van Marcke een fout ten laste kan gelegd worden wegens het feit dat zij de kwestieuze cheque per gewone post aan Ferroli heeft opgestuurd. Zoals hoger gesteld geldt, naar Belgisch IPR, bij onrechtmatige daad de wet van de plaats van de daad (Couwenberg, I., De plaats van het schadeverwekkend feit bij grensoverschrijdende delicten. Enkele opmerkingen n.a.v. het arrest Shevill, T.B.B.R, 1996, p. 28, nr. 13). De vermeende onrechtmatige handeling, namelijk het verzenden van een cheque, werd in België gesteld, zodat volgens Belgisch recht moet beoordeeld wordt of deze handeling als onrechtmatig te bestempelen was. Onrechtmatig handelen betekent een inbreuk op een juridisch gesanctioneerde gedragsnorm, op een rechtsverplichting tussen derden die geen contractspartijen zijn (cfr. Vandenberghe, H., Van Quickenborne, M. en Wynant, L., Overzicht van rechtspraak, Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ( 1985-1993 ), T .P .R., 1995, nr. 3 -12, p. 1126 - 1171). Dit handelen kan bestaan in het plegen van een inbreuk op een geschreven of specifieke norm waarin een welbepaalde gedraging geboden of verboden wordt, of in een inbreuk op de rechtens opgelegde zorgvuldigheidsnorm die een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon in de samenleving moet in acht nemen (Vandenberghe, H., Van Quickenborne, M., Wynant, L., en Debaene, M., Overzicht van Rechtspraak- Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, (1994-1999), T.P .R., 2000, nr. 5, p. 1563)¿. ¿
(55)[BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] kan de beweerde schending door Van Marcke van een bepaling uit de overeenkomst tussen Ferroli en Van Marcke, waarin zij geen partij is, niet inroepen, tenzij deze contractuele inbreuk tevens een schending zou inhouden van een juridisch gesanctioneerde gedragsnorm of van een zorgvuldigheidsnorm. Van Marcke heeft overigens uiteengezet dat de betaling door middel van een cheque, die met de post werd opgestuurd, sedert jaren gebruikelijk was, zonder dat hieromtrent bezwaar of voorbehoud tegen geformuleerd werd door Ferroli. Deze laatste heeft weliswaar benadrukt dat zij nooit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven met deze handelwijze, maar heeft niet tegengesproken dat ze door Van Marcke langdurig werd toegepast, terwijl zij evenmin heeft aangevoerd dat zij daartegen ooit bezwaar zou hebben geformuleerd¿. ¿
(56)Er bestaat geen wettelijke of andere juridische gesanctioneerde norm, die de trekker van een cheque verbiedt om hem met de post aan de begunstigde over te maken. Opdat deze handelwijze tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden wegens inbreuk op een zorgvuldigheidsnorm, dient vooreerst aangetoond te worden dat door dit handelen de schade voorzienbaar is (Schamps, G., La violation de la loi et la prévisibilité du dommage en matière aquilienne, J.L.M.B., 1994, p. 46, nr. 5). Het criterium is de "redelijke voorzienbaarheid " van de schade, die vervat zit in het begrip van de goede huisvader (Vandenberghe, e.a., T.P.R., 2000, nr. 14, p. 1596). Bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van de schade moet rekening gehouden met het beginsel, dat men een beweerde schadeverwekker niet kan verwijten ¿niet deze gedraging te hebben gehad of die maatregel te hebben genomen, waarvan achteraf en bij het tot stand komen van de schade zou zijn gebleken, dat deze het meest opportuun was ter voorkoming van de schade' (Gent, 21 februari 1995, R.W., 1996-97,1332). Het gebruik van de bankoverschrijving als betaalmiddel is ongetwijfeld veiliger, dan dat van de cheque. Doch daaruit kan niet besloten worden, nadat gebleken is dat een cheque gestolen werd, dat het als een fout moet bestempeld worden dat de cheque als betaalmiddel werd gebruikt en niet de bankoverschrijving¿. ¿
(57)Uit het loutere feit dat iemand een gekruiste cheque, die bovendien aan order is uitgeschreven, met de post verstuurt naar de begunstigde, zelfs wanneer deze in het buitenland gevestigd is, kan niet besloten worden dat hij niet zou gehandeld hebben als een zorgzame en voorzichtige burger (Antwerpen, 8 mei 2000, A.J.T., 2001-2002, 106; Kh. Brussel, 21 september 2001, A.J.T., 2001-2002,556). Een cheque aan order kan immers slechts uitbetaald worden aan de begunstigde, zolang deze hem zelf niet geëndosseerd heeft. Bovendien garandeert de algemene kruising dat hij geboekt wordt op een rekening, zodat het de bank, die voor het incasso instaat, bekend is door wie hij wordt geïnd¿. ¿
(58)Wanneer het Landesgericht te Klagenfurt in het vonnis van 18 december 1997 overwoog dat Van Marcke zelf een fout had begaan door de bewuste cheque te verzenden, dan doelde deze rechtbank klaarblijkelijk op het aanvaarden door Van Marcke van het specifieke risico verbonden aan het versturen van cheques met de post naar Italië. Opdat een slachtoffer (mee)aansprakelijk zou kunnen gesteld worden wegens het aanvaarden van het ernstig risico dat verbonden is aan een bepaalde handeling, is vereist dat hij zich bewust is van dit risico of dit diende te zijn (Vandenberghe, e.a, T.P.R., 2000, nr. 32, p. 1676). Waar dit risico klaarblijkelijk bekend was aan het Landesgericht te Klagenflirt en aan [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], blijkt niet dat Van Marcke wist of behoorde te weten, dat het verzenden met de post van cheques naar Italië een bijzonder risico inhield. Uit haar verklaring dat zij sedert jaren cheques opstuurde naar Ferroli, lijkt te moeten afgeleid worden dat zij ter zake nooit enig probleem heeft ondervonden en zich van het risico niet bewust was¿. . ¿
(59)De rechtbank besluit dat geen fout van Van Marcke bewezen voorkomt, die ertoe zou leiden dat zij zelf geheel of gedeeltelijk aansprakelijk moet geacht worden voor de schade die zij lijdt. Louter volledigheidshalve wijst de rechtbank er op dat, ook in de hoger aangehaalde zaak die behandeld werd voor het Oostenrijkse Hooggerechtshof, de cheque per gewone post was verzonden en het Hof oordeelde dat er geen reden was om de trekker mee aansprakelijk te stellen voor de door hem geleden schade. 1.4. Op volgende relevante overwegingen verklaarde de eerste rechter de eis van VAN MARCKE LOGISTICS NV, die strekt tot de hoofdelijke mede-veroordeling van KBC NV voor de gevorderde schade-vergoeding, ongegrond: ¿
(61)Op het chequerechtelijke vlak gelden tussen Van Marcke en KBC de bepalingen van de Belgische chequewet van 1961. Op grond van artikel 35 van de chequewet is de betrokkene die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, enkel gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen te onderzoeken, maar niet de handtekening der endossanten. Bovendien is de betrokkene door de betaling van de cheque wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is. Alhoewel in het voorliggend geval de handtekening van de endossanten Ferroli en V vals was, moet vastgesteld worden dat de reeks van endossementen regelmatig was. Er kan aan KBC (of haar rechtsvoorganger) als betrokkene bovendien geen bedrog of grove schuld verweten worden. Zij had, in tegenstelling tot [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG], geen kennis van de omstandigheden waarin de cheque ter incasso werd aangeboden en het feit dat de cheque laattijdig werd aangeboden was geen reden, om niet tot betaling ervan over te gaan (De Vroede, P., a.w., nr. 213, p. 85). Bovendien geldt in de verhouding tussen Van Marcke als trekker en de Kredietbank als betrokkene, de hoger vermelde aansprakelijkheid van de eigenaar van het chequeboekje op grond van artikel 35 bis van de chequewet. In de mate dat noch bedrog, noch grove schuld, aan Kredietbank ten laste kan gelegd worden en Van Marcke niet aantoont dat de cheque gestolen werd nadat hij Ferroli bereikte, kan aan KBC als rechtsopvolger van de Kredietbank, die de betrokkene was van de litigieuze cheque, geen aansprakelijkheid ten laste gelegd worden. Zij had derhalve het recht - en de verplichting - om de rekening van Van Marcke te debiteren (cfr. Wymeersch, E., Dambre, M. en Troch, K. a.w., T.P.R., 1999, nr. 213, p. 1931)¿. ¿
(62)Van Marcke meent ook ten aanzien van KBC rechten te kunnen putten uit de P.E.G.-clausule die door [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] op de cheque werd aangebracht. Zoals hoger gesteld kan zij zich als trekker van de cheque niet beroepen op de garantie die [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG] aan KBC verleend heeft (zie randnummer 50). Evenmin kan Van Marcke aan KBC verwijten, dat zij op deze garantie geen beroep heeft gedaan, aangezien de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn, vermits KBC Van Marcke niet heeft dienen te vergoeden¿. ¿
(63)Aangezien de vordering in vrijwaring van Van Marcke ten aanzien van KBC ongegrond is, dient geen uitspraak gedaan te worden over de vordering die KBC in ondergeschikte orde, namelijk voor zover de vordering Van Marcke gegrond zou verklaard worden, instelde tegen [BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG]¿. 1.5. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG stelt dat de eerste rechter de feiten en het Oostenrijkse recht verkeerdelijk heeft ingeschat, om tot haar veroordeling te komen tot de schadeloosstelling van VAN MARCKE LOGISTICS NV. 1.5.1. Bij tusseneis vordert zij dat het Hof, vooraleer recht te spreken, bij toepassing van de Europese Overeenkomst van 7 juni 1968 betreffende het bestrekken van inlichtingen over buitenlands recht inlichtingen zou inwinnen over volgende onderwerpen, aangezien de zaak overeenkomstig het Oostenrijks recht moet beoordeeld worden; (
  1. a)het verduidelijken van de principes van de buitencontractuele fout naar Oostenrijks recht. (
  2. b)of na toetsing van de principes van de buitencontractuele fout naar Oostenrijks recht en rekening houdende met alle feitelijke elementen zoals ontwikkeld in de conclusies in eerste aanleg en in hoger beroep, in deze zaak in haar hoofde een fout op grond van artikel § 1295 moet worden weerhouden, gelet op de feitelijke invulling van de artikelen 19, 21 en 38 van de Oostenrijkse Chequewet en de vigerende Oostenrijkse rechtspraak. (
  3. c)hoe de P.E.G.-clausule naar Oostenrijks recht wordt ingevuld. 1.5.2. Wat de feiten betreft laat zij in het bijzonder gelden, dat H.S en A.K bij haar als trouwe en correcte klanten bekend stonden en het in de grensstreek met Joegoslavië - waar het betrokken bankkantoor lag - gebruikelijk is bankzaken in eethuizen af te handelen. Zij zou haar voorzorgsverbintenis tegenover VAN MARCKE LOGISTICS NV nagekomen zijn door van KBC NV eerst de creditering op haar rekening gevraagd te hebben van het chequebedrag, waartoe KBC NV voorbehoudloos overging alhoewel de cheque buiten de aanbiedingstermijn van 20 dagen werd aangeboden, zodat ze ook in volle vertrouwen het geld op de rekening van H, alias K.V ter beschikking kon houden van H.S, volmachthouder op deze rekening. De betrokkenen zouden tegenover haar aangestelde A.E alles ondernomen hebben, om de transactie als een normale handelstransactie te laten doorgaan, zodat zich geen verdere onderzoeksplicht meer opdrong. 1.5.3. Betreffende het Oostenrijks recht laat zij meer in het bijzonder gelden, dat het loutere feit, dat iemand anders dan de met name genoemde chequebegunstigde de cheque voorlegt, de bank bij toepassing van artikel 19 van de Oostenrijkse chequewet niet verplicht naar opvallendheden te zoeken of zich te verontrusten. Zij stelt dat de bank mag uitgaan van het algemeen vermoeden van goede trouw, dat het Oostenrijkse burgerlijke wetboek terzake de bezitsleer eveneens consacreert; bij twijfel wordt de eerlijkheid van het bezit vermoed en de rechter zou de eerlijkheid of oneerlijkheid van het bezit in geval van een proces moeten uitmaken; de kwade trouw of grove schuld die artikel 21 van de Oostenrijkse chequewet als uitzonderingsbepaling op artikel 19 inhoudt, zou de Oostenrijkse rechtspraak kwalificeren als een bijzonder zware tekortkoming aan de normale zorgvuldigheid in bijzondere omstandigheden die inhouden, dat de verdenking voor de hand ligt dat de aanbieder de cheque ter kwader trouw verkreeg of hem grove fout bij de verkrijging te verwijten is; omstandigheden die hier niet voorhanden zouden zijn. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG herhaalt dat de Staatsanwalt voor het Landesgericht te Klagenfurt in zijn rekwisitoor aangaf, dat geen oneerlijkheid met betrekking tot de criminele herkomst van de cheque in hoofde van H.S en A.K aantoonbaar was en A.E het slachtoffer was van het bedrog. 1.5.4. Zij stelt verder dat het door de eerste rechter geciteerde arrest van het Oostenrijkse Hooggerechtshof van 9 april 1991 in deze zaak niet van toepassing zou zijn. Het Hooggerechtshof zou er niet de rechtspositie van een bank die een cheque ter in casso aanvaardde definieren, maar alleen de rechtspositie van iedere derde die een verloren gegane cheque aankoopt. Het arrest zou alleen van toepassing zijn op de eigenaar van de cheque, die bij het verwerven opzet of grove nalatigheid kon verweten worden en niet meer in staat was om de cheque terug te geven, en die bij toepassing van artikel 335 ABGB werd veroordeeld tot schadeloosstelling. Aangezien zij - als incassobank - de cheque die VAN MARCKE LOGISTICS NV had uitgeschreven niet heeft aangekocht, zou deze rechtspraak hier niet van toepassing zijn. 1.5.5. Een later arrest van 26 augustus 1999 van het Oostenrijkse Hooggerechtshof zou evenmin kunnen ingeroepen worden, omdat de bijzondere omstandigheden in die zaak - die vereisten dat de gerechtigheid van de indiener moest gecontroleerd worden - hier niet aanwezig waren (nl. het voorleggen van 29 (!) verrekeningscheques waarvan de gelden bestemd waren voor een nieuwe buitenlandse klant en waarbij de endossementen allemaal hetzelfde beeld vertoonden). BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG stelt dat H.S haar juist bekend was en haar heeft bevestigd, dat het bedrag voor hem bestemd was. 1.5.6. De eerste rechter zou ook artikel 38 van de Oostenrijkse cheque verkeerd ingeschat hebben, waar hij stelde dat de aangestelde van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG dit artikel heeft omzeild bij de uitbetaling van de gekruiste cheque. Artikel 38 zou alleen de betrokken bank verbieden de cheque in baar geld uit te betalen; het artikel zou niet geschonden worden door de incassobank, die de cheque tegen baar geld aankoopt. 1.5.7. Verder zou de eerste rechter een te extensieve interpretatie aan de P.E.G.-clausule gegeven hebben. Uit het aanbrengen van de P.E.G.-clausule op de cheque zou niet mogen afgeleid worden, dat zij de verzekering gaf dat de geplaatste handtekeningen echt of indien voor iemand anders, met behoorlijke volmacht geplaatst werden en dat zij aldus zou instaan voor de niet-vervalsing en rechtmatigheid van ieder endossement. 1.5.8. De eerste rechter zou tenslotte voorbijgegaan zijn aan de eigen fout van VAN MARCKE LOGISTICS NV, die de rechtstreekse oorzaak was van haar schade. Naar Oostenrijks recht zou er van een grove zorgeloosheid sprake zijn, indien een verrekeningscheque onaangetekend naar het buitenland wordt verstuurd, elke verdere veiligheidsoverweging achterwege gelaten wordt, de aankomst van de cheque niet wordt nagetrokken en gedraald wordt om actie te ondernemen wanneer blijkt dat de cheque niet is aangekomen. Had VAN MARCKE LOGISTICS NV gehandeld naar de overeenkomst met haar klant FERROLI die de betaling per SWIFT voorstond, dan had het schadegeval zich evenmin voorgedaan. Bij toepassing van artikel 35bis van de Belgische chequewet zou VAN MARCKE LOGISTICS NV ook alle gevolgen van het verlies van de cheque moeten dragen. 1.6. Het incidenteel hoger beroep van VAN MARCKE LOGISTICS NV strekt tot de hoofdelijke veroordeling van KBC NV met BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG tot betaling van haar schade. 1.6.1. VAN MARCKE LOGISTICS NV grondt deze eis op de P.E.G.-clausule, die afkomstig is uit het Noord-Amerikaanse bancaire recht. De bank, die de clausule aanbrengt, zou de inhoudelijke en formele regelmatigheid van de endossementen in die zin zou garanderen, dat de handtekeningen die op de cheque voorkomen authentiek zijn, aangebracht werden door bevoegde personen en dat de cheque niet wezenlijk werd gewijzigd. De P.E.G.-clausule zou de navolgende bankiers een absolute garantie bieden over de recuperatie-mogelijkheden voor het geval er is mis zou zijn met de cheque. 1.6.2. De volle draagkracht van de P.E.G.-clausule zou ook op het Europese continent gelden, zo de banken er - in hun onderlinge verhouding - gebruik van maken; wat hier het geval is aangezien BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG deze clausule op de cheque heeft aangebracht. Zij zou de bepalingen van artikel 35bis van de Belgische chequewet van 1 maart 1961 overstijgen en een bijkomende garantie inhouden bovenop de verplichtingen die het nationale chequerecht inhoudt. Waar artikel 35bis van de Belgische chequewet de trekker (VAN MARCKE LOGISTICS NV) verantwoordelijk houdt voor alle gevolgen ¿die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het verkeerd gebruik van de cheque, tenzij hij bewijst, ofwel dat aan betrokkene bedrog of grove schuld te wijten is, ofwel dat de cheque verloren, gestolen of vervalst werd nadat de wettige geadresseerde hem ontvangen had', zou KBC NV hier bij toepassing van deze clausule verantwoordelijk zijn voor haar schade als gevolg van de uitbetaling van de gestolen en vervalste cheque. De eerste rechter zou dan ook de autonome werking van de P.E.G.-clausule miskend hebben. 1.6.3. VAN MARCKE LOGISTICS NV stelt verder, dat KBC NV - door haar de kopieën over te leggen van de aanmaningen die zij aan BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG heeft verstuurd en die strekten tot de terugbetaling van het chequebedrag bij toepassing van de P.E.G.-clausule - haar rechtmatige verwachtingen heeft gewekt, dat zij de terugbetaling van het chequebedrag zou bekomen en dat KBC NV ook al het nodige zou doen om dit recht af te dwingen. KBC NV zou nu ten onrechte proberen, om de draagwijdte van de garantie te beperken door een te restrictieve uitleg te geven aan de draagwijdte van de P.E.G.-clausule; in deze interpretatie zou de betrokken bank alleen de garantie waartoe de incassobank bij toepassing van de P.E.G.-clausule gehouden is kunnen afdwingen, in de gevallen waarin een derde ook beschikt over een vordering op de betrokken bank op grond van de eigen tekortkoming van de betrokken bank. 1.6.4. KBC NV zou als contractspartij ook te kort komen aan de uitvoering ter goeder trouw van haar verbintenissen tegenover VAN MARCKE LOGISTICS NV en aan de deontologische zorgvuldigheidsverplichting eigen aan alle bankiers, om zich maximaal in te zetten voor de belangen van hun cliënteel. Zij zou nalaten alle voordelen die haar hier werden toegekend, aan te wenden in het belang van haar opdrachtgever. Zij zou aldus VAN MARCKE LOGISTICS NV moeten vrijwaren voor het nadeel dat zij berokkent door tegenover BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG de waarborg niet in te roepen, die zij zelf vanwege BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG heeft bekomen door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule. 1.7. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG stelt (in ondergeschikte orde), dat de eis in vrijwaring die KBC NV tegenover haar instelt voor haar mogelijke veroordeling verjaard, of minstens ongegrond is. 1.7.1. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG beroept zich op ¿de algemene chequerechtelijke verjaringstermijn van 6 maanden', aangezien KBC NV haar eis in vrijwaring zou gronden op de P.E.G.-clausule, die op de cheque werd aangebracht en die in het cheque-endossement vervat ligt en daar deel van uitmaakt. De verjaringstermijn zou sinds lang verstreken zijn, aangezien KBC NV haar eis in vrijwaring eerst gesteld heeft in conclusie, die zij op 21 juni 1999 voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk heeft neergelegd. 1.7.2. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG stelt verder dat KBC NV zelf verantwoordelijk is voor haar schade, aangezien zij naliet zich van haar verificatietaken te kwijten. Zo houdt zij KBC NV verantwoordelijk voor het doorgeven op 23 januari 1997 van de instructie om de cheque te crediteren na effectieve betaling. En zij bekwam zonder meer ook betaling van KBC NV, alhoewel de termijn van aanbieding van de blanco geëndosseerde cheque - die op 23 december 1977 was uitgeschreven - toen al afgelopen was. KBC NV zou als betrokken bankier ook vertrouwd geweest zijn met de endossementstempel van FERROLI SPA, zodat zij had moeten vaststellen dat hier gebruik werd gemaakt van een valse stempel bij het endossement. 1.8. Op dezelfde gronden vordert BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG in ondergeschikte orde haar vrijwaring door KBC NV voor een eventuele veroordeling tot betaling van de schade, die VAN MARCKE LOGISTICS NV van haar vordert en een verdeling van de aansprakelijkheid tussen alle partijen. 2. Beoordeling 2.1. Het Hof ziet geen reden, om bij toepassing van de Europese Overeenkomst van 7 juni 1968 betreffende het bestrekken van inlichtingen over buitenlands recht nog verdere inlichtingen in te winnen. - Partijen hebben de eerste rechter, zowel als het Hof, de revenante rechtspraak en rechtsleer overgelegd betreffende de mogelijke verantwoordelijkheid van de bank en de betrokkene voor de gevolgen van de uitbetaling van een valse of vervalste cheque. De overgelegde rechtspraak en rechtsleer behandelt in het bijzonder ook het incassomandaat, dat BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG naar Oostenrijks recht moest nakomen en de draagwijdte van de P.E.G.-clausule, die de bankiers in hun verhouding met buitenlandse bankiers op de cheque aanbrengen. - Zij hebben wederzijds ook hun standpunt hierover kunnen voordragen, die de eerste rechter en het Hof nader konden toetsen aan de rechtspraak van het Oostenrijkse Hooggerechtshof en meer in het bijzonder aan de arresten van 9 april 1991 en 26 augustus 1999. 2.2. Het Hof onderschrijft integraal de nummers 37 tot en met 41 van het vonnis, waarin de eerste rechter preciseerde welk recht van toepassing was op de zaak. Het kan alleen nog nader preciseren, dat de P.E.G.-clausule (Prior Endorsement is Guaranteed) geen deel uitmaakt van de Belgische chequewet van 1 maart 1961 en evenmin van de Oostenrijkse Chequewet. De nadere verklaring en invulling van deze clausule ligt dan ook niet in deze nationale wetgevingen, maar wel in het Noord-Amerikaans bancair recht, die haar in het leven riep. - Overeenkomstig het in de V.S geldende chequeincassorecht, zoals het door nagenoeg alle staten en federale rechtbanken wordt toegepast, waarborgt de P.E.G.-clausule alle volgende banken die ter goeder trouw handelen, dat de handtekeningen die op de cheque voorkomen,
(1)authentiek zijn,
(2)aangebracht werden door bevoegde personen en
(3)dat de cheque niet wezenlijk werd gewijzigd. - Dit impliceert dat de incassobank die rechtstreeks onderhandeld heeft met de vervalser of de vertegenwoordiger zonder volmacht en de cheque onder de waarborg die de P.E.G.-clausule inhoudt aan de navolgende bank heeft aangeboden,
(1)de schade moet dragen die uit de vervalsing van de cheque volgt en
(2)zich niet kan beroepen op een nalatigheid van de navolgende bank die ter goeder heeft gehandeld [U.S. Supreme Court - Case: National Metropolitan Bank v. United States, 323 U.S. 454
(1945), 323 u.s. 454]. - Overeenkomstig het V.S.-chequerecht waarborgt de betrokken-bank in de regel de klant/trekker voor de gevolgen van diefstal. Dit impliceert dat de betrokken bank (en niet de trekker) zich in de regel tegen de incassobank keert, die nalaat de verbintenissen uit te voeren die de P.E.G.-clausule inhoudt. Waar uit de aard van een cheque meerdere partijen bij de chequetransancties betrokken zijn, moeten evenwel hun wederzijdse rechten en verbintenissen telkens teruggeplaatst worden in de onderlinge samenhang eigen aan de concrete chequetransactie. Het Hof zal dan ook nader ingaan op de onderlinge samenhang, waarbinnen partijen in de concrete chequetransactie zijn tussengekomen en de P.E.G.-clausule hebben geplaatst. Het kan tegenover BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG wel al stellen, dat de betrokken bank de cheque op de rekening van haar klant (de trekker) debiteert, omdat zij de klant kan verzekeren dat de incassobank er zich heeft toe verbonden om de schade te vergoeden, die zou volgen uit de verrekening van een vervalste cheque op zijn rekening. Het niet nakomen van deze waarborgverbintenis schaadt dan ook rechtstreeks de trekker van de cheque, die zich op een tekortkoming van de incassobank aan deze verbintenis kan beroepen. - Elke Europese bank kan vrij beslissen, om de verbintenissen die zij overeenkomstig haar nationale wetgeving als incassobank draagt, uit te breiden met de verbintenissen die de P.E.G.-clausule inhoudt. Zij kan zich zowel eenzijdig, als bij overeenkomst, tot de waarborgen die de P.E.G.-clausule inhoudt, verbinden. 2.3. Op juiste gronden die geen verdere aanvulling vragen, heeft de eerste rechter vastgesteld dat BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG schromelijk tekort gekomen is aan haar voorzorgsverplichtingen, wat naar Oostenrijks recht haar aansprakelijkheid tegenover VAN MARCKE LOGISTICS NV impliceert bij toepassing van artikel 1295
(1)van het Oostenrijkse ¿Allgemeines Bürgerliches Gesetsbuch (ABGB)' (zie onder andere het arrest van 26 augustus 1999 van het Oostenrijkse Hooggerechtshof). De eerste rechter is tot deze vaststelling gekomen zonder beroep te doen op de garantieverbintenissen, die de P.E.G.-clausule inhoudt die BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG op de cheque heeft aangebracht. 2.3.
  1. Het Hof verwijst partijen naar de nummer 42 tot en met 47 van het vonnis, waarin de eerste rechter omstandig de bijzondere omstandig-heden heeft opgesomd, waaruit volgt dat zowel de wijze waarop de cheque werd aangeboden, als de wijze waarop in afspraak met de relatiebeheerder van de bank de onmiddellijke opname van het cheque werd voorbereid, abnormaal en bijzonder verdacht waren (zie boven punt 1.3.2). 2.3.
  2. Het volstaat om in het bijzonder te verwijzen naar het ¿op café' voorbereiden van de aanbieding van de cheque, het overleg ¿buiten het bankkantoor' om de waarborg die de gekruiste cheque inhield te omzeilen en te voorzien in een onmiddellijke opname van de gelden eens zij beschikbaar zouden zijn. Het was, of moest minstens de aangestelde van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG heel duidelijk zijn, dat de rekening - die in de grensstreek werd geopend op naam van H, die zich voor C.V uitgaf en waarop H.S volmacht werd gegeven - alleen maar zou gebruikt worden voor het innen van een cheque; een cheque die in België was uitgeschreven voor een bijzonder hoog bedrag van 398.149,82 EUR, waarvoor de opname in contanten al niet voor de hand lag; die bestemd was voor de Italiaanse firma ¿Ferroli Industrie', die geen zakenrelatie van de bank was; en die geëndosseerd was aan een al even onbekende ¿C.V' wiens identiteit zelfs niet nader werd geverifieerd. 2.3.
  3. De omstandigheden die de eerste rechter nader heeft geduid, had de aangestelde van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG er minstens van moeten weerhouden, om bij de internationale uitwisseling van de cheque - door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule - de indruk te versterken, dat de omruiling van de cheque in volle vertrouwen door de betrokken bank (KBC NV) kon gebeuren, zelfs al werd de cheque aangeboden buiten de termijn die voorzien is in artikel 33 van de Oostenrijkse chequewet en artikel 29 van de Belgische chequewet. Zij had daarentegen KBC NV op de hoogte moeten stellen van de verdachte omstandigheden, waarin de cheque haar werd aangeboden. 2.3.
  4. De hier hernomen feitelijke vaststellingen van de eerste rechter leiden tot de aansprakelijkheid van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG tegenover VAN MARCKE LOGISTICS NV voor de schade, die in oorzakelijk verband met de grove nalatigheid van haar aangestelde staat. 2.
  5. Het Hof stelt vast
(1)dat VAN MARCKE LOGISTICS NV bijzonder onachtzaam heeft gehandeld bij de verzending van een gekruiste cheque voor een bedrag van 398.149,82 EUR, wat de diefstal van deze cheque in de hand heeft gewerkt en
(2)dat de grove tekortkoming van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG aan haar voorzorgsverplichtingen zoals hierboven weerhouden, VAN MARCKE LOGISTICS NV niet vrijstelt van de gevolgen van het eigen, bijzonder onachtzaam handelen dat zij heeft gevolgd voor de betaling van haar Italiaanse klant. 2.4.
  1. Een diligent en voorzichtig handelaar had de contractuele afspraak die voorzag in de betaling door middel van een SWIFT-overschrijving die diefstal voorkomt, niet vlug naast zich neergelegd. Deze betalingswijze is veilig en algemeen gebruikelijk in de internationale handel en brengt daarenboven weinig bankKten mee. Een diligent en voorzichtig handelaar had minstens het zeer hoog risico weten in te schatten van de werkwijze die VAN MARCKE LOGISTICS NV hier heeft gevolgd. VAN MARCKE LOGISTICS NV heeft bij gewone brief een gekruiste cheque voor een zeer hoog bedrag van 398.149,82 EUR verstuurd en dit dan nog naar Italië, zonder zelfs de moeite te nemen om de aankomst van de cheque bij de bestemmeling op te volgen. Aldus voorkwam zij dat kon worden achterhaald, op welk ogenblik de cheque gestolen werd. Voorafgaande of gelijktijdig op het ogenblik van verzending?; na de overhandiging van de cheque aan de postdiensten die vanaf dan de verzending moesten opvolgen?; of na aankomst van de cheque bij de begunstigde wat haar verantwoordelijkheid voor de diefstal bij toepassing van artikel 35bis van de Belgische chequewet van 1 maart 1961 had uitgesloten?. Dit maakte het verduisteren van de cheque voor een dergelijk bedrag aantrekkelijk; een verduistering die erop gericht was om door de vervalsing van de cheque - uiteraard - ook de uitbetaling van het chequebedrag te bekomen. Haar nonchalant handelen voorkwam verder, dat zij de cheque - die vervalst werd en die buiten de termijn voorzien in de chequewet werd aangeboden - heeft herroepen. 2.4.
  2. Het Hof weerhoudt dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid van VAN MARCKE LOGISTICS NV voor haar schade. Haar onzorgvuldig handelen heeft de diefstal, de vervalsing en de uitbetaling van de cheque mee in de hand gewerkt. 2.
  3. Op juiste gronden weerhield de eerste rechter dat VAN MARCKE LOGISTICS NV in haar verhouding tot KBC NV - bij toepassing van artikel 35bis van de Belgische chequewet van 1 maart 1961 - alle gevolgen draagt van het verlies van de cheque die zij heeft uitgeschreven (zie punt 1.4 hierboven). 2.5.
  4. De verhouding tussen VAN MARCKE LOGISTICS NV en KBC NV wordt beheerst door het Belgisch recht en meer in het bijzonder door de chequewet van 1 maart
  5. Uit geen enkel stuk volgt dat VAN MARCKE LOGISTICS NV met KBC NV de afspraak zou gemaakt hebben, dat KBC NV bij de afhandeling van de cheques - die zij in het voordeel van haar internationale handelsrelaties zou uitschrijven - alleen voor de betaling mocht zorgen onder de voorwaarde
(1)dat de buitenlandse bank die van de houder de opdracht kreeg om de cheque te innen, de P.E.G.-clausule op de cheque zou aanbrengen en
(2)dat het gebruik van deze clausule zowel de buitenlandse bank, als KBC NV zou verplichten om in te staan voor de terugbetaling zo achteraf zou komen vast te staan dat een vervalste cheque werd uitbetaald. Er ligt evenmin een stuk voor waaruit zou volgen dat KBC NV van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG heeft geëist, dat zij de P.E.G.-clausule op de betrokken cheque zou aanbrengen. Uit de aangevoerde feiten en overgelegde stukken kan het Hof alleen opmaken, dat de afgevaardigde van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG de P.E.G.-clausule op de cheque heeft aangebracht, om een mogelijk argwaan van KBC NV te voorkomen bij de uitbetaling van de cheque die buiten de termijn weerhouden in artikel 29 van de Belgische chequewet werd aangeboden. 2.5.
  1. Naar Belgisch recht draagt de eigenaar van een chequeboekje in de regel bij toepassing van artikel 35bis van de Belgische chequewet de aansprakelijkheid voor alle gevolgen van een diefstal van een cheque. Dit sluit niet uit dat de betrokken bank bij toepassing van artikel 35 van de Belgische chequewet blijft gehouden om de rechtmatigheid van de reeks van endossementen te onderzoeken en aansprakelijk blijft voor een bedrog of grove tekortkoming. Door het vrijwillig aanbrengen van de P.E.G.-clausule engageerde BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG haar verantwoordelijkheid voor de regelmatigheid van de reeks van endossementen en de handtekeningen tegenover KBC NV, die bij toepassing van artikel 35 van de chequewet van 1 maart 1961 tegenover de trekker eveneens voor de regelmatigheid instaat van de reeks van endossementen. - Waar beide banken hier tegenover de trekker de regelmatigheid van de reeks van endossement moesten waarborgen, zouden zij tegenover de trekker dan ook hoofdelijk gehouden zijn voor de schade, zo zij beiden op grove wijze tekort kwamen aan deze verplichting. - Het vrijwillig aanbrengen van de P.E.G.-clausule door BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG impliceert evenwel niet, dat KBC NV ook hoofdelijk met BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG zou moeten instaan voor de gevolgen van een onregelmatige handtekening, nu de betrokken bank bij toepassing van artikel 35 van de chequewet van 1 maart 1961 de handtekening van de endossanten niet moet onderzoeken. 2.5.
  2. In tegenstelling tot BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG had KBC NV geen kennis van de omstandigheden, waarin de cheque ter incasso werd aangeboden. De eerste rechter weerhield terecht, dat de zware tekortkoming alleen in hoofde van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG bewezen is en dat VAN MARCKE LOGISTICS NV geen grove nalatigheid of bedrog vanwege KBC NV bewijst. - Bij gebrek van een haar toerekenbare zware fout kan KBC NV niet hoofdelijk met BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG gehouden zijn voor de schade, die volgde uit de uitbetaling van een gestolen cheque of uit de onregelmatige handtekeningen op de cheque. - Als titularis van een rekening bij KBC NV gaf VAN MARCKE LOGISTICS NV door het uitschrijven van de cheque aan KBC NV een schriftelijk mandaat tot het uitbetalen van het bedrag van de cheque aan de gelegitimeerde houder. De P.E.G.-clausule die BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG binnen het internationaal betalingsverkeer op de cheque aanbracht versterkte het regelmatig vertrouwen van KBC NV, dat zij de cheque aan een gelegitimeerde houder uitbetaalde. Zij wist de trekker minstens gevrijwaard voor de gevolgen van de uitbetaling van een eventuele vervalste cheque. - VAN MARCKE LOGISTICS NV draagt tegenover KBC NV zelf de volle verantwoordelijkheid voor de uitbetaling van de cheque, die buiten de termijn waarin artikel 29 van de chequewet voorziet, werd aangeboden. Zij bleef immers zelf in gebreke om de verzending en de aankomst op te volgen van de cheque die zij heeft uitgeschreven. En deze nalatigheid voorkwam dat zij de cheque nog zou herroepen hebben. 2.5.
  3. De eerste rechter verklaarde de aanspraken van VAN MARCKE LOGISTICS NV op KBC NV dan ook terecht ongegrond. - VAN MARCKE LOGISTICS NV kan haar aanspraken op een tussenkomst van KBC NV evenmin gronden op de bijstand, waartoe de bank tegenover de klant gehouden is. Deze deontologische zorgvuldigheidsverplichting impliceert niet, dat de bank in naam en voor rekening van de klant een eis zou moeten instellen tegenover de derde (ook al zou het een bank betreffen) die de klant voor haar schade aansprakelijk houdt. - En VAN MARCKE LOGISTICS NV kan zich tenslotte evenmin op de vertrouwensleer beroepen, om haar schade te verhalen op KBC NV. De schade die zij wenst te verhalen werd hier duidelijk niet veroorzaakt door een schijnbare toestand waarvoor KBC NV aansprakelijk is. Haar schade volgde uit de uitbetaling van de cheque door KBC NV aan BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG, nadat BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG de verzekering had gegeven dat zij zou instaan voor een mogelijke vervalsing van de cheque, maar die verbintenis niet is nagekomen en die als incassobank daarenboven op grove wijze tekort is gekomen aan haar incassoverbintenissen. 2.
  4. Op bovenvermelde gronden is de eis in vrijwaring die BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG tegenover KBC NV instelt eveneens ongegrond. Het Hof weerhield hierboven dat de uitbetaling waartoe KBC NV is overgegaan, haar verklaring juist vindt in de waarborg, die BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG haar heeft verstrekt door het aanbrengen van de P.E.G.-clausule. BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG - die rechtstreeks onderhandeld heeft met de vervalser en voor hem een rekening heeft geopend, waarop de gelden konden gestort worden en waarop zij heeft voorzien in een volmacht voor H.S - verzekerde KBC NV aldus dat zij de schade zou dragen die uit een eventuele vervalsing van de cheque zou volgen. Deze waarborg geldt zelfs in het geval van een nalatigheid van de navolgende bank, die ter goeder trouw handelt (zie het hierboven onder punt 2.2 geciteerde arrest van het Supreme Court). 2.
  5. De eis in vrijwaring die KBC NV tegenover BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG instelde heeft, bij gebrek aan veroordeling van KBC NV geen voorwerp. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, het incidenteel hoger beroep van VAN MARCKE LOGISTICS NV ongegrond en het hoofdberoep van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG gedeeltelijk gegrond. Bevestigt de veroordelingen die het bestreden vonnis uitsprak ¿op de veroordeling na van BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG tot de betaling aan VAN MARCKE LOGISTICS NV van alle sommen in hoofdsom, intresten en Kten, die zij in uitvoering van het bestreden vonnis bewijst te hebben betaald aan FERROLI SPA'. Stelt daarentegen vast dat BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG alleen tot de betaling aan VAN MARCKE LOGISTICS NV gehouden is VOOR DE HELFT van alle sommen in hoofdsom, intresten en Kten, die zij in uitvoering van het bestreden vonnis bewijst te hebben betaald aan FERROLI SPA'. Verwijst BANK FÜR KÄRNTEN UND STEIERMARK AG en VAN MARCKE LOGISTICS NV in de eigen gedingKten van het hoger beroep; en verwijst hen verder elk voor de helft in de gedingKten van KBC NV, die het Hof vaststelt op de rechtsplegingsvergoeding van 475,96 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertien maart tweeduizend en zes. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.