id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070108.3 Rolnummer: 2005/AR/220 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 23:37 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Ereloon Vrije woorden: Advocatenhonoraria - tergend en roekeloze procesvoering Tekst van de beslissing in de zaak van :
- JS, wonende te X,
- FH, wonende teY, appellanten, hebbende als raadsman mr. Johan Timmermans, advocaat met kantoor te 1180 Brussel, Winston Churchilllaan 51, tegen
- WVH, bestuurder van vennootschappen, en zijn echtgenote
- DDL, bediende, samenwonende te Z, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Vanessa Van Der Stock, advocaat met kantoor te 9830 Sint-Martens-Latem, Brakelstraat 10, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
- Appellanten hebben op 26 januari 2005 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep aangetekend tegen het door de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 1 december 2004 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak gekend onder het nummer 02/1390/A van de algemene rol. Een exploot van betekening ligt niet voor. Geïntimeerden hebben in hun op 29 juni 2006 neergelegde conclusie incidenteel beroep aangetekend. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, en de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De eerste rechter omschreef de feiten en de vorderingen van partijen als volgt : ¿ Eiser WVH was mede-oprichter van de N.V. I.P. en samen met eiseres DDL, zijn echtgenote, eigenaar van 250 aandelen van de N.V. I.P. Op 07 december 1997 stond [N.V. KBC] een krediet toe aan de N.V. I.P. ten belope van 49.578,70 EUR, dat nadien werd uitgebreid. [WVH en DDL] stelden zich op 07 december 1997 hoofdelijk borg voor alle verbintenissen van de NV. I.P.. t.a.v. [N.V. KBC BANK ]. Op 17 september 2001 werd er tussen de eiser WVH en de B.V.B.A. Cosys enerzijds en de N.V. I.P., [JS] en [FH] anderzijds, een overeenkomst afgesloten. Er werd beslist de samenwerking te beëindigen omwille van onenigheid. Er werd overeengekomen dat de eiser WVH ontslag zou nemen als bestuurder van de NV. I.P. en dat zijn 250 aandelen zouden worden overgekocht door [FH]. Verder werd overeengekomen dat de persoonlijke borgstellingen van de eisers t.o.v.[N.V. KBC BANK] integraal zouden worden overgenomen door [JS]. De N.V. I.P., [JS] en [FH] maakten zich sterk dat de overdracht van de borgstellingen op [JS] , met integrale kwijtschelding van alle verbintenissen van [WVH en DDL] ten opzichte van [N.V. KBC BANK], zou geregeld zijn tegen uiterlijk 31 december
- [JS] zou [WVH en DDL] vrijwaren voor alle eventuele vorderingen die [N.V. KBC BANK] ten aanzien van hen zou stellen. [WVH en DDL] beroepen zich nu op deze overeenkomst voor hun vordering. Zij stellen dat [JS] en [FH] hun verbintenissen voortvloeiend uit deze overeenkomst niet zijn nagekomen. Zij stelden [JS] en [FH] bij brief van 05 december 2001 in gebreke. Nu vorderen zij de veroordeling van [JS] en [FH] tot uitvoering van deze verbintenissen alsook tot de betaling van een schadevergoeding begroot op 8.924,00 EUR waarin ook de kosten voor juridische bijstand begrepen zijn. Voor dit laatste beroepen zij zich op het cassatie-arrest van 28 februari
- Zij vorderen tevens dat het tussen te komen vonnis tegenstelbaar wordt verklaard aan [N.V. KBC BANK]. [N.V. KBC BANK] meent dat de vordering tot gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis ongegrond is. [JS] en [FH] stellen dat zij niet gehouden zijn om uitvoering te geven aan de verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst van 17 september 2001 aangezien de eiser, WVH, zelf zijn verbintenis uit de artikelen 4 en 5 niet is nagekomen. Zij beroepen zich op de exceptio non adimpleti contractus. Verder stellen zij een tegenvordering in waarbij zij een schadevergoeding vorderen van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding en als vergoeding voor de kosten van juridische bijstand.¿ Het Hof sluit zich aan bij deze omschrijving mits deze aanvulling dat bij voormelde tegeneis huidige appellanten tevens aanspraak maakten op de toekenning van een provisioneel op 1,00 EUR begrote vergoeding voor de schade, die zij als aandeelhouder en bestuurder van de N.V. I.P. onrechtstreeks leden door oneerlijke handelspraktijken van WVH en DDL ten aanzien van laatstgenoemde vennootschap. Appellanten komen evenwel niet op tegen het feit dat de eerste rechter dit onderdeel van de tegenvordering niet heeft ontmoet, en ook in graad van beroep wordt kennelijk niet langer op de toekenning van voormelde schadevergoeding aangedrongen.
- Het thans bestreden vonnis verklaarde de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden lastens appellanten ontvankelijk en als volgt gegrond. Het veroordeelde appellanten solidair tot betaling van een schade-vergoeding van 6.200,00 EUR meer intresten aan geïntimeerden. De vordering van geïntimeerden tot het afleveren van een attest van N.V. KBC BANK tot integrale kwijtschelding van hun verbintenissen uit hoofde van de onderschreven borgstellingen binnen de 48 uur na de betekening van het vonnis, werd ontvankelijk maar ongegrond verklaard, evenals de vordering ten aanzien van de heer FH tot overname van de borgstellingen. Verder oordeelde de eerste rechter dat de vordering ten aanzien van N.V. KBC BANK ontvankelijk maar niet gegrond voorkwam. De tegenvordering van huidige appellanten werd ongegrond bevonden. Huidige appellanten werden verwezen in de aan de zijde van geïntimeer-den gevallen gedingkosten, terwijl geïntimeerden tot betaling van de aan de zijde van N.V. KBC BANK gevallen gedingkosten veroordeeld werden. Tenslotte werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder evenwel het recht op kantonnement uit te sluiten. In het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging waartoe geïntimeerden inmiddels overgingen kantonneerden appellanten een bedrag van 7.879,67 EUR bij de Deposito- en Consignatiekas. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
- Appellanten kunnen zich niet akkoord verklaren met het bestreden vonnis waar dit : - geen antwoord biedt op het opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de hoofdvordering voor zover tegen de heer FH gericht, - besliste dat appellanten ten onrechte de exceptio non adimpleti contractus (niet-uitvoeringsexceptie) hadden ingeroepen, - geen rekening heeft gehouden met de buitengerechtelijke ontbinding die uit de op 21 december 2001 aan de heer VH gerichte ingebrekestelling blijkt, - aan geïntimeerden een schadevergoeding van 6.200,00 EUR toekent, - ondanks de terzake geformuleerde opmerkingen niettemin uitvoer-baar bij voorraad werd verklaard. Zij vorderen dan ook de hervorming van het bestreden vonnis en de integrale afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeer-den en de toekenning van de bij de oorspronkelijke tegeneis gevorderde schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding én van een bijkomende schadevergoeding van 3.500,00 EUR voor de kosten van juridische bijstand; beide schadevergoedingen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Appellanten vorderen tevens dat de inmiddels gekantonneerde bedragen in hun handen worden vrijgegeven en dat geïntimeerden in de gedingkosten worden verwezen.
- Geïntimeerden vragen in eerste instantie de samenvoeging van huidige beroepsprocedure met de beroepsprocedure 2005/AR/1583 waarin zij bij verzoekschrift van 17 juni 2005 op hun beurt hoger beroep hebben aangetekend tegen het bestreden vonnis, in welke beroepsprocedure tevens N.V. KBC BANK werd betrokken. Voor zoveel als nodig en vermits nog niet over de gevraagde samen-voeging werd beslist, hebben geïntimeerden in huidige beroepsprocedure hun bij voormeld verzoekschrift van 17 juni 2005 ingestelde vorderingen hernomen ten aanzien van appellanten en daartoe incidenteel beroep ingesteld. Geïntimeerden die aldus op hun beurt de hervorming van het bestreden vonnis nastreven vorderen dat : - hun oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk en integraal gegrond worden verklaard, - appellanten solidair worden veroordeeld tot betaling van : een schadevergoeding van 8.924,00 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, een schadevergoeding, begroot op 2 % van het totale bedrag van hun borgstelling (89.241,67 EUR) per bijkomend jaar dat zij gehouden blijven, en dit vanaf 01.01.2002 tot de datum van de algehele bevrijding van hun verbintenissen ten overstaan van KBC Bank, hetzij 28.09.2005, vermeerderd met de verwijl- en gerechtelijke intresten, een provisioneel op 2.000,00 EUR begrote schadevergoeding voor kosten van juridische bijstand, bovenop de rechtsplegings-vergoeding, - appellanten in alle gedingkosten worden verwezen. Beoordeling
- De door geïntimeerden gevorderde samenvoeging van huidige beroeps-procedure met de beroepsprocedure 2005/AR/1583 kan niet worden ingewilligd. Geïntimeerden beweren wel dat de beide procedures samenhangend zijn en niet afzonderlijk kunnen worden behandeld, maar laten na aan te tonen minstens aannemelijk te maken dat er een gevaar bestaat voor tegenstrijdige beslissingen bij een afzonderlijke behandeling. Daarenboven is dergelijk gevaar in casu niet voorhanden nu geïntimeerden blijkens het schrijven van KBC Bank van 28.09.2005 inmiddels volledig werden bevrijd van hun verbintenissen als borg, en zij daarenboven de bij hun verzoekschrift tot hoger beroep van 17 juni 2005 ingestelde vorderingen (2005/AR/1583) hebben hernomen ten aanzien van appel-lanten en daartoe incidenteel beroep hebben ingesteld.
- Uit het door N.V. KBC Bank aan geïntimeerden op 28 september 2005 toegestuurd schrijven dat zij als stuk 9 voorleggen, blijkt dat zij vanaf die datum bevrijd zijn van de verbintenissen die zij ten aanzien van N.V. KBC Bank hadden opgenomen uit hoofde van hun hoofdelijke borgstelling voor de schulden van de N.V. I.P.. Dit heeft meteen tot gevolg dat de door geïntimeerden voor de eerste rechter ingestelde vordering in de mate die erop gericht was om : - geïntimeerden solidair bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis te veroordelen tot voorlegging, binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen vonnis, van een attest van de N.V. KBC Bank houdende integrale kwijtschelding van alle verbintenissen in hoofde van appellanten, uit hoofde van de borgstellingen onderschreven tot waarborg van de verbintenissen van de N.V. I.P., en dit onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag vertraging, - eerste appellant, de heer S, te veroordelen om de borgstellingen van geïntimeerden integraal over te nemen ter integrale kwijtschelding van geïntimeerden binnen de 48 uur na betekening van het tussen te komen vonnis, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag vertraging, inmiddels zonder voorwerp is geworden. Voor zover appellanten op hoofdberoep en geïntimeerden op incidenteel beroep respectievelijk de afwijzing en de toekenning van de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerden beogen, kan dit dan ook niet langer betrekking hebben op voormelde vorderingen die, gelet op voormeld schrijven van N.V. KBC Bank, elk actueel belang hebben verloren.
- Dit neemt evenwel niet weg dat in verband met de resterende vorderingen die wederzijds zijn geformuleerd en hoofdzakelijk betrekking hebben op het toekennen van schadevergoedingen van diverse aard, alsnog dient te worden geoordeeld omtrent de ingeroepen tekortkoming van partijen.
- Appellanten kunnen niet worden bijgetreden, waar zij voorhouden dat het bestreden vonnis geen antwoord biedt op het opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de hoofdvordering voor zover tegen de heer FH gericht. Toegegeven dat deze middelen niet expliciet werden beantwoord, moet niettemin worden vastgesteld dat de eerste rechter erop gewezen heeft dat appellanten, en dus ook de heer H, zich bij de overeenkomst sterk maakten dat de overdracht van de borgstellingen op partij S, met integrale kwijtschelding van alle verbintenissen in hoofde van partij VH ten overstaan van N.V. KBC Bank, zou geregeld zijn tegen uiterlijk 31 december
- Verder oordeelde de eerste rechter dat appellanten deze verbintenis uit sterkmaking niet zijn nagekomen en werden zij op grond van deze tekortkoming veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Aldus heeft de eerste rechter zich hoe dan ook minstens impliciet uit-gesproken over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de oorspronke-lijke vordering van geïntimeerden, ook voor zover tegen FH gericht. Vermits vaststaat dat de heer FH partij was bij de overeen-komst van 17 september 2001 en zich inderdaad sterk heeft gemaakt om de overdracht van de borgstelling te realiseren tegen uiterlijk 31.12.2001, kunnen appellanten bezwaarlijk ernstig voorhouden dat geïntimeerden als rechtstreeks betrokken contractspartijen niet over het rechtens vereiste belang of de hoedanigheid beschikten om hun initiële vordering ook tegen FH te richten.
- Ook de verdere argumentatie van appellanten waarbij zij zich beklagen over het feit dat de eerste rechter geen rekening heeft gehouden met de buitengerechtelijke ontbinding, die naar hun oordeel uit de op 21 december 2001 aan de heer VH gerichte ingebrekestelling blijkt, kan niet worden gevolgd. Deze argumentatie is vooreerst strijdig met de eigen besluiten van appellanten waarin zij voor de eerste rechter stelden : ¿Reeds sinds eind december 2001 werd aan eiser VH meegedeeld dat concluanten de uitvoering van hun verbintenissen zoals deze opgenomen werden in de overeenkomst van 17 september 2001 zouden opschorten op grond van de ENAC omwille van het feit dat eisers zelf hun verbintenissen niet nakwamen.¿ (gerechtsbundel procedure a quo - stuk 8, pag.8, punt
- par. 1 ; stuk 18, pag.10, punt
- par. 1) Nalezing van het door appellanten als stuk 4 voorgelegd schrijven van 21 december 2001 toont daarenboven aan, dat dit niet als een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst kan worden bestempeld, maar - zoals door appellanten zelf benadrukt - enkel een ingebrekestelling uitmaakt waarbij meteen de exceptio non adimpleti contractus (niet-uitvoeringsexceptie) wordt ingeroepen om de opschorting van de uitvoering van de eigen verbintenissen te verantwoorden. Deze argumentatie van appellanten staat tenslotte haaks op de vaststelling dat, nadat betaling werd bekomen van de schadevergoeding die uit hoofde van de oneerlijke handelspraktijken was toegekend, zij alsnog het nodige hebben gedaan om geïntimeerden volledig te bevrijden van hun verplichtingen uit de eerder aangegane borgstelling. Indien zoals zij voorhouden, het schrijven van 21 december 2001 als een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst van 17 september 2001 geldt, was er voor hen geen enkele reden meer om nog het nodige te doen voor de voormelde bevrijding.
- Op volgende relevante overwegingen oordeelde de eerste rechter dat appellanten zich niet op de exceptio non adimpleti contractus (niet-uitvoeringsexceptie) kunnen beroepen : ¿Deze exceptie is immers in essentie een tijdelijk verweermiddel dat een contractpartij de mogelijkheid biedt de nakoming van de eigen verbintenissen uit te stellen zolang de wederpartij in gebreke blijft (Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, aflevering
- Kluwer.
- 11.4- 210a). De contractpartij die de exceptie inroept moet met andere woorden nog iets kunnen vorderen van haar wederpartij. In casu betreft de verbintenis van de eiser WVH voortvloeiend uit artikel 4 van de overeenkomst dd. 17 september 2001 een verbintenis om niet te doen. Hij verbond er zich namelijk toe om geen personeel van de NV I.P. af te werven en nooit rechtstreeks of onrechtstreeks contact op te nemen met de klanten van I.P., behalve op uitdrukkelijke instructie van I.P.. Waar [JS] en [FH] stellen dat de eiser WVH deze verbintenis niet is nagekomen en zij daarom hun eigen verbintenis voortvloeiend uit artikel 3 van de overeenkomst ook niet zijn nagekomen, betreft dit geen opschorten of uitstellen van de uitvoering van hun eigen verbintenis maar wel een definitieve niet-uitvoering aangezien er van de eiser dan geen nakoming meer kan worden gevorderd. De exceptio non adimpleti contractus inroepen in een dergelijke situatie is strijdig met de aard zelf van deze exceptie.¿ De rechtbank kan in deze argumentatie niet worden bijgetreden. Vooreerst dient immers te worden vastgesteld dat appellanten aan de hand van de voorliggende stukken naar eis van recht aantonen, dat geïntimeerden in gebreke zijn gebleven de hun in de overeenkomst van 17 september 2001 aangegane verbintenissen na te komen vermits actief werd deelgenomen aan de afwerving van personeel en cliënteel van de N.V. I.P.. Zoals in het schrijven van 21 december 2001 aan de heer VH werd bevestigd waren appellanten, gelet op deze wanprestatie, dan ook gerechtigd om de uitvoering van hun eigen verbintenissen op te schorten. In tegenstelling tot de eerste rechter kan deze opschorting niet als een definitieve niet-uitvoering van de eigen verbintenissen van appellanten worden bestempeld om reden dat de de verbintenis van de heer VH een verbintenis om iets niet te doen betreft waarvan, indien zij niet wordt nageleefd, geen nakoming meer kan worden gevorderd. Artikel 1142 B.W. bepaalt immers dat iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen wordt opgelost in een schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt. Artikel 1145 B.W. bepaalt meer in het bijzonder dat indien de verbintenis bestaat in iets niet te doen, door de enkele overtreding ervan schadevergoeding verschuldigd is. Nu appellanten uit de enkele overtreding van de verbintenis om iets niet te doen aanspraak konden maken op schadevergoeding, waren zij dan ook gerechtigd om hun eigen prestaties op te schorten tot zolang zij betaling van deze schadevergoeding hadden bekomen en hebben zij zich dan ook terecht op de niet-uitvoeringsexceptie beroepen.
- De vaststelling dat appellanten volkomen rechtmatig toepassing hebben gemaakt van de niet-uitvoeringsexceptie houdt meteen in, dat hen geen contractuele tekortkoming kan worden ten laste gelegd en het bestreden vonnis dan ook dient te worden hervormd, waar het oordeelt dat appellanten hun verbintenis uit sterkmaking niet zijn nagekomen en hen op die grond tot betaling van een schadevergoeding aan geïntimeerden veroordeelt. Bij gebrek aan contractuele tekortkoming dienen meteen ook de door geïntimeerden aanvankelijk geformuleerde en op incidenteel beroep nog uitgebreide aanspraken op diverse en hiervoor onder punt 5 nader omschreven schadevergoedingen, als ongegrond te worden afgewezen.
- Appellanten hernemen hun voor de eerste rechter geformuleerde tegenvordering, die ertoe strekte geïntimeerden te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR in hoofdsom omwille van de lichtzinnige en roekeloze wijze waarop geïntimeerden de oorspronkelijke vordering hebben ingesteld. Het Hof kan evenwel géén tergend of roekeloos karakter herkennen in de door geïntimeerden oorspronkelijk ingeleide procedure, nu uit niets blijkt dat zij daarmee blijk hebben gegeven van een lichtzinnige, kwaadwillige of dilatoire handelwijze en/of hun recht om een procedure te voeren op foutieve wijze hebben uitgeoefend. Op dit punt kan het hoger beroep van appellanten dan ook niet worden ingewilligd.
- Appellanten breiden in graad van beroep hun tegenvordering uit en vorderen een bijkomende schadevergoeding voor de gemaakte kosten voor juridische bijstand, welke schadevergoeding zij begroten op een bedrag van 3.500,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 29 september
- Deze vordering, ongeacht of zij op contractuele dan wel op buitencontractuele grondslag gesteund is, kan in de huidige stand van de wetgeving niet worden ingewilligd. Volgens artikel 1017 Ger.W. verwijst de rechter, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, in ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten. Overeenkomstig artikel 1018 Ger.W. omvatten die kosten wel de in artikel 1022 bepaalde rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, die de vergoeding beoogt van de in het gelijk gestelde partij voor de materiële akten die in de loop van de rechtspleging werden verricht door haar advocaat. Maar het honorarium en de kosten van een advocaat behoren, volgens de wil van wetgever, niet tot de gedingkosten die van de in het ongelijk gestelde partij kunnen gevorderd worden. Enkel wanneer een procespartij haar recht om in rechte te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door zorgvuldig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat ( Cass., 31 oktober 2003, C.02.0602.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031031.4), kan de tegenpartij een schadevergoeding verkrijgen wegens tergend of roekeloos geding. Hiervoor werd evenwel geoordeeld dat dergelijke schadevergoeding in casu niet kan worden toegekend.
- Vermits het bestreden vonnis inmiddels voorlopig ten uitvoer werd gelegd en appellanten overgingen tot het kantonneren van een bedrag van 7.879,67 EUR bij de Deposito- en Consignatiekas, komt de door appellanten ontwikkelde grief met betrekking tot de door de eerste rechter bevolen voorlopige tenuitvoerlegging niet langer relevant voor en dient hierop dan ook niet verder te worden ingegaan. Gelet op de hervorming van het bestreden vonnis komt de vordering van appellanten om het voormelde gekantonneerde bedrag in hun handen vrij te geven toewijsbaar voor. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Wijst het verzoek tot samenvoeging van huidige beroepsprocedure met de beroepsprocedure 2005/AR/1583 van de hand, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en in de hiernabepaalde mate gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond, Doet het bestreden vonnis teniet inzoverre het oordeelt zo omtrent de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerden ten aanzien van appellanten, als de door laatstgenoemden ingestelde tegeneis, En opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ontvankelijk maar zonder voorwerp waar zij vorderen dat appellanten worden veroordeeld om binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen vonnis een attest van N.V. KBC Bank voor te leggen houdende integrale kwijtschelding van alle door hen als borg aangegane verbintenissen, en dat JS wordt veroordeeld, om binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen vonnis de borgstellingen van geïntimeerden over te nemen ter integrale kwijtschelding; Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden voor het overige niet gegrond; Verklaart de tegenvordering van appellanten ontvankelijk maar niet gegrond, behoudens voor wat de gevorderde vrijgave van de gekanton-neerde bedragen betreft. Beveelt dat het inmiddels op de Deposito- en Consignatiekas gekantonneerde bedrag van 7.879,67 EUR in handen van appellanten wordt vrijgegeven. Veroordeelt geïntimeerden tot betaling van de aan de zijde van appellanten gevallen kosten van de beide instanties en begroot deze op : - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 349,83 EUR - rolrecht hoger beroep : 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 485,87 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op acht januari tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, raadsheer, waarnemend voorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer A. Ferdinande, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031031.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.