← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061221.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061221.6 Rolnummer: 2003/AR/1934 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-02 14:54 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Hoedanigheid GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Testamenten Vrije woorden: Gerechtelijke verdeling - geldigheid testament - beweerde stilzwijgende berusting in nietig testament- beweerde onontvankelijk hoger beroep- toelaatbaarheidsvereisten van art.17 en 18 Ger.W - voor het instellen van de rechtsvordering - voor het instellen van het rechtsmiddel -hoedanigheid en belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 17 Gerechtelijk Wetboek - 18 Tekst van de beslissing in de zaak van: 1. V.G,¿, eerste appellant, en zijn echtgenote: 2. V.X, ¿, tweede appellante, beiden samenwonende te 8211 ZEDELGEM (Aartrijke), Rozeboomstraat 6, 3. V.M, ¿, wonende te X, derde appellante, 4. V.J, ¿, wonende te X, vierde appellant, allen hebbende als raadsman mr. VANHAELEMEESCH Roger, advocaat te 8000 BRUGGE, Schrijversstraat 21E, tegen: 1. D.D, ¿, eerste geïntimeerde, en zijn echtgenote: 2. D.M, ¿, tweede geïntimeerde, de eerste en de tweede beiden samenwonende te Y, en hebbende als raadsman mr. ARNOU Patrick, advocaat te 8210 ZEDELGEM, Burg. Jos Lievensstraat 12 3. C.C, ¿, derde geïntimeerde, en zijn echtgenote: 4. V.P, ¿., vierde geïntimeerde, de derde en de vierde beiden samenwonende te A en hebbende als raadsman mr. MICHOLT Ralf, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria Van Bourgondiëlaan 7B 5. D.X, ¿, vijfde geïntimeerde, en zijn echtgenote: 6. H.A, ..., zesde geïntimeerde, de vijfde en de zesde beiden samenwonende te B, en hebbende als raadsman mr. ARNOU Luc, advocaat te 8210 ZEDELGEM (LOPPEM), Dorp nr. 15, 7. M.R, ¿, wonende te C, zevende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, 8. M.E, ¿, wonende te D, achtste geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, 9. M.J, ¿, wonende te E, negende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, 10. S.P, ¿, tiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, en zijn echtgenote: 11. V.R, ¿, elfde geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, de tiende en de elfde beiden samenwonende te F, 12. V.J, ¿, twaalfde geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, en zijn echtgenote: 13. M.M, dertiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, de twaalfde en de dertiende beiden samenwonende te G, 14. V.Ro, ¿, veertiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, en zijn echtgenote: 15. V.L, ¿, vijftiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, de veertiende en de vijftiende beiden samenwonende te H, 16. V.A, ¿, zestiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, en zijn echtgenote: 17. K.M, ¿, zeventiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, de zestiende en de zeventiende beiden samenwonende te I, 18. D.J, ¿, achttiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor hem, en zijn echtgenote: 19. B.M, ¿, negentiende geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar, de achttiende en de negentiende beiden samenwonende te J, 20. M.S, ¿, wonende te K, twintigste geïntimeerde, en haar (overleden) echtgenoot: 21. D.G, oorspronkelijke eenentwintigste geïntimeerde, overleden te Brugge op ¿, voor wie het geding hervat wordt door zijn twee rechtsopvolgers:

  1. a)M.S, zijn echtgenote, hiervoor vereenzelvigd als de twintigste geïntimeerde,
  2. b)D.M, zijn enige dochter, hiervoor vereenzelvigd als de tweede geïntimeerde, de twintigste en de eenentwintigste geïntimeerden allen hebbende als raadsman mr. ARNOU Patrick, voornoemd, werden op de openbare terechtzitting van 29 juni 2006 de verschenen partijen gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De overgelegde overtuigingsstukken en het dossier van de rechtspleging, omvattende inzonderheid: - het dossier van de rechtspleging van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waaronder het bestreden vonnis van de 1e kamer van deze rechtbank d.d. 11 juni 2003, gekend onder A.R. 01/730/A; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 20 augustus 2003; - de akte van gedinghervatting, neergelegd ter griffie van het hof op 8 december 2005; werden ingezien. HET HOF VERLEENT VOLGEND ARREST. A. de feitelijke gegevens en antecedenten De feitelijke gegevens en antecedenten die aan de grondslag liggen van het in hoger beroep te beslechten geschil kunnen als volgt worden weergegeven. Appellanten V.G, V.M en V.J zijn samen met vierde geïntimeerde V.P de wettige broers en zusters V.Re, gesproten uit het huwelijk van wijlen hun ouders V.Ri - G.I. Wijlen V.Re was gehuwd met wijlen M.E onder het stelsel van gemeenschap van aanwinsten volgens huwelijkscontract verleden op 13 juli 1957 voor notaris De Busschere te Brugge (stuk 1 bundel 1e, 2e en 20e geïntimeerden) en uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Wijlen V.Re overleed te Aartrijke op 8 januari 1994 (stuk 1 appellanten). Na zijn overlijden bleek dat laatstgenoemde een ¿eigenhandig¿ (cf. infra wat dit laatste betreft) testament had opgesteld met volgende inhoud (letterlijke weergave) (stuk 2 appellanten - stuk 2 1e, 2e en 20e geïntimeerden): ¿Ondergetekende Re.V verklaardt na zijn dood het geen hij bezit de volle eigendom komt van zijn echtgenote E.M. (handtekening)¿ Omtrent dit testament dient opgemerkt te worden dat: - het niet is gedateerd en het buiten betwisting staat dat dit geschreven werd op de achterzijde van een gedrukte reclamefolder van tearoom "t' Orgeltje" (stuk 5 bundel 1e , 2e en 20e geïntimeerden); - volgens appellanten dit niet eigenhandig werd geschreven door wijlen V.Re doch vermoedelijk wel door zijn echtgenote wijlen M.E terwijl: ¿ eerste en tweede geïntimeerden alsook twintigste geïntimeerde laten gelden dat dit testament allicht niet volledig eigenhandig geschreven is door wijlen V.Re, hoewel allicht wel door hem ondertekend is en ook zijn wil weergeeft; ¿ volgens vijfde en zesde geïntimeerden het testament wel degelijk eigenhandig werd geschreven door wijlen V.Re. Dit testament werd door wijlen M.E ter hand gesteld van notaris Mouriau de Meulenacker met standplaats te Torhout , die op 16 september 1994 een akte neerlegging verleed (stuk 2 1e, 2e en 20e geïntimeerden) terwijl een gelijkvormig afschrift van het proces-verbaal van opening en beschrijving van het eigenhandig testament, samen met een gewaarmerkte fotokopie ervan, door deze notaris op 5 oktober 1994 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge werd gedeponeerd (stuk 3 1e, 2e en 2e geïntimeerden). Tevens werd door wijlen M.E op 16 september 1994 de aangifte van nalatenschap verricht (stuk 4 appellanten - stuk 4a 1e , 2e en 20e geïntimeerden) terwijl zij op 26 september een bijvoeglijke aangifte deed (bijlage stuk 4 appellanten - stuk 4b 1e, 2e en 20e geïntimeerden). Het wordt niet betwist dat wijlen M.E tevens de successierechten op de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot voldeed (stuk 11 t.e.m. 13 1e, 2e en 20e geïntimeerden - stuk 2 t.e.m. 5 3e en 4e geïntimeerden) alsook de schulden van de nalatenschap (begrafeniskosten, rouwmaaltijd, grafsteen e.d.) betaalde. Blijkens de aangifte van nalatenschap waren als eigen onroerende goederen van wijlen V.Re te beschouwen een woonhuis met aanhorigheden en land te W Tevens behoorde tot de huwgemeenschap van wijlen V.Re - M.E een perceel land te P Omtrent de houding welke appellanten nopens dit testament aannamen dient omtrent hun uitleg in hun appelakte en in hun conclusies voor de eerste rechter en in hoger beroep het volgende opgemerkt te worden: - in hun conclusies voor de eerste rechter d.d. 4 september 2001 (pagina 4) stelden zij voorop: ¿Overwegende dat concluanten wel degelijk de destijds vooropgestelde vereffening/verdeling na overlijden van wijlen V.Re hebben betwist: zij werden uitgenodigd door het Ambt van Notaris Mouriau de Meulenacker om dit ongeldig testament te bekrachtigen en hebben uitdrukkelijk geweigerd dit te doen tegenover de notaris en zijn vereffenings/verdelingsvoorstel te beamen.¿; - in hun verzoekschrift tot hoger beroep laten zij: ¿ enerzijds gelden dat zij als wettige erfgenamen van wijlen V.Re een oproeping ontvingen van notaris Mouriau de Meulenacker teneinde het testament te bekrachtigen (waarbij zij stellen dat zij deze oproeping niet meer terugvinden) doch dit weigerden; ¿ anderzijds gelden dat zij zelf notaris Monballyu met standplaats te Pittem aanstelden die op 14 december 1994 notaris Mouriau de Meulenacker zou hebben aangeschreven doch welke laatste in zijn antwoord de nietigheid (van het testament) zou hebben verzwegen; - in hun eerste conclusies in hoger beroep: ¿ stellen appellanten evenwel voorop zij het ¿kennelijk ongeldig¿ testament niet zagen doch integendeel uit hun stukken zou blijken dat zij zich wendden tot een eigen notaris Monballyu die navraag zou doen omtrent de vererving zonder dat zij toen ooit het ¿testament¿ zagen; ¿ wijzigen zij enerzijds hun standpunt met betrekking tot de tussenkomst van notaris Monballyu door te stellen dat deze bij de registratie inlichtingen opvroeg (en dus niet bij notaris Mouriau de Meulenacker - cfr. pag. 3 eerste beroepsbesluiten appellanten) doch anderzijds handhaven zij hun eerder ingenomen standpunt door te stellen dat ¿op tussenkomst van notaris MONBALIU (via fax dd. 14.12.94/ stuk-5) de nietigheid werd verzwegen¿ (cf. pag. 1 eerste beroepsbesluiten appellanten). Hoe dan ook wordt vastgesteld dat: - geen enkel stuk voorligt met betrekking tot de beweerde oproeping van appellanten door notaris Mouriau de Meulenacker om tot ¿bekrachtiging¿ van het testament over te gaan; - notaris Monballyu medio december 1994 aan het registratiekantoor te Brugge verzocht om de devolutie mee te delen van de nalatenschap van wijlen V.Re en de diensten van het 2de kantoor der registratie te Brugge alsdan te kennen gaven (stuk 5 appellanten): ¿Dhr. Re.V overleed op ¿, zijn erfenis viel toe aan zijn echtg. Mevr. E.M voor 1/1 V.E. begrijpende: 1) 1/2 V.E. in 1 ha 46 a 41 ca land, Sie B nr. 79 A, 97C te Aartrijke, Krekaertvijver 2) 1/2 V.E. in 1 ha 16 a 32 ca hoeve, maalderij, boomgaard en bouwland A) ¿ (verdere gegevens ontbreken op voorgelegde kopie); B) ¿voor (verdere gegevens ontbreken op voorgelegde kopie); C) ¿ (verdere gegevens ontbreken op voorgelegde kopie); ingevolge eigenhandig testament, neergelegd onder de minu(..) van notaris Mouriau de Meulenacker op 16.09.94.¿. Enig ander stuk omtrent dit alles - laat staan een stuk waaruit zou blijken dat notaris Mouriau de Meulenacker de ¿nietigheid¿ zou hebben verzwegen ¿ wordt door appellanten niet voorgelegd. Verder laten appellanten in hun verzoekschrift tot hoger beroep gelden dat zij - ondanks hun weigering om het testament te bekrachtigen - desalniettemin wijlen M.E niet stoorden in haar wettelijk vruchtgebruik. In hun inleidende dagvaarding voor de eerste rechter verduidelijkten zij dit als volgt: ¿Dat verzoekers het vruchtgebruik van wijlen M.E respecteerden tot na haar overlijden, onder betwisting van het ¿beweerd eigenhandig¿ testament dat daarenboven ongedateerd was, en neergelegd onder de minuten van notaris JP MOURIAU DE MEULENACKER dd. 16.09.1994 ¿. ¿ terwijl zij in conclusies voor de eerste rechter hieromtrent vooropstelden: ¿Overwegende dat concluanten de toenmalige zogezegde begunstigde erfgename M.E tot haar overlijden met rust hebben gelaten om reden dat zij ingevolge haar huwelijksbedingen en reservatair gedeelte als langstlevende echtgenote, beschikte over het vruchtgebruik, ook over de nalatenschap van wijlen haar man V.Re, inclusief de onroerende goederen welke huidige concluanten thans claimen.¿ Afgezien van het bovenstaande blijkt het tevens buiten betwisting te staan dat wijlen M.E vanaf het overlijden van wijlen haar echtgenoot alle lasten en taksen met betrekking tot de onroerende goederen betaalde. Evenmin wordt betwist dat de kosten voor een aantal herstellingen aan de door haar betrokken woning na het overlijden van haar echtgenoot eveneens door wijlen M.E werden voldaan (zie in dit verband stukken 7 en 8 3e en 4e geïntimeerden). Wijlen M.E overleed op ¿ (stuk 6 appellanten). Voorafgaand haar overlijden, met name op 30 september 1998, had zij een eigenhandig geschreven testament opgesteld met volgende inhoud (letterlijke weergave) (stuk 7 appellanten - stuk 6 1e , 2e en 20e geïntimeerden): ¿30 September van 1998 Aan de Heer Notaris Moriau De Meulenacker Mijn testament Ondergetekende E.M echtenoot van Re.V (en weduwe) sinds 8 januari 1994. Na eigenares te zijn van alles die hier is. Mijn wil is het volgende. 1ste Mijn huis met alles die er in is, alle gebouwen ook met alles erin, en gans het hof word volledig geschonken aan M.D en D.D of hun kinderen. 2de De weide voor de deur gans de oppervlakte word volledig geschonken aan C.C en P.V of hun kinderen. 3de Het stuk grond gelegen tussen D en L wordt geschonken aan X.D. En dus wordt wanneer alles geregeld en betaald is het geld die over is verdeeld in 10 gelijke delen 30 September 1998 aan 1 R.M (Karel Spillier ¿) of hun kinderen aan 2 (Ma.M M.M ¿) aan hun kinderen aan 3 P.St en R.V of hun kinderen aan 4 J.V en M.D of hun kinderen aan 5 R.V en L.V of hun dochter aan 6 A.V en M.K of hun dochter aan 7 J.D en M.B of hun kinderen aan 8 M.V aan 9 J.V aan 10 G.V en M.V of hun kinderen Wanneer het de eigendom is van M en D.D moet de gebuur M.V binnen de 10 dagen volledig de garage ontruimen. Getekend den 30 september 1998 E.M Faliestraat 93 Aartrijke¿. Dit testament werd door eerste en tweede geïntimeerden ter hand gesteld van notaris Mouriau de Meulenacker voornoemd, die op 30 oktober 2000 een akte neerlegging verleed (stuk 7 1e, 2e en 20e geïntimeerden) terwijl het bedoeld testament eveneens werd gedeponeerd op 10 november 2000 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (stuk 8 1e, 2e en 20e geïntimeerden). Door eerste en tweede geïntimeerden, derde geïntimeerde en vijfde geïntimeerde werd de aangifte van nalatenschap van wijlen M.E verricht op 31 oktober 2000 (stuk 8 appellanten - stuk 9 1e, 2e en 20e geïntimeerden). Het staat tevens buiten betwisting dat zij alsdan de verschuldigde successierechten betaalden. Middels aangetekend schrijven d.d. 7 juni 2000, afzonderlijk gericht aan zevende, achtste, negende en twintigste geïntimeerde, had de raadsman van appellanten, toen enkel optredend voor eerste appellant, evenwel reeds medegedeeld dat zijn cliënt als wettige erfgenaam van wijlen V.Re nog steeds aanspraak maakte op zijn aandeel in de erfenis van laatstgenoemde (stukken 9.a t.e.m. 9.d appellanten). Verder werd in dit schrijven gesteld: ¿(¿) Cliënt betwist met klem de rechtsgeldigheid van het beweerd testament van de Heer V.Re, waarbij hij zijn erfenis in volle eigendom zou geschonken hebben aan Mevrouw M.E, daar dit testament getroffen is door absolute nietigheid wegens gebrek aan datering, en dat op 16.09.1994 zou neergelegd zijn onder de Minuten van het notariaat van huidige notaris Mouriau de Meulenacker te Torhout. Cliënt maakt derhalve aanspraak op thans 1/4 ° in volle eigendom van de nalatenschap van wijlen zijn broer Re.V, en waarvan ondermeer afhing: - de hoeve, maalderij en bouwland voor een oppervlakte ¿ - de helft van ¿ Vooraleer een procedure tot nietigverklaring van gezegd testament op te starten, is mijn cliënt bereid minnelijke onderhandelingen te voeren zodat U wordt verzocht Uw raadsman of notaris aan te duiden om deze onderhandelingen op te starten.¿ Eveneens richtte de raadsman van appellanten op dezelfde datum navolgend schrijven aan notaris Mouriau de Meulenacker (stuk 9.e appellanten): ¿Als raadsman van de Heer V.G stuur ik U in bijlage kopie van mijn aangetekende ingebrekestellingen aan de vermoedelijke erfgenamen van wijlen Mevrouw M.E, daar waar mijn cliënt de rechtsgeldigheid aanvecht van het destijds door Uw kantoor als geldig aanvaard testament van wijlen de echtgenoot van voornoemde M.E, overleden op ¿, zijnde wijlen V.Re, overleden op ¿. Vooraleer een procedure op te starten, is mijn cliënt bereid minnelijke onderhandelingen te voeren in afgifte van zijn wettig erfdeel in de nalatenschap van wijlen V.Re, waarop het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenote M.E ingevolge haar overlijden thans vervallen is. Vermoedelijk zult U als familienotaris van de consoorten M worden aangeduid, zodat ik U kopie stuur van gezegde ingebrekestellingen.¿ Door appellanten werd alsdan op respectievelijk 21 en 22 februari 2001 overgegaan tot dagvaarding van 1e t.e.m. 19e geïntimeerden voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde hen: - te zien en te horen zeggen voor recht dat het beweerd eigenhandig en ongedateerd testament van wijlen V.Re (neergelegd onder de minuten van notaris J.P. Mouriau de Meulenacker d.d. 16 september 1994) nietig is wegens gebrek aan datering en niet eigenhandig geschreven werd; - te zien en te horen zeggen voor recht dat volgende onroerende goederen tot de nalatenschap van wijlen V.Re behoren als vallende buiten diens huwgemeenschap als zijnde zijn persoonlijke eigendom en vallend in diens erfenis: ¿ het woonhuis met aanhorigheden gelegen ¿ ¿ landbouwgrond ¿ ¿ landbouwgrond ¿ - te zien en te horen zeggen voor recht dat dienvolgens het eigenhandig testament van wijlen M.E d.d. 30 september 1998 (neergelegd onder de minuten van notaris Ch. Mouriau de Meulenacker op 30 september 1998 - hetgeen evenwel dient te zijn 30 oktober 2000) minstens nietig is voor wat betreft de aldaar gedane schenking van voormelde onroerende goederen en buiten deze nalatenschap vallen en sinds het overlijden van wijlen V.Re de naakte eigendom zijn geworden van appellanten en geïntimeerde V.P, elk voor ¼ in onverdeeldheid; - dienvolgens de vereffening/verdeling te zien en te horen bevelen van de nalatenschappen en huwgemeenschap van wijlen V.Re overleden te ¿ op ¿ en van diens echtgenote M.E overleden te ¿ op ¿ met aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening/verdeling en van inventaris, rekening houdend met de aldus ontstane toebedelingen van bepaalde onroerende goederen, en een tweede notaris aan te stellen om te handelen conform artikel 1209 Ger.W.; - eveneens te zien en te horen zeggen voor recht dat voor zover bovenvermelde onroerende goederen die toevallen aan appellanten en tweede geïntimeerde niet gevoeglijk kunnen verdeeld worden, deze openbaar mogen verkocht worden conform artikel 1211 Ger.W.. Tevens verzochten appellanten: - voor zover hun bundel geen voldoende bewijs zou bevatten hen te zien en te horen machtigen aanvullend bewijs te leveren, zonodig via schriftonderzoek en alle andere middelen van bewijs; - de kosten van vereffening/verdeling, gebeurlijke inventaris en van de procedure ten laste te leggen van de massa; - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. In conclusies, neergelegd voor de eerste rechter, handhaafden appellanten hun vordering zoals geformuleerd in hun inleidende dagvaarding, met dien verstande dat zij in ondergeschikte orde verzochten dat vooraleer recht werd gedaan en voor zover de visu ter zitting niet zou blijken dat het betwist testament van wijlen V.Re duidelijk van de hand was van zijn langstlevende echtgenote, M.E, een schriftdeskundige zou worden aangesteld tot onderzoek en vergelijking van beide testamenten, en zijn advies te verlenen over de werkelijke auteur van gezegd testament neergelegd op 16 september 1994 op naam van V.Re. Eerste en tweede geïntimeerden vorderden in hun eerste conclusies neergelegd voor de eerste rechter, te horen zeggen voor recht dat: - de vordering van appellanten onontvankelijk was, voor zover ze uitgaat van appellante V.X; - de vordering van appellanten eveneens onontvankelijk was in zoverre ze werd gericht tegen de geïntimeerden C.C, H.A, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M; - de vordering van appellanten eveneens onontvankelijk was in zoverre ze strekt tot de vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen M.E; - de vordering van appellanten geen doorgang kon vinden in zoverre ze strekt tot de vereffening en verdeling van de ontbonden huwgemeenschap V - M en dit gezien alle deelgenoten niet aanwezig waren in de procedure. Tevens verzochten zij hen akte te horen verlenen dat: - zij hun standpunt ter zake verder zouden ontwikkelen van zodra de procedure in orde gebracht was; - notaris Ryckaert met standplaats te Torhout niet kon optreden als instrumenterende notaris in het kader van een vereffening en verdeling nu hij al is opgetreden als raadgevende notaris van appellanten in deze zaak. Tenslotte verzochten eerste en tweede geïntimeerden de gedingkosten van het nutteloos dagen van de hierboven genoemde partijen in elk geval ten laste van appellanten te leggen. In hun tweede conclusies volhardden eerste en tweede geïntimeerden in het bovenstaande, met dien verstande dat: - zij de mening van appellanten deelden dat het testament van wijlen V.Re niet volledig door hem was geschreven; - zij zich wel aansloten bij derde en vierde geïntimeerden waar deze voorhielden dat appellanten niet meer de nietigheid van het testament van wijlen V.Re konden inroepen; - de gedingkosten ten laste van appellanten dienden te worden gelegd, minstens ten laste van de massa. Derde en vierde geïntimeerden verschenen in persoon voor de eerste rechter en door hen werden geen conclusies neergelegd. Vijfde en zesde geïntimeerden: - concludeerden in hoofdorde tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van appellanten; - verzochten in subsidiaire orde te horen zeggen voor recht dat notaris Ryckaert te Torhout en notaris Monballyu te Pittem niet konden optreden als instrumenterende notaris in het kader van een vereffening en verdeling gezien zij al waren opgetreden als raadgevende notarissen van appellanten; - verzochten tenslotte appellanten te horen veroordelen tot de kosten van het geding. In hun tweede conclusies voor de eerste rechter volhardden vijfde en zesde geïntimeerden eveneens in hun conclusies, met dien verstande dat zij een aanbod van getuigenbewijs deden omtrent de door hen aangegeven feitelijke elementen die de bekrachtiging en erkenning door appellanten van het testament van wijlen V.Re aantoonden. Middels verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, neergelegd op 15 februari 2002, kwamen twintigste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot D.G vrijwillig tussen in het geding. De overige geïntimeerden verschenen niet in de procedure voor de eerste rechter noch werden zij vertegenwoordigd. Bij het bestreden vonnis van de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 11 juni 2003, gewezen op tegenspraak t.a.v. appellanten, eerste t.e.m. zesde geïntimeerden, twintigste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot D.G, en geacht op tegenspraak overeenkomstig artikel 753 Ger.W. t.a.v. de overige geïntimeerden, werd: - akte gegeven aan twintigste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot D.G van hun vrijwillige tussenkomst; - de vordering van appellanten ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond. Tevens werden appellanten veroordeeld tot het betalen van de gedingkosten en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, spijts alle verhaal en zonder enige borgstelling. B. de vorderingen in hoger beroep 1. Appellanten vorderen het vonnis a quo te horen tenietdoen waar dit statueerde over de beweerde berusting door hen in het nietig testament van wijlen V.Re en de vordering tot aanpassing van het testament van wijlen M.E en opnieuw wijzende, geïntimeerden zich: - te zien en horen zeggen voor recht dat het beweerd eigenhandig en ongedateerd testament van wijlen V.Re (neergelegd onder de minuten van notaris J.P. Mouriau de Meulenacker d.d. 16 september 1994) in hunnen hoofde niet stilzwijgend werd bekrachtigd ingevolge enige berusting; - te zien en te horen zeggen voor recht dat volgende onroerende goederen tot de nalatenschap van wijlen V.Re behoren als vallende buiten diens huwgemeenschap als zijnde zijn persoonlijke eigendom en vallend in diens erfenis: ¿ het woonhuis met aanhorigheden gelegen te ¿ ¿ landbouwgrond ¿ ¿ landbouwgrond ¿ ¿ - te zien en te horen zeggen voor recht dat gezegde goederen aan hen worden toebedeeld elk voor een derde, met uitsluiting van derde en vierde geïntimeerden gezien de berusting door laatstgenoemden in het betwist testament; - te zien en te horen zeggen voor recht dat dienvolgens het eigenhandig testament van wijlen M.E d.d. 30 september 1998 (neergelegd onder de minuten van notaris Ch. Mouriau de Meulenacker op 30 september 1998 - hetgeen evenwel dient te zijn 30 oktober 2000) minstens nietig is voor wat betreft de aldaar gedane schenking van voormelde onroerende goederen en buiten deze nalatenschap vallen en sinds het overlijden van wijlen V.Re de naakte eigendom zijn geworden van hen, met uitsluiting van vierde geïntimeerde, elk voor 1/3e en sinds het overlijden van M.E in volle eigendom; - dienvolgens de vereffening/verdeling te zien en te horen bevelen van de nalatenschappen en huwgemeenschap van wijlen V.Re overleden te ¿ op ¿ en van diens echtgenote M.E overleden te ¿ op ¿ met aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening/verdeling en van inventaris, rekening houdend met de gezegde nietigheden van de beide testamenten en rekening houdend met de aldus ontstane toebedelingen van bepaalde onroerende goederen, en een tweede notaris aan te stellen om te handelen conform artikel 1209 Ger.W.; - eveneens te zien en te horen zeggen voor recht dat voor zover bovenvermelde onroerende goederen die toevallen aan appellanten en tweede geïntimeerde niet gevoeglijk kunnen verdeeld worden, deze openbaar mogen verkocht worden conform artikel 1211 Ger.W.. Tevens verzoeken zij ook: - voor zover hun bundel geen voldoende bewijs zou bevatten hen te zien en horen machtigen aanvullend bewijs te leveren, zonodig via schriftonderzoek en alle andere middelen van wettelijk toegelaten bewijs van de door hen ingeroepen feiten; - de kosten van vereffening/verdeling, gebeurlijke inventaris en van de procedure, zoals door hen begroot, ten laste te leggen van de massa; terwijl zij wat de kosten van het hoger beroep betreft verzoeken dat geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke van de andere of elk voor zijn deel, zouden verwezen worden in de kosten van het hoger beroep zoals door hen begroot. 2. Eerste en tweede geïntimeerden, alsook twintigste geïntimeerde, verzoeken, na de door appellanten ingeroepen stukken uit de debatten te hebben geweerd wegens het niet voorleggen van enige inventaris der in hoger beroep door appellanten gebruikte stukken: - hen vooreerst akte te horen verlenen van: ¿ het aanbod van getuigenbewijs dat door hen in conclusies werd gedaan en dit op verschillende punten; ¿ én van het incidenteel hoger beroep dat door hen in conclusies op een aantal punten werd ingesteld; doch dit alles enkel voor zoveel als nodig; - verder te horen zeggen dat zowel de oorspronkelijke vordering als het huidig hoger beroep van appellante V.X worden afgewezen als onontvankelijk en dit bij gebrek aan hoedanigheid en belang; - ook te horen zeggen voor recht dat zowel de oorspronkelijke vordering als het hoger beroep van appellanten worden afgewezen als onontvankelijk in zoverre ze gericht zijn tegen de geïntimeerden C.C, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M, nu al deze personen enkel bijzondere legatarissen zijn, die in de betwisting niets kunnen komen doen; - tevens te horen zeggen voor recht dat zowel de oorspronkelijke vordering als het hoger beroep van appellanten worden afgewezen als onontvankelijk in zoverre ze gericht zijn tegen geïntimeerde H.A, nu zij in geen enkele hoedanigheid bij deze zaak kon worden betrokken; - nog te horen zeggen voor recht dat appellanten geen enkele hoedanigheid of belang hebben om de vereffening en verdeling te vragen van de nalatenschap van wijlen M.E en hun vordering daaromtrent hoe dan ook moet worden afgewezen; - te horen zeggen voor recht dat appellanten verwezen worden in alle nutteloze gedingkosten, zoals dagvaardingskosten en rechtsplegingsvergoedingen die zij gemaakt hebben ingevolge het onontvankelijk betrekken van een aanzienlijk aantal partijen in deze zaak, én ingevolge het instellen van een aantal hoe dan ook onontvankelijke vorderingen, zoals hierboven aangegeven; - voor het overige minstens te horen zeggen voor recht dat het eigenhandig testament van wijlen V.Re niet is aangetast door enige nietigheid, die door appellanten nog nuttig zou kunnen worden ingeroepen; - bijgevolg het hoger beroep van appellanten tegen het bestreden vonnis geheel af te wijzen en hun incidenteel hoger beroep ertegen toe te wijzen als ontvankelijk en gegrond, minstens voor zoveel als nodig; - ondergeschikt zeker te horen stellen dat de vordering van appellanten enkel betrekking kan hebben op 3/4en van de vroegere eigen goederen van wijlen V.Re; - in zelfde ondergeschikte orde akte te horen nemen dat niet kan worden overgegaan tot de aanstelling van de notarissen Ryckaert te Torhout of Monballyu te Pittem voor de bewerkingen van enige vereffening en verdeling; - appellanten te horen verwijzen in alle gedingkosten die zijn ontstaan door hun fout en voor het overige appellanten te horen veroordelen in de gedingkosten aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerden volgens hun opgave. Verder verzoeken tweede en twintigste geïntimeerden hen akte te horen verlenen van hun gedinghervatting voor wijlen D.G, hangende de procedure hoger beroep overleden. 3. Derde en vierde geïntimeerden verzoeken: - in hoofdorde het hoger beroep te horen afwijzen als ongegrond; - in ondergeschikte orde: ¿ het testament van wijlen V.Re nietig te horen verklaren en diens nalatenschap te horen verdelen onder de vier wettelijke erfgenamen, henzelf inbegrepen; ¿ de oorspronkelijke vordering van appellanten met betrekking tot de nietigheid van het testament van wijlen M.E te horen afwijzen als ongegrond voor wat betreft het legaat van haar eigen goederen aan derde en vierde geïntimeerden. Tevens vragen zij appellanten te horen veroordelen tot de kosten van het geding zoals door hen begroot. 4. Vijfde en zesde geïntimeerden verzoeken: - vooreerst al onmiddellijk te horen stellen dat zowel de oorspronkelijke vordering van appellanten alsook hun hoger beroep onontvankelijk moeten worden verklaard in zoverre ze gericht zijn tegen zesde geïntimeerde, die geheel buiten zake moet worden gesteld, en voor zoveel als nodig dan ook hun incidenteel hoger beroep in dit verband ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en appellanten dan ook te horen verwijzen in alle gedingkosten van zesde geïntimeerde volgens haar opgave in conclusies; - verder hen akte te horen verlenen dat zij verder de door eerste en tweede geïntimeerden in deze procedure neergelegde conclusies ook uitdrukkelijk tot de hunne nemen, met uitzondering van hetgeen werd gesteld in de randnummers 2 tot 4 van het onderdeel III van hun syntheseconclusies; - dienvolgens hen akte te horen verlenen dat zij voor zoveel als nodig aanbod van getuigenbewijs doen op al de punten waarop dergelijk aanbod wordt gedaan in de conclusies in deze zaak neergelegd voor eerste en tweede geïntimeerden; - verder hen ook akte te horen verlenen van het incidenteel hoger beroep, dat voor zoveel als nodig ook door hen wordt ingesteld; - bijgevolg dus te horen zeggen voor recht dat zowel de oorspronkelijke vordering als het huidig hoger beroep van V.X moeten worden afgewezen als onontvankelijk, en dit bij gebrek aan hoedanigheid en belang; - bijgevolg dus ook te horen zeggen voor recht dat zowel de oorspronkelijke vordering als het hoger beroep van appellanten worden afgewezen als onontvankelijk in zoverre ze gericht zijn tegen de geïntimeerden C.C, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M, nu al deze personen enkel bijzondere legatarissen zijn, die in de betwisting niets kunnen komen doen; - nog te horen zeggen voor recht dat appellanten geen enkele hoedanigheid of belang hebben om de vereffening en verdeling te vragen van de nalatenschap van wijlen M.E en hun vordering daaromtrent hoe dan ook moet worden afgewezen; - te horen zeggen voor recht dat appellanten verwezen worden in alle nutteloze gedingkosten, zoals dagvaardingskosten en rechtsplegingsvergoedingen die zij gemaakt hebben ingevolge het onontvankelijk betrekken van een aanzienlijk aantal partijen in deze zaak, én ingevolge het instellen van een aantal hoe dan ook onontvankelijke vorderingen, zoals hierboven aangegeven; - voor het overige minstens te horen zeggen voor recht dat het eigenhandig testament van wijlen V.Re niet is aangetast door enige nietigheid, die door appellanten nog nuttig zou kunnen worden ingeroepen; - bijgevolg het hoger beroep van appellanten tegen het bestreden vonnis geheel af te wijzen en hun incidenteel hoger beroep ertegen toe te wijzen als ontvankelijk en gegrond, minstens voor zoveel als nodig; - ondergeschikt zeker te horen stellen dat de vordering van appellanten enkel betrekking kan hebben op 3/4en van de vroegere eigen goederen van wijlen V.Re; - in zelfde ondergeschikte orde akte te horen nemen dat niet kan worden overgegaan tot de aanstelling van de notarissen Ryckaert te Torhout of Monballyu te Pittem voor de bewerkingen van enige vereffening en verdeling; - voor het overige appellanten ook te horen veroordelen in de gedingkosten van vijfde geïntimeerde, begroot volgens opgave in conclusies. 5. Door de overige geïntimeerden werden geen conclusies neergelegd in de procedure hoger beroep. Zij verschenen evenmin ter terechtzitting noch waren zij vertegenwoordigd. C. beoordeling 1. De zaak stond op de terechtzitting van 29 juni 2006 vastgesteld in toepassing van artikel 753 Ger.W.. Zevende tot en met negentiende geïntimeerden verschenen niet ter terechtzitting noch waren vertegenwoordigd, niettegenstaande zij regelmatig en tijdig bij gerechtsbrief d.d. 23 maart 2006 werden opgeroepen voor voormelde terechtzitting van 29 juni 2006. Door appellanten werd op de terechtzitting opzichtens voormelde geïntimeerden het voordeel van artikel 753 Ger.W. gevorderd. Derhalve wordt onderhavig arrest overeenkomstig artikel 753 Ger.W. geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van zevende tot en met negentiende geïntimeerden. Gezien de overige gedingpartijen vertegenwoordigd waren wordt het arrest opzichtens hen op tegenspraak gewezen. 2. Wijlen D.G kwam, samen met zijn echtgenote zijnde twintigste geïntimeerde, vrijwillig tussen in de procedure in eerste aanleg. Hangende onderhavige procedure hoger beroep overleed eerstgenoemde (stuk 14 bundel 1e, 2e en 20e geïntimeerden) en door zijn erfgenamen, zijnde tweede geïntimeerde (zijn dochter) en twintigste geïntimeerde (zijn echtgenote) werd op 8 december 2006 een akte van gedinghervatting neergelegd ter griffie. Aan tweede en twintigste geïntimeerden kan derhalve akte worden verleend van hun hervatting van het geding. 3. Voorafgaandelijk aan de beoordeling van de ontvankelijkheid en gegrondheid van het hoger beroep van appellanten en van het incidenteel hoger beroep van: - eerste en tweede geïntimeerden, alsook twintigste geïntimeerde; - derde en vierde geïntimeerden; - vijfde en zesde geïntimeerden; dient opgemerkt te worden dat niet kan worden ingegaan op het verzoek van eerste en tweede geïntimeerden, alsook twintigste geïntimeerde, om de door appellanten ingeroepen stukken uit de debatten te weren wegens het niet voorleggen van enige inventaris der in hoger beroep door appellanten gebruikte stukken. Waar inderdaad noch aan het verzoekschrift tot hoger beroep noch aan de door appellanten neergelegde conclusies in hoger beroep een inventaris der overtuigingsstukken werd gehecht, dient vastgesteld te worden dat: - in de procedure in eerste aanleg een inventaris der stukken werd gevoegd aan de conclusies van appellanten en appellanten deze stukken ook hebben neergelegd ter griffie overeenkomstig artikel 737, lid 1 Ger.W. (stuk 11 bundel rechtsplegingsdossier eerste aanleg) waarna deze stukken voor de pleidooien werden teruggetrokken (stuk 23 rechtsplegingsdossier eerste aanleg); - in het stavingsbundel van appellanten zich dezelfde inventaris bevindt als deze welke was gehecht aan de conclusies van appellanten in eerste aanleg; - appellanten in hoger beroep geen andere stavingstukken aanwenden dan deze in eerste aanleg; - eerste en tweede geïntimeerden, alsook twintigste geïntimeerde, niet betwisten dat deze stavingstukken hen werden overgelegd en zij er kennis van hebben. Artikel 743, lid 2 Ger.W. bepaalt: ¿De inventaris van de stukken wordt bij de conclusies gevoegd¿. Er is evenwel geen sanctie voorzien wanneer de inventaris van de overtuigingsstukken niet de bij de conclusies is gevoegd. De vaststelling dat de inventaris niet aan de conclusie is gehecht, volstaat op zichzelf dus niet om daaruit af te leiden dat die stukken niet voorafgaandelijk werden medegedeeld. Slechts in dat laatste geval dienen de stukken overeenkomstig artikel 740 Ger.W. (ambtshalve) uit de debatten te worden geweerd. Gelet op het bovenstaande zijn er dus geen redenen om de door appellanten overgelegde overtuigingsstukken uit de debatten te weren. 4. Door appellanten werd tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Evenwel menen eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden dat het hoger beroep: - van appellante V.X; - van appellanten tegen de geïntimeerden C.C, H.A, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M, nu al deze personen enkel bijzondere legatarissen zijn die in de betwisting niets kunnen komen doen; - van appellanten tegen geïntimeerde H.A; als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Zij gronden deze ¿onontvankelijkheid¿ van het hoger beroep op de omstandigheid dat volgens hen de oorspronkelijke vordering voor de eerste rechter door appellante V.X en lastens voormelde geïntimeerden als onontvankelijk had dienen afgewezen te worden en dit op grond van de hierna sub. 5 te ontmoeten argumenten. Eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden komen derhalve tot het besluit dat de - voorgehouden - onontvankelijkheid van de vordering voor de eerste rechter (waaromtrent dient vastgesteld te worden dat de eerste rechter de hiertoe aangebrachte argumenten niet heeft ontmoet in het bestreden vonnis) leidt tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep: - enerzijds van appellante V.M; - anderzijds lastens voormelde geïntimeerden. Zulks kan door het hof niet worden bijgetreden. Weliswaar wordt aangenomen dat om hoger beroep te kunnen instellen de partij die dit rechtsmiddel wil aanwenden moet voldoen aan de toelaatbaarheidsvereisten van artikel 17 en 18 Ger.W. die van toepassing zijn op de rechtsvordering, doch dit impliceert niet dat een volledig analoge toepassing van deze algemene toelaatbaarheidsvereisten op het rechtsmiddel van hoger beroep kan gemaakt worden. Er moet immers een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de algemene toelaatbaarheidsvereisten voor het instellen van de rechtsvordering en anderzijds de algemene toelaatbaarheidsvereisten voor het instellen van het rechtsmiddel van het hoger beroep. Het hof onderschrijft desbetreffend het standpunt dat de algemene toelaatbaarheidsvereisten van de artikelen 17 en 18 Ger.W. enkel gelden voor de rechtsvordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, terwijl het belang vereist voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep een autonome toelaatbaarheidsvoorwaarde is. M.a.w. moet de appelrechter in eerste instantie de toelaatbaarheid van het hoger beroep onderzoeken en dient pas dan de toelaatbaarheid van de door of tegen de appellant(
  3. en)ingestelde rechtsvordering te worden getoetst aan de hand van de artikelen 17 en 18 Ger.W.. Voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep volstaat het dus dat men partij geweest is voor de eerste rechter en door deze in het ongelijk werd gesteld, dat het vonnis vatbaar is voor hoger beroep en dat het rechtsmiddel tijdig is gesteld. Voor de toelaatbaarheid van de rechtsvordering in eerste aanleg en in hoger beroep moet voldaan zijn aan de algemene voorwaarden van de artikelen 17 en 18 Ger.W.: de vereiste hoedanigheid bezitten en een reeds dadelijk en verkregen belang hebben. Gelet op hetgeen voorafgaat is het rechtsmiddel van hoger beroep van tweede appellante V.X dan ook toelaatbaar c.q. ontvankelijk te verklaren. Tevens dient gesteld dat ook het hoger beroep voor zover gericht enerzijds tegen geïntimeerden C.C, H.A, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M en anderzijds tegen geïntimeerde H.A, om dezelfde redenen toelaatbaar c.q. ontvankelijk is. Waar de hoedanigheidsvereiste bij de eiser als logisch gevolg heeft dat de eiser zijn vordering moet instellen tegen de persoon die de hoedanigheid bezit om ze te beantwoorden is zulks evenzeer als een toelaatbaarheidsvereiste van de rechtsvordering te beschouwen en niet als een toelaatbaarheidsvereiste van het rechtsmiddel van hoger beroep. Wanneer zoals in casu het hoger beroep wordt gericht tegen geïntimeerden die in eerste aanleg materiële procespartijen waren als gedaagden en die voor de eerste rechter tegengestelde belangen verdedigden, is aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van het rechtsmiddel van hoger beroep tegen deze geïntimeerden voldaan. 5. Aangaande de door eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden voor de eerste rechter opgeworpen en in hoger beroep herhaalde middelen van onontvankelijkheid van de (rechts)vordering dient het volgende gesteld te worden. Het hof is de mening toegedaan dat desbetreffend de begrippen "hoeda¬nigheid" en "belang" verkeerd geperci¬pieerd worden door voormelde geïntimeerden. Hieromtrent dient het volgende gesteld te worden. a. Afgezien van de vraag of appellante V.X als bijzondere legataris is te beschouwen, die alsdan volgens voormelde geïntimeerden geen hoedanigheid en belang zou hebben om: ¿ de vordering tot nietigverklaring van het testament van wijlen V.Re én van bepaalde legaten uit het testament van wijlen M.E te formuleren; ¿ de vereffening en verdeling van de genoemde nalatenschappen en ontbonden huwgemeenschap te vragen; dient vastgesteld dat appellante V.X in onderhavig geschil optreedt voor eigen rekening en een veroordeling vordert op grond van rechten die zij beweert te hebben lastens geïntimeerden. Zij stelt desbetreffend dat zij optreedt als echtgenote van appellant V.G en als bijzondere legataris in het gedeeltelijk betwist en volledig te herschikken testament van wijlen M.E, zodat zij haar standpunt eveneens in rechte mag naar voor brengen en ook al vordert zij persoonlijk niet enig aandeel in de nalatenschap van wijlen V.Re. In die zin heeft zij wel degelijk "belang" in de zin van artikel 17 en 18 Ger.W.. Het "belang" bestaat in elk voordeel ¿ materieel of mo¬reel, effectief doch niet theore¬tisch ¿ dat de eiser kan halen uit zijn vordering op het ogen¬blik dat hij deze instelt. Wanneer (zoals in casu) een gedingpartij optreedt voor eigen reke¬ning en een veroordeling vordert op grond van rechten die zij beweert te hebben, heeft zij een reeds verkregen en dade¬lijk belang om haar vordering te laten beslechten. Wanneer blijkt dat zij die rechten niet heeft dan is deze vordering niet ontoe¬laatbaar c.q. onontvankelijk te beschouwen wegens gebrek aan belang maar is ze gewoon als ongegrond af te wijzen. M.a.w. het vereiste van een reeds verkregen en dadelijk belang speelt nauwelijks enige rol bij een eis strekkende tot veroor¬deling ingesteld voor eigen rekening door een partij die daarop beweert recht te hebben. Men heeft er omzeggens altijd belang bij dat de rechter beslist over een voor eigen rekening ingestelde eis tot het bekomen van een veroordeling waarop men beweert recht te hebben: ook wanneer men dat recht niet heeft (of niet meer heeft ingevolge bvb. een ingeroepen verjaring) en de vordering dus ongegrond is, heeft men er normaal recht op dat te weten en daarover dus een rechterlijke uitspraak uit te lokken. De vraag of appellante V.X haar aanspraak tot: ¿ nietigverklaring van het testament van wijlen V.Re en van het testament van wijlen M.E voor wat betreft de aldaar gedane schenking van onroerende goederen die tot de nalatenschap van wijlen V.Re behoorden; ¿ de vereffening-verdeling van de beide nalatenschappen en de huwgemeenschap; kan materiali¬seren in een veroordeling las¬tens geïntimeerden raakt dus niet de "belang"-vereiste van artikel 17 en 18 Ger.W. doch wel de gegrondheid van haar vorde¬ring. Er wordt voor de uitoefening van de rechtsvordering immers geenszins vereist dat het recht of het voordeel waarop de eisende partij zich beroept daadwerkelijk zou bestaan of dat zij daar titularis zou van zijn. Dergelijke betwisting raakt de grond van het geschil. Het volstaat dat de partij die de vordering instelt, terecht of ten onrechte, beweert titularis te zijn van het recht waarop zij zich beroept. M.a.w. is niet het bestaan van een subjectief recht, maar wel het inroepen van een subjectief recht, een vereiste voor de toelaatbaarheid van een vordering. Een rechtsvordering kan dus alleen worden uitgeoefend door een persoon die al of niet terecht beweert de titularis te zijn van een subjectief recht dat miskend of geschonden werd. Waar voormelde geïntimeerden vooropstellen dat appellante V.X evenwel over geen ¿eigen belang¿ beschikt, dient opgemerkt te worden dat deze vereiste overbodig is voor het bepalen van de ontvankelijkheid. Deze voorwaarde houdt namelijk in dat, wanneer de rechterlijke uitspraak gegrond is, deze rechtstreeks effect moet hebben op de toestand van de eiser. Maar als een vordering voldoet aan de overige ontvankelijkheidsvoorwaarden en de eiser dus een subjectief recht inroept waarover hij kan beschikken, heeft het gegrondheidsoordeel steeds een rechtstreeks effect op zijn situatie. Een ¿persoonlijk en rechtstreeks belang¿ duidt dus op een materieelrechtelijk belang en is irrelevant voor het processueel belang dat vereist wordt in artikel 17 Ger.W.. In die zin dient besloten te worden dat appellante V.X wel degelijk over het rechtens vereist belang beschikt en dat de door voornoemde geïntimeerden opgeworpen middelen de gegrondheid van de vordering van deze appellante betreffen. Wat de vereiste van "hoedanigheid" van voormelde appellante betreft dient gesteld dat een eisende partij over de vereiste hoeda¬nigheid beschikt zo zij optreedt als (beweerde) titularis van het al dan niet vermeend recht dat zij be¬weert te bezitten en waarop haar aanspraak is gesteund. De problematiek van de hoedanigheid stelt zich in wezen slechts ten aanzien van een eiser die zich niet op een eigen recht beroept of zo de vorde¬ring wordt gesteld door een ander per¬soon dan de titularis van het ingeroepen recht. Aldus vermag het hof te stellen dat appellante V.X wel dege¬lijk ook over de vereiste "hoedanigheid" in de zin van artikel 17 Ger.W. beschikt om de vordering in te leiden en is het hieromtrent ¿voor zoveel als nodig¿ ingesteld incidenteel hoger beroep van eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden als ongegrond af te wijzen. b. Hetgeen boven werd uiteengezet geldt mutatis mutandis eveneens voor de beoordeling van de vraag of de vordering zoals deze gesteld wordt door appellanten lastens de geïntimeerden C.C, H.A, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M en anderzijds tegen geïntimeerde H.A, als ontoelaatbaar c.q. ontvankelijk dan wel als ongegrond dient te worden afgewezen. Waar dient vastgesteld te worden dat deze geïntimeerden - behoudens dan geïntimeerde H.A - als legatarissen in het testament van wijlen M.E werden aangeduid, raakt de vraag enerzijds of deze als bijzondere legataris dan wel als legataris ten algemenen titel zijn te beschouwen en anderzijds wat de repercussies hiervan zijn op de vordering zoals deze wordt geformuleerd door appellanten, niet de ontvankelijkheid c.q. toelaatbaarheid van de vordering van appellanten doch wel de gegrondheid. Hetzelfde geldt wat betreft de vordering gericht tegen geïntimeerde H.A. De omstandigheid dat deze noch als legataris noch als erfgenaam bij de zaak betrokken kan worden, m.a.w. dat appellanten opzichtens haar geen ¿rechtsband¿ kunnen laten gelden, leidt niet tot onontvankelijkheid van de vordering van appellanten lastens haar doch wel tot de ongegrondheid van deze vordering. Ook wat dit punt betreft is het ¿voor zoveel als nodig¿ geformuleerd incidenteel hoger beroep als ongegrond af te wijzen. c. Tenslotte dient aangemerkt te worden dat ook de vraag of appellanten, naast de nietigheid van het testament én de nietigheid van de aangeduide legaten uit het testament van wijlen M.E, enkel de vereffening en de verdeling van de nalatenschap van wijlen V.Re en van de ontbonden huwgemeenschap van wijlen V.Re en wijlen M.E kunnen vragen en dus niet de vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen M.E, ook de grond van de zaak raakt en niets heeft te zien met de vraag naar de toelaatbaarheid c.q. ontvankelijkheid van dit onderdeel van de vordering van appellanten. Het incidenteel hoger beroep is dus ook wat dit punt betreft als ongegrond af te wijzen. 6. 6.a. Wat de grond van de gerezen betwisting betreft dient in eerste instantie te worden gesteld dat de vordering van appellanten lastens geïntimeerde H.A ipso facto ongegrond dient te worden verklaard. Laatstgenoemde is geen erfgenaam noch in de nalatenschap van wijlen V.Re noch in deze van wijlen M.E en evenmin is zij begunstigde in de testamenten van beide testators. Het feit dat zij gehuwd is met één van de legatarissen opgenomen in het testament van wijlen M.E schept geen enkele rechtsband tussen haar en appellanten in correlatie met de vordering van appellanten, net zomin als het huwelijkscontract waaronder zij met geïntimeerde D.X is gehuwd. Omtrent het betrekken van geïntimeerden C.C, S.P, V.R, V.J, M.M, V.R, V.L, V.A, K.M, D.J en B.M in het geding dient gesteld dat in weerwil van de beweringen van eerste, tweede en twintigste geïntimeerden, alsook vijfde en zesde geïntimeerden, eerstgenoemden niet als bijzondere legataris zijn te beschouwen. Aan deze geïntimeerden komt ingevolge de testamentaire beschikking van wijlen M.E, samen met geïntimeerden M.R, M.J en V.M, alsook appellanten, elk een breukdeel toe van ¿geld dat over is¿ wanneer alles geregeld is. Een legaat van een breukdeel van de rest van de nalatenschap of van de rest van alle roerende of onroerende goederen is evenwel als een legaat ten algemenen titel te beschouwen en niet als een bijzonder legaat. In die zin is het wel noodzakelijk om voormelde geïntimeerden in het geding te betrekken, gelet op de vordering zoals deze door appellanten wordt geformuleerd. 6.b. Appellanten lieten in eerste aanleg gelden dat het testament van wijlen V.Re nietig is om reden dat: - dit testament niet gedateerd is; - dit testament niet eigenhandig zou geschreven zijn. De eerste rechter oordeelde hieromtrent dat: - gezien appellanten, die op de hoogte waren van het testament, het handschrift nooit hebben betwist alsook het testament hebben laten uitvoeren en het nooit hebben betwist tot aan het overlijden van wijlen M.E, er dient besloten te worden dat appellanten dit handschrift stilzwijgend hebben erkend en zij dit zodoende niet meer kunnen betwisten; - het testament bij gebrek aan dagtekening wel nietig is in toepassing van artikel 1001 B.W. doch gezien appellanten zich evenwel nooit als erfgenaam van wijlen V.Re hebben gedragen, maar integendeel het testament hebben laten uitvoeren en alle kosten, taksen en lasten door wijlen M.E hebben laten betalen, aangenomen moet worden dat zij de rechtsgeldigheid van het testament gedurende jaren hebben erkend en dat zij thans het testament niet meer kunnen aanvechten. 6.c. Artikel 970 B.W. bepaalt: ¿Het eigenhandig testament is niet geldig, indien het niet geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend is; het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.¿ terwijl artikel 1001 B.W. voorziet: ¿De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van deze en vorige afdeling, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.¿ Het is onbetwist dat het testament van wijlen V.Re niet gedateerd is. Eerste, tweede en twintigste geïntimeerden, hierin bijgetreden door vijfde en zesde geïntimeerden, menen evenwel dat niet tot nietigheid van het testament wegens gebrek aan dagtekening moet besloten worden gezien er een intrinsiek element aanwezig is dat toelaat te bepalen dat het testament met zekerheid van na +/- 20 april 1987 dateert. Zij stellen voorop dat: - het testament werd geschreven op de keerzijde van een reclamefolder voor tearoom "t' Orgeltje" te Aartrijke waarin een klantenactie werd aangekondigd lopende van zaterdag 25 april tot en met vrijdag 28 mei; - op deze folder weliswaar geen jaar staat vermeld doch op basis van het overlijdensjaar van wijlen V.Re en de bestaansperiode van voormelde tearoom, dit noodzakelijkerwijze 1987 dient te zijn, waarin 25 april op een zaterdag viel en 8 mei op een vrijdag; en bieden ¿voor zoveel als nodig¿ het getuigenbewijs aan omtrent dit alles. Zij menen dat het aldus met zekerheid is dat dit testament dateert van +/- 20 april 1987, datum waarop de bewuste reclamefolder is verspreid, hetgeen volgens hen volstaat als geldige datering van de datum temeer daar de datum geen eigenlijke vormvereiste zou zijn maar enkel nog een bijkomende geldigheidswaarborg, derwijze dat op basis van intrinsieke of extrinsieke elementen kan worden bewezen dat het tweevoudig garantiedoel van een datering is bereikt nl. aantonen dat de testator bekwaam was op de datum van het opstellen van zijn testament, én aantonen dat - bij meervoudigheid van testamenten - er geen probleem is inzake rangorde in de tijd. Aldus stellen eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden ¿voor zoveel als nodig¿ incidenteel hoger beroep in tegen het bestreden vonnis. Appellanten gronden de nietigheid van het testament tevens op hun bewering dat het testament niet eigenhandig zou zijn geschreven door wijlen V.Re. Eerste, tweede en twintigste geïntimeerden stellen dat het testament ¿allicht¿ niet volledig eigenhandig geschreven is door wijlen V.Re, hoewel ¿allicht¿ door hem ondertekend en het ook zijn wil weergeeft. Vijfde en zesde geïntimeerden betwisten evenwel dat het testament niet eigenhandig zou zijn geschreven. 6.d. De door appellanten opgeworpen nietigheid wegens gebrek aan dagtekening behelst evenwel geen absolute nietigheid en de erfgenamen kunnen steeds beslissen, na het overlijden van de testator, om het testament te bekrachtigen door uitvoering eraan te geven. Zulks geldt overigens voor elke nietigheid van een testament wegens vormgebrek en dus ook voor de door appellanten ingeroepen nietigheid wegens het beweerd niet eigenhandig geschreven zijn van het testament van wijlen V.Re. Een naar de vorm nietig testament kan niet het voorwerp zijn van een bevestiging door zijn auteur, doch daarentegen kan een dergelijk testament wel bekrachtigd worden door de erfgenamen van de testator. De grondslag hiervoor wordt in de rechtsleer gezien: - hetzij in extensieve toepassing van artikel 1340 B.W. dat bepaalt: ¿Uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een schenking door de erfgenamen of de rechtverkrijgenden van de schenker, na zijn overlijden, volgt de afstand hunnerzijds van het recht om zich te beroepen hetzij op gebreken in de vorm, hetzij op enige andere exceptie.¿ dat derhalve naar analogie kan worden uitgebreid naar de testamenten; - hetzij in de natuurlijke verplichting die op de erfgenamen rust om de wil van de testator uit te voeren, zelfs wanneer deze niet in de wettelijk vereiste vorm werd uitgedrukt, en welke verplichting zij kunnen erkennen door de vrijwillige uitvoering of de belofte van uitvoering. Hoe dan ook kunnen de erfgenamen niet op de nietigheid van het testament aanspraak maken indien zij het bekrachtigd c.q. bevestigd hebben door het vrijwillig uit te voeren. Een (relatief) nietige rechtshandeling bevestigen betekent dat men afstand doet van zijn aanspraak op nietigheid. De bevestiging is dus een eenzijdige rechtshandeling waardoor de bevestigde handeling gezuiverd wordt van de eraan klevende nietigheidssmet; ze belet de persoon die bevestigde zijn aanspraak op nietigheid te doen gelden. M.a.w. ten gevolge van de bevestiging gaat de onregelmatige handeling gelden jegens de persoon van wie de bevestiging uitgaat, waarbij tevens dient gesteld te worden dat deze bevestiging uitdrukkelijk of stilzwijgend kan geschieden. Rekening houdende met het bovenstaande en de in casu voorhanden zijnde gegevens vermag het hof het volgende te stellen. 1. Uit de feitelijke elementen dient besloten te worden dat appellanten kort na het overlijden van wijlen V.Re wel degelijk kennis hadden van de inhoud van diens testament en de hierin voorkomende vormgebreken. Waar in hun conclusies voor de eerste rechter en in hun verzoekschrift tot hoger beroep appellanten laten gelden dat zij als wettige erfgenamen van wijlen V.Re een oproeping ontvingen van notaris Mouriau de Meulenacker teneinde het testament te bekrachtigen (waarbij zij stellen dat zij deze oproeping niet meer terugvinden) doch dat zij bij voormelde notaris weigerden het testament te bekrachtigen, impliceert zulks dat zij kennis hadden van het (desgevallend nietig te verklaren) testament. Hun bewering in latere conclusies dat zij het ¿kennelijk ongeldig¿ testament niet zagen doch integendeel uit hun stukken zou blijken dat zij zich wendden tot een eigen notaris Monballyu die navraag zou doen omtrent de vererving zonder dat zij toen ooit het ¿testament¿ te zien kregen, is duidelijk ingegeven om hun eerder gedane bevestiging te ontkrachten en hiermede kan aldus geen rekening gehouden worden. Terecht stellen eerste, tweede en twintigste geïntimeerden dat men niet - het weze herhaald - het ene moment kan voorhouden dat men reeds in 1994 geweigerd heeft om een gebrekkig testament te bekrachtigen en het andere moment voorhouden dat men slechts jaren later kennis zou hebben gekregen van deze gebreken. Tevens dient vastgesteld te worden dat appellanten met betrekking tot de tussenkomst van notaris Monballyu hun standpunt wijzigen door enerzijds te stellen dat deze bij de registratie inlichtingen opvroeg (en dus niet bij notaris Mouriau de Meulenacker - cfr. pag. 3 eerste beroepsbesluiten appellanten) doch anderzijds wel hun stelling handhaven geen kennis gehad te hebben van (vorm)gebreken. In die zin vertoont de opmerking van appellanten dat derde en vierde geïntimeerden: - niet antwoorden op de bewering dat ook zij door notaris Mouriau de Meulenacker werden uitgenodigd om het op 16 september 1994 onder diens minuten neergelegd testament te bekrachtigen en dat appellanten dit zouden geweigerd hebben; - het hof in het ongewisse laten of zij al dan niet ook de bekrachtiging hebben geweigerd dan wel bevestigd en of op tussenkomst van notaris Monballyu de nietigheid werd verzwegen; geen enkele relevantie. 2. Appellanten hadden in december 1994 via de door hen geconsulteerde notaris Monballyu kennis van het antwoord van de diensten van het 2de kantoor der registratie te Brugge met betrekking tot de devolutie mee te delen van de nalatenschap van wijlen V.Re. In dit antwoord werd duidelijk bevestigd dat de volle eigendom van de eigen goederen van wijlen V.Re was overgedragen aan zijn weduwe en dit ingevolge het eigenhandig testament neergelegd onder de minuten van notaris Mouriau de Meulenacker op 16 september 1994. Aldus kunnen appellanten niet ernstig voorhouden dat zij wijlen M.E niet wensten te storen in haar vruchtgebruik daar zij als naakte eigenaars geen eigenlijk genot van deze onroerende goederen konden opeisen en zij evenmin op grond van morele overwegingen, gezien haar hoge leeftijd, haar het leven zuur wensten te maken. Het antwoord van het registratiekantoor was een duidelijke bevestiging van hetgeen appellanten al wisten m.n. dat op basis van het testament de volledige nalatenschap van wijlen V.Re overging naar diens echtgenote (cf. sub 1) zodat zij zichzelf niet meer als onverdeelde naakte eigenaars van de eigen onroerende goederen van wijlen V.Re konden beschouwen doch aldus de bevestiging kregen dat zij ook (officieel) geen erfgenaam waren in diens nalatenschap. Desalniettemin hebben appellanten gedurende meer dan 6 jaar wijlen M.E in het bezit gelaten van deze onroerende goederen en dit overeenkomstig de bepalingen van het - door hen voorgehouden naar de vorm nietig ¿ testament van wijlen V.Re. Dit vormt geen louter gedogen van een vruchtgebruik maar is een duidelijke aanvaarding en uitvoering van het testament door het geheel erkennen van de volle eigendom in hoofde van de weduwe, niet alleen naar wijlen M.E toe, doch eveneens naar de officiële instanties waar laatstgenoemde gekend stond als volle eigenares van alles, met alle hieraan verbonden rechten zoals het vervreemden of bezwaren van deze onroerende goederen. 3. Verder dient vastgesteld te worden dat appellanten zelf niets hebben ondernomen om een aangifte van nalatenschap te verrichten, laat staan de aan de nalatenschap verbonden successierechten te betalen. Nochtans dienden appellanten, indien ze zich beschouwden als naakte eigenaar hetzij louter als erfgenaam zonder rekening te houden met het testament hetzij omdat zij het testament als nietig beschouwden, uit eigen beweging overeenkomstig artikel 38, 1° Wetb. Successierechten een aangifte van nalatenschap in te dienen, evenals de door hen verschuldigde successierechten te betalen. Appellanten - hoewel zij zich beweerdelijk als erfgenamen beschouwden - hebben zich omtrent deze problematiek in het geheel niet bekommerd. Integendeel was het enkel wijlen M.E die zelf de aangifte deed van de nalatenschap, waarbij werd bevestigd dat zij alleen in volle eigendom de nalatenschap verwierf van wijlen haar echtgenoot V.Re, en de successierechten werden dan ook door haar betaald. 4. Gedurende de 6 jaar tussen het overlijden van wijlen V.Re en van wijlen M.E, werd laatstgenoemde niet alleen niet gestoord in haar bezit als volle eigenaar doch uit de boven uiteengezette feitelijk gegevens blijkt eveneens dat zij alle lasten en taksen met betrekking tot de onroerende goederen gedragen heeft daar waar nochtans overeenkomstig artikel 609 B.W. deze dienen gedragen te worden door de naakte eigenaars. Evenzeer blijkt dat zij alle herstellingen deed zonder dat appellanten hierin tussen kwamen of dat zij minstens naar de staat van de onroerende goederen informeerden. Wijlen M.E gedroeg zich aldus wel degelijk vanaf het overlijden van haar echtgenoot ondubbelzinnig als volle eigenaar van diens nalatenschap en dus ook van zijn vroegere eigen goederen. Het bovenstaande is dus niet in overeenstemming te brengen met de bewering van appellanten dat zij als erfgenamen zich destijds reeds als naakte eigenaars beschouwden. Hun houding stemt hiermee in niets overeen. Bovenstaande elementen doen het hof er toe besluiten dat appellanten door hun handelwijze inderdaad de rechtsgeldigheid van het testament van wijlen V.Re - minstens stilzwijgend - erkend hebben, derwijze dat hun houding een bevestiging c.q. bekrachtiging van dit testament inhield waarop zij niet meer kunnen terugkomen. M.a.w. hebben appellanten door hun houding het testament gezuiverd van de eraan klevende nietigheidssmet en zulks belet dan ook dat zij hun aanspraak op de nietigheid nog kunnen doen gelden. In die zin is dan ook tevens het gevraagd schriftonderzoek inzake het handschrift van het testament van wijlen V.Re niet meer ter zake dienend. Volledigheidshalve dient nog het volgende te worden gesteld. 1. De bekrachtiging c.q. bevestiging van het (beweerd) nietig testament wordt niet ontkracht door de bewering dat wijlen M.E zelf laattijdig aangifte deed van de nalatenschap. Waar wijlen V.Re overleed op ¿ werd de aangifte van nalatenschap verricht door wijlen M.E op 16 september 1994, derwijze dat de voorgeschreven aangiftetermijn slechts met enkele maanden werd overschreden. Hieruit kan geenszins enige aarzeling in hoofde van wijlen M.E omtrent haar hoedanigheid van volle eigenares dan wel vruchtgebruikster worden afgeleid. 2. Tenslotte vertoont de opmerking van appellanten dat de verjaringstermijn voor de nietigverklaring van een testament 30 jaar bedraagt, geen enkele relevantie. Het gaat hier niet om een ingeroepen verjaring doch wel om het feit dat appellanten door hun handelen respectievelijk nalaten ondubbelzinnig te kennen hebben gegeven om het (naar hun oordeel naar de vorm nietig) testament te erkennen en uitwerking te laten hebben. Zulks heeft geen uitstaans met de verjaring. 6.e. Gelet op hetgeen voorafgaat is het bestreden vonnis dan ook te hervormen waar de eerste rechter in de motieven van dit vonnis besloot tot de nietigheid van het testament van wijlen V.Re gezien door de bevestiging van het testament door appellanten belet wordt dat zij hun aanspraak op nietigheid doen gelden. De oorspronkelijke vordering van appellanten is derhalve op andere gronden ongegrond te verklaren. 7. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de vererving van de nalatenschap van wijlen V.Re dient te gebeuren overeenkomstig zijn testamentaire beschikking. Weliswaar kwam ingevolge dit testament ¿alles wat hij bezit¿ toe aan wijlen zijn echtgenote M.E, doch gezien vooreerst de massa van zijn nalatenschap dient te worden samengesteld om dan de testamentaire beschikking toe te passen, dient nog overgegaan te worden tot de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap van wijlen V.Re - M.E en van de nalatenschap van eerstgenoemde. Ook dient alsdan te worden overgegaan tot de vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen M.E. Wat dit laatste betreft werd in haar testament enkel beschikt over al de onroerende goederen en over het geld dat resteert nadat ¿alles geregeld en betaald¿ is. Er is in dit testament geen beschikking aanwezig over de toewijzing van de roerende goederen die tot haar nalatenschap behoren. Uit de aangifte van nalatenschap blijkt nochtans dat er klederen, linnen, juwelen en goederen voor persoonlijk gebruik werden aangegeven voor een bedrag van 1.500,- frank, thans 37,18 euro, alsook meubelen, huisraad en roerende goederen voor een bedrag van 50.000,- frank, thans 1.239,47 euro. Tevens zal ¿het geld die over is¿ dienen bepaald te worden teneinde tot afgifte van de legaten ten algemene titel te kunnen overgaan volgens het in het testament bepaald breukdeel. 8. De kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, dienen ten laste van de massa te worden gelegd. Deze kosten dienen aan de zijde van de onderscheiden gedingpartijen te worden begroot zoals hieronder in het dispositief van onderhavig arrest wordt bepaald. Volledigheidshalve dient hieromtrent nog wel het volgende opgemerkt te worden. Appellanten vorderen een bedrag van 1267 BEF, thans 31,41 EUR, als kosten "overschrijving hypotheekkantoor". Afgezien van het feit dat een vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring van een testament geen aanleiding kan geven tot een randmelding overeenkomstig artikel 3 Hyp.W., blijkt nergens uit dat de dagvaarding, betekend ten verzoeke van de appellanten, werd onderworpen aan de formaliteit van randmelding (laat staan overschrijving) op het hypotheekkantoor. Door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder werd wel een verzoekschrift (gehecht aan de dagvaarding) opgesteld teneinde aan de hypotheekbewaarder van het 1e kantoor te Brugge te vragen de dagvaarding te willen randmelden of over te schrijven doch laatstgenoemde antwoordde op 1 maart 2001 (cf. bericht gehecht aan de dagvaarding) dat enkel eisen tot vernietiging van "overgeschreven" akten dienden gerandmeld te worden. In die omstandigheden dienen deze door appellanten opgegeven kosten ad 31,41 EUR (waarvan overigens geen bewijs voorligt dat deze effectief door hen werden betaald) hoe dan ook ten kunnen laste te blijven. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende bij arrest overeenkomstig artikel 753 Ger.W. geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van zevende tot en met negentiende geïntimeerden en op tegenspraak ten aanzien van de andere partijen; gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Geeft akte aan tweede en twintigste geïntimeerden van hun gedinghervatting voor wijlen D.G. Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond. Verklaart de incidenteel hoger beroepen van eerste, tweede en twintigste geïntimeerden alsook vijfde en zesde geïntimeerden ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond. Doet het bestreden vonnis integraal teniet, behoudens waar akte werd gegeven aan M.S en wijlen D.G van hun vrijwillige tussenkomst, en opnieuw wijzende: - zegt voor recht dat niet tot de nietigheid van het testament van wijlen V.Re dient besloten te worden; - verklaart de vordering van appellanten opzichtens zowel geïntimeerde H.A als de andere geïntimeerden ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond doch dit om andere redenen dan door de eerste rechter aangehaald, behoudens wat betreft de gevraagde vereffening-verdeling van de huwgemeenschap van wijlen V.Re - M.E, de nalatenschap van wijlen V.Re en de nalatenschap van wijlen M.E; - beveelt dat met het oog op de afgifte van de legaten alsook met het oog op de vereffening-verdeling van de niet gelegateerde goederen in het testament van wijlen M.E, op benaarstiging van appellanten, door het ambt van notaris Lommée Paul, met standplaats te Zedelgem, in aanwezigheid, althans na behoorlijke oproeping, van geïntimeerden, met uitzondering van geïntimeerde H.A, zal worden overgegaan tot de verrichtingen van boedelbeschrijving alsook vereffening-verdeling van de huwgemeenschap van wijlen V.Re - M.E, de nalatenschap van wijlen V.Re en de nalatenschap van wijlen M.E; - wijst aan notaris Declerck Henry, met standplaats te Lichtervelde, die gelast wordt de niet verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en in hun plaats de akten en processen-verbaal te tekenen, die bevoegd is de toewijzingen in andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren te ontvangen, kwijting ervan te geven, met of zonder indeplaatsstelling, en tengevolge van deze betalingen, opheffing te verlenen van elke inschrijving die is of moet worden genomen van elke overschrijving van bevel en beslag alsmede van elk verzet indien daartoe grond bestaat; - verstaat dat partijen indien zij het niet eens zijn omtrent de vereffening, zich zullen gedragen overeenkomstig artikel 1219 § 2 Ger.W.; - legt de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ten laste van de massa en begroot deze volgens opgave: * in hoofde van de appellanten op: ¿ dagvaardingskosten: 481,48 EUR ¿ rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR ¿ rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR ¿ uitgavenvergoeding hoger beroep: 60,73 EUR ¿ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 485,87 EUR * in hoofde van de eerste, tweede en twaalfde geïntimeerden op: ¿ rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR ¿ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 485,87 EUR * in hoofde van de derde en vierde geïntimeerden op: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 475,97 EUR * in hoofde van de vijfde en zesde geïntimeerden op: ¿ rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR ¿ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 485,87 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer M. RYDE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.