id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061019.4 Rolnummer: 2003/AR/1732 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 14:32 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Vaststelling overspel Vrije woorden: Echtscheiding - bewijs - overspel - toelaatbaarheid proces-verbaal van vastelling - werk privé-detective leidde tot betrapping op overspel - handelwijze privé-detective - p.v opgesteld door plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder i.p.v titularis, aangewezen bij beschikking Voorzitter rechtbank van eerste aanleg - ontbreken moreel element van het overspel. Tekst van de beslissing in de zaak van: F.R, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. CAMBIEN Frank, advocaat te 8500 KORTRIJK, Simon Stevinstraat 9 tegen: M.C, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. HOSTE Betty, advocaat te 8870 IZEGEM, Burg. Vandenbogaerdelaan 18 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het tussenarrest van 10 juni 2004 uitgesproken door deze kamer van het hof (anders samengesteld), welke het principaal beroep van de appellante en het incidenteel beroep van de geïntimeerde ontvankelijk verklaarde en er tot dusver op wijzend:
(1)de respectieve rechtsvorderingen tot echtscheiding van de partijen gelet op de ingestelde strafvorderingen schorste,
(2)besliste dat voor het overige de zaak niet in staat van wijzen was,
(3)de zaak mitsdien naar de bijzondere rol van deze kamer verzond, en
(4)de beslissing nopens de kosten aanhield. De beroepen zijn nog steeds gericht tegen het vonnis d.d. 22.05.2003 van de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. De procedurevoorgaanden en de respectieve vorderingen van de partijen werden uitvoerig beschreven in het voormeld tussenarrest van 10 juni
- Het volstaat thans om daarnaar te verwijzen. Bij zijn twee conclusies na tussenarrest ter griffie neergelegd, respectievelijk op 24 juni 2005 en 22 september 2005, vorderde de geïntimeerde telkens de afwijzing van het principaal hoger beroep als ongegrond en de bevestiging van het bestreden vonnis met betrekking tot de tegeneis (verkeerdelijk door de geïntimeerde aangeduid als ¿hoofdeis') tot echtscheiding en de afwijzing van de vordering van de appellante tot het bekomen van een (provisionele) onderhoudsuitkering na echtscheiding. Tevens vorderde de geïntimeerde nog steeds het gegrond verklaren van zijn incidenteel beroep en het tenietdoen van het bestreden vonnis voor wat betreft de oorspronkelijke hoofdeis (verkeerdelijk door de geïntimeerde aangeduid als ¿tegeneis') tot echtscheiding, waarbij het hof, dienaangaande opnieuw wijzend, zou beslissen dat de door de appellante opgeworpen grieven niet bewezen zijn en dat de echtscheiding dienvolgens niet in zijn nadeel kan worden uitgesproken. Tenslotte vordert de geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot de kosten van de beide instanties, de procedure kort geding en de procedure vaststelling overspel, aan zijn zijde nader begroot. Bij haar twee, respectievelijk op 1 juli 2005 en op 1 juni 2006 ter griffie neergelegde conclusies na het voormeld tussenarrest, besluit de appellante telkens tot het gegrond verklaren van haar principaal hoger beroep en tot het ongegrond verklaren van het incidenteel beroep. Dienvolgens vordert zij dat het hof de oorspronkelijke tegeneis tot echtscheiding van de geïntimeerde ongegrond verklaart en haar oorspronkelijke nevenvordering gegrond verklaart. Uiterst ondergeschikt vordert zij om toegelaten te worden om het niet beledigend karakter van het overspel te bewijzen door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, en dat ten dien einde, dag en uur wordt vastgesteld voor het getuigenverhoor. Tevens vordert de appellante de bevestiging van het bestreden vonnis op het punt van de inwilliging van de oorspronkelijke hoofdeis tot echtscheiding en de bevolen gerechtelijke vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen en/of de onverdeeldheden. Tenslotte streeft zij de verwijzing na van de geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, aan haar zijde uiteindelijk nader begroot in de op 1 juni 2006 ter griffie neergelegde conclusies. Op de openbare terechtzitting van 21 september 2006 hebben de partijen de zaak integraal hernomen voor de thans samengestelde zetel van het hof. De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. voorafgaandelijk Het geïnventariseerd stavingstuk 6 van de appellante, genaamd ¿proces-verbaal van persoonlijke verschijning van partijen in het kader van de kort gedingprocedure d.d. 23/01/2002', bevindt zich als dusdanig niet in het dossier van de appellante, maar wordt door het hof aangetroffen in datzelfde dossier als geïnventariseerd stuk 7, onderdeel
- bespreking
- Wat betreft de oorspronkelijke hoofdvordering tot echtscheiding van de appellante overeenkomstig art. 231 B.W. heeft de eerste rechter bij het niet bestreden tussenvonnis van 6 juni 2002 de ingeroepen grieven van de appellante nog niet bewezen verklaard, maar haar toegelaten om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van vijf door hem gequoteerde grieven, met mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs aan de geïntimeerde onder dezelfde voorwaarden. Op verzoek van de appellante heeft de eerste rechter op 8 januari 2003 één getuige verhoord nopens de aangevoerde grieven. De desbetreffende getuige G.D, die zeer vaak bij de partijen aan huis kwam, bevestigde: 1) dat de zoon van de partijen nooit iets goed kon doen voor de geïntimeerde, alhoewel die altijd aan het werk was in de zaak van zijn ouders, en dat de geïntimeerde ook weigerde om zijn zoon financieel te steunen bij de aankoop van een woning (eerste grief); 2) dat de appellante van de geïntimeerde niet mocht leren rijden met diens auto en dat geïntimeerde zich ertegen verzette dat de appellante ook de plezierboot van de partijen bestuurde; dat de geïntimeerde er niet over te spreken was dat de appellante een eigen financiële rekening had geopend bij de getuige en haar zelfs verdacht met de getuige een relatie te hebben (tweede grief); 3) dat de geïntimeerde de appellante regelmatig verweet dat ze niets deed en niets kon, ook in het bijzijn van derden en de getuige, die dat gênant vond; dat de verwijten van de geïntimeerde erger waren naargelang de mate dat hij beschonken was; dat de geïntimeerde in het bijzijn van de getuige eens een ongelooflijke scène maakte toen de appellante, na te zijn gestopt met roken, toch verleid werd om toch nog één tot twee sigaretjes te roken (derde grief); 4) dat de geïntimeerde ¿af en toe' dronken was en het hele huishouden het moest ontgelden wanneer hij te veel gedronken had; dat de geïntimeerde bijna ieder weekend in de bar van de jachtclub zat, soms van 12 uur 's middags tot 8 à 9 uur 's avonds en toen behoorlijk dronken werd; dat ook de appellante daar toen soms aanwezig was (vierde grief); 5) dat de geïntimeerde na het overlijden van de vader van de appellante gedurende tien dagen niet thuis is geweest, maar op zijn boot bleef (vijfde grief). Hiermede wordt aangetoond dat de geïntimeerde tijdens het huwelijk van de partijen voortdurend vitte op zijn huisgenoten (echtgenoot en zoon) en dat dit erger werd naargelang de mate dat hij beschonken was. Dat laatste gebeurde geregeld en gedurende de weekends kon de geïntimeerde uren doorbrengen in de kantine van de jachtclub. De geïntimeerde hield de appellante liever in een staat van afhankelijkheid door niet te willen dat zij zich kon verplaatsen met het gezinsvoertuig of -vaartuig of een eigen financiële rekening opende. Tenslotte liet de geïntimeerde na om zijn echtgenote hulp en bijstand te verlenen in de voor haar moeilijke periode nadat haar vader was overleden en liet hij haar integendeel tien dagen in de steek. Deze bewezen feiten in hun onderling verband vormen samen ongetwijfeld de grove beledigingen bedoeld in art. 231 B.W. die het uitspreken van de echtscheiding in het nadeel van de geïntimeerde verantwoorden. De eerste rechter heeft dienaangaande dan ook juist beslist. De geïntimeerde poogt ten onrechte de getuigenverklaring van G.D in diskrediet te brengen. Vooreerst heeft de geïntimeerde niet verzocht om een tegenverhoor te laten houden. Anderzijds werd de getuige G.D, na strafrechtelijke klacht van de geïntimeerde met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter en een daaropvolgend relatief uitgebreid strafonderzoek, buiten vervolging gesteld bij niet bestreden beschikking van 7 mei 2004 uitgesproken door de correctionele raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk wegens het beweerd afleggen van een valse getuigenis in burgerlijke zaken (stavingstuk 17 van de geïntimeerde: beschikking met attest van niet-verhaal). De loutere bewering van de geïntimeerde dat de appellante met G.D eertijds een ¿relatie' zou hebben gehad staat helemaal niet vast. De verklaring van C.D aan de verbalisanten tijdens het strafonderzoek (stavingstuk 16 van de geïntimeerde) dat zij tijdens de periode april tot oktober 1999 in twee gevallen G.D en de appellante zou hebben aangetroffen in mekaars armen en/of terwijl ze aan het zoenen waren, moet met de nodige voorzichtigheid worden benaderd, enerzijds omdat G.D een ¿relatie' voor de eerste rechter in zijn getuigenverklaring onder ede heeft ontkend, en anderzijds omdat de geïntimeerde de daaropvolgende verklaring van G.D aan de verbalisanten niet betwist dat die tijdens de bewuste periode reeds een relatie had met een andere vrouw voor wie hij trouwens kort daarop het echtelijk dak verliet. In de gegeven omstandigheden vermag het hof niet te twijfelen aan de objectiviteit en de waarheidsgetrouwheid van de door G.D afgelegde getuigenverklaring. Tenslotte is het zeker onjuist dat de getuigenverklaring van slechts één getuige in alle omstandigheden als onvoldoende moet worden beschouwd om het positief bewijs te leveren van aangevoerde grieven tot echtscheiding. 2.
- wat de oorspronkelijke tegeneis tot echtscheiding van de geïntimeerde betreft op grond van art. 229 en 231 B.W. Bij het niet bestreden tussenvonnis van 6 juni 2002 heeft de eerste rechter de door de geïntimeerde aangebrachte grieven lastens de appellante evenmin als bewezen beschouwd, doch de geïntimeerde toegelaten om het bewijs van vier door hem gequoteerde grieven te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, met de mogelijkheid van tegenbewijs door de appellante onder dezelfde voorwaarden. De geïntimeerde heeft de eerste rechter nooit verzocht om een getuigenverhoor te laten plaatsvinden, aangezien hij op 6 september 2002 door plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder Geert Dermaux uit Oostende overspel liet vaststellen tussen de appellante en B.S. Op grond van bewezen overspel heeft de eerste rechter in het bestreden vonnis de echtscheiding ¿de plano' lastens de appellante uitgesproken. 2.
- De appellant betwiste vooreerst de toelaatbaarheid van dat proces-verbaal van vaststelling op twee gronden. 2.2.
- Enerzijds argumenteerde zij oorspronkelijk dat volgens de verklaring zelf van de geïntimeerde (zie navolgend pv nr. GF 009817/03 van 16 juli 2003 aan de politie Westkust - stavingstuk 15 van de geïntimeerde) het werk van een door hem aangezochte privédetective heeft geleid tot de betrapping op overspel en dat het om die reden van groot belang was of de detective al dan niet op wettige wijze is te werk gegaan. Hierover bestaat thans geen twijfel meer, want na de strafrechtelijke klacht van de appellante tegen de geïntimeerde en de door hem aangezochte privédetectives, met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter te Veurne wegens inbreuk op art. 66 S.W. en art. 5 van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, werden deze drie personen definitief bij arrest d.d. 12.04.2005 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent (stavingstukken 14 en 18 van de geïntimeerde) buiten vervolging gesteld. Het arrest overwoog onder meer zelfs expliciet dat ¿¿ Evenmin als de eerste rechter ontwaart het Hof, Kamer van Inbeschuldigingstelling enige zweem van strafbaar handelen in hoofde van de verdachten die een verwijzing naar de feitenrechter zou rechtvaardigen.'. Thans luidt het aan de zijde van appellante echter dat de omstandigheid dat de privédetectives geen strafbare handelingen stelden toch niet verhindert dat de materiële vaststelling van de gerechtsdeurwaarder slechts tot stand kon komen door onrechtmatig verkregen bewijs via het speurwerk van de privédetectives die haar gang en wandel gedurende een aantal weken permanent volgden. In het door de geïntimeerde overgelegd strafdossier (stavingstuk 15) heeft de door hem aangezochte privédetective D.M de chronologische verslagen neergelegd van zijn activiteiten. De privédetective zelf omschrijft zijn opdracht op 10 juli 2001 als ¿Schaduwopdracht naar plaats van bestemming. Bewijsmateriaal verzamelen om een echtscheidingsprocedure door gerechtsdeurwaar-dersexploot mogelijk te maken.' (strafinformatie, stuk 15 geïntimeerde, p. 15). Die privédetective heeft zijn onderzoeksopdracht volgens de appellante verricht in de periode 26 augustus tot en met 6 september
- Gelet op de overgelegde verslagen van de uitgevoerde observaties kan echter niet worden besloten dat, rekening houdend met de legitieme belangen van de beide partijen, de geïntimeerde in de concrete omstandigheden door een detective op zichzelf geoorloofde observaties heeft laten verrichten die desniettemin disproportioneel zouden zijn met het beoogd doel, nl. de vaststelling van het overspel van zijn echtgenote. Dat doel is immers legitiem en als noodzakelijk te beschouwen in een democratische samenleving, aangezien art. 213 B.W. bepaalt dat echtgenoten elkaar getrouwheid zijn verschuldigd. Waar de door art. 1016bis Ger.W. voorgeschreven waarborgen vervuld zijn, houdt de in dat wetsartikel bedoelde betrapping van overspel als dusdanig geen inbreuk in op art. 8.2 E.V.R.M.. De inmenging van het openbaar gezag in het recht op eerbieding van het privéleven en het huis is immers niet alleen toegelaten ter vrijwaring van fundamentele rechten maar kan ook strekken tot vrijwaring van individuele rechten en vrijheden (in dit geval van de geïntimeerde), ook al zouden die niet van fundamentele aard zijn (art. 8.2 E.V.R.M.). Er bestaat dan ook geen reden om de vaststelling van overspel ten verzoeke van de appellante op 6 september 2002 door plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder Geert Dermaux uit Oostende als een onrechtmatig verkregen bewijselement te weren. 2.2.
- Anderzijds betwist de appellante ook de rechtsgeldigheid van datzelfde proces-verbaal van vaststelling dat werd opgesteld door een plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder in plaats van de gerechtsdeurwaarder-titularis zelf, aangeduid in de beschikking ex art. 1016bis Ger.W. verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 2 september 2002 (stavingstuk 3 van de geïntimeerde). De argumentatie van de appellante snijdt nochtans geen hout. Overeenkomstig art. 524 Ger.W. moet de gerechtsdeurwaarder die vakantie neemt of (tijdelijk) verhinderd is om zijn ambt uit te oefenen zich laten vervangen door een confrater of een plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder. Art. 1016bis Ger.W. wijkt niet af van de voorwaarden gesteld in art. 524 Ger.W. en legt tevens niet op straffe van nietigheid van de vaststelling van overspel de verplichting op daarin te vermelden dat de bij art. 524 Ger.W. voorgeschreven voorwaarden in acht zijn genomen. Derhalve kan overspel wel degelijk worden vastgesteld door een (plaatsvervangende) gerechtsdeurwaarder die optreedt ter vervanging van de gerechtsdeurwaarder die door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg was aangesteld om de vaststelling uit te voeren, doch tijdelijk verhinderd was om zulks te doen. Voor zover de appellante van oordeel is dat de door de voorzitter van de rechtbank aangewezen gerechtsdeurwaarder Ronny Lievens uit Oostende niet was verhinderd in de zin van art. 524 Ger.W., dient zij daarvan het bewijs te leveren, hetgeen zij te dezen niet doet. Ook doet ze geen dergelijk bewijsaanbod. Het door haar aangehaald cassatiearrest (Cass. 4 februari 2005, www.cass.be) is tevens te dezen niet dienstig, omdat de daarin besproken gerechtsdeurwaarder, aangewezen in het kader van de procedure voorzien in art. 1016bis Ger.W., in rechte wèl een reden voor zijn vervanging had opgegeven, die echter naar het oordeel van het hof van cassatie niet verzoenbaar was met het begrip ¿verhindering' in art. 524 Ger.W.. Die omstandigheid doet zich niet voor met betrekking tot het door de appellante gewraakt proces-verbaal van vaststelling van plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder Geert Dermaux uit Oostende van 6 september 2002, dat zijn volle rechtsgeldigheid behoudt. 2.
- De appellante houdt tenslotte voor dat zelfs indien het hof de materiële vaststelling van overspel, zoals ze gebeurde, principieel als rechtsgeldig zou bevinden, het moreel element van het overspel desniettemin volledig zou ontbreken, zodat het overspel voor de geïntimeerde niet beledigend of kwetsend kon geweest zijn. Op p. 7 en 8 van haar op 1 juni 2006 ter griffie neergelegde conclusies verwijst de appellante expliciet naar de omstandigheden die zij ¿in extenso' heeft aangehaald in haar beroepsakte en in haar op 30 september 2003 ter griffie neergelegde conclusies en welke het ontbreken van het beledigend karakter van het overspel zouden moeten aantonen. Op p. 8 van haar beroepsakte argumenteert de geïntimeerde vooreerst dat het vastgesteld overspel voor de geïntimeerde niet beledigend kon zijn aangezien hij haar tijdens de laatste jaren van het huwelijksleven op het affectieve vlak volledig aan haar lot overliet. Op p. 5 en 6 van haar op 30 september 2003 ter griffie neergelegde conclusies houdt de geïntimeerde daarenboven voor dat het moreel element voor haar overspel niet voorhanden is aangezien de geïntimeerde tijdens het huwelijksleven er alles aan heeft gedaan om haar onder vele subtiele vormen te pesten en te tergen. De appellante verliest echter uit het oog dat, waar overspel steeds moet worden geacht beledigend te zijn voor de andere echtgenoot en de plicht tot getrouwheid van gehuwde personen blijft bestaan zolang hun huwelijk niet is ontbonden, er bovendien inzake echtscheiding geen compensatie van grieven en/of fouten bestaat. Het is immers niet omdat de geïntimeerde tijdens het huwelijksleven een inbreuk zou hebben gepleegd op zijn huwelijksplichten dat dit gegeven de appellante zonder meer toeliet om overspel te plegen. In deze gegeven omstandigheden, nu trouwens de echtscheiding in het nadeel van de geïntimeerde wordt uitgesproken wegens de bewezen verklaarde grove beledigingen die hij de appellante heeft aangedaan tijdens het gemeenschappelijk huwelijksleven (zie hiervoor sub 1), moet worden besloten dat het bewijsaanbod van de appellante niet gericht is op nuttige of ter zake dienende feitelijke elementen die het zouden noodzakelijk maken haar toe te laten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, aan te tonen dat haar overspel niet beledigend of kwetsend was voor de geïntimeerde. 2.
- De eerste rechter heeft dan ook juist beslist en de echtscheiding terecht eveneens op tegenvordering van de geïntimeerde wegens bewezen overspel uitgesproken lastens de appellante. De door de geïntimeerde in huidige instantie aangevoerde nieuwe echtscheidingsgrief overeenkomstig art. 231 B.W. voor het geval dat de aangevoerde vaststelling van overspel van de geïntimeerde niet als een rechtmatig en rechtsgeldig bewijsstuk zou worden aanvaard, nl. de grof beledigende omgang van de appellante met een andere man, dient in deze omstandigheden dan ook niet nader te worden onderzocht.
- Aangezien enkel de ¿onschuldige' partij in een echtscheidingsprocedure gevoerd op grond van art. 229 en/of art. 231 B.W. aanspraak kan maken op de in art. 301 B.W. bedoelde onderhoudsuitkering na echtscheiding, is de nevenvordering van appellante in die zin ongegrond, aangezien de echtscheiding ook in haar nadeel wordt uitgesproken.
- Met betrekking tot de door de eerste rechter bevolen vereffening en verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van de partijen en/of hun onverdeeldheden alsmede hun verwijzing daartoe naar notarissen, bestaat er geen betwisting, zodat het hof dienaangaande niet dient te beslissen.
- Met betrekking tot de kosten, met inbegrip van die van de procedure kortgeding en de procedure van vaststelling van overspel, heeft de eerste rechter, mede gelet op de hoedanigheid van de partijen als echtgenoten en omdat de echtscheiding in wederzijds nadeel moet worden uitgesproken, eveneens een juiste beslissing getroffen door de partijen elk in de helft van die kosten te verwijzen. Aangezien het bestreden vonnis integraal moet worden bevestigd en de partijen elk wederzijds falen in hun beroepen, komt het passend voor dat zij eveneens elk verwezen worden in de helft van de kosten van het hoger beroep, met dien verstande dat de respectieve rechtsplegingsvergoedingen en uitgavenvergoeding worden gecompenseerd. Deze kosten worden door het hof begroot op 186 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep beide ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, dus ook waar de eerste rechter de echtscheiding heeft uitgesproken tussen: M.C, geboren te A op ¿, en F.R, geboren te B op ¿, samen gehuwd te C op ¿, én ten nadele van C.M op hoofdvordering én ten nadele van R.F op tegenvordering. Verwijst de partijen elk in de helft van de kosten van het hoger beroep, begroot op 186 EUR rolrechten, met dien verstande dat de respectieve rechtsplegingsvergoedingen en uitgavenvergoeding worden gecompenseerd. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op NEGENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer M. RYDE, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div