id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070201.9 Rolnummer: 2005/AR/2887 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-25 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 15:15 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Verlengde minderjarigheid - Voorwaarden Vrije woorden: Staat van verlengde minderjarigheid - ernistige geestelijke achterstand Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 487 bis Tekst van de beslissing in de zaak van: C.J.P, wonende te X, appellant, hebbende als raadsman mr. BATSLEER Frank, advocaat te 8400 OOSTENDE, Kemmelbergstraat 11 tegen:
- H.D, wonende teY, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. HAUSPIE Jeanne-Marie, advocaat te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 46
- C.A, wonende te Z, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ALLIET Koenraad, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Dianadreef 14 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van 8 november 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zevende kamer, waartegen de appellant hoger beroep heeft ingesteld. Op 12 oktober 2006 werd het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van de partijen voor het hof opgesteld. De partijen werden ter terechtzitting van 12 oktober 2006 in raadkamer van het hof gehoord, bijgestaan door hun raadslieden. Advocaat-generaal Ermelinde Vanhorenbeeck werd ter zelfde terechtzitting gehoord in haar mondeling advies, waarop de partijen verklaarden af te zien van enige repliek. Zowel de dossiers van de rechtspleging als de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, de procedurevoorgaanden en de vorderingen
- De appellant heeft op 1 september 2004 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde zijn dochter A.C, geboren op ¿, huidige tweede geïntimeerde, in staat van verlengde minderjarigheid te doen verklaren en over de kosten te doen oordelen als naar recht. Op dat ogenblik was hij, zoals nog steeds, feitelijk gescheiden van de eerste geïntimeerde, zijn echtgenote en moeder van de tweede geïntimeerde, bij wie deze hoofdverblijf houdt. De appellant hield voor dat de tweede geïntimeerde een aangeboren en zeer ernstige geestelijke achterlijkheid heeft en niet in staat is zichzelf te leiden en haar goederen te beheren (attest d.d. .. van dr. M.H ; stuk 4 gevoegd bij het gedinginleidend verzoekschrift). Hij motiveerde en bewees aanvullend dat de tweede geïntimeerde voor 80 % blijvend ongeschikt werd verklaard door het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (attest d.d. ¿m.b.t. blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % sedert 01/03/2000 en tot 31/10/2004; stuk 3 gevoegd bij het gedinginleidend verzoekschrift).
- In conclusies van 7 december 2004, neergelegd n.a.v. de behandeling ter terechtzitting voor de eerste rechter, heeft de eerste geïntimeerde gevraagd de vordering af te wijzen als ongegrond, met verwijzing van de appellant in de kosten. Zij wees erop dat het verzoek van de vader geïnspireerd was vanuit de echtelijke moeilijkheden in een poging om de tweede geïntimeerde te dwingen om gedurende langere perioden bij hem en zijn vriendin te verblijven dan de geldende regeling van één zondag om de veertien dagen zonder overnachting. In dat verband verwees zij naar een verslag van klinisch psycholoog L.D van ¿ (stuk 3 eerste geïntimeerde). Ter staving van haar bewering dat een statuut van verlengde minderjarigheid een te verregaande maatregel zou zijn werd beklemtoond dat de tweede geïntimeerde onder voorlopig bewind werd geplaatst. Bij beschikking van 22 oktober 2001, gewezen door de vrederechter van het eerste kanton Oostende, werd de tweede geïntimeerde inderdaad, op verzoek van haar vader, niet in staat geacht om zelf haar goederen te beheren en werd haar een voorlopig bewindvoerder toegevoegd in de persoon van haar moeder (stuk 2 eerste geïntimeerde). Ten overvloede werd nog verwezen naar een rapport opgesteld door klinisch psycholoog J.C voor het Vrij CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding) Oostende d.d. ¿(stuk 1 eerste geïntimeerde).
- Op 7 december 2004 werd voor de eerste rechter een proces-verbaal van verhoor opgesteld.
- In het - niet bestreden - tussenvonnis op 21 december 2004 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zevende kamer, werd aan de eerste geïntimeerde akte gegeven van haar vrijwillige tussenkomst. Het verzoek van de appellant werd ontvankelijk verklaard en vooraleer ten gronde te oordelen werd een deskundigenonderzoek bevolen. Daartoe werd als deskundige dr. Marc FRANCHOO, neuropsychiater, aangesteld met nader omschreven opdracht. Meer in het bijzonder werd hem gevraagd de tweede geïntimeerde te onderzoeken en over haar toestand verslag uit te brengen, na te gaan of er een geestelijke achterlijkheid bestaat die aangeboren is of begonnen tijdens de vroege kinderjaren en die gekenmerkt wordt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil. De beslissing over de gedingkosten werd aangehouden, behoudens die van de onderzoeksmaatregel waaromtrent werd beslist dat deze door de appellant zouden worden voorgeschoten.
- Het deskundigenverslag werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 15 juni
- In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant afgewezen als ongegrond. De appellant werd verwezen in de kosten van het geding, zoals nader begroot aan de zijde van de eerste geïntimeerde en aan de zijde van de tweede geïntimeerde niet begroot bij gebreke van opgave. De eerste rechter overwoog en besloot op grond van de uitvoerige omschrijving van de deskundige dat de tweede geïntimeerde niet lijdt onder de totale afwezigheid van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil, doch dat zij eerder beperkt is in haar mogelijkheden, dat zij zelfs in hoge mate beïnvloedbaar is en dat de daadwerkelijke menigvuldige pogingen tot beïnvloeding haar emotioneel sterk raken.
- Bij appèlakte, neergelegd ter griffie van het hof op 29 november 2005, betracht de appellant het bestreden vonnis te doen vernietigen en te doen zeggen voor recht dat de tweede geïntimeerde niet in staat is zichzelf te leiden en haar goederen te beheren en dienvolgens haar in staat van verlengde minderjarigheid te plaatsen. Hij vordert, gelet op de aard van de procedure en de hoedanigheid van de partijen, dat elke partij haar eigen kosten zou dragen. In zijn conclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 13 april 2006, volhardt de appellant in zijn beroepsakte.
- In haar conclusie neergelegd ter griffie op 15 februari 2006 vraagt de eerste geïntimeerde in hoofdorde de beroepsakte nietig te verklaren. In ondergeschikte orde vraagt zij het hoger beroep af te wijzen als ongegrond, met bevestiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de appellant in de kosten van beide instanties. In haar syntheseconclusie neergelegd ter griffie van het hof op 15 mei 2006 volhardt de eerste geïntimeerde in voormelde conclusie.
- In de conclusie voor de tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 15 maart 2006, vraagt deze het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, doch af te wijzen als niet gegrond, met verwijzing van de appellant in de kosten van het hoger beroep, zoals nader begroot. Ondergeschikt vordert zij te akteren dat zij zich naar het oordeel van het hof gedraagt. bespreking
- Naar aanleiding van de behandeling ter terechtzitting van het hof werd afstand gedaan door de eerste geïntimeerde van de door haar eerder opgeworpen exceptie van niet tijdige mededeling van de conclusie van de appellant, neergelegd ter griffie op 13 april
- Er kan in de gegeven omstandigheden aanvaard worden dat alle conclusies binnen de door de partijen in der minne afgesproken kalenderregeling voor conclusietermijnen werden neergelegd en overgelegd. 2.
- De appellant voert tevergeefs de nietigheid van de appèlakte aan op grond van art. 860 en 862 par. 1, 2° Ger.W.. Het hof stelt immers vast dat in de appèlakte onder de tekst ¿Met de meeste eerbied, Voor verzoeker, Zijn raadslieden' wel degelijk een handtekening werd aangebracht. De eerste geïntimeerde houdt gestand dat het om een niet identificeerbaar teken zou gaan. Afgezien van de vraag naar de leesbaarheid werd de appèlakte naar het oordeel van het hof wel degelijk rechtsgeldig ondertekend. Het betreft overigens dezelfde handtekening van één van de raadslieden van de appellant, zoals aangebracht op het gedinginleidend verzoekschrift, waaromtrent nimmer enige bemerking werd geformuleerd. Er is in de gegeven omstandigheden geen enkele reden tot nietigverklaring van de appèlakte. 2.
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. 3.
- De wettelijke vormvoorschriften voor de in staat van verlengde minderjarigheidverklaring werden nageleefd, hetgeen trouwens niet is betwist. Het privaatrechtelijk statuut van de verlengde minderjarigheid is van toepassing op ernstig mentaal gehandicapten. Volgens de definitie van de wet gaat het om ¿een staat van geestelijke onvolwaardigheid, aangeboren of begonnen tijdens de vroege kinderjaren, en gekenmerkt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil' (art. 487bis, 2de lid B.W.). 3.
- Het statuut is volgens de tekst van de wet niet bedoeld voor personen aangetast door een lichte zwakzinnigheid (IQ ¿ 50 à 55 tot ¿ 70 à 75, courant aangeduid als debielen), maar uitsluitend voor de matige, ernstige en de zware zwakzinnigen. 4.
- De gerechtsdeskundige is formeel dat de tweede geïntimeerde een matig mentaal gehandicapte persoon is (niveau IQ 35 à 40 tot 50 à 55) met een schoolse leeftijd van 6,5 jaar, lijdend aan imbecilitas. Met grote waarschijnlijkheid kan aangenomen worden dat de betrokkene met deze aandoening geboren is (verslag dr. M. FRANCHOO, blz. 9). Eén en ander is niet betwist. 4.2 Het is inderdaad zo dat als maatstaf voor de ernstige geestelijke achterlijkheid niet alleen het verstand en intelligentiequotiënt kan genomen worden aangezien rekening moet worden gehouden met de ¿gezamenlijke gevoelens van verstand, gevoel en wil' die in hun ontwikkeling moeten geremd zijn. M.a.w. moet ook rekening gehouden worden met de rijpheid van de betrokkene. Voorgehouden wordt door de eerste geïntimeerde dat de tweede geïntimeerde een jonge vrouw zou zijn met een uitgesproken wil en een goed ontwikkeld gevoelsleven die voor een aantal persoonlijke zaken eigen en doordachte keuzes zou kunnen maken, derwijze dat een statuut van verlengde minderjarigheid een te verregaande beschermingsmaatregel zou zijn. Deze bewering wordt echter ontkracht door het geheel van de gegevens waarop het hof vermag acht te slaan, niet in het minst ook door het verhoor van de partijen door het hof. Trouwens de gerechtsdeskundige ¿ naast een onderzoek van de tweede geïntimeerde werden door hem de bevindingen van verschillende betrokken instanties vergeleken en geëvalueerd (verslag dr. M. FRANCHOO , blz. 9) ¿ komt tot het besluit dat de tweede geïntimeerde ¿een besluiteloos angstig en manipuleerbaar gevoelsleven' heeft en gewaagt van ¿een eigen wil .. die echter sterk afhankelijk blijft (en zal blijven) van elke omgeving¿' (verslag dr. M. FRANCHOO, blz. 10). In tegenstelling tot het besluit van de eerste rechter blijkt bij de tweede geïntimeerde naar het oordeel van het hof uit het deskundigenverslag ontegensprekelijk een beperkte en uitgebleven ontwikkeling niet alleen van het verstand, doch eveneens van het gevoelsleven én van het wilsvermogen. De beweerde wilsonafhankelijkheid van de tweede geïntimeerde is miniem te noemen (verslag dr. M. FRANCHOO, blz. 9). De tweede geïntimeerde is duidelijk niet in staat op een zelfstandige basis (belangrijke) beslissingen te nemen, in het bijzonder ook wat betreft haar persoon. Haar (sociale) zelfredzaamheid is relatief nu ze daarbij scoort op een hoog imbeciel niveau (verslag klinisch psycholoog I. B d.d. ¿, verslag dr. M. FRANCHOO III). 4.
- De wettelijke voorwaarden tot in staat van verlengde minderjarigheidverklaring zijn dan ook vervuld, temeer de situatie voor de tweede geïntimeerde onomkeerbaar schijnt te zullen blijven. Het staat vast dat wegens ernstige geestelijke achterlijkheid, zoals omschreven in art. 487bis B.W., de tweede geïntimeerde ongeschikt is om zichzelf te leiden en goederen te beheren. 5.
- Het hof beklemtoont dat de beoordeling van de gevraagde beschermingsmaatregel los dient gekoppeld te worden van een opportuniteitscontrole. In het bijzonder de echtelijke problematiek tussen de appellant en de eerste geïntimeerde en de nefaste invloed ervan op hun kind is vreemd aan deze beoordeling. Het hof dient evident in te gaan op de vordering als aan alle formele en materiële vereisten van de wet is voldaan, zoals te dezen. Even irrelevant zijn aldus de overwegingen i.v.m. de opportuniteit van ene of gene beschermingsmaatregel zoals ¿ ongetwijfeld goed bedoeld ¿ geformuleerd door onderscheiden hulpverleners. 5.
- Ter zake dient de in staat van verlengde minderjarigheidverklaring als wettelijke toepasbare maatschappelijke bescherming overigens het belang van de tweede geïntimeerde en beide ouders zouden dit best inzien. Volgens de gerechtsdeskundige ¿zou de verlengde minderjarigheid een weldaad zijn bij de eensgezindheid' (verslag dr. M. FRANCHOO, blz. 10). Verhoopt wordt dan ook dat beide ouders, eens het statuut van verlengde minderjarigheid vast staat, eensgezind daaraan een dermate invulling zullen geven dat het fragiel psychisch evenwicht van de tweede geïntimeerde niet nog meer in het gedrang komt.
- Niets staat er tenslotte aan in de weg een persoon aan wie reeds een voorlopig bewindvoerder werd toegevoegd in staat van verlengde minderjarigheid te verklaren voor zover deze ¿ zoals te dezen ¿ aan de wettelijke voorwaarden voldoet. De wet bepaalt immers in dat geval dat de opdracht van de voorlopige bewindvoerder van rechtswege beëindigd wordt (art. 488bis, d), 3de lid B.W.). Deze automatische beëindiging gebeurt op het ogenblik van de uitspraak waarbij de verlengde minderjarigheid wordt bevolen, aangezien de beslissing waarbij de verlengde minderjarigheid wordt uitgesproken gevolg heeft vanaf de uitspraak (art. 487quinquies, laatste lid B.W.) Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond. Verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en wijst opnieuw. Verklaart A.C, geboren te ¿en wonende te Z, in staat van verlengde minderjarigheid. Verstaat dat, krachtens art. 487quater, 1ste lid B.W., de betrokkene onderworpen blijft aan het ouderlijk gezag van de appellant en de eerste geïntimeerde. Zegt dat, in toepassing van art. 487sexies, 2de lid B.W., de griffier onderhavige beslissing ter kennis zal brengen van de minister van justitie en van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene in het bevolkingsregister is ingeschreven. Verstaat dat de vermelding van de staat van verlengde minderjarigheid zal aangebracht worden op de identiteitskaart van de betrokkene. Slaat de rechtsplegingvergoedingen en de uitgavenvergoeding over de partijen in beide instanties om, gelet op hun hoedanigheid. Laat voor het overige de kosten van beide instanties ten laste van de tweede geïntimeerde. Stelt vast dat de kosten aan de zijde van de appellant bij gebreke van opgave niet te begroten zijn. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer M. RYDE, raadsheer P. GYSBERGS, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div