← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061218.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061218.9 Rolnummer: 2005/AR/1856 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 14:52 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement aanspakelijkheid van de notaris, aangesteld door de Rechter-Commissaris t.o.v de curator - gegrond op art.1382 e.v B.W - verjaring en de werking van de Wet van 10.06.1998, die art. 2262§1, lid 2 en 3 B.W. invoerde - verjaring en art.2276 B.W. - verjaring en art.2248 B.W. (verjaringsstuitende erkenning van het recht). Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1382 oud Burgerlijk Wetboek - 2262 §1 lid2 oud Burgerlijk Wetboek - 2262 §1 lid3 oud Burgerlijk Wetboek - 2276 oud Burgerlijk Wetboek - 2248 Tekst van de beslissing in de zaak van : J.D, ¿, wonende te X, appellant, hebbende als raadsman mr. Daniël De Clerck, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Hoogstraat 28, tegen Mr. Rudi VANNESTE, advocaat met kantoor te 8820 Torhout, Oostendestraat 327, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van E.D, wonende te Y, daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, van 8 maart 1984, geïntimeerde q.q., hebbende als raadsman mr. Kurt Creyf, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Predikherenrei 11, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep

  1. Appellant heeft op 14 juli 2005 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep aangetekend tegen het door de rechtbank van eerste aanleg te Veurne op 26 mei 2005 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak gekend onder het nummer 04/157/A van de algemene rol. Een exploot van betekening ligt niet voor. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
  2. Geïntimeerde werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Oostende van 8 april 1984 aangesteld als curator over het faillissement van de heer E.D. Bij een overeenkomstig artikel 1190 Ger.W. verleende beschikking van de rechter-commissaris van 7 juni 1984, werd geïntimeerde. gemachtigd om over te gaan tot de openbare verkoping van de van het faillissement afhangende onroerende goederen. Voormelde beschikking gelastte toenmalig notaris Tommelein met de openbare verkoping, welke notaris naderhand werd opgevolgd door appellant. De onroerende goederen werden op 23 december 1986 definitief toegewezen voor een bedrag van 7.972.910,-BEF, thans 197.643,27 EUR. Bij brief van 3 augustus 1987 stuurde notaris Tommelein een ontwerp van rangregeling aan geïntimeerde die verzocht werd dit te willen nazien en mee te delen of hij daarmee kon instemmen. In antwoord daarop liet geïntimeerde bij brief van 23 juni 1988 opmerken dat in het project van verdeling geen rekening was gehouden met het ereloon van de curator voor een totaal bedrag van 482.088,-BEF. Bij schrijven van 13 oktober 1988 meldde notaris Tommelein aan de R.S.Z. - die op 26 oktober 1983 een op 16 mei 1983 betekend bevel tot betalen had laten overschrijven - dat bij hem een bedrag van 2.925.164,-BEF gerubriceerd stond en deelde hij tevens voormeld ereloon van de curator mee. Hij verzocht de R.S.Z. mee te delen of kon worden akkoord gegaan met de betaling van de kosten en het ereloon aan de curator, waarna het saldo haar kon worden overgemaakt. Bij brief van 14 oktober 1988 verzocht notaris Tommelein geïntimeerde om mededeling van het vonnis van de rechtbank van koophandel waarbij de kosten en het ereloon van de curator werden begroot, teneinde dit aan de R.S.Z. te kunnen voorleggen. Op 4 november 1988 deelde de R.S.Z. mee dat zij zich akkoord verklaarde dat de kosten en het ereloon van de curator werden vereffend en het saldo aan haar zou worden overgemaakt. Tevens verzocht de R.S.Z. om een kopie van de rangregeling. Hierop antwoordde notaris Tommelein op 14 november 1988 dat de ingeschreven schuldeisers, namelijk de Federale Kas voor Beroepskrediet en de Belgische Staat handlichting hadden verleend zodat geen rangregeling diende te worden opgemaakt indien ook de R.S.Z. haar akkoord betuigde. Op 1 maart 1989 stuurde notaris Tommelein aan geïntimeerde een kopie van de brief die hij aan de R.S.Z. toestuurde. In deze brief aan de R.S.Z. maakte notaris Tommelein een overzicht van de rekeningen op welke afsloot met een batig saldo van 2.446.343,-BEF. Aan de R.S.Z. werd gevraagd of zij kon akkoord gaan met voormeld saldo en met de betaling van een bedrag van 578.088,-BEF aan geïntimeerde zodat deze aldus kon overgaan tot opheffing van zijn ambtshalve genomen inschrijving, die nog als enige het goed bezwaarde. Bij brief van 14 maart 1989 bevestigde de R.S.Z. haar akkoord met het opgestelde overzicht van de rekeningen en stemde er tevens mee in dat geen rangregeling opgemaakt werd. Op 30 maart 1989 werd door notaris Tommelein een akte handlichting verleden waarbij geïntimeerde verklaarde zuiver en eenvoudig handlichting te verlenen en toe te stemmen met de doorhaling van de door hem genomen inschrijvingen. Bij schrijven van diezelfde datum bevestigde notaris Tommelein aan de R.S.Z. dat een bedrag van 2.426.522,-BEF werd overgemaakt, hetgeen op 31 maart 1989 effectief gebeurde. ( stuk 16 - appellant ) Met brief van 8 februari 1999 schrijft geïntimeerde aan appellant : ¿Thans zijn alle problemen opgelost en kan nagegaan worden hoeveel ten onrechte door uw kantoor aan de R.S.Z. werd overgemaakt, hetgeen volgens telefonische afspraak tussen U en een R.S.Z.-beambte zal worden terugbetaald worden ! Mag ik U verzoeken dit met de meeste spoed te willen dagstellen voor rangregeling en dit probleem op te lossen.¿ Op basis van een in bijlage gevoegd project van verdeling opgemaakt in het kader van het faillissement besluit geïntimeerde : ¿Bij de R.S.Z. moet dus terugbetaling gevraagd worden van het door U betaalde 2.462.522 - het hen toekomende bedrag 1.087.275 fr ¿ = 1.375.247,-fr.¿ Nadat appellant een project van rangregeling opstelt, deelt geïntimeerde op 14 juli 1999 mee hieromtrent geen opmerkingen te hebben, behoudens met betrekking tot het feit dat het project melding maakt van het feit dat de kosten en ereloon nog moeten worden goedgekeurd, terwijl dit volgens een op 3 december 1998 verleend vonnis reeds het geval is. Nadat ook de ingeschreven schuldeisers hun akkoord met het ontwerp van rangregeling bevestigen en ontslag van betekening ervan verlenen, wordt op 7 januari 2000 een proces-verbaal van rangregeling en verdeling van de prijs opgemaakt. Op 2 maart 2000 is appellant overgegaan tot het opstellen van het proces-verbaal van tegenspraak op de rangregeling, nadat door de R.S.Z. bij exploot van 24 februari 2000 overeenkomstig artikel 1644 Ger.W. tegenspraak op de rangregeling was betekend. Bij beschikking van 19 februari 2002 werd de door de R.S.Z. geformuleerde tegenspraak ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Er werd voor recht vastgesteld dat het te verdelen actief 197.635,83 EUR bedraagt en tevens werd de schrapping bevolen van de in het proces verbaal van rangregeling voorkomende passage waarin werd vermeld dat de R.S.Z. teveel had ontvangen met verwijzing naar een aantal schuldvorderingen die bij de verdeling dienden te worden opgenomen en in rang vòòr de R.S.Z. kwamen. Bij dagvaarding van 7 juni 2002 stelde geïntimeerde een vordering in tegen de R.S.Z. strekkende tot terugbetaling van een bedrag van 35.624,95 EUR, meer intresten en kosten. Bij vonnis van 21 augustus 2003 werd deze vordering door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, ontvankelijk maar niet gegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat geïntimeerde zich tot de notaris diende te wenden die overeenkomstig zijn eigen rangregeling gehouden is het resterend gedeelte van het batig saldo aan de massa van de schuldeisers te laten toekomen, tenzij hij zou bewijzen te zijn bevrijd door de al dan niet met rechtsgeldig akkoord van de curator uitgevoerde rechtstreekse uitbetaling aan de R.S.Z.. Hierop richtte de raadsman van geïntimeerde zich bij brief van 8 januari 2004 tot appellant die gesommeerd werd om tot betaling van voormeld bedrag over te gaan. Vermits appellant zijn aansprakelijkheid betwistte en geen vergelijk mogelijk bleek nam geïntimeerde bij dagvaarding van 18 februari 2004 het initiatief tot de procedure. Bij het thans bestreden vonnis 26 mei 2005 werd de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en werd appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 35.624,95 EUR meer de intresten en de gedingkosten. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
  3. Appellant is in hoofdorde van oordeel dat de vordering, die naar zijn oordeel slechts op de buitencontractuele aansprakelijkheid kan gesteund zijn, verjaard is. Ondergeschikt besluit hij tot de ongegrondheid van de vordering en argumenteert dat hem geen enkele fout aan de uitgevoerde betaling aan de R.S.Z. kan worden ten laste gelegd nu deze betaling met de toestemming van geïntimeerde plaatsvond. Aldus nog appellant heeft geïntimeerde zich op geen enkel ogenblik verzet of enig bezwaar gemaakt tegen het opgestelde project van verdeling en het voorstel tot uitbetaling van het saldo aan de R.S.Z.; welke uitbetaling overigens geenszins werd veroorzaakt door de afwezigheid van het opstellen van een akte van rangregeling. Uiterst ondergeschikt betwist appellant de hoegrootheid van de door geïntimeerde gevorderde bedragen.
  4. Geïntimeerde is daarentegen van oordeel dat de lastens appellant ingestelde vordering van contractuele aard en aldus niet verjaard is. Zelfs indien mocht worden aangenomen dat zijn vordering een buitencontractueel kakrakter vertoont, dan nog argumenteert appellant dat de door appellant ingeroepen verjaring niet kan worden weerhouden. Eveneens in ondergeschikte orde argumenteert geïntimeerde dat de gebeur-lijke verjaring overeenkomstig artikel 2248 B.W. gestuit is. Nopens de grond van de zaak is geïntimeerde van oordeel dat hetgeen teveel werd uitbetaald aan de R.S.Z. uitsluitend op een aan appellant toe te rekenen fout berust die, zonder enige rangregeling op te maken en met miskenning van juridische regels tot uitbetaling is overgegaan terwijl hij de beschikbare gelden aan geïntimeerde diende over te maken. Geïntimeerde betwist dat hij op enige wijze zijn toestemming of instemming zou hebben betuigd met de handelwijze van appellant. Ook uit het verlenen van handlichting van zijn ambtshalve genomen inschrijving kan naar het oordeel van geïntimeerde dergelijk akkoord niet worden afgeleid. Verder merkt geïntimeerde op dat hij appellant niet diende te wijzen op het bestaan van andere schuldeisers vermits hij er mocht van uitgaan dat, behoudens de uitdeling aan de hypothecaire en de onroerend bevoorrechte schuldeisers, het saldo van de verkoopsopbrengst hem zou zijn toegekomen. In elk geval argumenteert geïntimeerde dat hem geen fout kan worden ten laste gelegd die van aard is het oorzakelijk verband tussen de door appellant begane fout en de door de massa van de schuldeisers geleden schade te doorbreken. Tenslotte is geïntimeerde van oordeel dat hij wel degelijk heeft aangetoond hoeveel werkelijk teveel betaald werd aan de R.S.Z. en meent hij dat zijn vordering ook cijfermatig niet voor ernstige betwisting vatbaar is. Hij vordert dan ook de bevestiging van het bestreden vonnis. Beoordeling
  5. Vooraleer de opgeworpen verjaring te onderzoeken dient te worden nagegaan of de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde van contractuele dan wel buitencontractuele aard is. Uit het hiervoor vermeld feitenrelaas blijkt dat notaris Tommelein bij beschikking van de rechter-commissaris van 7 juni 1984 werd gelast met de openbare verkoping van de van het faillissement afhangende onroerende goederen. Deze aanstelling van notaris Tommelein, die uitsluitend haar oorsprong vindt in de wettelijke bepaling van artikel 1190 Ger.W. en waarbij de notaris door de rechter wordt aangewezen om zijn wettelijke opdracht als ministerieel ambtenaar uit te oefenen en de openbare verkoping door zijn ambtelijke tussenkomst te laten plaatsvinden, schept geen contractuele relatie tussen de aangestelde notaris en de curator van het faillissement. De door de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 1190 Ger.W. aangestelde notaris is geen mandataris van de curator van het faillissement. De notaris die aldus enkel handelt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar en medewerker van het gerecht, wiens ambtelijke tussenkomst voor de verkoop van onroerende goederen daarenboven door artikel 1 van de wet tot regeling van het notarisambt is opgelegd, kan dan ook niet contractueel als mandataris worden aangesproken, maar blijft onderworpen aan de algemene beginselen van de civiele aansprakelijkheid zoals voorzien in artikel 1382 e.v. B.W.. Zekerheden, beslag- en faillissementsrecht in de notariële praktijk. Verslagboek nationale vormingsdagen van de Nederlandse raad van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen, Die Keure ed. 1998, p. 63; Rb. Namen, 17 november 2000, T. Agr. R. 2001, 46 ; Kh. Dendermonde, 12 augustus 2003, AR 1561/02, onuitgegeven) Zo ook is de door de beslagrechter overeenkomstig artikel 1580 Ger.W. op verzoek van de vervolgende schuldeiser aangestelde notaris geen mandataris van de beslaglegger of van de schuldeiser. (Brussel, 11 mei 1994, Act. Dr., 1996, 325; Res Jur. Imm., 1995, 107 ; Rev. Not.b., 1996, 357.)
  6. De aansprakelijkheidsvordering ingesteld tegen een notaris is steeds onderworpen geweest aan het gemeen recht. Tot voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, gold terzake het oude artikel 2262 B.W. . Deze bepaling die voorzag dat alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren door verloop van dertig jaren, werd naar Belgisch recht toepasselijk geacht op de burgerrechtelijke extracontractuele aan-sprakelijkheid van de notarissen bij gebrek aan specifieke wettelijke anders-luidende verjaringstermijn. (C. De Busschere, De verjaringstermijn inzake de burgerlijke extra-contractuele beroepsaansprakelijkheid van de Belgische notarissen, T. Not. 1998, p 308, nr. 4 met de aldaar geciteerde verwijzingen naar rechtsleer) Met de wet van 10 juni 1998, die in werking trad op 27 juli 1998, werd inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid een specifiek nieuw stelsel van een dubbele verjaringstermijn ingevoerd door het nieuwe artikel 2262 bis B.W. dat in paragraaf 1, lid 2 en 3 bepaalt : ¿In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aan-sprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.¿ Aldus geldt een maximale verjaringstermijn van twintig jaar te rekenen van de dag volgend op deze waarop het schadeverwekkend feit zich heeft voorgedaan, en binnen deze maximale termijn geldt een verjaringstermijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Nu de voormelde wet van 10 juni 1998 geen specifieke bepalingen inzake de extracontractuele aansprakelijkheid van de notarissen bevat, gelden derhalve de nieuwe voormelde gemeenrechtelijke bepaling van artikel 2262, paragraaf 1, lid 2 en 3 voor alle aanspraken die ontstaan zijn na de inwerkingtreding, hetzij na 27 juli
  7. Bij wet van 4 mei 1999, die in werking trad op 1 januari 2000, werd naderhand wel een specifieke bepaling met betrekking tot de beroeps-aansprakelijkheid van de notarissen ingevoerd. Het nieuwe artikel 2276 quinquies B.W. bepaalt : ¿Voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen gelden de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, behoudens voor de beroeps-aansprakelijkheid betreffende de laatste wilsbeschikkingen en de contractuele erfstellingen waarvoor de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het overlijden van de betrokkene die de laatste wils-beschikking of contractuele erfstelling deed.¿ Deze bepaling bracht aldus enkel een wijziging teweeg voor de notariële beroepsaansprakelijkheid inzake uiterste wilsbeschikkingen en contractuele erfstellingen. Waar deze bepaling voor het overige bevestigde dat voor de beroeps-aansprakelijkheid de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen gelden, was dit overbodig vermits - zoals hiervoor vermeld - de aansprakelijkheids-vordering tegen een notaris steeds onderworpen is geweest aan het gemeen recht. (P. Van Den Eynde, C. Hollanders de Ouderaen, Ph. Buisseret, De vernieuwde notariswet, deel 2 Handboek organisatie van het notariaat, Larcier, 2005, p. 264 - 265, nr. 169.) Sedert 27 juli 1998, datum van inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is, voor wat de verjaring betreft, elke persoonlijke rechtsvordering ingesteld tegen een notaris in beginsel onderworpen aan de nieuwe gemeenrechtelijke bepaling van artikel 2262bis B.W., naderhand aangepast door artikel 2276 quinquies B.W. met een van het gemeen recht afwijkende verjaringstermijn voor uiterste wilsbeschikkingen en contractuele erfstel-lingen. Uit wat voorafgaat dringt zich meteen de vaststelling op dat geïntimeerde niet kan worden bijgetreden waar hij stelt dat tot vòòr de wet van 4 mei 1999 en de invoeging van artikel 2276 quinquies B.W. de gemeenrechtelijke dertigjarige verjaring gold en dat artikel 2262bis par. 1, lid 2 en 3 slechts toepasselijk is op feiten welke dateren van nà 1 januari 2000, hetzij nà de inwerkingtreding van artikel 2276 quinquies B.W.. Geïntimeerde verliest daarbij overigens uit het oog dat de datum van inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 enkel relevant is voor de verjaringstermijn inzake aansprakelijkheidsvorderingen betreffende de laatste wilsbeschikkingen en contractuele erfstellingen. Artikel 49 van voormelde wet bepaalt immers dat voor dergelijke aansprakelijkheidsvorderingen de in artikel 2276 quinquies vastgestelde verjaringstermijn pas loopt vanaf de inwerkingtreding van de wet, wanneer het feit dat daartoe aanleiding heeft gegeven, daaraan voorafgaat. In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt is er verder geen enkele reden om de in artikel 2276bis geregelde beroepsaansprakelijkheid voor advocaten en het daarin bepaalde vertrekpunt van de verjaringstermijn, toe te passen op huidige betwisting. Deze bijzondere bepaling die enkel handelt over de beroepsaansprakelijk-heid van de advocaat dient restrictief te worden toegepast en daarenboven voorziet artikel 2262 bis par. 1, lid 2 en 3 B.W. zeer precies het respectievelijke tijdstip waarop de verjaringstermijnen van vijf en twintig jaar ingaan. Daarenboven is de aansprakelijkheidsvordering tegen een notaris steeds onderworpen is geweest aan de gemeenrechtelijke bepalingen, zoals overigens door artikel 2276 quinquies voor zoveel als nodig uitdrukkelijk bevestigd. Gelet op wat voorafgaat komt ook het door geïntimeerde aangehaalde cassatiearrest van 20 maart 2003 met betrekking tot het vertrekpunt van de verjaringstermijn voor de aansprakelijkheidsvordering, niet terzake dienend voor.
  8. De bepaling van artikel 2262 bis par. 1, lid 2 en 3 B.W. trad in werking op 27 juli 1998 en is vanzelfsprekend van toepassing op alle aanspraken die ontstaan zijn nà deze inwerkingtreding. Voor lopende aanspraken tot vergoeding van schade die ontstaan zijn vòòr 27 juli 1998 en waarvoor op dat ogenblik de verjaring nog niet was bereikt, voorziet de in artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 opgenomen overgangs-bepaling dat de verkorte termijnen van de nieuwe wet beginnen te lopen met de inwerkingtreding ervan, zonder dat de totale duur van de verjaring de oude dertigjarige termijn mag overschrijden. Om uit te maken of al dan niet toepassing dient te worden gemaakt van voormelde overgangsbepaling moet voorafgaandelijk worden nagegaan of vòòr 27 juli 1998 al dan niet reeds een aanspraak tot vergoeding van de schade is ontstaan en of, in bevestigend geval, voor deze aanspraak de verjaring al dan niet verworven was op 27 juli
  9. Teneinde deze vraag te beantwoorden dient te worden teruggegrepen naar de situatie vòòr de inwerkingtreding van de wet van 10 juni
  10. Alsdan begon de dertigjarige termijn voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid pas te lopen vanaf de dag waarop de schade zich manifesteert, hetgeen voor de benadeelde partij het recht opende om aanspraak te maken op schadeloos-stelling. Schade vormt immers naast het aansprakelijkheidsverwekkend feit en het oorzakelijk verband tussen dat feit en de schade, een constitutieve voorwaarde voor de schuldvordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. (I. CLAEYS, De nieuwe verjaringswet : een inleidende verkenning, R.W. 1998 - 1999, p.394, nr.44 ; C. De Busschere, De verjaringstermijn inzake de burgerlijke extracontractuele beroepsaansprakelijkheid van de Belgische notarissen, T. Not., 1998, p. 383) Uit het hiervoor onder punt
  11. vermelde feitenrelaas blijkt dat het schadeverwekkend feit zich heeft voorgedaan op 31.03.1989, de datum waarop door appellant het bedrag van 2.426.522,-BEF aan de R.S.Z. werd overgemaakt. Uit geen enkel van de door partijen voorgelegde stukken blijkt verder dat de schade zich vòòr 27 juli 1998 manifesteerde. Het is immers voor het eerst bij schrijven van 8 februari 1999, hetzij nagenoeg tien jaar na de voormelde betaling aan de R.S.Z., dat geïntimeerde melding maakt van het feit dat overeenkomstig de in het faillissement opgemaakte afrekening, de schade kan worden begroot op een bedrag van 1.375.247,-BEF. Aldus dient te worden vastgesteld dat onder de gelding van het oude artikel 2262 BW. de constitutieve voorwaarden voor de vordering op buitencontractuele grondslag niet vervuld zijn geworden, zodat er geen aanspraak op vergoeding is ontstaan en ook de alsdan geldende dertigjarige verjaringstermijn niet is beginnen lopen. In de gegeven omstandigheden moeten de door de wet van 10 juni 1998 voorziene overgangsbepalingen niet in aanmerking te worden genomen, en dient de gebeurlijke verjaring van de aanspraak die nà de inwerkingtreding van voormelde wet is ontstaan, enkel te worden beoordeeld volgens de op 27 juli 1998 in werking getreden bepaling van artikel 2262 bis par.1, lid 2 en 3 B.W.. Overeenkomstig art. 2262 par. 1, lid 2 B.W. verjaart de vordering van geïntimeerde door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Naar het oordeel van het Hof kan niet ernstig worden betwist dat geïntimeerde op 8 februari 1999 kennis had van de schade én van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. In zijn schrijven van 8 februari 1999 wijst geïntimeerde er immers uitdrukkelijk op dat de door het kantoor van appellant ten onrechte aan de R.S.Z. betaalde bedragen, overeenkomstig de in het kader van de afhandeling van het faillissement opgemaakte ontwerp van verdeling dienen te worden begroot op een bedrag van 1.375.247,-Bef. In ditzelfde schrijven wordt appellant verzocht om dit probleem op te lossen en bij de R.S.Z. terugbetaling te vragen van voormeld bedrag. In de mate dat geïntimeerde voorhoudt dat met dit schrijven niet kan voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 2262 par. 1, lid 2 BW. vermits niet hijzelf maar de massa van de schuldeisers als benadeelde dient te worden aanzien, kan hij daarin niet worden bijgetreden. Geïntimeerde die in zijn hoedanigheid van curator de oorspronkelijke vordering heeft ingesteld en aldus namens de boedel in rechte is opgetreden, oefent daarbij immers de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit, meer bepaald de rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief wordt vermeerderd of het actief wordt verminderd. Geïntimeerde, die overigens de algemene opdracht heeft om de activa te gelde te maken en het provenu te verdelen, dient dan ook wel degelijk als benadeelde in de zin van artikel 2262 bis par. 1, lid 2 B.W. worden bestempeld. Gelet op wat voorafgaat dient dan ook te worden vastgesteld dat de in artikel 2262 bis par. 1 , lid 2 B.W. bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar een aanvang heeft genomen op 8 februari
  12. De bij dagvaarding van 18 februari 2004, hetzij na meer dan vijf jaar ingestelde vordering is in beginsel dan ook verjaard.
  13. Geïntimeerde die nog inroept dat de verjaring minstens gestuit is, beroept zich daartoe in het bijzonder op artikel 2248 B.W. dat bepaalt dat de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring stuit. Volgens geïntimeerde blijkt voormelde erkenning uit : - het schrijven van 12.03.1999 van appellant aan de R.S.Z., - het schrijven van 11.06.1999 van appellant aan geïntimeerde en het in bijlage gevoegde advies van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen van 03.06.1999, - het op 07.01.2000 opstellen van een rangregeling en verdeling van de prijs, - het ¿omstandig¿ stilzwijgen van appellant. 8.
  14. In het schrijven van 13.03.1999 aan de R.S.Z. verwijst appellant naar het in maart 1989 overgemaakte bedrag en stelt hij vast dat nà deze uitbetaling zich het probleem heeft voorgedaan dat er nog een groot deel bevoorrechte lonen verschuldigd waren aan de werknemers van de gefailleerde welke in rang kwamen voor de R.S.Z. zodat laatstgenoemde ten onrechte een bedrag van 1.437.107,-BEF ontving. Dit schrijven dat de voormelde vaststelling en een verzoek om terugbetaling bevat voegt niets toe aan het schrijven van 8 februari 1999 van geïntimeerde aan appellante waarin reeds melding werd gemaakt van het feit dat aan de R.S.Z. ten onrechte teveel werd overgemaakt. In de gegeven omstandigheden kan dit schrijven van 12 maart 1999 dan ook niet als een verjaringstuitende erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. in aanmerking worden genomen. 8.
  15. Ook het door appellant op 11 juni 1999 toegestuurd schrijven maakt geen verjaringstuitende erkenning uit. Deze brief waarmee appellant aan geïntimeerde enkel mededeling doet van de sedert 12 maart 1999 met de R.S.Z. gevoerde briefwisseling en tevens het advies van het consultatiecentrum van notarissen meedeelt, bevat immers niet de minste erkenning in de zin van artikel 2248 B.W.. 8.
  16. Geïntimeerde verwijst verder naar het op 3 juni 1999 door het Consultatiecentrum van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen uitgebrachte advies. Toegegeven dat, zoals geïntimeerde voorhoudt, een buitengerechtelijke bekentenis kan worden afgeleid uit een afgelegde verklaring in een akte waarin de schuldeiser niet betrokken is en die op zichzelf beschouwd alleen rechtsgevolgen heeft voor een derde ( Cass. 7 februari 1997, R.W. 1997 - 1998, 339), moet evenwel worden vastgesteld dat het door voormeld consultatiecentrum verstrekte advies geen dergelijke van appellant uitgaande verklaring bevat en dan ook niet als een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. kan worden bestempeld. Ook de loutere mededeling van dit advies bij schrijven van 11 juni 1999 kan dergelijke erkenning niet opleveren. Overigens blijkt uit niets dat het consultatiecentrum kennis had van alle relevante feiten, waaronder niet in het minst de door geïntimeerde, na verrekening van zijn ereloon, bij akte van 30.03.1989 verleende zuivere en eenvoudige handlichting van zijn ambtshalve genomen inschrijvingen, daarbij ¿verzakende aan alle rechten van privilegie, hypotheek of verbrekende vordering, willende dat deze nietig en zonder waarde zij ¿ . (stuk 14 - stukkenbundel appellant) Hoe dan ook kan in het kader van de beoordeling van een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. geen rekening worden gehouden met het in voormeld advies geformuleerde standpunt inzake aansprakelijkheid. Appellant bevestigt trouwens zelf dat deze erkenning slechts betrekking kan hebben op feiten en niet op juridische kwalificaties of gevolgtrekkingen. (stuk 9 gerechtsdossier - pag. 7, laatste paragraaf) 8.
  17. Nog volgens geïntimeerde zou het opstellen van de akte rangregeling op 07.01.2000 als een erkenning overeenkomstig artikel 2248 B.W. kunnen worden aangemerkt. De objectieve gegevens van de zaak tonen evenwel vooreerst aan dat deze rangregeling noodzakelijk was omdat de hypotheekbewaarder weigerde de inschrijvingen door te halen op basis van vrijwillige handlichtingen. Terzake verwijst het op 23.05.2000 geredigeerd proces-verbaal van tegenspraak (stuk 4 - stukkenbundel geïntimeerde, pag. 3 paragraaf 2 en 3) terecht naar het door de hypotheekbewaarder op de voormelde akte handlichting van 30.03.1989 in de linkerbovenhoek aangebrachte ver-melding ¿ Gelieve akte rangregeling op te maken aub. Dank.¿ (stuk 14 - stukkenbundel appellant) Verder blijkt dat, overeenkomstig het voormelde advies van het consultatiecentrum van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen, de akte rangregeling er tevens op gericht was om vast te stellen dat de R.S.Z. teveel had ontvangen op grond waarvan, aldus nog het advies, de curator de R.S.Z. kon dagvaarden in betaling, hetgeen ook effectief gebeurde. Nadat omtrent de door de R.S.Z. op het proces-verbaal van rangregeling gedane tegenspraak bij beschikking van de beslagrechter te Brugge van 19.02.2002 werd geoordeeld, nam geïntimeerde immers het initiatief om bij exploot van 07.06.2002 de R.S.Z. te dagvaarden voor de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende. Deze op artikel 1376 e.v. B.W. (onverschuldigde betaling of betaling zonder oorzaak) gesteunde vordering werd bij vonnis van 21 augustus 2003 als ongegrond afgewezen, tegen welke beoordeling door geïntimeerde blijkbaar geen rechtsmiddel werd aangewend. (stukken 1 t.e.m. 6 - stukkenbundel geïntimeerde) Uit één en ander blijkt dan ook dat de akte rangregeling bezwaarlijk als een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. kan worden aangemerkt en in elk geval niet als dusdanig door geïntimeerde werd aanzien. 8.
  18. Tenslotte kan geïntimeerde niet worden bijgetreden waar hij van oordeel is dat de verjaringstuitende erkenning blijkt uit het beweerd omstandig stil-zwijgen van appellant. Tot staving van het omstandig karakter van het beweerd stilzwijgen steunt geïntimeerde zich ten onrechte op de hiervoor reeds besproken briefwisseling van 12.03.1999 en 11.06.1999 die zoals vermeld, niet als een verjaringstuitende erkenning in aanmerking kan worden genomen. Het is overigens zeer de vraag of er zelfs sprake is van enig stilzwijgen van appellant nu de voormelde briefwisseling precies van appellant uitgaat. Hoe dan ook kan er bezwaarlijk sprake zijn van een ¿omstandig¿ stilzwijgen vermits uit het proces-verbaal van opmerkingen met betrekking tot de door de R.S.Z. geformuleerde tegenspraak van 23 mei 2000 blijkt dat appellant er uitdrukkelijk op wijst dat de uitbetaling aan de R.S.Z. - die naar zijn oordeel blijkens de akte handlichting van 30.03.1989 met instemming en goedkeuring van geïntimeerde plaatsvond - hem niet kan worden verweten. 8.
  19. Gelet op wat voorafgaat dient dan ook te worden vastgesteld dat geïntimeerde de overeenkomstig artikel 2248 B.W. ingeroepen stuiting van de verjaring niet bewijst. Derhalve kan dan ook enkel tot de verjaring van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde worden besloten en dringt de hervorming van het bestreden vonnis zich op. Gelet op de ingetreden verjaring komt de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde immers niet ontvankelijk voor. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende, Wijst de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af als onontvankelijk, Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de aan de zijde van appellant gevallen gedingkosten en begroot deze op 342,09 EUR als rechts-plegingsvergoeding eerste aanleg, 186,00 EUR als rolrecht hoger beroep, 485,87 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 60,73 EUR als uitgavenvergoeding, Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op achttien december tweeduizend en zes. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.