id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061127.5 Rolnummer: 2003/AR/1734 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-31 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-02 14:44 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Vervoer over de binnenwateren Vrije woorden: Transport - binnenscheepvaart - interpretatie art.91.2° Algemeen Reglement der Scheepvaartwegen: geen objectieve aansprakelijkheid, noch een wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid; een fout in de zin van art.1382 B.W. moet nog steeds bewezen worden - een normaal zorgvuldig schipper moet er zich niet aan verwachten dat de stootrand van de sluis door gebrekkig onderhoud 7 mm vooruit steekt. Tekst van de beslissing in de zaak van :
- R.D, ¿, wonende te X,
- L'ALLIANCE BATELIERE DE LA SAMBRE BELGE, onderlinge verzekeringsmaatschappij met vennootschapszetel te 6530 Thuin, Chemin du Halage 59, appellanten, hebbende als raadsman mr. Jean-Pierre De Cooman, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 115, tegen HET VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Milieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert-II-laan 20, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Paul Aerts, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure 5, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep.
- Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (00/4455/A) van 4 juni 2003, bij dagvaarding van 8 juli
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.
- Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg.
- De overblijvende betwisting betreft de vraag of: - artikel 91,2° van het Algemeen Reglement der Scheepvaartwegen geschonden is; - appellante een fout beging die schade veroorzaakte, in de zin van artikel 1382 B.W. e.v..
- Op 2 december 1999 omstreeks 08.50 uur ligt het ms ¿Mike¿ van eerste appellant leeg afgemeerd met de stuurboordkant langs de muur van de sluis van Ooigem, met de boeg richting Izegem. Tijdens het vollopen van de sluis is de dekbalk van het ms ¿Mike¿ onder een stootbalk van de middendeur aan stuurboordzijde blijven haperen. Dit profiel werd opgelicht en beschadigd (stuk 2 van het dossier van appellanten). De schade is tegensprekelijk geraamd op euro 2.660,
- Volgens de deskundige stak de stootrand een zevental millimeter uit voor de sluismuur (stuk 3 van het dossier van appellanten). Hij schrijft nog dat dit geen probleem vormt voor volle schepen omdat deze toch dieper in het water liggen. Aangezien de ¿Mike¿ leeg was op het ogenblik van de feiten is hij achter het profiel kunnen blijven haken en is het omhoog getild. Tot slot schrijft de deskundige dat het incident te wijten is aan slecht onderhoud (van de sluis). De laatste werken aan de sluis zouden volgens de sluiswachter van 1998 dateren. Het dossier van appellanten bevat foto's waarop te zien is dat het randprofiel roestig is. Geïntimeerde dagvaardt de schipper en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar in vergoeding van de toegebrachte schade. De eerste rechter verklaarde de vordering gegrond. Op 7 juli 2003 betalen appellanten in uitvoering van het bestreden vonnis euro 3.997,87 onder voorbehoud van beroep. III. Grieven.
- Appellanten zijn van oordeel dat de eerste rechter een verkeerde toepassing gemaakt heeft van artikel 91,2° van het Algemeen Reglement der Scheepvaartwegen. Zij vragen: - het bestreden vonnis teniet te doen; - de oorspronkelijke vordering toelaatbaar maar ongegrond te verklaren; - geïntimeerde te veroordelen om de betaalde som van euro 3.997,87, terug te betalen, te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 7 juli 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten.
- Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. IV. Beoordeling.
- Artikel 91,2° van het Algemeen Reglement der Scheepvaartwegen (ASR) bepaalt dat het verboden is ¿het bed of de aanhorigheden der waterwegen op enige wijze te beschadigen¿. Volgens geïntimeerde gaat het hier om een objectieve aansprakelijkheid; minstens is er een wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid. Het loutere feit dat er schade is, impliceert de aansprakelijkheid van eerste appellant, aldus geïntimeerde. De lezing die geïntimeerde geeft aan dit artikel is juridisch niet correct. Er is in deze geen sprake van objectieve aansprakelijkheid. Er is ook geen wettelijk vermoeden van schuld. De fout, de schade en het oorzakelijk verband in de zin van artikel 1382 B.W. moeten nog steeds bewezen worden (DE DECKER, M.J., Beginselen van Belgisch Binnenvaartrecht, V.Z.W. De Schroef, Antwerpen, sd, nr. 167, met verwijzingen in voetnoot 47). Dit is in overeenstemming met artikel 251 Boek II, Titel VII Wb. Kh.. Dat bepaalt dat wanneer de aanvaring toe te schrijven is aan het toeval, of wanneer zij veroorzaakt is door overmacht, of wanneer twijfel rijst omtrent de oorzaken van de aanvaring, de schade wordt gedragen door zij die ze hebben geleden. Indien de aanvaring veroorzaakt is door de schuld van één van de schepen, dan komt de vergoeding van de schade ten laste van het schip dat de fout heeft begaan (eerste en derde lid van het genoemde artikel). Met dit artikel, dat in 1911 ingevoerd werd, is derhalve een algemene foutaansprakelijkheid ingevoerd (zie ook POLLET, J., L'abordage fluvial, Lloyd, Antwerpen, sd, pp 33-35 en vooral pp 38-40, waarin ook naar andersluidende rechtspraak verwezen wordt, die evenwel een minderheid uitmaakt). Dit is ook in overeenstemming met het algemene Belgische aansprakelijk-heidsrecht, waar de objectieve aansprakelijkheid nog steeds de uitzondering vormt. Het feit dat de schade zich heeft voorgedaan betekent niet dat de norm van artikel 91,2° ASR overtreden is, in tegenstelling tot wat geïntimeerde schrijft.
- Uit de feitelijke uiteenzetting en de stukken blijkt dat de fout van eerste appellant in de zin van artikel 1382 B.W. niet bewezen is. Uit niets blijkt dat het ms tijdens het versluizen onzorgvuldig afgemeerd was. Het is niet omdat er schade is ontstaan dat dit door toedoen van eerste appellant is. Ten onrechte leidt geïntimeerde uit de schade de fout af. Het is onjuist te besluiten dat de fout bewezen is, nu het schip leeg was, het profiel uitstak en de sluis gebrekkig onderhouden was (zie verder). 7 mm vooruit steken, zelfs al lijkt dat weinig, is voldoende om er te kunnen blijven achter haken. Het vooruit steken van de schuurlijst is geen normale toestand. Het is ook niet bewezen dat de schipper te laat gereageerd zou hebben op het stijgende waterpeil of onvoldoende toezicht zou uitgeoefend hebben, waardoor het schip achter de stootrand kon blijven haken. Opnieuw leidt geïntimeerde de beweerde onzorgvuldigheid af uit het bestaan van de schade. Bij het versluizen mag een normaal zorgvuldig schipper verwachten dat het schip tijdens het stijgen langs de sluismuur omhoog kan gaan. Hij moet er niet op beducht zijn dat hij bovenaan de sluis de boot moet afhouden wegens uitsteeksels aan de sluiswand. Het is niet aangetoond dat een normaal zorgvuldige schipper, in dezelfde toestand geplaatst, anders zou gehandeld hebben. Minstens is het oorzakelijk verband doorbroken door het gebrekkig onderhoud aan de sluis, dat door de deskundige is vastgesteld. De deskundige in deze zaak is duidelijk (stuk 3 van het dossier van appellanten): ¿Je ne vois pas d'autre explication à cet incident qui, à mon avis, est imputable à un mauvais entretien; toujours d'après l'éclusier, les derniers travaux à cet endroit, dateraient de 1998¿ (eigen vertaling: ¿Ik zie geen andere verklaring voor dit incident dat, naar mijn mening, te wijten is aan slecht onderhoud; nog steeds volgens de sluiswachter dateren de laatste werken van 1998¿). De stelling dat de toestand van de sluis enkel in aanmerking genomen moet worden voor het bepalen van de omvang van de schade wordt niet bijgetreden, gelet op het voorgaande.
- Op grond van het voorgaande wordt het bestreden vonnis hervormd. De oorspronkelijke vordering is toelaatbaar maar ongegrond. Geïntimeerde wordt veroordeeld om de som van euro 3.997,87 terug te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 8 juli 2003 tot aan de algehele terugbetaling.
- Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt geïntimeerde tot betaling van de kosten veroordeeld. V. Beslissing. Het hoger principaal beroep is toelaatbaar en gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd. Het Hof - doet opnieuw recht, - verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering toelaatbaar maar ongegrond; - veroordeelt geïntimeerde om aan appellanten de som terug te betalen van euro 3.997,87, te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten vanaf 8 juli 2003 tot aan de algehele betaling, aan de wettelijke intrestvoet; - veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de kosten, begroot als volgt: appellanten: rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 334,67 akte hoger beroep: euro 316,18 rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 485,87 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zevenentwintig november tweeduizend en zes. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div