← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060928.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20060928.9 Rolnummer: 2005/RK/144 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-01 04:48 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) Vrije woorden: Echtscheiding - voorlopige maatregelen - medische kosten - schoolkosten Tekst van de beslissing in de zaak van: B.F, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. MERCKEN Eva, advocaat te 9340 LEDE, Kasteeldreef 48 tegen: M.O, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. SEMEY Yasmine, advocaat te 1030 BRUSSEL, Lambertmontlaan 360 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen de beschikking verleend op 25 april 2005 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, statuerend over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De geïntimeerde heeft regelmatig incidenteel beroep ingesteld. De partijen, bijgestaan door hun raadslieden, werden gehoord in openbare terechtzitting van 29 juni

  1. De zaak werd integraal hernomen voor de thans samengestelde zetel van het hof. Advocaat-generaal Ermelinde VANHORENBEECK werd ter zelfde terechtzitting gehoord in haar mondeling advies, waarop de appellante onmiddellijk gehoord werd in haar repliek. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Voorafgaandelijk wenst het hof op te merken dat hangende het beraad een schrijven werd ontvangen van de appellante, gedateerd op 19 september
  2. Met dit schrijven, dat werd toegezonden nà het sluiten van de debatten en geen verzoek tot heropening der debatten daarstelt, kan geen rekening gehouden worden. de relevante procedurevoorgaanden en de vorderingen 1.
  3. In de bestreden beschikking werd gezegd voor recht dat E, geboren op ¿., bij haar vader zal worden gehuisvest en op zijn adres zal worden ingeschreven in de bevolkingsregisters als hebbende aldaar haar hoofdverblijfplaats. Tevens werd beslist dat de partijen vrij kunnen overeenkomen wat de omgangsregeling betreft, alsmede over de hoegrootheid van de onderhoudsbijdrage door de appellante aan de geïntimeerde te betalen, waarbij de betaling van de kinderbijslagen uit de beschikking voortvloeit. De kosten werden bij de grond van de zaak gevoegd. 1.
  4. Daaraan gingen onderscheiden niet bestreden beschikkingen vooraf waarvan hierna, wat betreft E, de beslissingen worden samengevat van belang voor de beoordeling van het nog beperkt voorliggend geschil. 1.
  5. Ingevolge de beschikking van 21 juni 2004 werd de uitoefening van het ouderlijk gezag over E aan beide ouders gezamenlijk toevertrouwd. Er werd een maatschappelijk onderzoek gelast. In afwachting daarvan werd voorlopig beslist dat E zou gehuisvest blijven bij haar moeder en aldaar ingeschreven in de bevolkingsregisters als hebbende haar hoofdverblijfplaats. Een voorlopig contact met de vader werd bevolen via de neutrale bezoekruimte Half Rond te Gent, onder verbeurte van een dwangsom van 250,- EUR per keer dat de appellante zou nalaten vrijwillig haar volledige medewerking te verlenen. Akte werd verleend van het aanbod van de geïntimeerde om voorlopig verder een provisionele onderhoudsbijdrage te betalen van 175,- EUR per maand voor E, alsmede de helft van de bewezen medische kosten op voorlegging van stukken. Het maatschappelijk verslag werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 18 november
  6. 1.
  7. Bij beschikking van 15 december 2004 werd prof. dr. C. VAN HEERINGEN UZ Gent aangesteld met als opdracht over te gaan tot onderzoek van de partijen in hun relatie tot elkaar en tot hun dochtertje E. 1.
  8. Bij beschikking van 8 februari 2005 werd gezegd dat E zonder de aanwezigheid van haar moeder elke week drie uur in het gezelschap van haar vader dient te verkeren op plaats en uur door beide ouders af te spreken, zoniet in een neutrale bezoekruimte naar keuze. Verstaan werd dat elke week dat deze verplichting naar duur of een gedeelte ervan door de moeder niet werd nageleefd deze bij de duur van de volgende week cumulatief zou worden bijgeteld, zelfs indien dit wegens herhaling een overnachting bij de vader zou inhouden en zonder dat een eventuele langere duur van een omgang van de duur van de volgende week in mindering zou mogen worden gebracht. De geïntimeerde werd veroordeeld tot de betaling aan de appellante van een onderhoudsbijdrage van 175 EUR, geïndexeerd zoals nader bepaald, meer de helft van de bewezen medische kosten op voorlegging van stukken. Er werd gezegd dat de kinderbijslagen aan de moeder toekomen.
  9. De onderscheiden vorderingen van de partijen werden hangende de beroepsprocedure gewijzigd. Naar aanleiding van verschillende behandelingen ter terechtzitting werden opeenvolgend partiële akkoorden bereikt. 2.
  10. In haar conclusie neergelegd ter terechtzitting van 29 juni 2006 vordert de appellante thans nog de bestreden beschikking teniet te doen en, opnieuw wijzende: - te zeggen voor recht dat E haar hoofdverblijf zal hebben bij de moeder en op haar adres zal worden ingeschreven in het bevolkingsregister als hebbende aldaar haar hoofdverblijfplaats; - aan de vader een omgangsrecht te verlenen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur tijdens de onpare weken van de pare jaren en tijdens de pare weken van de onpare jaren; de vader zal E ophalen op zaterdagochtend aan de balletschool en zal E terugbrengen op zondagavond bij de moeder thuis; - aan de vader een omgangsrecht te verlenen met E in de pare jaren tijdens de eerste helft van de schoolvakanties en in de onpare jaren tijdens de tweede helft; de vakanties van 2 weken lopen van zaterdagochtend 10.00 uur tot de daaropvolgende zaterdag 10.00 uur en van dan af tot zondagavond 18.00 uur; die van 1 week van zaterdagochtend 10.00 uur tot woensdagmiddag 13.00 uur en van dan tot zondagavond 18.00 uur; de grote vakantie wordt telkens opgedeeld in 4 blokken van elk twee weken, te beginnen op de eerste zaterdag na de laatste schooldag op vrijdag; - betreffende de onderhoudsbijdrage de lopende regeling te bevestigen en de geïntimeerde dan ook te veroordelen tot het betalen van een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van het minderjarig kind ten belope van 179,40 EUR, jaarlijks te indexeren; - de geïntimeerde daarenboven te veroordelen tot het betalen van de achterstallige medische kosten en kosten van buitenschoolse activiteiten ten belope van 488,23 EUR en vanaf het tussen te komen arrest tot de betaling van een maandelijks forfaitair bedrag ten belope van 75,- EUR uit hoofde van de uitzonderlijke medische en uitzonderlijke schoolkosten; - de geïntimeerde te verwijzen in de kosten van het geding in beide instanties. 2.
  11. De geïntimeerde besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep. Verder vordert hij in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 27 juni 2006 thans nog: - de minnelijk overeengekomen secundaire verblijfsregeling van E bij hem uit te breiden naar een weekendregeling van één weekend op twee vanaf vrijdag na school om 15.30 uur tot zondagavond 20.00 uur; - te zeggen voor recht dat E bij hem zal verblijven de helft van alle schoolvakanties volgens een alternerend systeem, namelijk het systeem van de pare en de onpare jaren en waarbij de overdracht bij het begin van de vakantie zal gebeuren om 10.00 uur en het terugbrengen zal gebeuren om 20.00 uur volgens de opgegeven specificaties; - voor recht te zeggen dat hij bereid is de helft van alle bijzondere medische kosten, ook de bijzondere schoolkosten en de kosten van buitenschoolse activiteiten te betalen voor zover hieromtrent voorafgaand overleg wordt gepleegd, hiertoe ook een zo uitgebreid mogelijke lijst wordt vastgelegd en een tweemaandelijkse afrekening gebeurt; - over de kosten te beslissen als naar recht. De appellante vraagt het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. bespreking
  12. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak heeft het hof ambtshalve de exceptie van de nietigheid van de bestreden beschikking opgeworpen wegens de niet-vermelding van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken . De raadslieden van de partijen zijn het erover eens dat de taalwet werd nageleefd in eerste aanleg en de procedure en behandeling van de zaak volledig in het Nederlands zijn verlopen, waarvan akte. Nu de vermelding voorgeschreven door artikel 41 Taalwet Gerechtszaken niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid en waar blijkt dat de niet vermelde toepassing van de Taalwet Gerechtszaken werkelijk in acht is genomen, is het vastgesteld verzuim niet van aard om tot de nietigheid van de beschikking te besluiten.
  13. De partijen zijn het, niettegenstaande de procedure, eens geraakt over het principe van een verblijfsrecht van E bij de vader gedurende één weekend op twee en tijdens de helft van de schoolvakanties. Het is enkel nog over de concrete invulling dat het hof gevraagd wordt ter zake de knoop door te hakken. De partijen zijn het ook eens geworden over de hoegrootheid van de door de geïntimeerde te betalen maandelijkse onderhoudsbijdrage voor E. Het hof kan zich, op grond van alle beschikbare gegevens en niet in het minst de onderscheiden behandelingen ter terechtzitting waarop de partijen in persoon aanwezig waren en werden gehoord, niet van de indruk ontdoen dat de partijen ¿ mits verdere goede wil en eventueel met voortgezette hulp van deskundige begeleiders ¿ zeker in staat zijn tot een adequate communicatie wat betreft E en dit in haar uitsluitend belang. Wel wordt inmenging van derden ¿ zoals de grootouderparen ¿ best vermeden.
  14. de weekendregeling 3.
  15. De geïntimeerde oefent de weekendregeling uit tijdens alle weekends gedurende een week met een onpaar nummer. Hij wenst thans een weekendregeling één weekend op twee. De appellante stelt voor om de weekends van jaar tot jaar te wisselen nl. de weekends van de onpare weken tijdens de pare jaren en de weekends van de pare weken tijdens de onpare jaren. Haar bedoeling is om de contacten tussen E en haar nichtjes ¿ de kinderen van haar broer die tijdens de onpare weken bij hun vader op bezoek zijn ¿ mogelijk te maken én ook toe te laten dat E één jaar op twee afwisselend bij haar mama en papa kan zijn op respectievelijk moeder- en vaderdag. Moeder behoudt sowieso het hoofdverblijf van E. De contacten van E met haar vader in een secundair verblijf dienen naar het oordeel van het hof zo ruim mogelijk te zijn. De regeling van één weekend op twee komt aan deze verzuchting het best tegemoet en is bovendien een transparante regeling. Het is aangewezen dat moederdag bij de moeder en vaderdag bij de vader kan worden doorgebracht. Beide ouders zouden dit best inzien en zich dienaangaande soepel opstellen. Indien het verblijf van E op moederdag ingevolge de voorziene weekendregeling bij vader valt wordt daarop dan ook een afwijking toegestaan, evenals omgekeerd indien het verblijf van E op vaderdag bij moeder valt. 3.
  16. De appellante verzet zich tegen de aanvang van de weekendregeling bij vader op vrijdagavond om reden dat E op zaterdagmorgen balletles volgt. Haar tegenvoorstel luidt een aanvullend verblijf bij vader één woensdagnamiddag op twee. Er is geen enkele reden om aan de vader een normaal en ruim weekendbezoek van vrijdagavond tot de daaropvolgende zondagavond te ontzeggen, hetgeen hij blijkbaar boven een woensdagnamiddagcontact verkiest. Uit de conclusie van de appellante neergelegd ter terechtzitting van 29 juni 2006 blijkt overigens dat de mogelijkheid openstaat voor E om voor haar graad ook balletles te volgen op dinsdagavond van 16.30 uur tot 17.15 uur. Waar E vanaf 1 september het eerste leerjaar volgt vormt deze bijkomende avondactiviteit tijdens de week, reeds afgelopen om 17.15 uur, geen probleem. De geïntimeerde steunt het volgen van ballet als buitenschoolse activiteit van zijn dochter. Nu de lessen ook op een andere dag dan zaterdag kunnen plaatsvinden geeft het hof de voorkeur aan een verder contactherstel tussen E en haar vader vanaf vrijdagavond tijdens het weekend. 3.
  17. De appellante stelt 18.00 uur voor als einduur van het weekendbezoek, de geïntimeerde 20.00 uur. Het einduur van het weekendbezoek wordt naar het oordeel van het hof best bepaald om 19.00 uur, mede gelet op de leeftijd van E. Dit geeft, enerzijds, de vader de kans op een volwaardige activiteit op zondag en laat, anderzijds, de moeder toe op een niet te laat uur het weekend voor E af te ronden.
  18. de vakantieregeling Ter terechtzitting van 29 juni 2006 bleek tussen de partijen reeds een akkoord bereikt voor de zomervakantie
  19. Ook voor vorige vakantieperioden hangende de beroepsprocedure was dit het geval. Het is passend de thans opgelegde vakantieregeling in de mate als mogelijk en aangewezen in het belang van E bij deze akkoorden te laten aansluiten zoals hierna bepaald. Zo kunnen de afhaal- en terugbrengmodaliteiten ¿ telkens door de geïntimeerde ¿ worden behouden. Belangrijk is wel dat voor de toekomst een definitieve en vastomlijnde vakantieregeling wordt opgelegd teneinde de verschillende interpretaties door de partijen o.a. wat betreft de aanvang van elke schoolvakantie uit te sluiten. Daarop kunnen beide partijen zich dan professioneel organiseren en wordt verhoopt dat verdere discussies worden vermeden. Een opsplitsen van de krokus- en herfstvakantie bij helften komt het hof te dezen niet opportuun voor. Aangenomen bijvoorbeeld dat de eerste helft van dergelijke korte vakantie begint op maandag 10.00 uur en eindigt op woensdag 13.00 uur en de tweede helft ervan begint op woensdag 13.00 uur om te eindigen op vrijdag 19.00 uur kan dit inhouden dat E in het geval van een vakantieverblijf bij vader de eerste helft met een daaropvolgend weekendverblijf, tussenin nog naar haar moeder zou moeten worden teruggebracht. Evenwichtiger is het om bij elke ouder jaar om jaar afwisselend de volledige herfst- dan wel krokusvakantie te waarborgen.
  20. de onderhoudsbijdrage en de tussenkomst in bepaalde kosten 5.
  21. Zoals voorzegd is er over de geïndexeerde onderhoudsbijdrage als dusdanig een akkoord dat de lopende regeling behouden blijft, waarvan akte. De geïntimeerde betaalt maandelijks het bedrag van 179,40 EUR (basis 175,- EUR), te indexeren in juli. 5.
  22. Nu de geïntimeerde zelf aanbiedt tussen te komen in de helft van de buitengewone medische kosten (na tussenkomst van de mutualiteit), in de helft van de bijzondere schoolkosten en kosten van buitenschoolse activiteiten is het ¿ in de concrete omstandigheden eigen aan onderhavige zaak ¿ aangewezen op dit voorstel in te gaan weliswaar slechts vanaf de datum van het arrest. Het opleggen van een forfait zoals de appellante voorstelt is immers ter zake uitgesloten nu daarbij de begroting van de onderhoudsbijdrage als dusdanig - en hier niet meer betwist - terug in vraag zou worden gesteld. Waar de geïntimeerde vraagt dat de partijen zich voor bepaalde beslissingen zouden houden aan de overlegregel ressorteert dit onder de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en kan daarop worden ingegaan. Het is voorts passend de buitengewone schoolkosten,de buitengewone medische kosten en de naschoolse kosten te definiëren zoals gevorderd, daarbij uitgaande van de door de appellante vooropgestelde definitie, getoetst en waar nodig aangevuld door het hof. Zo zijn in de buitengewone kosten niet de gewone medische kosten van o.a. normale consultatie en medicatie ook van specialisten (klassiek dan wel alternatief, zoals homeopathie) begrepen en al zeker niet de voedingssupplementen voor E. De appellante dringt ¿ in strijd met haar appèlakte ¿ in laatste conclusie klaarblijkelijk niet meer aan op een tussenkomst in de helft van de bewezen medische kosten (volgens het hof te begrijpen als gewone medische kosten) op voorlegging van stukken. In laatste conclusie heeft zij het immers enkel nog over de uitzonderlijke medische kosten. Deze gewone medische kosten zijn vanaf uitspraak van onderhavig arrest begrepen in de onderhoudsbijdrage. 5.3.
  23. De appellante vordert de terugbetaling voor een totaal bedrag van 488,23 EUR van een aantal volgens haar achterstallige medische kosten en kosten van buitenschoolse activiteiten en verwijst daarvoor naar haar stuk
  24. De stukken hebben volgens een eraan gehecht schematisch overzicht betrekking op beweerd medische kosten over de periode van 8 september 2005 tot en met met 13 januari 2006, op kosten logopedie voor mei en juni 2006 en op kosten lidgeld ballet en balletkledij augustus 2005, september 2005-januari 2006, februari-juni 2006 en september 2006-februari 2007 en behelzen een totaal bedrag van 736,61 EUR, met een beweerd door de geïntimeerde terug te betalen aandeel van 368,34,- EUR. Van het in conclusies nog gevorderd bedrag van 488,23 EUR werd, althans volgens het tweede blad van het aangehecht schema, reeds 119,89 EUR betaald voor bepaalde medische kosten en kosten logopedie zodat alleen reeds om die reden dit onderdeel van de vordering niet gegrond is. 5.3.
  25. Hoger werd daarenboven reeds aangehaald dat de geïntimeerde, ingevolge de niet bestreden beschikking van 8 februari 2005, werd veroordeeld tot de betaling van een maandelijkse geïndexeerde onderhoudsbijdrage van 175,- EUR per maand, meer de helft van de bewezen medische kosten op voorlegging van stukken. De vraag tot terugbetaling van de medische kosten kadert dan ook in de uitvoering van deze beschikking en kan onmogelijk het voorwerp zijn van onderhavig hoger beroep. Wat de balletlessen en de balletkledij betreft (buitenschoolse activiteit) was er ¿ tot tussenkomst van onderhavig arrest waarin ingegaan wordt op het in conclusies van 27 juni 2006 geformuleerd aanbod van de geïntimeerde vanaf heden ¿ geen titel tot terugvordering van deze kosten. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal en incidenteel beroep toelaatbaar en als volgt gegrond. Doet de bestreden beschikking teniet en wijst opnieuw: Zegt voor recht dat E hoofdverblijf houdt bij de appellante en op haar adres wordt ingeschreven in de bevolkingsregisters als hebbende haar hoofdverblijf. Zegt voor recht dat E secundair verblijf houdt bij de geïntimeerde als volgt: - elk eerste, derde en vijfde weekend van de maand, van vrijdag na school (thans 15.30 uur) tot de daaropvolgende zondag 19.00 uur; voor de telling van de weekends wordt gestart bij het eerste weekend dat volledig (vrijdag, zaterdag én zondag) in de betrokken maand valt; het vijfde weekend dient eveneens met vrijdag, zaterdag én zondag in de betrokken maand te vallen; - het kind wordt telkens op vrijdagavond gehaald na school door de geïntimeerde en door hem teruggebracht op zondagavond ten huize van de appellante; - tijdens de pare jaren de krokus- en tijdens de onpare jaren de herfstvakantie; - tijdens de pare jaren de eerste helft van de kerst- en paasvakantie en tijdens de onpare jaren de tweede helft van die vakanties; - tijdens de pare jaren de eerste helft van de maanden juli en augustus en tijdens de onpare jaren de tweede helft van die maanden; - de regeling voor de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie begint op maandag en eindigt op de vrijdag nadien; - de eerste helft van de maanden juli en augustus begint op de eerste en eindigt op de vijftiende; de tweede helft van die maanden begint op de zestiende en eindigt op de éénendertigste; - elke vakantieregeling begint op de eerste dag om 10 uur en eindigt op de laatste dag om 19 uur, er rekening mee houdend dat de eerste vakantiedag die is welke volgt op de laatste officiële schooldag en de laatste die vóór de school begint; - de weekendregeling loopt door tijdens de vakantieperiodes behalve voor wat betreft de maanden juli en augustus waar zij (op de telling ervan na) niet verder loopt; - als een vakantieregeling aansluit bij een weekendregeling vooraf of achteraf dient het kind tussenin niet naar de omgangplichtige ouder te worden teruggebracht; - het kind wordt ook voor de vakantieperiodes telkens gehaald en teruggebracht door de geïntimeerde; - dit alles behoudens andersluidende overeenkomst tussen partijen. Verstaat dat van de verblijfregeling wordt afgeweken in die zin dat moederdag telkens bij moeder kan worden doorgebracht en vaderdag telkens bij vader, met beginuur 10.00 uur en einduur 19.00 uur en waarbij E telkens gebracht wordt naar, gehaald wordt bij en teruggebracht wordt naar de appellante door de geïntimeerde, tenzij andersluidend akkoord van de partijen. Verstaat dat wat betreft de maandelijkse geïndexeerde onderhoudsbijdrage voor E door de geïntimeerde boven de kinderbijslag verschuldigd, ingevolge akkoord van partijen, de regeling vervat in de beschikking van 8 februari 2005 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verder loopt, met dien verstande dat vanaf heden aan de geïntimeerde geen tussenkomst bij helften meer wordt opgelegd voor de gewone medische kosten. Veroordeelt de geïntimeerde tot een tussenkomst voor de helft van alle buitengewone medische kosten, buitengewone schoolkosten alsook van de kosten van de buitenschoolse activiteiten gedaan na voorafgaand overleg tussen de partijen (behoudens dringende medische noodzakelijkheid) en met tweemaandelijkse afrekening. Verstaat onder buitengewone medische kosten: de medische uitgaven naar aanleiding van hospitalisatie, thuisverpleging, orthodontie, kosten van gespecialiseerde medische of tandheelkundige onderzoeken (vb. radiologie, scanner, echografie), opleg van minstens 10 beurten kinesitherapie, logopedie, bril of lenzen, steunzolen, steeds op doktersvoorschrift en na verrekening met de tussenkomst van de mutualiteit of de hospitalisatieverzekeraar. Verstaat onder buitengewone schoolkosten: de schooluitgaven met betrekking tot meerdaagse schoolreizen in lager, middelbaar en hoger onderwijs, inschrijvingsgeld, studieboeken en -materiaal in het middelbaar en hoger onderwijs, de gebeurlijke huur van een studentenkamer in het hoger onderwijs, na verrekening met het bedrag van een eventuele studiebeurs. Verstaat onder naschoolse kosten: taalcursussen en taallabo, lid- en inschrijvingsgeld van de balletschool, sportclubs, dans-, sport- en taalkampen of stages; specifieke ballet- of sportkledij, muziekcursussen, muziekkampen en stages, huur of aankoop van muziekinstrumenten, sportmateriaal, cursussen en boeken. Wijst het meer of anders gevorderde af als niet gegrond. Zegt dat wegens de hoedanigheid van de partijen, elk haar eigen kosten van beide instanties dient te dragen, onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger.W., met dien verstande dat de uitgavenvergoeding en rechtsplegingvergoedingen over de partijen worden omgeslagen. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ACHTENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer M. RYDE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer P. GYSBERGS, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.