id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061026.6 Rolnummer: 2005/AR/1451 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 14:34 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Overlegging stukken Vrije woorden: Overlegging stukken (art.877 Ger.W.) - toelatingsvoorwaarden voor de gedwongen inzakeroeping van een derde - vraag tot overlegging van stukken door een derde, ter beslechting van een geschil tussen bepaalde partijen, kan niet bij hoofdvordering of vordering in gedwongen tussenkomst worden aangebracht. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 877 Tekst van de beslissing in de zaak van: LANDBOUWKREDIET N.V., met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Sylvain Dupuislaan 251, ingeschreven met KBO-nummer 0205.764.318, appellante, hebbende als raadsman mr. VAN HYFTE Bart, advocaat te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 340 tegen:
- a. A.A, ¿, wonende te X, b. A.B, ¿, wonende te Y, c. A.C, ¿, wonende te Z, d. A.D, ¿, wonende te A, hierna in het arrest eerste geïntimeerden genoemd, allen hebbende als raadsman mr. DUFAIT Hubert, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Jagersdreef 6
- D.D, ¿, wonende te B, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE ZUTTER Kris, advocaat te 8700 TIELT, St. Janstraat 97 velt het hof het volgend arrest: Partijen werden op de openbare terechtzitting van 15 juni 2006 gehoord in hun middelen en besluiten; de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De overgelegde overtuigingsstukken en het dossier van de rechtspleging, omvattende inzonderheid: - de dossiers van de rechtspleging van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waaronder het bestreden vonnis van de 5e kamer van deze rechtbank d.d. 13 mei 2005, gekend onder A.R. 02/1838/A en A.R. 02/2723/A, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 8 juni 2005, werden ingezien. A. de feitelijke gegevens en antecedenten De feitelijke gegevens en antecedenten die aan de grondslag liggen van het in hoger beroep te beslechten geschil kunnen als volgt worden weergegeven. Eerste geïntimeerden zijn de kinderen van wijlen A.R, gesproten uit zijn huwelijk met H.L. Dit huwelijk werd op 3 november 1986 ontbonden door echtscheiding. Na deze echtscheiding ging wijlen A.R een relatie aan met D.D, zelf uit de echt gescheiden krachtens arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 11 juni 1987, met wie hij op 4 december 1987 (en niet 3 november 1986 zoals door de eerste rechter gesteld) ging samenwonen (stuk 20 eerste geïntimeerden). Deze samenwoning resulteerde vanaf 7 september 1988 in een wederzijdse volmacht op de rekeningen die voormelden hadden bij appellante en meer bepaald bij het agentschap te Schuiferskapelle waarvan de heer D.G agentschapshouder is (stukken 28-35 eerste geïntimeerden). Op 18 januari 1991 traden wijlen A.R en tweede geïntimeerde in het huwelijk. Zij huwden onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan andersluidend huwelijkscontract (stuk 40 eerste geïntimeerden). Daags voor het overlijden van wijlen A.R werd overgegaan tot het ¿liquideren¿ van al zijn financiële rekeningen (stukken 43-47 eerste geïntimeerden) en stelde wijlen A.R volgend eigenhandig geschreven testament op (stuk 42 eerste geïntimeerden): ¿ik legateer het grootst beschikbaar gedeelte van gans mijn nalatenschap aan mijn echtgenote D.D. dit is mijn testament. Ruiselede 12 Mei 1998 (handtekening) A.R¿. In besluiten voor de eerste rechter liet tweede geïntimeerde hieromtrent gelden dat het de wens was van de overledene en van haarzelf om eerste geïntimeerden zoveel als mogelijk te onterven en dit gelet op het feit dat eerste geïntimeerden gedurende jaren niet meer naar hun vader hadden omgekeken. Wijlen A.R overleed op 13 mei 1998 (stuk 41 en 48 eerste geïntimeerden) . Tussen eerste geïntimeerden en tweede geïntimeerde werden alsdan onderhandelingen gevoerd aangaande de vereffening en verdeling van de nalatenschap. Door tweede geïntimeerde werd op 20 oktober 1998 een eerste aangifte van nalatenschap gedaan (stuk 50 eerste geïntimeerden) doch ingevolge de betwistingen tussen eerste geïntimeerden en tweede geïntimeerde als gevolg o.m. van: - de tussenkomsten van eerste geïntimeerden via hun notaris (zie o.m. stukken 51a, c en d en 52 eerste geïntimeerden), - de tussenkomsten van eerste geïntimeerden bij een aantal financiële instellingen (zie o.m. stukken 51, 51b, 53a, 53c t.e.m. 56a, 57a eerste geïntimeerden), werd door tweede geïntimeerde een verbeterende aangifte van nalatenschap verricht op 29 april 1999 (stuk 57 eerste geïntimeerden). Ter zake dient vastgesteld te worden dat waar ook aan appellante als financiële instelling om een detaillijst werd gevraagd van aandelen, obligaties e.d. die bij het overlijden van wijlen A.R via appellante te koop waren aangeboden (zie in dit verband stuk 1 en 3 appellante - stuk 54 eerste geïntimeerden), appellante enkel: - in eerste instantie inlichtingen gaf over de openingsstand van een aantal rekeningen op 17 januari 1991 (stuk 2 appellante) en over de tegoeden op datum van het overlijden, meer bepaald dat alle rekeningen van de overledene een nulsaldo vertoonden (stuk 4 appellante - stukken 53c, 54a eerste geïntimeerden); - vervolgens een overzicht gaf van de rekeningen op naam van A.R en tweede geïntimeerde (stuk 55 eerste geïntimeerden); - tenslotte bij schrijven d.d. 18 maart 1999 (stuk 56 eerste geïntimeerden) te kennen gaf aan geïntimeerde A.M dat: ¿ zij in haar hoedanigheid van erfgenaam het recht had inlichtingen te bekomen over de tegoeden van haar vader op datum van overlijden doch dat alle rekeningen een nulsaldo vertoonden; ¿ er ingevolge het bankgeheim geen inlichtingen mochten worden verstrekt over de verhandeling van effecten aan toonder voor het overlijden. Vervolgens gaf appellante ¿ als antwoord op het schrijven van de raadsman van eerste geïntimeerden d.d. 23 juni 1999 (stuk 59 eerste geïntimeerden) waarin om een volledige en omstandige opgave werd verzocht van alle bankrekeningen, boekjes, aandelen, obligaties, waardepapieren, termijnbeleggingen, kluizen, effectendossiers e.d. van wijlen A.R en tweede geïntimeerde - het volgende te kennen bij brief d.d. 30 juli 1999 (stuk 61 eerste geïntimeerden): ¿Verwijzend naar uw onder rubriek vermeld schrijven delen wij u mede dat wij, gelet op onze discretieplicht, geen gegevens overmaken voorafgaand aan het overlijden. Behoudens op vordering van de onderzoeksrechter of een rechter in burgerlijke zaken delen wij deze gegevens niet mee.¿. In antwoord op dit schrijven d.d. 30 juli 1999 (en niet 30 juni 1999 zoals in de aanhef van de brief van de raadsman van eerste geïntimeerden d.d. 5 augustus 1999 - cfr. infra aangegeven) van appellante stelde de raadsman van eerste geïntimeerden appellante middels brief d.d. 5 augustus 1999 (stuk 5 appellante) in gebreke omdat volgens hem de wettelijke rechten van zijn cliënten, erfgenamen, op grond van artikel 724 B.W. en 1122 B.W. werden miskend, hetgeen volgens hem een contractuele fout uitmaakte. Vervolgens werd hierin gesteld: ¿Daar uit de informatie die mij ter beschikking ligt duidelijk blijkt dat uw kantoorhouder het leeuwenaandeel van het verbergen op zich heeft genomen, wellicht de reden van uw weigerende houding, zie ik mij verplicht inderdaad naar de Onderzoeksrechter te stappen maar dan viseer ik wel uw kantoorhouder als medeplichtige. Het welles nietes spel, hoewel de rechten van mijn cliënte wettelijk zonneklaar zijn, ben ik meer dan beu. Alleen een volledige en correcte informatie op grond van stukken per kerende kan deze klacht met burgerlijke partijstelling tegen uw aangestelde nog verhinderen.¿. Hierop werd geantwoord middels schrijven van appellante d.d. 10 augustus 1999 (stuk 6 appellante) waarin zij ontkende informatie te verbergen. Verder dient te worden vastgesteld dat eerste geïntimeerden bij vonnis van de 10e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 14 april 2000 (stuk 66 eerste geïntimeerden), zetelend in hoger beroep tegen een afwijzende beschikking van de vrederechter van het kanton Tielt d.d. 22 februari 2000 (stuk 65 eerste geïntimeerden), gemachtigd werden om te laten overgaan tot zegellegging van de waarden, bankbescheiden, papieren en stukken die toebehoorden aan de nalatenschap van wijlen A.R en deze die toebehoorden aan de huwgemeenschap van wijlen A.R en tweede geïntimeerde en die zich zouden bevinden in het woonhuis te D. Door de vrederechter van het kanton Tielt werd alsdan op 15 mei 2000 tot verzegeling overgegaan (stuk 67 eerste geïntimeerden) en ingevolge de beschikking tot ontzegeling d.d. 31 mei 2000 werd dan door notaris Deberdt Benedikt overgegaan tot inventaris van de inhoud van de verzegelde kast ten huize van tweede geïntimeerde (stuk 68 eerste geïntimeerden). Tevens werd: - na beschikking van de vrederechter van het kanton Tielt d.d. 7 juli 2000 overgegaan tot verzegeling van een kluis van tweede geïntimeerde in het agentschap van appellante te Schuiferskapelle (stuk 70 eerste geïntimeerden); - bij beschikking van dezelfde datum van de vrederechter van het kanton Tielt aan appellante verbod opgelegd om, zowel in de hoofdzetel als in het agentschap te Schuiferskapelle, alle titels, sommen, waarden toebehorende tot de nalatenschap van wijlen A.R en tot de huwgemeenschap van wijlen A.R en tweede geïntimeerde, terug te geven, te betalen of over te dragen (stuk 69 eerste geïntimeerden). Het tegen deze verzegeling door tweede geïntimeerde op 26.07.2000 geformuleerd derdenverzet (stuk 70a eerste geïntimeerden) werd afgewezen bij vonnis van de vrederechter van het kanton Tielt d.d. 15 november 2000 (stuk 71 eerste geïntimeerden) en de inhoud van de kluis werd alsdan geïnventariseerd door notaris Deberdt Benedikt (stuk 71b eerste geïntimeerden). Door voormelde notaris, hiertoe aangesteld krachtens het bevel tot ontzegeling, werd op 27 juni 2000 een eerste vacatie gehouden in de woning van tweede geïntimeerde voor het opstellen van de boedelbeschrijving, voortgezet op 18 januari 2001 in het agentschap van appellante te Tielt (Schuiferskapelle) (stuk 76 eerste geïntimeerden). Op 31 oktober 2001 richtte de raadsman van eerste geïntimeerden opnieuw een vraag tot informatie aan appellante (stuk 7 appellante - stuk 74c eerste geïntimeerden) waarop door appellante middels brief d.d. 22 november 2001 (stuk 8 appellante) de kosten van opzoekingen werden medegedeeld en waarbij tevens werd gemeld dat de opzoekingsperiode hoe dan ook beperkt was tot 10 jaar vanaf de datum van aanvraag. De raadsman van eerste geïntimeerden of zijzelf gingen klaarblijkelijk niet akkoord om dit schrijven voor akkoord ondertekend terug te zenden en de nodige betalingen te verrichten. Het blijkt ook dat: - de agentschaphouder D op 23.03.2001 aan de raadsman van tweede geïntimeerde een aantal inlichtingen overmaakte (stuk 9 appellante), alsook aan de raadsman van eerste geïntimeerden (stuk 10 appellante); - via tweede geïntimeerde en haar raadsman aan de agentschaphouder D werd verzocht om de listings van de rekeningen van wijlen A.R en tweede geïntimeerde en dit vanaf de opening en in elk geval vanaf 1 januari 1980 (stuk 11 appellante), waarna appellante voor een aantal gevraagde opzoekingen meldde dat ze niets meer kon doen gezien de bewaartijd van de documenten 10 jaar is (stuk 12 appellante), hetgeen nogmaals werd bevestigd in een schrijven van appellante aan de raadsman van tweede geïntimeerde d.d. 24 november 2001 (stuk 13 appellante): ¿Bij deze moet ik u herbevestigen dat het Landbouwkrediet kopies van de rekeningen en verrichtingen slechts gedurende tien jaar bewaard. Voornoemde stukken worden na tien jaar en zes maand systematisch vernietigd zodat wij u geen overzichten kunnen bezorgen voor de periode 1980-1990.¿; - de raadsman van tweede geïntimeerde ook van de N.V. Centea bij brief d.d. 30 oktober 2001 (stuk 14 appellante) een analoge bevestiging kreeg: ¿Gelieve te willen noteren dat wij enkel een overzicht van de verrichtingen kunnen bezorgen van de laatste 10 jaar. De gevraagde verrichtingen vanaf januari 1980 tot 1990 kunnen wij u niet bezorgen.¿. Tussen eerste geïntimeerden en tweede geïntimeerde grepen alsdan verdere onderhandelingen plaats, hetgeen dan klaarblijkelijk resulteerde in een voorstel tot minnelijke vereffening-verdeling (stuk 62 eerste geïntimeerden). Evenwel kon geen minnelijke regeling bewerkstelligd worden. Tweede geïntimeerde ging op 17 juni 2002 over tot dagvaarding van eerste geïntimeerden voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap die heeft bestaan tussen haarzelf en wijlen A.R, alsmede van de nalatenschap van laatstgenoemde, te horen bevelen, met medegaande openbare veiling van de onroerende goederen die van deze onverdeeldheid afhangen. Deze procedure was aldaar gekend onder A.R. 02/1838/A. In conclusies voor de eerste rechter volhardde tweede geïntimeerde in haar middels dagvaarding aangebrachte vordering doch zij verzocht minstens voorafgaandelijk een schriftonderzoek en onderzoek te bevelen naar de handtekening van wijlen A.R die voorkomt op het testament alsmede op de door haar voor de eerste rechter voorgelegde stukken I,29 bis en 29 ter. Nopens de vordering van tweede geïntimeerde tot vereffening-verdeling werd door eerste geïntimeerden in conclusies voor de eerste rechter: - vooropgesteld dat zij het testament van wijlen A.R d.d. 12 mei 1998 niet erkenden, noch wat betreft de handtekening, noch wat betreft het geschrift zelf, minstens dat na schriftonderzoek dit testament dient nietig verklaard te worden wegens de ongezondheid van geest van de testator; - ten aanzien van een reeks door hen aangeduide bankborderellen van appellante in verband met de ¿liquidatie¿ van de rekeningen van wijlen A.R en tweede geïntimeerde, de valsheidsprocedure ingesteld; - de toepassing gevorderd lastens tweede geïntimeerde van de artikelen 792 en 1448 B.W. ten aanzien van de som van 157.326,72 euro, voorheen 6.346.544,- BEF, zijnde het bedrag dat tweede geïntimeerde volgens hen pas wilde aangeven na de eerste zegellegging; - verzocht dat de rechtbank de kantoorhouder van het agentschap van appellante te Schuiferskapelle in zijn kantoor zou horen als getuige; - de aanstelling van een notaris-beheerder gevorderd met veroordeling van tweede geïntimeerde, onder verbeurte van een dwangsom, tot afgifte van alle gelden en waarden aan de betrokken notaris, minstens een bevel om overeenkomstig artikel 745 B.W. het een en ander te beleggen. Door eerste geïntimeerden werd tevens op 18 september 2002 overgegaan tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van appellante teneinde haar te zien en te horen: - veroordelen om tussen te komen in het geding gekend onder A.R. 02/1838/A; - veroordelen tot overlegging van volgende stukken: ¿ een overzicht van alle bankrelaties in de breedste zin van het woord (rekeningen, subrekeningen, termijnbeleggingen, waardepapieren, spaarboekjes, levensverzekeringen, pensioensparen, enz.) tussen appellante en wijlen A.R en tussen appellante en tweede geïntimeerde; ¿ van elk der rekeningen (bankproducten) een overzicht vanaf 1980 tot eind 1989; ¿ een overzicht van de agentenrekening met subrekening voor wijlen A.R en subrekening voor tweede geïntimeerde vanaf aanleg tot datum dagvaarding; - zeggen voor recht dat genoemde overlegging dient te geschieden binnen de 8 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis en dat na genoemde termijn een dwangsom zal worden verbeurd ten laste van appellante van 1.000,00 euro per dag en per ontbrekend stuk; - veroordelen tot de gerechtskosten. Alhoewel het hier ging om een tussenvordering werd dit tussengeschil ingeschreven onder een apart A.R.-nummer, met name A.R. 02/2723/A. In conclusies (evenwel neergelegd in de procedure A.R. 02/1838/A en dit spijts het feit dat de beide zaken nog niet waren samengevoegd) werd door eerste geïntimeerden hun (tussen)vordering opzichtens appellante uitgebreid in die zin dat zij tevens om de veroordeling verzochten van appellante tot een schadevergoeding, provisioneel geraamd op 0,02 euro, en dit om reden dat: - de aangestelde van appellante, zijnde de kantoorhouder van het agentschap te Schuiferskapelle, herhaalde fouten zou hebben begaan ten aanzien van hen als rechtsopvolgers van een klant; - appellante eveneens een fout beging door telkens op herhaalde vragen van eerste geïntimeerden voorop te stellen dat de gevraagde informatie niet kon worden gegeven. Tweede geïntimeerde sloot zich in conclusies voor de eerste rechter aan bij de vordering in gedwongen tussenkomst voor wat betreft de overlegging van de stukken en verzocht deze ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Hangende voormelde procedures werd o.m.: - door notaris Deberdt Benedikt op 17 oktober 2002 verder gegaan met de verrichtingen van boedelbeschrijving, waarbij op dat ogenblik tweede geïntimeerde reeds gemachtigd werd om zelf de eed af te leggen doch waarbij de verrichtingen nog niet werden gesloten (stuk 76 eerste geïntimeerden); - bij vonnis van de 10e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 23 mei 2003 (stuk 77b eerste geïntimeerden), zetelend in beroep tegen een afwijzende beschikking van de vrederechter van het kanton Tielt d.d. 10 april 2003, de verzegeling bevolen van: ¿ de kluis van of het gedeelte en/of kluisvakje in de gezamelijke kantoorhouderskluis bestemd voor tweede geïntimeerde in het bankfiliaal van de BBL te Wingene; ¿ de kartonnen dozen met bankrekeninguittreksels die zich bevonden op de zolder van de woning te D ; waarna door voornoemde vrederechter tot verzegeling werd overgegaan (stuk 77c eerste geïntimeerden). Bij vonnis van de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 13 mei 2005 werden de zaken gekend onder A.R. 02/1838/A en A.R. 02/2723/A samengevoegd en: - recht doende op de vorderingen in de zaak gekend onder A.R. 02/1838/A: ¿ werd de hoofdvordering in vereffening en verdeling van tweede geïntimeerde, de tegenvordering van eerste geïntimeerden en de tussenvordering van tweede geïntimeerde ontvankelijk verklaard; ¿ werd vooraleer verder ten gronde te oordelen over de tussenvordering van tweede geïntimeerde in schriftonderzoek bevolen dat: - zal worden overgegaan tot het onderzoek van het geschrift, beweerdelijk opgesteld te Ruiselede op 12 mei 1998 en beweerdelijk inhoudende het testament van wijlen A.R, dit zowel wat de handgeschreven tekst als wat de handtekening betreft; - tweede geïntimeerde en eerste geïntimeerden persoonlijk daartoe dienden te verschijnen in raadkamer op vrijdag 16 september 2005 om 10u30 en werd hen gelast aldaar alle titels, documenten en stukken van vergelijking mede te brengen; - notaris Verhaeghe Christophe met standplaats te Ruiselede bevolen overeenkomstig artikel 890, 1e en 4e lid Ger.W. het betwist testament in origineel neer te leggen ter griffie; ¿ werd vooraleer verder ten gronde te oordelen over de tegenvordering tot valsheid gesteld door eerste geïntimeerden, bevolen dat: - zal worden overgegaan tot het onderzoek van de beweerde valsheid i.v.m. de hierna genoemde terugbetalingsborderellen, uitgaande van het Landbouwkrediet, agentschap Schuiferskapelle: * borderel nr. 11/200274 i.v.m. de rekening nr. 105 3041458 49 inzake afhaling van 65,37 euro (2.637,- BEF); * borderel nr. 11/200275 i.v.m. de rekening nr. 105 3102029 92 inzake afhaling van 514,78 euro (20.766,- BEF); * borderel nr. 11/200276 i.v.m. de rekening nr. 105 3005717 04 inzake afhaling van 80,76 euro (3.258,- BEF); * borderel nr. 11/200277 i.v.m. de rekening nr. 105 0009096 04 inzake afhaling van 4.607,15 euro (185.852,- BEF); * borderel nr. 11/200278 i.v.m. de rekening nr. 103 2052402 47 inzake afhaling van 2.949,51 euro (118.983,- BEF); - tweede geïntimeerde en eerste geïntimeerden persoonlijk daartoe dienden te verschijnen in raadkamer op vrijdag 16 september 2005 om 10u30; - tweede geïntimeerde gelast deze betwiste stukken in origineel mede te brengen; ¿ werden alle genoemde vorderingen voor het overige naar de bijzondere rol verzonden. - recht doende op de vordering in de zaak gekend onder A.R. 02/2723/A: ¿ werd de vordering in tussenkomst en afgifte van de stukken ontvankelijk en gegrond verklaard ; ¿ werd appellante veroordeeld tot tussenkomst in het geding; ¿ werd aan appellante bevolen dat zij binnen de maand na de kennisgeving voorzien in artikel 880 Ger.W., zal overgaan tot overlegging, tegen ontvangstbewijs, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, van een overzicht van alle bewerkingen, dit vanaf het openen van de betrokken rekening tot op de datum van 15 mei 1998, betreffende de volgende rekeningen: - de rekeningen geopend op naam van wijlen A.R, met de nummers: 103 2052402 47 105 0009096 04 105 3005717 04 105 3041458 49 105 3102029 92 108 1025170 37 - de rekeningen geopend op naam van tweede geïntimeerde met de nummers: 103 2070628 37 105 3005685 69 105 3041449 40 108 1023972 03 en dat de griffier van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zal overgaan tot voeging van deze stukken in het dossier van de rechtspleging van het geschil, dit totdat over het geschil ten gronde definitief is beslist; ¿ werd appellante de keuze gelaten om deze stukken over te leggen hetzij in origineel, hetzij in afschrift, dat door een van haar organen voor eensluidend is verklaard; ¿ werd voor recht gezegd dat bij niet-nakoming door appellante zonder wettige reden van dit bevel binnen de gestelde termijn, zij van nu af aan en vooralsdan veroordeeld wordt tot schadevergoeding van 25.000,00 euro aan eerste geïntimeerden, onverminderd de straffen voorzien door artikel 495 bis S.W. voor bedrieglijke vernietiging, verandering of verberging van stukken; ¿ werden de debatten heropend teneinde partijen gebeurlijk nog toe te laten over de inhoud van de stukken standpunt in te nemen en werd de zaak daartoe in voortzetting gesteld op de openbare terechtzitting van 16 september 2005 vanaf 9u00; ¿ werd voor recht gezegd dat dit vonnis houdende bevel tot overlegging, niet vatbaar is voor verzet of hoger beroep; ¿ werd de vordering in schadevergoeding naar de bijzondere rol verwezen. Tenslotte werd de beslissing omtrent de kosten aangehouden. Tegen voormeld vonnis werd door appellante hoger beroep ingesteld middels verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 8 juni
- Wel heeft appellante op 9 juni 2005, in uitvoering van het bestreden vonnis doch onder voorbehoud van het hoger beroep, alle volgens haar beschikbare stukken met betrekking tot de rekeningen vermeld in het dispositief van het vonnis, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (stukken 19 appellante). B. de vorderingen in hoger beroep
- Appellante vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienvolgens: - in hoofdorde het bestreden vonnis te horen vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering tot tussenkomst onontvankelijk, minstens ongegrond te horen verklaren in al haar beschikkingen; - minstens alvorens recht te doen een deskundig onderzoek te horen bevelen en een gerechtsdeskundige te horen aanstellen met als opdracht: ¿Met in acht neming van de pleegvormen, kennisgevingen, oproepingen, kennisname van de stukken van partijen en verzoeningspoging, voorzien in art. 962 e.v. Ger.W., alle nodige inlichtingen in te winnen bij (appellante), op haar maatschappelijke zetel, of voor zover als nodig haar uitbatingszetel, met betrekking tot de bewerkingen en verrichtingen van de rekeningen geopend op naam van wijlen R.A en op naam van (tweede geïntimeerde) bij appellante voor de periode van 1980 tot op de dag van hun huwelijk op 18 januari 1991, dit uiteraard in de mate dat dit nog mogelijk is. Vervolgens aan partijen kennis te geven van zijn beslissingen en, na hun opmerkingen te hebben gehoord, een eindverslag op te stellen in de wettelijke vormen en dit binnen de drie maanden na de kennisgeving van zijn opdracht conform artikel 965, 1e lid, Ger.W.¿. Tevens verzoekt zij de geïntimeerden te horen veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen. Eerste geïntimeerden concluderen: - in hoofdorde tot de onontvankelijkheid, - in subsidiaire orde tot de ongegrondheid, van het hoger beroep.
- Tevens stellen eerste geïntimeerden incidenteel hoger beroep in tegen het bestreden vonnis en verzoeken zij: - appellante een nieuwe termijn te horen geven van 30 dagen om alle stukken vermeld in het vonnis a quo neer te leggen ter griffie; - bij weigering van appellante, de schadevergoeding op te trekken tot 100,00 euro. De appellante vraagt de afwijzing van het incidenteel beroep als onontvankelijk minstens ongegrond. Tenslotte verzoeken eerste geïntimeerden om appellante te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het hoger beroep.
- Tweede geïntimeerde verzoekt aan het hof dat zou worden geacteerd dat zij zich gedraagt naar de wijsheid van het hof. C. beoordeling
- Door appellante werd tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Eveneens werd door eerste geïntimeerden tijdig en in regelmatige vorm incidenteel hoger beroep aangetekend.
- Eerste geïntimeerden merken op dat: - tweede geïntimeerde niet zou zijn vermeld als geïntimeerde in het verzoekschrift tot hoger beroep, zodat zij geen gedingpartij is voor het hof; - tweede geïntimeerde in de dagvaarding in gedwongen tussenkomst geen partij was. Tweede geïntimeerde houdt gestand dat het hoger beroep niet tegen haar is gericht. Krachtens artikel 1057, 3° Ger.W. dient de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep te vermelden. Ter zake dient vastgesteld dat appellante in haar verzoekschrift tot hoger beroep aangaf dat zij hoger beroep wenste aan te tekenen tegen het bestreden vonnis op tegenspraak uitgesproken inzake haarzelf en: - eerste geïntimeerden (die zij in het verzoekschrift tot hoger beroep reeds kwalificeerde als ¿geïntimeerden¿), - in aanwezigheid van tweede geïntimeerde (die zij in het verzoekschrift aanduidde als ¿oorspronkelijke eiseres¿), waarbij zij alsdan overeenkomstig artikel 1057, 8° Ger.W. de plaats, de dag en het uur van verschijning voor de ¿gedaagden in hoger beroep¿ aangaf zonder specifiek aan te duiden of zij met gedaagden in hoger beroep enkel eerste geïntimeerden dan wel tweede geïntimeerde bedoelde. Artikel 1057, 3° Ger.W. vereist evenwel niet de vermelding van de hoedanigheid van geïntimeerde in hoger beroep. Tweede geïntimeerde werd overeenkomstig artikel 1056, 2° Ger.W. trouwens als gedaagde partij van het verzoekschrift tot hoger beroep in kennis gesteld, concludeerde als zijnde een partij tegen wie het hoger beroep is gericht en was vertegenwoordigd op de terechtzittingen. Vervolgens dient vastgesteld te worden dat tweede geïntimeerde in conclusies voor de eerste rechter verzocht de vordering in gedwongen tussenkomst van eerste geïntimeerden ontvankelijk en gegrond te verklaren. Waar tweede geïntimeerde in eerste aanleg als procespartij is opgetreden en alsdan aan appellante tegengestelde belangen heeft verdedigd door zich aan te sluiten bij de vordering in gedwongen tussenkomst van eerste geïntimeerden, kan tegen haar eveneens het hoger beroep worden gericht. Er zijn geen redenen om het hoger beroep nietig te verklaren. Meteen faalt ook de exceptie van onontvankelijkheid van het incidenteel beroep.
- Door eerste geïntimeerden wordt geconcludeerd tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante. Zij menen dat het bestreden vonnis niet vatbaar zou zijn voor verzet of hoger beroep op grond van artikel 880, al. 2 Ger.W., zoals ten andere aangegeven door de eerste rechter in het dispositief van het vonnis. Dit kan niet worden onderschreven. Het bestreden vonnis, in zover het de vordering in gedwongen tussenkomst lastens appellante ontvankelijk en gegrond verklaarde, is naar het oordeel van het hof wel degelijk vatbaar voor hoger beroep. Overeenkomstig artikel 616 Ger.W. kan hoger beroep worden ingesteld tegen ieder vonnis, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 880 Ger.W. bepaalt: ¿Het vonnis wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen en in voorkomend geval aan de derde. Het is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.¿, waarbij met ¿het vonnis¿ wordt bedoeld het vonnis dat overeenkomstig artikel 877 e.v. Ger.W., en binnen de voorwaarden en procedure bepaald in deze artikelen, de overlegging van het origineel of van een afschrift van een stuk door een partij of door een derde beveelt. De procedure voorzien in artikel 877 Ger.W., die aan de rechter toelaat om hetzij op vordering van één der gedingpartijen hetzij ambtshalve, aan één of meer der gedingpartijen, maar ook aan derden, te bevelen om documenten kenbaar te maken die voor de oplossing van het geschil belangrijk kunnen zijn, wordt door het gerechtelijk wetboek als een ¿tussengeschil¿ m.b.t. de bewijsvoering beschouwd (zie o.m. artikel 879 Ger.W. waar er sprake is van ¿eiser in het tussengeschil¿). Dit blijkt ten andere ook uit de omstandigheid dat voor andere wettelijk voorziene procedures om bewijzen te verkrijgen uitdrukkelijk is voorzien dat deze in de vorm van een hoofdvordering of van een tussenvordering kunnen geschieden (artikel 883 Ger.W. m.b.t. het schriftonderzoek, artikel 895 Ger.W. m.b.t. de valsheidsprocedure). Het tussengeschil voorzien in artikel 877 Ger.W. e.v. waarover dient geoordeeld te worden alvorens een beslissing ten gronde te nemen, manifesteert zich dus in het geschil van de oorspronkelijk in het geding betrokken partijen. De derde aan wie desgevallend de overlegging van stukken overeenkomstig artikel 877 Ger.W. wordt bevolen, wordt hierdoor geen procespartij in het geding. Wanneer aldus - conform de wettelijke bepalingen - een dergelijk tussengeschil wordt beslecht, is inderdaad voorzien in artikel 880, lid 2 Ger.W. dat geen verzet of hoger beroep mogelijk is. Met appellante dient evenwel gesteld te worden dat de uitzonderingen op het recht van hoger beroep restrictief dienen te worden geïnterpreteerd. In casu hebben eerste geïntimeerden op een oneigenlijke manier de procedure voorzien in artikel 877 Ger.W. bij de eerste rechter aangebracht, m.n. door appellante te dagvaarden in gedwongen tussenkomst waardoor zij aldus de hoedanigheid van procespartij verwierf. Het bestreden vonnis is dus geen vonnis dat binnen de voorwaarden en de procedure bepaald in de artikelen 877 Ger.W. de overlegging van stukken beveelt aan een derde doch wel een vonnis dat recht doende op een zelfstandige vordering in gedwongen tussenkomst, naar analogie de regelen van artikelen 877 e.v. Ger.W. toepast. In die zin is het hof dan ook van oordeel dat de uitzonderingsbepaling van artikel 880, lid 2 Ger.W. geen toepassing kan vinden en dat het hoger beroep van appellante wel degelijk toelaatbaar is.
- Appellante laat gelden dat de eerste rechter ten onrechte de vordering in gedwongen tussenkomst van eerste geïntimeerden ontvankelijk verklaarde in de mate dat eerste geïntimeerden overgingen tot dagvaarding, terwijl zij enkel de overlegging van de stukken vroegen en dus toepassing dienden te maken van de procedure voorzien in artikel 877 Ger.W.. Algemeen wordt aangenomen dat de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de gedwongen inzakeroeping van een derde strikter moeten zijn dan deze voor een vrijwillige tussenkomst, omdat diegene die gedwongen wordt tussen te komen, daarvoor zelf niet kiest en zijn lot op dat vlak dan ook niet in eigen handen heeft. Een nauwere band met de hoofdvordering wordt dus vereist. In die zin wordt terecht aanvaard dat slechts die derden in tussenkomst kunnen worden gedagvaard die derdenverzet zouden kunnen doen tegen de beslissing op de hoofdbetwisting. In casu bestaat voor appellante geen enkele mogelijkheid om een derdenverzet aan te tekenen tegen een vonnis dat de vordering tot vereffening-verdeling van tweede geïntimeerde beslecht vermits de rechten van appellante hierdoor onmogelijk konden worden benadeeld, zodat tot de ontoelaatbaarheid van de vordering in gedwongen tussenkomst voor de eerste rechter dient te worden besloten. Het bovenstaande is overigens congruent met de procedure voorzien in artikel 877 Ger.W. die de mogelijkheid biedt om een derde die een stuk in zijn bezit zou hebben ter oplossing van een tussen partijen gerezen geschil en die - om de redenen boven aangehaald ¿ niet in het geding kan worden betrokken als gedwongen tussenkomende partij, toch te verplichten om dit stuk in het debat tussen partijen over te leggen. De vraag tot overlegging van stukken door een derde, ter beslechting van een geschil tussen bepaalde partijen, kan dus niet bij hoofdvordering of vordering in gedwongen tussenkomst worden aangebracht. Wel wordt verdedigd dat ook de voorzitter in kort geding op grond van artikel 584 Ger.W. de overlegging van stukken, hetzij door een partij die reeds in een betwisting ten gronde is betrokken, hetzij door een derde, kan bevelen alsook dat de rechtbank ter bescherming van een ernstig bedreigd recht dit zou kunnen doen op grond van artikel 18, lid 2 Ger.W., hetgeen evenwel niet gelijk is te stellen met een vordering ten gronde middels hoofdvordering of vordering in gedwongen tussenkomst. Volledigheidshalve weze het opgemerkt dat de overweging van de eerste rechter dat de discussie omtrent de toelaatbaarheid van de vordering tot overlegging van stukken middels gedwongen tussenkomst niet eens meer aan de orde was gezien eerste geïntimeerden in conclusies hun vordering hadden uitgebreid (tot het bekomen van een schadevergoeding van appellante), niet kan worden onderschreven. De toelaatbaarheid van een vordering dient immers beoordeeld te worden op het ogenblik van de rechtsingang. Gelet op hetgeen voorafgaat is het hoger beroep van appellante dan ook gegrond te verklaren.
- In acht genomen de gegrondheid van het hoofdberoep is het incidenteel hoger beroep van eerste geïntimeerden als ongegrond af te wijzen.
- Onder toepassing van artikel 1017 Ger.W. dienen eerste geïntimeerden verwezen te worden in de kosten van het geding aan de zijde van appellante, terwijl de kosten die zij uitgestaan hebben ten hunnen laste dienen te blijven. Evenzeer dienen de kosten die tweede geïntimeerde heeft uitgestaan ten haren laste te blijven. Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische franken nog zijn vermeld, is dit louter ter informatie. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt binnen de perken van het hoger beroep het bestreden vonnis en opnieuw wijzende, wijst de oorspronkelijke vordering in gedwongen tussenkomst van eerste geïntimeerden lastens appellante af als ontoelaatbaar. Verklaart het incidenteel hoger beroep van eerste geïntimeerden ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Verwijst eerste geïntimeerden in de kosten van het geding aan de zijde van appellante en begroot deze op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 174,76 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 242,94 EUR. Laat de overige kosten ten laste van diegene die ze heeft uitstaan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ZESENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div