← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061016.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061016.2 Rolnummer: 2005/AR/2573 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 14:31 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - Bestuur - Zaakvoerder HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - Kapitaal Tekst van de beslissing in de zaak van : B.V.B.A. KA, met maatschappelijke zetel te ...en met ondernemingsnummer ..., appellante, hebbende als raadsman mr. Paul Demaegdt, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Filips de Goedelaan 11, tegen K.K, ..., wonende te X, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marc Quatacker, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Mercatorlaan 8, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep.

  1. Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende (04/907/A) van 17 mei 2005, bij verzoekschrift van 20 oktober
  2. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, hoewel het vonnis zou betekend zijn op 22 september
  3. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.
  4. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg.
  5. De overblijvende betwisting in graad van beroep betreft de vraag of mevrouw K gerechtigd is op een vergoeding als zaakvoerder van de B.V.B.A. Ka voor de periode van oktober 2003 tot en met mei
  6. 5.
  7. Op 25 februari 1995 richten de echtgenoten mevrouw K, geïntimeerde, en de heer C.H, geen partij in het geding, de B.V.B.A. KaasH op. Beide echtgenoten zijn niet - statutair zaakvoeder. Artikel 14 van de statuten (stuk 1 van het dossier van appellante) bepaalt: "Het mandaat van de zaakvoerder(s) is kosteloos, tenzij de algemene vergadering anders beslist. In dit geval kan de algemene vergadering, onverminderd de vergoeding van zijn kosten, een vaste wedde toekennen, waarvan het bedrag elk jaar door de algemene vergadering wordt vastgesteld en die ten laste komt van de algemene kosten van de vennootschap.". De B.V.B.A. Ka betwist niet dat zij gedurende jaren zowel mevrouw K als de heerH een zaakvoerdersvergoeding betaald heeft. Aan deze laatste werd een hoger bedrag uitgekeerd dan aan de eerste (respectievelijk euro 2.406,14 en euro 1.696,69 per maand - stuk 5 van het dossier van geïntimeerde). Partijen verantwoorden dit door er op te wijzen dat de heerH meer prestaties leverde dan mevrouw K. Geen enkel stuk van de dossiers laat toe na te gaan wat de precieze prestaties waren van mevrouw K in de periode die aan de echtscheiding voorafging en waarin zij een vergoeding ontving. 5.
  8. Op 3 november 2003 dagvaardt mevrouw K de heerH in echtscheiding. Deze procedure loopt nog. 5.
  9. Mevrouw K dagvaardt op 3 augustus 2004 de huidige appellante tot betaling van de vergoeding voor haar als zaakvoerder. 5.
  10. De eerste rechter verklaart haar vordering toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Hij is van mening dat de vennootschap voor de periode dat zij de vergoeding toegekend heeft, erkend heeft de vergoeding verschuldigd te zijn. De erkenning wordt afgeleid uit de loonfiches, de loonstroken en de individuele rekening die voorhanden zijn. Voor de periode waarvoor geen erkenning bestaat door de vennootschap wordt de vordering verworpen. III. Grieven.
  11. De B.V.B.A. Ka is van mening dat de eerste rechter ten onrechte uit de loonfiches, de loonstroken en de individuele rekening afgeleid dat de vennootschap erkend heeft een zaakvoerdersvergoeding verschuldigd te zijn voor de periode van oktober 2003 tot en met juli
  12. De B.V.B.A. Ka steunt haar verweer tegen de oorspronkelijke vordering op de volgende argumenten: - Statutair is bepaald dat het zaakvoerderschap kosteloos is; - MevrouwH heeft sedert oktober 2003, datum van de inleiding van de procedure in echtscheiding tussen haar en de heerH, geen prestaties meer geleverd; - Op grond van de beschikking in kort geding van 11 februari 2004 ontvangt mevrouwH een onderhoudsgeld van de heer C.H. Volgens de B.V.B.A. werd dit toegekend precies omdat zij niet langer prestaties leverde als zaakvoerder en derhalve geen vergoeding meer ontving uit hoofde daarvan. Een vergoeding als zaakvoerder vragen is het gerechtelijk gewijsde van die beschikking miskennen. Volgens appellante is de vordering, gelet op al het voorgaande, ontoelaatbaar wegens gebrek aan belang (artikel 17 Ger. Wb.). De B.V.B.A. Ka wijst er nog op dat de vordering van mevrouw K rechtsmisbruik uitmaakt. Ondergeschikt wijst appellante op een materiële vergissing ten bedrage van euro 500 in het bestreden vonnis.
  13. Mevrouw K stelt incidenteel beroep in voor de afwijzing van haar vordering vanaf augustus
  14. Zij breidt ook haar vordering uit voor de periode vanaf het vonnis tot en met mei
  15. IV. Beoordeling. De toelaatbaarheid van de vordering.
  16. De belangvereiste van artikel 17 Ger. Wb. is niks anders dan de mogelijkheid om een voordeel te halen uit het eventueel gegrondheids-oordeel dat de rechter zal maken (zie o.a. Van Reepingen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel 1964, 41: het bestaat uit ‘ieder stoffelijk of zedelijk voordeel - effectief, maar niet theoretisch - dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt ...'; M.E. Storme, Procesrechtelijke knelpunten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtspleging, in: postuniversitaire cyclus Delva 1992-1993, 204, nr. 14: ‘... dat voor de toelaatbaarheid van een vordering uitsluitend het procesrechtelijk belang relevant is en niet het materieelrechtelijk belang, zijnde het belang dat de partij heeft bij de vast te leggen situatie zelf, bij het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling of verklaring van recht.'). Het procesrechtelijk belang is ieder voordeel, hetzij materieel, hetzij moreel dat de eiser door middel van zijn vordering in rechte daadwerkelijk en niet op theoretische wijze kan worden verkregen (Cass., 5 maart 1982, J.T., 1983, 309; zie ook BEERNAERT, S., "Het belang als ontvankelijkheids-vereiste bij de gewone rechter, de Raad van State en het Arbitragehof", P. & B., 2000, 157-158 en 164, met referenties). Mevrouw K is formeel nog steeds zaakvoerder in de B.V.B.A.. Er is geen discussie met betrekking tot het feit dat zij voor de huwelijks-moeilijkheden tussen haar en C.H een vergoeding als zaakvoerder ontving. Procesrechtelijk heeft zij derhalve een materieel belang bij haar vordering. De argumentatie van de B.V.B.A. KaasH (zie hiervoor) met betrekking tot de ontoelaatbaarheid van de vordering, betreft in werkelijkheid het al dan niet gegrond zijn van de vordering. De exceptie wordt verworpen. De vordering is toelaatbaar.
  17. De functie van zaakvoerder is in principe geen vriendendienst en wordt vergoed (RONSE, J., Vennootschapsrecht, Algemeen Deel, 348 ev.). Om die reden is de terminologie van de wet ook aangepast in het Wb. Venn. en wordt niet langer de terminologie van artikel 1986 B.W. (betreffende het kosteloos mandaat) gehanteerd.
  18. Er bestaat geen betwisting met betrekking tot het feit dat voor november 2003 zowel aan mevrouwH als aan de heer K een zaakvoerdersvergoeding betaald werd en dit ondanks het feit dat de algemene vergadering geen uitdrukkelijke en formele beslissing tot toekenning van een dergelijke vergoeding nam. Gelet op het feit dat beide zaakvoerders ook de enige vennoten zijn van de B.V.B.A. en gelet op het feit dat gedurende meerdere jaren een vergoeding voor het zaakvoerderschap aan de beide zaakvoerders - vennoten uitbetaald werd, aanvaardt het Hof de uitvoering van de overeenkomst als bewijs van het bestaan ervan. In deze zaak wordt toepassing gemaakt van het beginsel dat het bewijs in handelsaangelegenheden in beginsel vrij is (DIEUX, X., "La preuve en droit commercial belge", T.B.H., 1986, 89) en is geen verdere formaliteit vereist.
  19. De hoedanigheid van zaakvoerder van mevrouw K is tot op heden niet ingetrokken of herroepen. Ook de stilzwijgende beslissing om een vergoeding uit te keren aan mevrouw K als zaakvoerder is niet ingetrokken of herroepen. De B.V.B.A., noch de heerH kunnen dit eenzijdig doen. Tot op de dag van vandaag kan mevrouw K in beginsel als zaakvoerder aansprakelijk gesteld worden voor het gevoerde beleid in de B.V.B.A.. Het loutere feit dat er echtelijke moeilijkheden zijn ontstaan tussen de heer C.H, geen partij in dit geding, en mevrouw K, kan juridisch geen invloed hebben op de hoedanigheid van zaakvoerder van mevrouw K in de B.V.B.A. Ka, noch op de beslissing van deze laatste om een vergoeding uit te betalen. Er is niet aangetoond dat mevrouw K in de periode voorafgaand aan de dagvaarding tot echtscheiding wel in het bedrijf als zaakvoerder werkte, terwijl zij daarna geen prestaties meer geleverd zou hebben als zaakvoerder. Er kan in deze zaak dan ook geen toepassing gemaakt worden van het adagium "loon naar werk" (zie ook; HENRION, M.-L., "Le curateur et la rémunération des dirigeants de la société", J.T., 1986, 278, nr. 10). Het exclusieve zaakvoerderschap van de heerH sedert de dagvaarding in echtscheiding, waarop de B.V.B.A. zich beroept, is niet bewezen. Uit de stukken 9 en 19 tot 21 van het dossier van geïntimeerde en 6 en 9 van het dossier van appellante blijkt veeleer dat de B.V.B.A. en de heerH inspanningen leveren om mevrouw K buiten de werking van de vennootschap te houden en het haar zelfs onmogelijk te maken haar rechten als aandeelhouder uit te oefenen. Er is dan ook geen sprake van een aanvaarde feitelijke situatie in hoofde van alle betrokken partijen, noch van een rechtsgeldige beslissing vanwege de vennootschap. Gelet op deze stukken is het niet aangewezen een getuigenonderzoek te bevelen. Uit de uitspraak betreffende de voorlopige maatregelen tussen de echtgenoten H - K (stuk 5 van het dossier van appellante) blijkt dat de heerH geprobeerd heeft in die procedure een gerechtelijke regeling te verkrijgen voor het bestuur van de vennootschap. Terecht heeft de rechter zich onbevoegd verklaard. Andere wettelijke pogingen heeft de B.V.B.A., noch de heerH ondernomen. Uit hetzelfde stuk blijkt nog dat mevrouw K de onderhoudsbijdrage gevraagd heeft "indien en voor het geval dat de B.V.B.A. Ka verder in gebreke zou blijven de zaakvoerderswedde van eiseres a rato van euro 2.039,90 bruto te betalen" (p. 4 van stuk 5 van het dossier van appellante). Er is een bijdrage van euro 300 toegekend vanaf de datum van het in gebreke blijven van de B.V.B.A.. Eventueel persoonlijk betaalde bedragen van telkens euro 300 zullen dan ook desgevallend terugbetaald dienen te worden in geval van betaling door de vennootschap. Het Hof heeft in deze procedure evenwel niet de bevoegdheid dit te bevelen.
  20. Volgens appellante vergiste de eerste rechter zich met een bedrag van euro
  21. Mevrouw K wijst erop dat de heerH dit bedrag zelf als bijdrage in het onderhoudsgeld aangemerkt heeft (stuk 16, p. 3 van het dossier van geïntimeerde). Dit bedrag werd nochtans door de vennootschap en niet door de heerH persoonlijk betaald, zodat het niet kan gaan om een onderhoudsbijdrage.
  22. Op grond van al het voorgaande wordt besloten dat de oorspronkelijke en de uitgebreide vordering gegrond zijn, onder aftrek van euro
  23. De B.V.B.A. Ka wordt veroordeeld om aan mevrouw K de som te betalen van euro 40.085,71 ten titel van achterstallige zaakvoerdersbijdragen voor de periode van oktober 2003 tot en met mei 2006, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet: - vanaf de dagvaarding op de som van euro 11.770,17; - vanaf 29 december 2004 op de som van euro 18.537, 97 - euro 12.270,17 = euro 6.267,8; - vanaf 12 mei 2006 op de som van euro 40.585,71 - euro 18.037,97; alle drie tot aan de algehele betaling. Appellante wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding. V. Beslissing van het Hof. Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, doch enkel het incidenteel hoger beroep gegrond in de hierna volgende mate. Het bestreden vonnis wordt hervormd, behalve in zoverre het de vordering toelaatbaar verklaard heeft en de kosten beoordeeld heeft. Het Hof - doet opnieuw recht, - verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering en de uitbreiding van de eis toelaatbaar en gegrond; - veroordeelt appellante om aan geïntimeerde de som te betalen van euro 40.085,71 ten titel van achterstallige zaakvoerdersbijdragen voor de periode van oktober 2003 tot en met mei 2006, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet: - vanaf de dagvaarding op de som van euro 11.770,17; - vanaf 29 december 2004 op de som van euro 18.537, 97 - euro 12.270,17 = euro 6.267,8; - vanaf 12 mei 2006 op de som van euro 40.585,71 - euro 18.037,97; alle drie tot aan de algehele betaling; - veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, begroot als volgt: geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 485,87 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zestien oktober tweeduizend en zes. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.