← België

ECLI:BE:HBGNT:2006:ARR.20061221.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE

§1

B.W - dwangsom t.g.v verblijfswissel - uitspraken onder oud recht - nieuwe regeling art.

nieuw B.W - overgangsregel (art.3 Ger.W) - dwangsom als accessorium samen met hoofdveroordeling. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek -

§1

Tekst van de beslissing in de zaak van: D.E, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. DUMOLEIN Norbert, advocaat te 8900 IEPER, R. Kiplinglaan 13 tegen: P.J, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BOEDTS Herman, advocaat te 8970 POPERINGE, Burgemeester Bertenplein 31 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van de op 20 oktober 2005 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, zetelend in kort geding ex art. 1280 Ger.W., gewezen beschikking, waartegen de appellante op 5 december 2005, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld. In de bestreden beschikking werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en dienvolgens gezegd voor recht dat de appellante een dwangsom zal verbeuren van 500 EUR telkens zij het gemeenschappelijk minderjarig kind Z niet bij de geïntimeerde brengt overeenkomstig de (thans niet bestreden) beschikking van 2 juni 2005 en wanneer die weigering is vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder of de politie op de in de voormelde beschikking aangeduide tijdstippen. Tenslotte werd de beslissing over de kosten aangehouden. Bij haar beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies ter griffie neergelegd op 2 maart 2006 streefde de appellante het tenietdoen van de bestreden beschikking na en vorderde zij dat het hof nadien, opnieuw beslissend over de vordering van de geïntimeerde om de verbeurte van een dwangsom ten hare laste van 500 EUR te bekomen telkens zij Z niet bij de geïntimeerde bracht overeenkomstig de beschikking van 2 juni 2005, deze als niet toelaatbaar, minstens als ongegrond zou afwijzen. Minstens vorderde de appellante dat het hof alvorens ten gronde te oordelen een maatschappelijk enkwest zou bevelen, minstens de minderjarige ZP zou horen in haar verklaringen. Tenslotte vorderde de appellante ook de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van de kosten van de beide instanties, aan haar zijde nader begroot. Bij zijn op 6 februari 2006 ter griffie neergelegde conclusies besloot de geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot veroordeling van de appellante tot betaling van de kosten van het hoger beroep, aan zijn zijde nader begroot. Op de openbare terechtzitting van 2 november 2006 werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten. Onmiddellijk heeft het openbaar ministerie, in de persoon van advocaat-generaal Philippe Gysbergs, mondeling advies uitgebracht. De raadslieden van de partijen verklaarden af te zien van hun recht op repliek. De zaak werd in beraad genomen. bespreking 1. Op p. 2 van de niet bestreden beschikking van 2 juni 2005 heeft de eerste rechter de vordering van de geïntimeerde om lastens de appellante, met betrekking tot haar verplichting om het kind Z bij de verblijfswissel naar de geïntimeerde te brengen, een dwangsom verbeurd te verklaren, als ongegrond afgewezen met de hierna volgende redengeving: ¿¿ Op de vraag van de vader om een dwangsom te verbeuren wordt op vandaag niet ingegaan. Wij hopen dat de moeder vrijwillig gevolg zal geven aan onze oproep. Is dit niet het geval dan kan de meest gerede partij de zaak opnieuw laten oproepen teneinde een aanpassing of een wijziging van de voorlopige maatregelen.' De beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding ex art. 1280 Ger.W. m.b.t. de bevolen voorlopige maatregelen tijdens een echtscheidingsprocedure heeft steeds gezag van gewijsde ¿rebus sic stantibus'. Derhalve kan de kort gedingrechter, onder de toepassingsvoorwaarden van art. 1280 Ger.W., inzonderheid het voorlaatste lid ervan, een voorheen bevolen voorlopige maatregel steeds wijzigen of intrekken voor zover er gewijzigde omstandigheden zijn opgetreden. 2. Aangezien de eerste rechter van oordeel was dat de appellante het ¿persoonlijk contact' (in de zin van secundair verblijf) van het kind bij de geïntimeerde onmogelijk maakt, heeft hij in de bestreden beschikking terecht beslist dat deze gewijzigde omstandigheid het opleggen van een dwangsom verantwoordde. Overeenkomstig art.

§ 1nieuw B.W.

kan de zaak steeds opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren. De rechter kan de ouder die het slachtoffer is van de miskenning door de andere ouder van een beslissing over het verblijf van of de omgang met een gemeenschappelijk minderjarig kind, hierbij toestaan een beroep te doen op de dwangsom art.

§ 1, zesde lid nieuw B.W..

Ook de uitspraken die onder het oud recht gebeurden, zoals ten deze, en die niet worden uitgevoerd, kunnen thans het voorwerp uitmaken van de nieuwe regeling van art.

nieuw B.W. inzake de uitvoering ervan. Die nieuwe regeling inzake de uitvoering van rechterlijke beslissingen werd immers niet aan een bijzondere overgangsregel onderworpen, zodat overeenkomstig art. 3 Ger.W. de desbetreffende regels ook gelden voor de gedingen nog hangend op het ogenblik van het in werking treden van de wet van 18 juli 2006 op het verblijfsco-ouderschap, op de blijvende saisine van de jeugdrechtbank en de tenuitvoerlegging van uitspraken aangaande verblijf en omgang. De in de rechtspraak bestaande verdeeldheid over het antwoord op de vraag of de veroordeling tot een dwangsom enkel mogelijk is als ¿accessorium' samen met de hoofdveroordeling, dan wel ook kan in een latere veroordeling wanneer blijkt dat een partij zich niet houdt aan de hoofdvordering inzake omgangsrecht, is in de huidige stand van de wetgeving dan ook niet meer aan de orde inzake een hoofdveroordeling bedoeld in art.

§ 1nieuw B.W..

De door de appellante opgeworpen exceptie van niet-toelaatbaarheid van de vordering van de geïntimeerde ontbeert dan ook elke grond.

  1. Aangezien het hof aan de hand van de voorhanden zijnde gegevens, onder meer van de overgelegde stavingstukken van de partijen, zich voldoende voorgelicht acht om te kunnen beslissen, is het voorafgaand bevelen hetzij van een maatschappelijk enkwest, hetzij van het horen van Z (de appellante verwijst dienaangaande zelfs naar een schrijven van Z aan de rechter dat zich echter noch in het dossier van rechtspleging van de rechtbank van eerste aanleg dan wel van het hof of zelfs in één van de door de partijen overgelegde dossiers bevindt), geenszins noodzakelijk noch gewenst vooraleer een dwangsom op te leggen. Dit klemt des te meer aangezien het hoger beroep niet gericht is tegen de beschikking van de eerste rechter van 2 juni 2005 die de verblijfsregeling van Z heeft bevolen, doch uitsluitend tegen de bestreden beschikking die lastens de appellante een dwangsom heeft opgelegd ter nakoming van de in een vorige beschikking bevolen secundaire verblijfsregeling van Z bij de geïntimeerde. De eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat de appellante door haar handelwijze het secundair verblijf van Z bij de geïntimeerde onmogelijk maakte. Alhoewel daarvan geen stavingstuk door de partijen werd overgelegd heeft de raadsman van de appellante op de openbare terechtzitting van 2 november 2006 trouwens bevestigd dat zijn cliënte dienaangaande onlangs werd veroordeeld door de correctionele rechtbank van Ieper.
  2. In de gegeven omstandigheden heeft de eerste rechter een juiste beslissing genomen, met dien verstande dat thans art. 1412, eerste lid, 3e nieuw Ger.W. van rechtswege toepasselijk is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch niet gegrond. Bevestigt de bestreden beschikking binnen de perken van het hoger beroep, met dien verstande dat thans art. 1412, eerste lid, 3e nieuw Ger.W. van rechtswege toepasselijk is. Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep en begroot die zoals gevorderd aan de zijde van de geïntimeerde op 237,98 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer M. RYDE, raadsheer L. VANDENBERGHE, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.