id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE
§3
B.W Ouderlijk gezag of het verblijf van kinderen - afzonderlijke procedure in geval van absolute noodzaak voorzien door art.
§3
B.W., zoals ingevoegd bij art.4 van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind - echtscheiding in kracht van gewijsde - bevoegde rechters. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek -
§3
Tekst van de beslissing 2005/RK/272 in de zaak van: M.I, ¿, wonende te X, appellante, tegen: V.E, ¿, wonende te Y, geïntimeerde - rekwestrant op eenzijdig verzoekschrift, hebbende als raadsman mr. VAN DEN BOSSCHE Ariane, advocaat te 9500 GERAARDSBERGEN, Denderstraat 43 velt het hof het volgend arrest: Het vorenstaand verzoekschrift en de erbij overgelegde stukken werden ingezien, evenals het dossier van de rechtspleging in de procedure 2005/RK/0272 m.b.t. het hoger beroep tegen de beschikking op 2 augustus 2005 gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. De rekwestrant, daartoe behoorlijk opgeroepen, werd in raadkamer gehoord ter terechtzitting van 9 november 2006, bijgestaan door zijn advocaat. Advocaat-generaal Louis VANDENBERGHE heeft ter zelfde terechtzitting mondeling advies uitgebracht, waarop de rekwestrant onmiddellijk werd gehoord in zijn repliek. de relevante feiten en procedurevoorgaanden
- De rekwestrant is op 22 oktober 1996 te Gent gehuwd met I.M . Uit dit huwelijk is één minderjarig kind geboren te Gent op 21 november 1995, nl. M.V 2.
- De rekwestrant heeft op 9 juni 2005 I.M gedagvaard in echtscheiding en tevens een aantal voorlopige maatregelen gevorderd in toepassing van art. 1280 Ger.W.. Bij beschikking van 30 juni 2005, bij verstek gewezen ten aanzien van I.M door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, werden volgende relevante maatregelen met betrekking tot het kind M genomen. Het ouderlijk gezag over M werd uitsluitend toegekend aan de rekwestrant. Er werd gezegd voor recht dat M zou gedomicilieerd blijven bij de rekwestrant en in hoofdzaak aldaar zou verblijven. I.M werd veroordeeld tot de betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van M van 200,- EUR, met indexatie overeenkomstig art. 301 par. 2 B.W.. Er werd nog gezegd voor recht dat I.M voor de helft diende tussen te komen in de betaling van de uitzonderlijke medische kosten en de schoolkosten ten behoeve van Mathias, na vertoon van de desbetreffende facturen. Een maatschappelijk onderzoek werd bevolen en, in afwachting van de neerlegging van het verslag, werd aan I.M een recht op persoonlijk contact toegekend gedurende één dag in het weekend, van 10.00 uur tot en met 18.30 uur, om de veertien dagen, zonder overnachting. 2.
- Ingevolge het verzet van I.M kwam op 2 augustus 2005 een beschikking tussen, gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde in de zaak met rolnummer 05/147/C. De verstekbeschikking werd onder meer bevestigd wat betreft de domiciliëring van Mathias, het bevolen maatschappelijk onderzoek en de tussenkomst van I.M in de uitzonderlijke kosten. De verstekbeschikking werd in het bijzonder hervormd op volgende punten en, opnieuw recht doend, werd: - gezegd dat de rekwestrant gerechtigd is de kinderbijslag voor M te blijven ontvangen, bij uitsluiting van I.M ; - de beslissing omtrent de gezamenlijke of uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag over M aangehouden in afwachting van de resultaten van het bevolen maatschappelijk onderzoek; - beslist dat, in afwachting van het maatschappelijk verslag, M om de veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij I.M zou verblijven, met de verplichting voor haar om het kind af te halen en terug te brengen bij de rekwestrant ; - geoordeeld dat de regeling onverkort zou gelden tijdens de schoolvakanties, van welke aard of duurtijd ook; - aan I.M de verplichting opgelegd om zich in de periodes dat M bij haar verblijft te onthouden van handelingen van ontuchtige, seksuele of pornografische aard (al dan niet met het oog op publicatie of verspreiding in gedrukte of elektronische vorm en al dan niet met een commercieel of lucratief oogmerk) evenals van handelingen die kennelijk in strijd zijn met de goede zeden, de eerbaarheid van het kind kunnen aantasten of anderszins aanstootgevend of uitdagend zijn; - I.M veroordeeld tot de betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van M van 75,- EUR, vooraf te betalen tegen de eerste van elke maand en te indexeren overeenkomstig art. 301, par. 2 B.W. en dit voor het eerst op 1 juni
- 2.
- Het maatschappelijk verslag werd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde neergelegd op 2 november 2005 (stuk 3 rekwestrant).
- I.M heeft, bij appèlakte van 25 augustus 2005, in de zaak 2005/RK/0272 hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking op verzet gewezen op 2 augustus 2005 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde in de zaak met rolnummer 05/147/C. Met haar hoger beroep beoogde zij een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag te bekomen. Ook vroeg zij, in afwachting van de resultaten van het maatschappelijk onderzoek, een verder hoofdverblijf van M bij de rekwestrant en een welomschreven uitgebreid secundair verblijf bij haar (een weekend om de veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de schoolvakanties, zoals nader beschreven), met haalplicht voor haar en terugbrengplicht voor de rekwestrant. Op de terechtzitting van 6 oktober 2005 werd de zaak voor de eerste kamer van het hof ingeleid en een akkoord tot dwingende termijnregeling van conclusies met verzoek tot bepaling van rechtsdag neergelegd. De rekwestrant heeft dientengevolge op 18 november 2005 een conclusie in de bodemprocedure neergelegd. Daarin vroeg hij akte te nemen van het feit dat het door de eerste rechter bevolen maatschappelijk onderzoek is afgerond en dat aldus voor deze rechter de zaak opnieuw zou moeten opgeroepen worden teneinde een definitieve beslissing te nemen omtrent de verblijfsregeling van Mathias. Tevens vroeg hij akte van zijn ¿tegeneis' (sic) om, gelet op de afwezigheid van een gekende verblijfplaats, gelet op het prostitutiemilieu waarin I.M nog steeds verbleef en gelet op het gebrek aan een eigen inkomen van laatstgenoemde, te zeggen voor recht dat in het belang van M er geen persoonlijk contact meer is met zijn moeder tenzij dit zou doorgaan via een ontmoetingsruimte en onder begeleiding, bijvoorbeeld via Half-Rond te Ronse, dit zoals voorgesteld in het maatschappelijk verslag. Bij brief van 26 april 2006 werd het hof door de raadsman van I.M ervan in kennis gesteld zonder instructies te zijn. Ter terechtzitting van 27 april 2006, waarop de zaak in toepassing van art. 750 par. 1 Ger.W. voor behandeling was vastgesteld voor de elfde kamer van dit hof, werd deze naar de bijzondere rol verwezen teneinde de raadsman van de verzoeker toe te laten de procedure te regulariseren en I.M te laten oproepen bij gerechtsbrief op haar correct adres. I.M kreeg kennisgeving van rechtsdag op het adres A, waarop zij volgens mededeling van de postdiensten geen briefwisseling meer ontving. Deze procedure werd nadien niet meer geactiveerd. Enkel werd nog het vorenstaand éénzijdig verzoekschrift neergelegd op 28 september
- 4.
- Volgens klacht van de rekwestrant d.d. 11 april 2006 oefende I.M sedert november 2005 haar omgangsrecht niet uit (stuk 2 rekwestrant) om dit, steeds volgens de rekwestrant, terug op te starten in de loop van de maand mei
- Na de uitoefening van het recht op persoonlijk contact op zaterdag 27 mei 2006 werd M op zondagavond 28 mei 2006 door de moeder niet teruggebracht. 4.
- I.M legde op 28 mei 2006 om 9.40 uur klacht neer bij de politie te Gent wegens beweerde slagen toegebracht aan M door de rekwestrant en zijn vriendin (stuk 5 rekwestrant). Uit een schrijven van 28 augustus 2006 uitgaande van het openbaar ministerie in een zaak JB. 43.98.228/06 blijkt dat het dossier met betrekking tot de mogelijke problematische opvoedingssituatie waarin M verkeerde naar aanleiding van feiten d.d. 27 mei 2006 voorlopig werd geseponeerd (stuk 6 rekwestrant). Het onderzoek in de zaak OU.43.98.228/06 met de rekwestrant als verdachte was lopend. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 9 november 2006 bevestigde het openbaar ministerie dat het strafdossier inzake slagen aan het kind ten laste van de rekwestrant evenzeer werd geseponeerd. 5.
- Blijkbaar heeft de rekwestrant vervolgens de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg recht sprekend in kort geding te Oudenaarde gevat in een zaak gekend onder rolnummer 06/113/C (stuk 8 rekwestrant). Behoudens de gewezen beschikking liggen geen procedurestukken voor zodat het hof noch de wijze noch de datum van de rechtsingang kan nagaan, evenmin als de eventueel voor I.M genomen conclusie(s). Vast staat dat I.M ¿ met adres alsdan blijkbaar te 9050 Gent (Ledeberg), Hagepreekstraat 32 ¿ haar verweer alsdan liet gelden. 5.
- Bij op tegenspraak gewezen beschikking van 23 juni 2006 werd de vordering van de rekwestrant ontvankelijk en grotendeels gegrond bevonden. Er werd gezegd voor recht dat I.M niet gerechtigd is het kind M onder zich te houden buiten de vastgestelde tijdstippen van het bij beschikking van 2 augustus 2005 bepaald omgangsrecht. Er werd derhalve geoordeeld dat I.M het kind terug dient af te geven aan de verzoeker en dit onder verbeurte van een dwangsom van 100,- EUR per dag vertraging vanaf de betekening van desbetreffende beschikking. I.M werd verwezen in de kosten, zoals nader begroot. Deze beschikking werd, volgens bevestiging van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, betekend aan I.M op 30 juni 2006 (stuk 9 rekwestrant). 5.
- Andermaal werd de kort geding rechter in Oudenaarde in de zaak 05/147/C ¿ alhoewel deze in beroep hangend was voor het hof ¿ gevat. Rechtsdag was daarin bepaald op 7 september 2006, doch nopens de inhoud noch de verdere afloop van deze procedure zijn geen gegevens beschikbaar (stuk 11 rekwestrant).
- Met zijn eenzijdig verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 28 september 2006, beoogt de rekwestrant tenslotte: - te doen zeggen voor recht, overeenkomstig de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind, dat het in het belang is van M dat een andere dwangmaatregel dan een dwangsom zich opdringt teneinde M terug te halen bij I.M om te verblijven bij de rekwestrant; - te doen zeggen voor recht dat M teruggehaald zal worden door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, eventueel vergezeld van een persoon van het Bijzonder Jeugdcomité; - voor zover de gerechtsdeurwaarder deze opdracht zou weigeren, te doen zeggen voor recht dat een persoon van het Bijzonder Jeugdcomité, dan wel van een andere instelling van jeugdzorg, vergezeld van de politie het kind kan afhalen bij I.M teneinde het terug te brengen bij de rekwestrant; - te doen zeggen voor recht dat, in afwachting van de opgestarte procedures voor het hof en de kort gedingrechter te Oudenaarde, M voorlopig geen contact meer zal hebben met I.M , tenzij via de bezoekruimte Half-Rond te Ronse; - over de kosten als naar recht te beslissen. bespreking 1.
- Het voorliggend verzoekschrift betreft klaarblijkelijk de afzonderlijke procedure in geval van absolute noodzaak voorzien door art.
§ 3B.W., zoals ingevoegd bij art.
4 van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (B.S. 4 september 2006, 43971). 1.2. Tevens wordt een andere contactregeling gevraagd van M met zijn moeder. Artikel
, § 1, vierde lid B.W., zoals ingevoegd door hetzelfde art. 4 van voormelde wet, verleent de rechter uitdrukkelijk de mogelijkheid nieuwe beslissingen te nemen m.b.t. het ouderlijk gezag of het verblijf van de kinderen. Voormelde vordering kan daaronder ressorteren, afgezien de vraag of dit mogelijk is in onderhavige procedure op éénzijdig verzoekschrift. 2. Het toepassingsgebied van art.
B.W. is beperkt tot de gevallen waarin reeds een rechterlijke beslissing met betrekking tot het verblijf van het kind of het recht op persoonlijk contact werd geveld, waarna deze beslissing door één van de ouders niet wordt uitgevoerd. Art.
§ 1, 1ste lid B.W.
bepaalt dat ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van het kind of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter kan gebracht worden. Art.
B.W. is van toepassing op alle beslissingen inzake de verblijfsregeling en het omgangsrecht, ongeacht welke de rechtbank is wiens beslissing uitgevoerd moet worden. 3. Als beginsel wordt gesteld dat de rechter die de niet nageleefde beslissing heeft genomen, optreedt (art.
§ 1, 1ste lid B.W.).
Indien echter de zaak, nadat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan en er uitvoeringsmoeilijkheden optreden, inmiddels bij een andere rechter aanhangig werd gemaakt, dan dient de vordering inzake tenuitvoerlegging voor deze laatste rechter gebracht te worden (art.
, §1, 1ste lid in fine B.W.). 4. De rekwestrant laat het hof in het ongewisse voor welke rechterlijke beslissing juist de toepassing van art.
B.W. wordt gevraagd. Voor zover de rekwestrant beoogt om uitvoeringsmaatregelen én een nieuwe beslissing te verkrijgen wat betreft de voor het hof in de zaak 2005/RK/0272 bestreden beschikking op 2 augustus 2005 in de zaak 05/147/C bij verzet gewezen door voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde zou ¿ in principe ¿ het hof de bevoegde rechter kunnen zijn. Voor zover de rekwestrant betracht om andere uitvoeringsmaatregelen én een nieuwe beslissing te verkrijgen wat betreft de beschikking in de zaak 06/113/C door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde op 23 juni 2006 gewezen, die niet werd bestreden, kan het hof bezwaarlijk de bevoegde rechter zijn. Overigens is onduidelijk op welke rechtsgrond deze beschikking werd verkregen (vermoedelijk op grond van art. 584 Ger.W.).
- Hoe dan ook, de zaak kan slechts bij het hof aanhangig gemaakt worden in zoverre het ¿ althans wat betreft de beschikking van 2 augustus 2005 ¿ nog de bevoegde temporele rechter is. Immers blijkt uit de eigen toelichting van de rekwestrant dat de echtscheiding tussen de partijen inmiddels bij verstek werd uitgesproken, met betekening op 7 november 2005, dat deze echtscheiding inmiddels definitief is tussen hen en werd overgeschreven. Eens de echtscheiding in kracht van gewijsde is getreden ¿ wat de rekwestrant bevestigt ¿ kan het hof als appèlrechter in het kader van een procedure ex art. 1280 Ger.W. niet meer geadieerd worden in verband met een probleem van niet-uitvoering van de bestreden beschikking van 2 augustus
- Normaliter diende derhalve de jeugdrechtbank te worden gevat. In de gegeven omstandigheden dient, in toepassing van art. 643 Ger.W., de zaak verwezen te worden naar de bevoegde rechter in hoger beroep. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verwijst de zaak naar de vijftiende kamer, recht doende in jeugdzaken, in dit hof. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in raadkamer van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer M. RYDE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer L. VANDENBERGHE, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div