← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060321.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060321.10 Rolnummer: 2002/AR/1804 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-08-01 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-07-01 04:15 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Exequatur Vrije woorden: Exequatur - vrije toegang tot de rechter - inhoudelijke controle. Een zekere (eventueel ook financiële) aanmoediging van de buitengerechtelijke minnelijke regeling is niet in strijdig met de internationale privaatrechtelijke openbare orde. Als de aanmoediging tot buitengerechtelijke minnelijke regeling in werkelijkheid een regelrechte strafmaatregel uitmaakt, of een nagenoeg onoverkomelijke hindenis vormt voor toegang tot de overheidsrechter, mag de daarop volgende veroordelende uitspraak in België niet ten uitvoer worden gelegd, noch kan hiertoe toelating worden verleend conform art.570 Ger.W (oud). Tekst van de beslissing in de zaak van: 1_ HYIINDAI ELFCTRnNICS AMFRICA, venootschap naar Californisch recht, met maatschappelijke zetel te CA 95134, Californië, San José (VS), 3101 North First Street, aldaar ingeschreven onder het nummer 1175976, appellante, an 2- nnFIIM MICRnSYSTEMS, INC¿ vennootschap naar Californisch recht, met maatschappelijke zetel te CA 95134, Californië, San José (VS) 3101 North First Street Building B, aldaar ingeschreven onder het nummer 1963830 appellante, beiden woonplaatskie7ende ter studie van gerechtsdeurwaarder Luc RFGKERS, te 8.500 Kortrijk, Kasteelstraat 6. beiden hebbende als raadsman mr. VAN DE WALLE Pieter-Jan, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149 bus 16 B tegen: dZINE NV (elders D7INE NV), met maatschappelijke zetel te 8500 KORTRIJK, 't Hoge 49, ingeschreven te Kortrijk in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder nummer 0425.740.423, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BEELE Stefaan, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 26 A velt het Hof het volgend arrest: HYUNDAI ELECTRONIC AMERICA en ODEUM MICROSYSTEMS Inc., beide vennootschappen naar Californisch recht, appellanten (hierna kort HYUNDAI), stelden tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in tegen het vonnis overeenkomstig art 570 §2 C,er W, gewezen door de rerhthank van eerste aanleg te Kortrijk. 3e kamer, op 30.04.2002 (in beroepsakte verkeerdelijk 30.06.2002) waarbij het verzoek uitgaande van voormelde partijen tot exequatur van een beslissing op 7 juni 2000 gewezen door "het Hooggerechtshof' van de Staat California lastens NV dZINE, huidige geïntimeerde, werd afgewezen. Met hun hoger beroep beogen appellanten het teniet doen van het bestreden vonnis en de inwilliging van hun oorspronkelijke vordering "en de NV dZINE te veroordelen om het bedrag van 112.178,63 USD te betalen". Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting; de stukken werden ingezien. 1 Relevante gegevens. Onderhavig geschil doet zich voor naar aanleiding van de beslissing van een beslissing van een zgn. "Hoger Gerechtshof van de Staat California" van 7 juni 2000. Het komt dit Hof voor dat partijen de uitsprekende instantie ten onrechte vertalen als "het Hooggerechtshof', daar waar het duidelijk om een "Hoger (Gerechts-) Hof' of "Rechtbank" ("Superior Court of the State of California County of Santa Clara") van de regio/ provincie Santa Clara betreft. Hierbij werd overwogen en beslist (vertaald): "Na afweging van alle bewijsstukken doet de Rechtbank de vaststellingen en neemt ze de beslissingen die vermeld zijn in het Beslissingsdocument ("Statement of Decision") gedateerd op .. juni 2000. Na beoordeling van de vordering van de verweerder voor een inleiding van vonnis ("entry of judgment") overeenkomstig § 998 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ("Code of Civil Procedure") en het verzet van de eiser hiertegen, kent de Rechtbank de verweerders een bedrag van 112.178,63 USD toe, kosten inbegrepen. Aldus beslist (..)" Voormelde beslissing ingevolge toepassing van § 998 van voormeld wetboek is kennelijk een soort incident volgend op een voorafgaande bodembeslissing van 20 januari 2000, waarbij oneerlijke handelspraktijken in hoofde van HUYNDAI werden weerhouden en deze 2 laatste ook het bevel krijgt "om eiseres alle gelden terug te betalen die eiseres zou hebben betaald voor 8211-chips". Hoewel niet onmiddellijk duidelijke bedragen van veroordeling uit deze titel blijken, zijn partijen het er over eens dat dit een titel uitmaakt ten voordele van dZINE lastens HYUNDAI tot betaling van een vergoeding van 111.637 USD (105.973 USD extra ontwikkelingskosten en 5.700 USD 8811 chips). De alhier relevante passages van kwestieus § 998 van het Californisch Gerechtelijk Wetboek voorzien (vrij vertaald, zonder betwisting tussen partijen): "(

  1. c)Ingeval een minnepk voorstel wordt gedaan door een verweerder dat niet wordt aanvaard door de eiser, en de eiser er niet in slaagt om een meer voordelige rechterlijke of arbitrale uitspraak te bekomen, dan zal de eiser de kosten die gemaakt zijn na het voorstel niet kunnen verhalen op de verweerder en zal de eiser de kosten na het voorstel gemaakt door de verweerder betalen. Daarenboven, kan de rechter, naar eigen keuze, de eiser vragen een billijke som te betalen aan de verweerder teneinde diens kosten, die effectief gemaakt zijn en die redelijkerwijs noodzakelijk waren voor zijn verdediging, te vergoeden voor de diensten geleverd door deskundigen, die geen werknemer zijn van één van de partijen; (..) (
  2. e)Ingeval een minnepk voorstel wordt gedaan door een verweerder dat niet wordt aanvaard door de eiser en de eiser er niet in slaagt om een meer voordelige rechterlijke of arbitrale uitspraak te bekomen, dan zullen de kosten omschreven in dit artikel in mindering worden gebracht met de schadevergoeding waarop de eiser recht heeft (overeenkomstig de rechterlijke of arbitrale uitspraak). Voor het geval de kosten het bedrag van de schadevergoeding overstijgen dan zal het saldo aan de verweerder toekomen." 2 Bet nt 1 Ding De vordering tot het bekomen van het exequatur betreft uitsluitend de laatste titel van 7 juni 2000, waarbij met toepassing van voormeld art. 998 NV dZINE verwezen werd in betaling van 112.178,63 USD door de Californische uitspraak. Het feit dat deze beslissing a.h.w. een uitvloeisel is van een voorafgaande bodemprocedure doet niets af aan het feit dat het terzake een op zichzelf staande beslissing betreft, waarvan het exequatur wordt gevraagd. De bodembeslissing is alhier niet aan de orde, behoudens als achtergrondinformatie, zonder meer. Niet betwist tussen partijen is dat - door HYUNDAI nog lopende het geding in Californië, een minnelijk voorstel is gebeurd aan dZINE van 200.000 USD; - dZINE niet op dit voorstel is ingegaan; 3 uiteindelijk door de bodemrechter in Californië een titel ten voordele van dZINE lastens HYUNDAI voor een bedrag van 111.637 USD werd toegekend; - hierop door HYUNDAI een aanspraak overeenkomstig § 998 voormeld inzake kosten is geformuleerd lastens dZINE en dit voor een bedrag van 290.613,73 USD, waarvan (met toepassing van voormeld artikel) het bedrag van de toegekende schadevergoeding van 111.637 USD werd afgetrokken (gecompenseerd ?) en het gevorderde - kennelijk - nog herleid tot 112.178,63 USD, kosten ten laste gelegd van dZINE in de litigieuze titel van 7 juni 2000.. Een authentieke uitgifte ligt in het dossier neer. Er is geen betwisting omtrent de bevoegdheid, het in kracht van gewijsde zijn van de beslissing, noch omtrent het feit dat er tussen België en de Verenigde Staten van Amerika geen verdrag of overeenkomst betreffende het verlenen van exequatur voorhanden is, zodat toepassing dient gemaakt van de alsdan van toepassing zijnde tekst van art. 570 Ger.W.. Ingevolge de overgangsbepalingen van art. 126 §2 Wb. IPR van 16 juli 2004 is deze nieuwe wetgeving terzake niet toepasselijk. Dit artikel voorzag : "De rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak, ongeacht de waarde van het geschil, over de vordering tot uitvoerbaarverklaring van de beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door buitenlandse rechters. Tenzij er reden bestaat tot toepassing van een verdrag tussen België en het land waar de beslissing is gewezen, onderzoekt de rechter, behalve het geschil zelf. 1 ° of de beslissing niets inhoudt dat in strijd is met de beginselen van openbare orde of met de regels van het Belgische publiekrecht; 20 of de rechten van de verdediging geëerbiedigd werden; 3° of de vreemde rechter niet enkel wegens de nationaliteit van de eiser bevoegd is; 4° of de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan overeenkomstig de wet van het land waar zij gewezen is; 5° of de overgelegde uitgifte van de beslissing volgens dezelfde wet voldoet aan de voorwaarden gesteld voor haar authenticiteit." In hoger beroep is de discussie tussen partijen vooral toegespitst geworden op de naleving van de motiveringsverplichting en/of rechten van de verdediging enerzijds, de openbare orde anderzijds, zoals voorgeschreven door de alsdan van toepassing zijnde tekst van art. 570 1 ° en 2° Ger.W. Met de eerste rechter dient vastgesteld dat de litigieuze beslissing inzake de kostenveroordeling uiterst summier, zoniet gebrekkig is gemotiveerd en m.n. geen antwoord bevat op de regelmatig door dZINE op de aanspraak van HYUNDAI voorgedragen middelen m.b.t. o.m. - het niet gebaseerd zijn van het aanbod van HYUNDAI "op een realistische en te goeder trouw gemaakte schatting van de werkelijke 4 waarde van de zaak, zoals blijkt uit het feit dat verweersters enkele weken later een aanbod deden van bijna 4 maal dat bedrag", - de bedragen die dZINE reeds had gespendeerd aan de procedure en de afwezigheid van realistische vooruit- zichten op aanvaarding van een aanbod, - de onredelijke hoogte van de kosten o.m. rekening houdend met het feit dat hierin ook begrepen waren de kosten van "een agentschap dat door verweersters werd geëngageerd om experten te recruteren voor deze zaak"; - praktijk die kennelijk voor een der experten leidde tot een verdubbeling van het uurloon waarvoor deze zich akkoord verklaarde; - alsook het aanrekenen van reisuren en aanwezigheid op de rechtbank als prestatie; - de onredelijkheid kosten te vorderen die werden veroorzaakt door de laattijdige voorbereiding van expert LECLERC; - etc.. De uitspraak "na afweging van alle bewijsstukken doet de rechtbank de vaststellingen en neemt ze beslissingen .. (.) Na beoordeling van de vordering (.) en het verzet (.) kent (.) toe (..)" verduidelijkt noch wat nu precies werd toegekend, noch in welke mate, noch waarom en maakt hierop geen pertinent of afdoende antwoord uit. In tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden door appellanten betreft het veel meer dan een gewone rekensom, gelet op de aangevoerde middelen, waarop geenszins werd geantwoord, terwijl al evenmin precies blijkt welke bedragen en waarom zouden zijn aangenomen dan wel geweerd. Het bestaan van precedenten - waarnaar overigens in de beslissing niet eens wordt verwezen - of de motieven van het bodemvonnis (dat desbetreffend niet diende te oordelen) doet hieraan niets af. Terecht voert geïntimeerde bovendien aan dat uit de tekst van § 998 afdoende blijkt dat inzake de toewijzing van de litigieuze kosten het niet om een automatisme gaat, doch om - voor bvb. de expertisekosten - een mogelijkheid, waarop al dan niet door de rechter wordt ingegaan, keuze die in beginsel op gemotiveerde wijze dient te gebeuren. Dit zeker giet op de specifieke middelen terzake opgeworpen door dZINE. Voormelde beslissing komt aldus zowel strijdig voor met een grondwettelijke vereiste naar Belgische recht als met de internationale vereisten zoals o.m. begrepen in art. 6 E.V.R.M (vgl E.H.R.M. 9 december 1994, inzake Ruiz TORIJA v/ Spanje) en behorend tot de internationale openbare orde. Bovendien is een dergelijke gebrekkige motivering van aard het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging te schenden en heeft deze in concreto inderdaad de verdedigingsrechten van de betrokken partij geschaad, nu deze o.m. haar verweer en/of appèlmogelijkheden niet naar behoren kon inschatten bij gebrek aan verduidelijking. Het feit dat deze partij haar motieven kon uiteenzetten in conclusies t.o.v. de Californische rechter doet hieraan niets af, nu immers geenszins blijkt of en in welke mate, noch waarom deze instantie een of ander wel of niet in overweging heeft genomen. Ook het feit dat geen hoger beroep werd aangetekend doet aan het 5 hogervermelde niets af. Onverminderd hetgeen voorafgaat is in hoger beroep op uitnodiging van het Hof ook terecht gedebateerd omtrent de aard van de veroordeling en de toegang tot de rechter, alsook de mogelijke strijdigheid met de internationale privaatrechtelijke openbare orde. Partijen zijn het eens dat de ter exequatur voorgelegde titel een toepassing uitmaakt van het litigieuze § 998 van het Californisch gerechtelijk wetboek, dat als normdoel de oplossing van geschillen via buitengerechtelijke minnelijke schikking beoogt. Tevens blijkt dat dit voorschrift aldaar een uitzondering uitmaakt op het beginsel - zoals ook te lande - dat de in het gelijk gestelde partij gerechtigd is op vergoeding van de bepaalde kosten (art. 1032 CCP) en dat dienvolgens restrictief zou dienen geinterpreteerd. Deze regeling - en vooral de toepassing van § 998 (
  3. e)- van het Californisch gerechtelijk wetboek impliceert evenwel dat de in het gelijk gestelde eisende partij uit de gemeenrechtelijke bodemprocedure, omdat deze partij een buitengerechtelijke minnelijke regeling die haar was voorgesteld door de verweerder weigert, regeling die naderhand voordeliger blijkt te zijn geweest dan de uiteindelijke uitspraak van de bodemrechter: - niet alleen haar eigen kosten gemaakt na het voorstel, niet kan verhalen op de verweerder; - bovendien de kosten gemaakt na het voorstel door de verweerder moet betalen, - desgevallend ook nog een billijke som moeten betalen aan de verweerder "teneinde diens kosten, die effectief gemaakt zijn en die redelijkerwijs noodzakelijk waren voor zijn verdediging, te vergoeden voor de diensten geleverd door deskundigen, die geen werknemer zijn van één van de partijen"; - maar tevens zullen deze kosten in mindering worden gebracht op de bekomen schadevergoeding in de bodemprocedure (hetzij gecompenseerd); - en vooral - zoals in casu - zal dienen bijgelegd aan de verweerder "voor het geval de kosten het bedrag van de schadevergoeding overstijgen". Waar aangenomen kan worden dat een "zekere" (evt. ook financiële) aanmoediging van de buitengerechtelijke minnelijke regeling niet strijdig is met de internationale privaatrechtelijke openbare orde, is het Hof evenwel van oordeel dat bovenvermelde "aanmoediging" in werkelijkheid een regelrechte "strafmaatregel" - zoniet een nagenoeg onoverkomelijke hindernis voor toegang tot de overheidsrechter - uitmaakt die bovendien opgelegd wordt aan een partij die in de gemeenrechtelijke bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, dit precies en louter omdat deze partij die gemeenrechtelijke procedure heeft verkozen boven de aanvaarding van een (achteraf gunstiger gebleken) minnelijk voorstel. Zo aangenomen kan worden dat een in het gelijk gestelde partij, wanneer deze handelt op een wijze strijdig met de normale uitoefening door een bedachtzaam en zorgvuldig procesvoerder, toch voor bepaalde schade dient in te staan of dient gesanctioneerd met een "normale" uitoefening (proportioneel naar de "overtreding") van dat procesrecht, dient te dezen vastgesteld dat de eisende en in het gelijk gestelde partij louter gesanctioneerd wordt om te hebben geopteerd voor een behandeling van haar geschil voor de overheidsrechter. Het feit dat een voorstel tot minnelijke schikking méér bedraagt dan de uiteindelijke veroordeling door die overheidsrechter laat - naar het oordeel van het Hof - niet toe dit als een voor vergoeding in aanmerking nemende fout te aanzien en de toegang tot de overheidsrechter aldus te sanctioneren, minstens komt dit als strijdig voor met beginselen die essentieel zijn voor de gevestigde morele, politieke of economische orde. Hieraan kan louter volledigheidshalve nog toegevoegd dat de concrete schadevergoeding en sanctie het Hof ook al te ruim en buiten proportie voorkomt en m.n. impliceert dat - teneinde het risico van dergelijke schaderegeling te ontlopen - de betrokken eisende partij in werkelijkheid het voorstel tot minnelijke schikking dient te aanvaarden en - in alle redelijkheid - niet langer over een daadwerkelijke keuzemogelijkheid beschikt om zich tot de overheidsrechter te wenden. Hierbij dient nog gewezen op de afwezigheid van onderscheid en/of afdoende modulatie- en matigingsmogelijkheid van de sanctie naar gelang de aanspraak van de eisende partij bvb. al dan niet redelijk en aannemelijk is (d.i. met een beoordeling omtrent de aard van de motieven waarom evt. voor een gemeenrechtelijke procedure wordt geopteerd), en/of te goeder trouw gebeurde, of nog naar gelang de economische situatie van partijen. Het criterium tot toepassing van de schadevergoedingsregeling dat terzake in overweging wordt genomen is louter financieel, zonder meer. De aard van de aanspraak, de motieven om zich tot de overheidsrechter te wenden (bvb. de mogelijkheid tot tussenkomst van het openbaar ministerie "telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt" in art. 138 Ger.W.), de goede trouw, de situatie van de partijen of andere gegevens zijn voor de toepasselijkheid van de vergoedingsregeling van § 998 niet aan de orde, hetgeen tot schrijnende toestanden aanleiding kan geven. Het blijkt al evenmin dat de begroting van bepaalde kosten - voor hun aanrekening - aan een mogelijke tegenspraak kon worden onderworpen (te vergelijken met de taxatie van kosten van experten), zoals dit in het kader van de rechten van de verdediging noodzakelijk voorkomt. Met dergelijke toepassing van § 998 zoals in de ter exequatur voorgelegde beslissing wordt aldus de toegang tot de overheidsrechter en de gemeenrechtelijke rechtsgang en procedure niet zomaar belemmerd, doch nagenoeg integraal verhinderd, zeker voor de gewone rechtsgebruiker of rechtsconsument die zich dient te verweren of dient te ageren tegen gebruikelijke of economisch sterkere partijen, rechtsconsument die bij het aangaan van een gemeenrechtelijke 7 procedure immers rekening dient te houden met de hypothese dat de door hem te bekomen schadevergoeding desgevallend volledig kan verdwijnen in de kosten te betalen aan de tegenpartij en dat hij hierop evt. nog zal moeten bijleggen, onverminderd zijn eigen kosten, en aldus gedwongen wordt een evt. minnelijk voorstel te aanvaarden, zonder verdere verweer- of beoordelingsmogelijkheid voor de overheidsrechter. Een vrije toegang tot de overheidsrechter beginsel zoals o.m. vastgelegd in art. 13 G.W. - wordt door dergelijke toepassing aldus illusoir, want zoals in casu zwaar financieel afgestraft bij een hoger minnelijk voorstel, dit ondanks het principieel erkende gelijk van de eisende partij in de bodemuitspraak en zijn mogelijk gegronde motieven om deze overheidsrechter en de gemeenrechtelijke procedure en de aldaar voorziene mogelijkheden te verkiezen, motieven die evenwel niet in overweging komen. Appellante gewaagt van "proceseconomie", waar het in werkelijkheid veeleer gaat om het verhinderen van de toegang tot de gemeenrechtelijke en/of overheidsrechter. Van essentieel belang voor de gevestigde morele, politieke of economische orde, kortom de internationale privaatrechtelijke openbare orde is het nochtans dat een partij in beginsel steeds gerechtigd dient te zijn en over de vrije mogelijkheid dient te beschikken zich tot de gemeenrechtelijke rechtbanken en overheidsrechter te wenden. Het opleggen van dergelijke omvangrijke financiële sancties aan een partij die naar de gemeenrechtelijke instanties stapt en aldaar in het gelijk wordt gesteld, omdat zij een - naderhand - gunstiger gebleken minnelijk voorstel van de verliezende partij heeft geweigerd komt strijdig voor met dit recht op vrije toegang tot de overheidsrechter, recht dat o.m. zijn uiting vindt in art. 13 G.W. (maar ook art. 1023 Ger.W., art. 664 e.v. Ger.W. e.d.m.) en een algemeen beginsel uitmaakt en dermate essentieel is dat het de openbare orde aanbelangt. Deze vrije toegang is ook begrepen in art. 6 E.V.R.M. en in art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetgeen voorafgaat onverminderd de beknotting van de verdedigingsrechten van de partij door de aldus beperkte rechtstoegang. Een buitenlandse beslissing die gebaseerd is op de miskenning van een en ander kan alhier niet ten uitvoer worden gelegd, noch kan hiertoe toelating worden verleend konform art. 570 Ger.W.. Hetgeen voorafgaat nog afgezien het feit dat een aldus aangegaan minnelijk voorstel bezwaarlijk als "vrij" aanvaard zou kunnen worden beschouwd Deze situatie is geenszins vergelijkbaar - ofwel wat de omstandigheden, ofwel wat de omvang betreft - met de verhaalbaarheid van verdedigingskosten van de in het gelijk gestelde partij (alhier betreft het overigens de verhaalbaarheid van de ten gronde in het Ongelijk gestelde partij), noch o.m. met het uit proceseconomische overwegingen ten laste laten van bepaalde overtollige kosten van de partij die ze (foutief of op grond van procesrechtsmisbruik) heeft uitgezet, weze dit de ten gronde de in het gelijk gestelde partij (vgl. overigens art. 866 Ger.W.). 8 De ter exequatur voorgelegde beslissing van de Californische rechtbank voldoet in deze omstandigheden naar het oordeel van het Hof dan ook niet aan de vereisten van art. 570 Ger.W., zoals hoger gepreciseerd. Het bestreden vonnis dient dan ook bevestigd, weze het op enigszins aangepaste en ook aangevulde gronden. Gelet op hetgeen voorafgaat is er geen sprake van enig tergend procesgedrag van geïntimeerde, zodat de aanspraak op dit punt dient afgewezen. Appellanten dienen - als in het ongelijk gestelde partij in dit geding - verwezen in de kosten. Er is evenwel geen aanleiding tot toekenning van een vergoeding wegens heropening der debatten, nu deze niet is geschied. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het Taalgebruik in Gerechtszaken, Alle andersluidende en/of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig; Verklaart het hoger beroep en de tussenvordering toelaatbaar, doch ongegrond, Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis, weze het op enigszins aangepaste en aangevulde gronden; Verwijst appellanten in de gerechtskosten gevallen aan de zijde van geïntimeerde en vereffent deze op euro 475,96 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (zoals gevorderd). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vpprtipnrlp hic kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op éénentwintig maart tweeduizend en zes. Annwezig: Beatrijs DECONINCK, raadsheer, wn.voorzitter Gerda HUYSMAN, adjunct-griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.