id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061030.6 Rolnummer: 2005/AR/3091 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 14:35 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lening Vrije woorden: Rekening-courant - begrip - geen achtergestelde lening in deze zaak - rekening-courant is geen kapitaal, zodat de terugbetaling ervan de vennootschap niet in gevaar brengt. Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. BAVECO, met maatschappelijke zetel te 9520 Sint-Lievens-Houtem, Hoogbavegem 26 en met ondernemingsnummer 0400.123.416, appellante, hebbende als raadsman mr. Philippe De Vleeschauwer, advocaat met kantoor te 9840 De Pinte, Hemelrijkstraat 1, tegen G.V, ¿, wonende te X, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marc Dewispelaere, advocaat met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Oude Mechelsestraat 165, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing.
- Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde (A/03/0049) van 9 november
- II. Feiten en procedure in eerste aanleg.
- De Heer G.V, geïntimeerde is samen met zijn broers R en E.V aandeelhouder van verschillende familievennootschappen, waaronder de N.V. Baveco, appellante. Tot 30 december 2002 was de Heer G.V ook bestuurder in de N.V. Baveco. In bijna alle vennootschappen hebben de drie broers belangrijke vorderingen in rekening - courant. Op deze vorderingen wordt trimesterieel een interest van 8,25% op jaarbasis uitbetaald (stuk 2 van het dossier van geïntimeerde). In de loop van 2003 ontstaan ernstige moeilijkheden tussen de broers. Er zijn twee kampen: R en E.V enerzijds en G.V, de zus M.V en hun ouders anderzijds.
- Daarop start G.V in de loop van het tweede kwartaal van 2003 een achttal procedures tot betaling van de openstaande saldi van zijn rekening - courant, waaronder de voorliggende procedure. In de dagvaarding van 30 april 2003 vordert de Heer G.V de veroordeling van de N.V. Baveco om hem de som van euro 213.565,66 te betalen, te vermeerderen met een forfaitaire schadevergoeding van euro 18.895,01, meer de gerechtelijke intresten en de proceskosten. Bij conclusie vordert de Heer G.V uiteindelijk nog de betaling van euro 153.310,63 provisioneel, meer de conventionele driemaande-lijks te imputeren intresten aan 8,25 % per jaar vanaf 1 oktober 2002 tot de dag van betaling, meer de som van 10% op dit bedrag, meer de gerechtelijke intresten en meer de kosten van het geding. Daarnaast worden ook zes procedures ingeleid over het aandeelhouderschap in en het bestuur van twee van de familievennootschappen, namelijk de N.V. Cominbel en de N.V. Baveco. Deze procedures zijn nog hangende.
- Op 10 juni 2003 ondertekenen alle betrokkenen zonder voorbehoud een verklaring waarin zij hun intentie uiten om de betwisting minnelijk te regelen (stuk 26 van het dossier van appellante). In het kader daarvan worden de schulden in rekening - courant van de diverse vennootschappen aan de Heer G.V gedeeltelijk aangezuiverd voor een bedrag van euro 250.000,
- Ook dit laatste is zonder voorbehoud. Op 22 juli 2003 ontvangt geïntimeerde als uitbetaling van zijn vordering op de rekening - courant van andere vennootschappen een aantal sommen. In de overeenkomst is geen enkel voorbehoud gemaakt, ook niet inzake de euro 250.000 voor de rekeningen - courant. De raadsman van geïntimeerde maakt wel voorbehoud in de afrekening van 15 juli 2003 (stuk A 33 van het dossier van appellante). De partijen bereiken geen globaal akkoord en de gerechtelijke procedures worden verder gezet.
- De eerste rechter: - Veroordeelde huidige appellante om aan huidige geïntimeerde de sommen te betalen van euro 153.310,63, te vermeerderen met de moratoire verwijlintresten vanaf 1 april 2004 aan 8,5% per jaar, om de drie maand te imputeren op de hoofdsom en dit tot de dag der algehele betaling en de som van euro 15.331,06, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 30 april 2003 tot de dag der algehele betaling; - Veroordeelde huidige appellante tot betaling van de kosten van het geding; - Verklaarde het tussenvonnis uitvoerbaar bij voorraad. III. Rechtspleging in hoger beroep.
- Appellante stelt hoger beroep in bij verzoekschrift van 22 december
- Dit hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De N.V. Baveco vraagt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en de oorspronkelijke vordering toelaatbaar maar ongegrond te verklaren. Minstens vordert zij de huidige procedure op te schorten, in afwachting van de samenvoeging met de andere procedures inzake Baveco te Gent en te Antwerpen. Zij vordert tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de proceskosten;
- Huidige geïntimeerde vordert: - akte te nemen van de materiële vergissing in het vonnis a quo betreffende de intrestvoet, die 8,25% en niet 8,50% dient te zijn; - akte te nemen van het incidenteel hoger beroep betreffende de aanvangsdatum van de intresten: 1 oktober 2002 i.p.v. 1 april 2004; - voor het overige het bestreden vonnis te bevestigen; - akte te nemen van de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep voor een bedrag van euro 15.
- IV. Grieven.
- Appellante herneemt in hoofdzaak de argumenten die ze in eerste aanleg naar voor bracht en werkt deze wat verder uit: - de rekening - courant is feitelijk een achtergestelde lening; - de terugbetaling van de rekening - courant brengt de vennootschap en haar voortbestaan in gevaar; - de rekening - courant bestaat gedeeltelijk uit bestuurdersvergoedingen en grotendeels uit de verkopen van aandelen aan groepsmaatschap-pijen en uit ontvangen intresten. Omdat er over het aandeelhouder-schap van sommige vennootschappen van de familie betwisting zou bestaan, is geen uitbetaling van de rekening - courant verschuldigd; - de gemeenrechtelijke schadevergoeding van 10% werd ten onrechte toegekend; - de intresten zijn niet verschuldigd. Minstens werd intrestvoet verkeerdelijk op 8,5% gebracht, terwijl dit 8,25% moet zijn; - de behandeling van de zaak moet opgeschort worden om samenvoeging mogelijk te maken; - de kosten van het geding moeten ten laste van geïntimeerde gelegd worden. Deze punten worden hierna beslecht. V. Beoordeling. De rekening - courant is geen achtergestelde lening, die om die reden niet opeisbaar is.
- Tussen partijen bestaat hoe dan ook geen discussie dat er een rekening - courant bestaat. Geïntimeerde en zijn broers maakten een overeenkomst waarin zij probeerden een eind aan de geschillen te maken en waarin overeengekomen werd dat euro 250.000 aan geïntimeerde zou betaald worden als vereffening van zijn verschillende rekeningen - courant. Dit onderdeel van de overeenkomst werd ook (gedeeltelijk) uitgevoerd. Wel blijft de vraag of de rekening - courant een achtergestelde lening is, die niet opeisbaar zou zijn.
- De ¿achtergestelde rekening¿ kent geen wettelijke definitie. Het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen (B.S., 19 oktober 1976) geeft geen omschrijving van de post "Achtergestelde leningen" van het algemeen rekeningenstelsel. Bovendien blijkt dat deze term in de praktijk twee verschillende inhouden kan dekken. In het algemeen worden achtergestelde leningen aangemerkt als leningen waarbij de achterstelling geldt voor alle schuldeisers. Soms wordt dezelfde term gebruikt voor de afstand van rang die uitsluitend en op beperkende wijze is toegestaan ten voordele van één of meer met naam genoemde schuldeisers of voor welbepaalde vorderingen (L. Simont, in Les Sûretés issues de la pratique, Colloque Feduci Bruxelles 1983, p. 301 en S. Velu-Spreutels, Rapport "La subordination de créance", in "Les Sûretés issues de la pratique", Colloque Feduci Bruxelles 1983, Tome 2, alles geciteerd in Commissie voor Boekhoudkundige Normen, Advies 159-2, Bulletin CBN, nr. 24, september 1989, p. 21-22; http://www.cnc-cbn.be/NL/NL_index_ne.htm.). Op grond van artikel 1315, lid 1 B.W. en artikel 870 Ger. Wb. moet appellante bewijzen dat de rekening - courant in deze zaak een achtergestelde lening is en welke soort achtergestelde lening dit is. Welnu, Baveco levert niet het wettelijk vereiste bewijs. Het loutere feit dat de rekening niet opgevraagd geweest is gedurende een periode is onvoldoende om van een algemene of specifieke achterstelling te spreken. Borgstelling wordt niet vermoed (artikel 2015 B.W.). Het is dus onvoldoende dat appellante poneert dat de rekening - courant ¿als het ware een stilzwijgend en latente persoonlijke borg vormt¿ (p. 17 van haar conclusie). Er is geen uiting van een ondubbelzinnige wil tot borgstelling vanwege geïntimeerde. Minstens is deze niet bewezen.
- De vraag rijst of uit de aard van de rekening - courant en uit de wijze waarop tussen partijen de rekening - courant is ingevuld appellante een argument van achterstelling kan afleiden. Dit is niet het geval, om redenen die hierna uiteen gezet worden. De rekening - courant is een overeenkomst, die niet wettelijk gereglementeerd is (Cass., 17 februari 1970, Arr. Cass., 1969-'70, 571, met referenties in de voetnoten 1 en 2; Cass., 20 februari 1970, Arr. Cass., 1969-'70, 584). De voorwaarden, modaliteiten en gevolgen worden vrij vastgesteld door de partijen. Bij gebrek aan vaststelling door de partijen worden deze door het gebruik bepaald (Cass., 17 februari 1970, Arr. Cass., 1969-'70, 575). De precieze vaststelling behoort tot de appreciatie van de feitenrechter (ibidem). De rechter moet, in toepassing van de bepalingen ter zake in het burgerlijk wetboek, de bedoeling van partijen nagaan. Rechtspraak en rechtsleer hebben verschillende theorieën ontwikkeld om een bepaalde rechtsgrond aan de praktijk van de rekening - courant te geven. Op grond daarvan kunnen dan voorwaarden, modaliteiten en gevolgen gemakkelijker en duidelijker vastgelegd worden. Hetzij wordt, volgens de oude theorie, de rekening - courant beschouwd als in essentie een overeenkomst, waarbij twee personen, die zakenrelaties onderhouden, beslissen de individualiteit van hun wederzijdse schuldvorderingen op te heffen en de wederzijdse vorderingen om te vormen tot debet- en creditposten, zodat het saldo pas opeisbaar wordt bij het sluiten van de rekening (FREDRICQ, L., Traité de droit commercial, T. IX, nr. 216, p. 209). Hetzij wordt de rekening - courant in essentie beschouwd als een overeenkomst, waarbij overeengekomen wordt opeenvolgende schuldvergelijkingen door te voeren (Ibidem). Dit is thans een meer gangbare analyse. In het eerste geval moet vastgesteld worden dat partijen hun rekening hebben willen afsluiten. Dit blijkt uit de overeenkomst waarin overeengekomen werd geïntimeerde euro 250.000 terug te betalen (stuk 26 van het dossier van appellante). In het tweede geval kan op elk ogenblik een einde gemaakt worden aan de overeenkomst, nu er voortdurende compensaties zijn en het saldo op elk ogenblik kan opgevraagd worden. Ook wanneer de rekening - courant als een lening wordt gekwalificeerd, zoals sommige rechtspraak en ook de fiscus doet (zie o.a. Antwerpen, 5 september 2000, Fisc. Koer., 2000, 508), is het saldo opeisbaar. In toepassing van de artikelen 1874 e.v. B.W. is de ontlener gehouden het geleende terug te geven. Van het feit dat de kredietverstrekkers van de vennootschap enkel belangrijke kredieten verstrekt hebben omdat de RC achtergesteld was, is een niet bewezen bewering. Tenslotte is het argument dat de verkoop van aandelen tussen 1994 en 1999 aan de holding N.V. Cobavex voor meer dan euro 1,9 miljoen en de rekeningen - courant dus wel moeten achtergesteld zijn niet dienstig. In de eerste plaats is appellante niet betrokken bij deze verkoop. Appellante noemt zichzelf ook niet in haar opsomming (p. 17 in fine van haar conclusie). Ten tweede gaat dit om een vroegere periode.
- Na de pleidooien in de procedures inzake de N.V. Graba, Granimex en Wouters is een fax van 26 juni 2000 opgedoken, waarin sprake is van een ¿achtergestelde rekening -courant¿ (cursivering eigen aan het stuk - stuk 87 van het dossier van appellante). Deze fax wordt in de voorliggende procedure ook neergelegd. Van dit stuk kan niet uitgemaakt worden van wie hij afkomstig is, noch aan wie hij gericht is. Het feit dat er cursief getikt staat : ¿onze achtergestelde R/C¿ komt eigenaardig voor, nu in dit stuk, dat dateert van een ogenblik waarop nog geen onenigheid bestond binnen de vennootschappen, geen enkele reden aanwijsbaar is om dit zinsdeel cursief weer te geven. Op grond van deze drie elementen samen (laattijdigheid, onduidelijke oorsprong en bestemming en onnodige cursivering) oordeelt het Hof dat deze fax het bewijs van een achterstelling van de rekening - courant niet levert. Hoe dan ook wordt in deze zaak vastgesteld dat partijen hun rekening hebben willen afsluiten, minstens op 10 juni
- Dit blijkt uit de meer geciteerde overeenkomst waarin overeengekomen werd geïntimeerde euro 250.000 terug te betalen. Het nieuwe stuk met de fax van juni 2000 is om die reden niet dienstig bij het beslechten van de zaak. Zelfs indien eruit zou blijken dat de rekening - courant achtergesteld was en dat de vennoten zouden akkoord gegaan zijn hun tegoeden niet op te vragen, dan nog moet vastgesteld worden dat partijen duidelijk de wil geuit hebben om een einde te maken aan hun samenwerking en dit door de overeenkomst van 10 juni 2003, die minstens gedeeltelijk uitgevoerd werd door de onvoorwaardelijke storting van gelden. Op grond van die overeenkomst kan geen sprake zijn van een ¿ontijdige¿ beëindiging van de overeenkomst rekening - courant door geïntimeerde.
- De stelling van appellante met betrekking tot de rekening - courant als achtergestelde lening, die niet opeisbaar is, wordt verworpen. Het terugbetalen van het saldo van de rekening - courant brengt de vennootschap niet in gevaar.
- Volgens appellante brengt de terugbetaling van de rekening - courant de kredietwaardigheid van de vennootschap in het gedrang. Opnieuw bewijst appellante haar stelling niet. Het stuk A 25 uit het dossier van appellante is niet dienstig nu het een probleem van de bank met de vertegenwoordigingsbevoegdheid in de vennootschappen N.V. Cominbel en N.V. Baveco betreft. Appellante argumenteert dat de verschillende bedrijven van de familie.V enkel een gezonde structuur vertonen, met een sovabiliteitsratio van 36%, door het relatief grote eigen vermogen van de N.V. Baveco. Zonder Baveco zouden alle vennootschappen ¿zwaar ondergekapitaliseerd zijn¿ (p. 30 van de eerste conclusie van appellante van 16 maart 2006). Er is geen consolidatie van de verschillende vennootschappen, zodat er geen aanleiding is om de rekening - courant van geïntimeerde in de N.V. Baveco als essentieel te beschouwen voor het geheel van de groep. Indien de verschillende vennootschappen en hun aandeelhouders gewenst hadden dat hun rekeningen - courant als kapitaal zouden beschouwd worden, dan hadden zij niet de juridische vorm van de rekening - courant moeten hanteren. De cijfers van de jaarrekeningen die partijen voorleggen tonen aan dat de uitbetaling van de rekening - courant het vennootschapsbelang niet in gevaar brengt. De analyse van geïntimeerde dat hoge bedragen aangehouden werden in rekening - courant omdat de vrij hoge intresten op deze bedragen een fiscaal interessante wijze zijn om inkomsten uit de vennootschappen te verwerven (p. 18 van zijn syntheseconclusie van 14 april 2006) komt geloofwaardig voor. Daarmee is aangetoond dat niet zozeer het belang van de vennootschappen beoogd werd bij het creëren en aanhouden van de rekeningen - courant, maar wel het belang van de vennoten zelf. Om de voorgaande redenen kan de brief van KBC van 28 oktober 2005 ook niet als bewijsmiddel van de stelling van appellante aanvaard worden. Terecht tenslotte merkt geïntimeerde op dat appellante zonder probleem overgegaan is tot kantonnering van de bedragen waartoe zij in eerste aanleg veroordeeld werd, wat bewijst dat zij over de nodige fondsen beschikt. De overige middelen en argumenten van partijen met betrekking tot het mogelijke gevaar voor de vennootschap in geval van uitbetaling van de rekening - courant moeten niet verder onderzocht worden, gelet op het voorgaande.
- Dit argument van appellante wordt verworpen. De samenstelling van de rekening - courant.
- Geïntimeerde deelt mee dat de rekening - courant is samengesteld uit zijn bestuurdersvergoedingen, die op de rekening - courant gestort werden en uit stortingen die hij van zijn privé-rekening aan de rekening - courant deed. Appellant argumenteert dat zij helemaal geen bestuurdersvergoedingen aan geïntimeerde betaalde. Voor het overige zouden de tegoeden gedeeltelijk zijn ontstaan uit de verkopen van aandelen aan groepsmaatschappijen en uit ontvangen intresten.
- Tot bewijs van haar stelling dat de tegoeden gedeeltelijk ontstaan zijn uit de verkopen van aandelen, brengt appellante een stuk bij, dat dateert van 22 juni 2004 van de hand van de commissaris - revisor van appellante en dat als volgt luidt (stuk A34 van het dossier van appellante): ¿ Als commissaris van diverse vennootschappen van de familie.V hebben wij vastgesteld dat U en Uw broers gedurende een 10 tal jaar de diverse groepsmaatschappijen mede op een permanente wijze financieren via rentedragende tegoeden in rekeningen courant, gedeeltelijk ontstaan uit verkopen van aandelen aan groepsmaatschappijen.¿. Deze verklaring is niet dienstig omdat zij onvoldoende nauwkeurig is en geen conclusie toelaat met betrekking tot de rekening - courant tussen geïntimeerde en appellante. Voor het overige brengt appellante geen bewijs bij van haar stelling. Het betoog van appellante met betrekking tot de betwisting omtrent de aandelen van de N.V. Baveco en de N.V. Cominbel, waarbij één van deze beide aandelen zou hebben in de N.V. Cobavex, die medeaandeelhouder is in de N.V. Baveco, is thans onvoldoende nauwkeurig om de provisionele vordering van geïntimeerde in de rekening - courant van appellante te ontkrachten.
- Dat er voordelen in natura werden gegeven, die nog moeten verrekend worden met de rekening - courant, wordt door appellante niet bewezen. Zij somt zelfs niet op om welke voordelen in natura het gaat. De vordering tot betaling van intresten aan 8, 25% per jaar.
- In het verleden ontving geïntimeerde intresten aan 8,25% per jaar. Volgens appellante was deze intrestvergoeding enkel het gevolg van het achtergesteld karakter van de lening. Deze kwalificatie werd verworpen in het tussenarrest. Op geen enkele wijze is aangetoond dat de intresten enkel onder bepaalde voorwaarden zouden betaald geweest zijn. De materiële vergissing in het bestreden vonnis wordt rechtgezet. De intrestvoet bedraagt 8,25% per jaar en niet 8,50%. Ook de aanvangsdatum wordt hervormd De vordering van geïntimeerde is dan ook gegrond. Appellante wordt veroordeeld om 8,25% intresten op jaarbasis te betalen, om de drie maanden te imputeren op het openstaande saldo, vanaf 1 oktober 2002 tot de algehele betaling. De vordering tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom.
- De schadevergoeding die geïntimeerde vordert, is gebaseerd op de noodzaak om een procedure te moeten voeren om betaling van de rekening - courant te verkrijgen en steunt derhalve in rechte op artikel 1382 B.W.. Het verweer van appellante is ongegrond, maar niet onrechtmatig of lichtzinnig. Er is dan ook geen fout in de zin van artikel 1382 B.W. bewezen waardoor appellante vergoeding zou verschuldigd zijn voor de kosten die geïntimeerde moet doen voor het voeren van het huidige geding. Het betreffende onderdeel van het bestreden vonnis wordt hervormd. Dit onderdeel van de oorspronkelijke vordering wordt als ongegrond afgewezen. De tegenvordering van appellante.
- Gelet op wat hiervoor geoordeeld werd, inzonderheid onder r.o. 17, wordt het verzoek tot opschorting in afwachting van de samenvoeging met de procedures betreffende het aandeelhouderschap in de N.V. Cominbel en N.V. Cobavex afgewezen. Het incidenteel beroep: tegenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
- Geïntimeerde bewijst niet dat appellante haar recht om hoger beroep in te stellen op een foutieve wijze zou uitgeoefend hebben en dat dit hem schade zou toegebracht hebben. Zelfs indien geïntimeerde zou aangeboden hebben om de materiële vergissingen uit het bestreden vonnis recht te zetten, dan nog impliceert dit niet dat appellante het hoger beroep foutief gevoerd heeft. De tegenvordering is ongegrond. De vordering inzake de kosten van het geding.
- Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. Het Hof, Dat artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen heeft; Spreekt recht op tegenspraak; Verklaart het hoger principaal en het hoger incidenteel beroep toelaatbaar en enkel als volgt gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft: - de forfaitaire schadevergoeding van 10% op de hoofdsom, wat thans afgewezen wordt; - de intrestvoet, die bepaald wordt op 8,25% op jaarbasis, - de begindatum van de termijn vanaf wanneer de intresten beginnen te lopen, namelijk 1 oktober 2002; Wijst de vorderingen voor het overige af; Veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, in graad van beroep als volgt bepaald: Geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding: euro 485,87 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertig oktober tweeduizend en zes. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div