← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070205.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070205.7 Rolnummer: 2005/AR/2687 Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-07-26 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 15:16 Fiche 1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeer - Internationaal recht - Verdrag Genève 8 november 1968 - Wegverkeer Fiche 2 GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van koophandel - Algemene bevoegdheid rechtbank van koophandel Vrije woorden: CMR - Verdrag - nietigheid excusief bevoegdheidsbeding (art.31.1 en 41.1) Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge (Brugge), Karveelstraat 1 en met ondernemingsnummer 0435.131.508, appellante, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126, tegen DANZAS S.A., vennootschap naar Frans recht met maatschappelijke zetel te F-75010 Parijs, Rue de Nancy 15, Paris 10, BP 118, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Dirk Noels, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 196, alwaar woonstkeuze wordt gedaan, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep 1. N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS heeft tijdig en regelmatig naar de vorm principaal hoger beroep aan getekend tegen het door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge op 13 september 2005 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak A/03/02031. Een exploot van betekening ligt niet voor. S.A. DANZAS heeft tijdig en regelmatig naar de vorm incidenteel hoger beroep aangetekend. Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg 2. N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS werd in september 2000 door S.A. DANZAS belast met een vervoersopdracht, meer bepaald een transport van een lading geneesmiddelen van de bedrijfsterreinen van PARKE DAVIS (PFIZER) te Orléans naar het Verenigd Koninkrijk. Op het ogenblik dat de goederen zich in het Verenigd Koninkrijk onder de hoede bevonden van de door ECS EUROPEAN CONTAINERS aangestelde ondervervoerder, worden deze in de nacht van 9 op 10 september 2000 gestolen. Nadat S.A. DANZAS op 30 september 2000 van PARK DAVIS (PFIZER) een rekening ontvangt voor de goederenwaarde voor een bedrag van 44.320,20 euro, brengt zij voormeld bedrag in mindering op diverse aan N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS nog verschuldigde facturen waarna - aldus nog S.A. DANZAS - zij het voormelde schadebedrag aan PARK DAVIS (PFIZER) betaalt. De verdere afhandeling van dit schadedossier resulteerde uiteindelijk in het feit dat aan S.A. DANZAS op 27 januari 2003 een bedrag van 16.060,71 USD (tegenwaarde 14.742,13 euro) werd overgemaakt door DON VALLEY'S transportverzekeraar. S.A. DANZAS die, zoals voormeld, het schadebedrag reeds eerder had verrekend op diverse aan ECS EUROPAN CONTAINERS nog verschuldigde facturen, verwijst naar deze compensatie in een schrijven van 9 april 2003 en bevestigt dat het bedrag van 14.742,13 euro aan N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS tot volledige regeling van het schadegeval zal worden overgemaakt, hetgeen naderhand ook effectief gebeurt. N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS die daarmee blijkbaar geen genoegen neemt en voormeld schrijven van 9 april 2003 door tussenkomst van haar schaderegelaar betwist, neemt bij dagvaarding van 5 augustus 2003 het initiatief tot de procedure en vordert de veroordeling van S.A. DANZAS tot betaling van een bedrag van 29.578,08 euro, meer een schadebeding van 2.478,94 euro, meer de conventionele rente aan 12%, de gerechtelijke rente en de gedingkosten. Deze vordering betreft het saldo van niet geprotesteerde facturen voor internationaal wegtransport waarmee S.A. DANZAS - ten onrechte volgens N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS - de schadepenningen van voormeld schadegeval compenseerde. S.A. DANZAS die in limine litis stelde dat de rechtbank geen rechtsmacht had om van de vordering kennis te nemen en de vordering hoe dan ook verjaard was, stelde in ondergeschikte orde een tegenvordering in tot veroordeling van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS tot betaling van een bedrag van 44.320,20 euro, meer de wettelijke en gerechtelijke rente vanaf 9 september 2000, en tot het horen vaststellen van de gerechtelijke compensatie. 3. Bij het bestreden vonnis van 13 september 2005 verklaarde de eerste rechter zich bevoegd om kennis te nemen van de vordering die hij omwille van de weerhouden verjaring als ongegrond van de hand wees. Verder oordeelde de eerste rechter dat op de in ondergeschikte orde door S.A. DANZAS geformuleerde tegeneis niet verder diende te worden ingegaan. Grieven/voorwerp van het hoger beroep 4. N.V. ECS CONTAINERS is van oordeel dat de eerste rechter zich terecht bevoegd verklaarde om van de vordering kennis te nemen maar deze ten onrechte als verjaard afwees. Zij besluit tot de gegrondheid van haar principaal hoger beroep en vordert de toekenning van haar oorspronkelijke vordering en de afwijzing van de tegenvordering van SA. DANZAS. 5. S.A. DANZAS is van oordeel dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd verklaarde om van de vordering kennis te nemen, maar terecht de verjaring weerhield. Voor zover zij daarin niet mocht worden bijgetreden besluit S.A. DANZAS in ondergeschikte orde tot de ongegrondheid van de vordering van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS. Eveneens in ondergeschikte orde , namelijk voor zover tot de gegrondheid van de vordering van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS mocht worden besloten, herneemt S.A. DANZAS haar voor de eerste rechter geformuleerde tegenvordering. Zij besluit dan ook tot de gegrondheid van het ingestelde incidenteel hoger beroep. Beoordeling 6. Vooraleer in te gaan op de vraag of het in de algemene voorwaarden van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS voorkomend bevoegdheidsbeding al dan niet deel uitmaakt van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, dient voorafgaandelijk de geldigheid van dit beding te worden beoordeeld. Met haar incidenteel beroep dat in eerste instantie gericht is tegen het feit dat de eerste rechter zich bevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering, besluit S.A. DANZAS immers tot de nietigheid van het door N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS ingeroepen bevoegdheidsbeding op grond van artikel 41 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR). 7. Artikel 31.1 CMR - Verdrag, waarvan de toepasselijkheid niet wordt betwist, bepaalt : ¿ Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan :

  1. a)de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten, of
  2. b)de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen, zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.¿ Artikel 41.1. CMR-Verdrag bepaalt : ¿ Behoudens de bepalingen van artikel 40 is nietig ieder beding, dat middellijk of onmiddellijk afwijkt van de bepalingen van dit Verdrag. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de overige bepalingen van de overeenkomst tot gevolg.¿ Het in artikel 8 van de algemene voorwaarden van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS voorkomen bevoegdheidsbeding luidt in de Nederlands-talige versie als volgt : ¿ Alle geschillen betreffende de interpretatie en de uitvoering van deze overeenkomst vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de Rechtbanken te Brugge.¿ 8. Uit voormeld artikel 31.1 CMR-Verdrag volgt dat de eiser in een CMR-geschil ¿behalve' bij de op grond van littera a en b bevoegde rechtbanken, een rechtsgeding kan aanhangig maken bij de ¿gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen.' Deze mogelijkheid van een forumkeuze voor de rechter van een verdragsland heeft volgens de heersende opvatting en rechtsleer wel prorogerende maar geen derogerende werking. Uit het woord ¿behalve' in artikel 31.1. aanhef CMR-Verdrag - dat een vertaling is van de woorden ¿in addition ¿/ ¿en dehors' uit de authentieke verdragteksten blijkt dat de CMR-forumkeuze geen exclusief karakter heeft en de eiser in een CMR-betwisting er aldus kan voor kiezen om, spijts een door partijen uitgebrachte forumkeuze de zaak aanhangig te maken bij een rechter aan wie op grond van artikel 31.1. littera a en b CMR-Verdrag internationale bevoegdheid toekomt. (DE MEIJ, P., Samenloop van CMR-Verdrag en EEX-Verordening, Deventer, Kluwer, 2003, 158, met de in voetnoot nr. 66 aangehaalde verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot het aanvullend karakter van de CMR-forumkeuze) De aanwijzing tussen partijen van een bevoegde rechter dient te worden beschouwd als een aanvullende mogelijkheid, naast de in artikel 31.1. littera a en b reeds als bevoegd aangeduide rechtbanken die, ook bij een bevoegdheidsbeding, hun bevoegdheid behouden. Met de in haar beroepsbesluiten geciteerde rechtspraak bevestigt N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS overigens zelf het aanvullend karakter van een CMR-forumkeuze : ¿Uit de bewoordingen van art. 31 CMR vloeit voort dat de mogelijkheid voor partijen om een bevoegde rechtbank aan te wijzen cumulatief is en dat een dergelijk bevoegdheidsbeding de bevoegdheid van de andere in artikel 31 genoemde rechtbanken niet uitsluit.¿ Antwerpen, 30 januari 1980, R.W. 1983 - 1984, 1271 (beroepsbesluiten N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS - stuk 9 gerechtsdossier, pag.9.) Een bevoegdheidsbeding waarbij een rechter van een verdragstaat bij uitsluiting bevoegd wordt verklaard en waarbij aldus de in artikel 31.1. littera a en b reeds als bevoegd aangeduide rechtbanken buiten spel worden gezet, is strijdig met artikel 31.1. CMR-Verdrag en komt in toepassing van artikel 41.1. CMR-Verdrag dan ook nietig voor. 9. Het ter discussie staand bevoegdheidsbeding dat bepaalt : ¿ alle geschillen betreffende de interpretatie en de uitvoering van deze overeenkomst vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de Rechtbanken te Brugge.¿ (eigen onderlijning) sluit de mogelijkheid uit om een CMR-geschil te brengen voor de door artikel 31.1. littera a en b als bevoegd aangeduide rechtbanken en strijdt aldus onmiddellijk met deze bepaling, hetgeen door het CMR-Verdrag zelf met nietigheid wordt gesanctioneerd. De argumentatie van N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS die nog staande houdt dat het bevoegdheidsbeding slechts nietig is in de mate dat het de keuzevrijheid van één van de betrokken partijen daadwerkelijk aantast, kan niet worden bijgetreden nu dit alvast niet in overeenstemming kan worden gebracht met artikel 41.1. CMR-Verdrag dat een middellijke of onmiddellijke afwijking van de bepalingen van het verdrag met nietigheid sanctioneert. Tenslotte is deze argumentatie tegenstrijdig waar N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS enerzijds erkent dat - bij een eventueel door DANZAS lastens haar opgestarte procedure voor een in artikel 31.1. a of b CMR-Verdrag aangewezen gerecht - een op basis van voormeld bevoegdheidsbeding ingeroepen exceptie van rechtsmacht niet zou kunnen worden weerhouden wegens nietigheid van bedoeld beding; maar anderzijds poneert dat dit bevoegdheidsbeding - waarvan zij de nietigheid erkent - wel zou kunnen worden aangegrepen om zelf als eiser het daarin aangeduide gerecht te vatten. 10. Op grond van het voorgaande dient dan ook te worden besloten dat, gelet op het nietig bevonden bevoegdheidsbeding, de rechtbanken te Brugge geen rechtsmacht hebben om van de zaak kennis te nemen. Het incidenteel hoger beroep komt gegrond voor en het bestreden vonnis dient dan ook te worden hervormd. Het vastgestelde gebrek aan rechtsmacht leidt meteen tot de ongegrondheid van het principaal hoger beroep dat de toekenning van de oorspronkelijke vordering beoogt. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, Verklaart het principaal hoger beroep ongegrond en het incidenteel hoger beroep gegrond, Doet het bestreden vonnis integraal teniet en, Opnieuw rechtdoende, Stelt vast dat de Belgische rechtbanken niet over de vereiste rechtsmacht beschikken om van de oorspronkelijke vordering kennis te nemen, Veroordeelt N.V. ECS EUROPEAN CONTAINERS tot betaling van de aan de zijde van S.A. DANZAS gevallen kosten van de beide aanleggen, en begroot deze op 342,09 euro als rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 475,96 euro als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op vijf februari tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.