id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070205.8 Rolnummer: 2006/AR/323 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2007-07-27 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-07-02 15:16 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - bevrijding zaakvoerder - overgangsbepalingen van de wet van 20.07.2005 Tekst van de beslissing in de zaak van : G.V, ¿, wonende te X, appellant, hebbende als raadsman mr. Benoît Stockman, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Tolstraat 85, tegen N.V. EB-LEASE, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170 en met ondernemingsnummer 0424.416.570, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Michel Van den Daelen, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Groot-Brittanniëlaan 151, velt het Hof volgend arrest :
- Gegevens van de zaak in beroep: 1.
- G.V stelde op 9 februari 2006 hoger beroep in tegen het vonnis van 30 november 2005 van de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. EB-Lease nv vordert de ongegrondverklaring van het hoger beroep en de bevestiging van het vonnis. Dit vonnis bevestigde op verzet van G.V het verstekvonnis van 12 januari
- Het verstekvonnis veroordeelde G.V- als borg voor een financieringshuurcontract betreffende een voertuig die V. cvao op 25 juni 2001 met EB-Lease nv had afgesloten - tot de betaling aan EB-Lease nv van 18.733,83 EUR, te vermeerderen met de conventionele moratoire intrest herleid tot de wettelijke intrestvoet van 7% vanaf 27 juli 2004 tot aan de betaling, waarop de som van 5.775,00 EUR die EB-Lease nv uit de verkoop van het geleasde voertuig op 2 september 2004 ontving in mindering dient te worden gebracht overeenkomstig art. 1254 van het burgerlijk wetboek. Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 18 december 2006 en 8 januari
- De stukken werden ingezien, waaronder de aangifte van schuldvordering die EB-Lease nv op 1 augustus 2005 in het faillissement van V. cvao heeft neergelegd en waarin zij heeft verklaard, dat haar schuldvordering bijkomend gewaarborgd werd door een persoonlijke zekerheidsstelling van G.V (zaakvoerder van de vennootschap). 1.
- G.V vordert de herleiding van de hoofdsom van 18.733,83 EUR, waartoe hij werd veroordeeld, met
(1)een betaling van 3.079,04 EUR die de curator van het faillissement V. cvao op 14 juli 2004 van de rekening Dexia 063-1437623-21 zou ontvangen hebben en
(2)een betaling van 1.339,25 EUR die de Federale Overheidsdienst Financiën in uitvoering van een haar betekende overdracht van schuldvordering aan EB-Lease nv zou verricht hebben. Hij besluit zijn conclusie die hij op 15 september 2006 heeft neergelegd, op dezelfde wijze als zijn verzoekschrift in hoger beroep: hij vordert de herleiding van de hoofdsom van 18.733,83 EUR tot 14.315,60 EUR. Voorafgaandelijk betwistte hij in zijn conclusie neergelegd op 15 september 2006 evenwel ook de geldigheid van artikel 10 van de algemene voorwaarden van de leasingovereenkomst, dat voorziet dat de leasingnemer bij verbreking van het contract naast de vervallen en onbetaalde huursommen vermeerderd met de contractuele intrestvoet van 1,6 % (per maand) een vergoeding verschuldigd is waarop eveneens verwijlintresten aan rato van 1,6% per maand verschuldigd zijn en waarbij de vergoeding forfaitair en onherroepelijk werd vastgesteld op het bedrag van alle nog te vervallen huurtermijnen, eventueel verminderd met het netto-saldo bekomen van de gerealiseerde verkoop van het geleasde materiaal; netto-saldo dat gelijk is aan de verkoopprijs verminderd met de conventionele residuwaarde en de eventuele kosten gemaakt voor de verkoop. G.V beschouwt deze bepaling, die voorziet in de betaling van de totaliteit van de nog te vervallen huurgelden en anderzijds de residuwaarde, als een overdreven schadebeding dat moet gematigd worden. Tenslotte vordert hij overeenkomstig artikel 1244 van het burgerlijk wetboek de gunst van maandelijkse afbetalingen aan 250 EUR.
- Beoordeling Het Hof onderschrijft integraal het vonnis en verwijst partijen naar de overwegingen van het vonnis die het juist bevindt. Aanvullend laat het Hof nog volgende overwegingen gelden. 2.
- Het financieringshuurcontract werd op 25 juni 2001 afgesloten voor 5 jaar. Ingevolge de faillietverklaring van V. cvao op 29 juni 2004 werd het nog verschuldigd saldo waarin het financieringshuurcontract voorzag, meteen opeisbaar, zodat EB-Lease nv gerechtigd was op de betaling van de vervallen en onbetaald gebleven huursommen en op het kapitaalsaldo van de niet-vervallen huursommen. Het voordeel dat EB-Lease nv hier had kunnen halen uit de vervroegde opeisbaarheid van de rente die begrepen is in de nog niet vervallen huursommen, compenseren hier de bijkomende kosten die de wanbetaling voor EB-Lease nv meebracht en op juiste gronden heeft de eerste rechter de verwijlintresten herleid tot 7%. EB-Lease nv heeft op correcte wijze ook de residuwaarde op de bekomen verkoopprijs voor het voertuig verrekend. 2.
- De storting van 3.079,04 EUR die de curator van het faillissement V. cvao bereikte, maakt geen betaling uit aan EB-Lease nv. Elk bewijs ontbreekt dat de curator dit bedrag aan EB-Lease nv zou hebben doorgestort en G.V preciseert evenmin op welke grond de curator deze som had moeten doorstorten. 2.
- EB-Lease nv ontving eerst op 9 oktober 2006 een som van 1.576,46 EUR van de FOD Financiën. Met deze uitbetaling kon de eerste rechter in zijn vonnissen van 12 januari 2005 en 30 november 2005 geen rekening houden. EB-Lease nv zal deze uitbetaling - net zoals elke verdere aanbetaling - op het bedrag van de veroordeling toerekenen overeenkomstig artikel 1254 van het burgerlijk wetboek. 2.
- Vooraleer verder in te gaan op het verzoek tot afbetalingen vanwege G.V beveelt het Hof de hiernavolgende overlegging van stukken. - EB-Lease nv heeft de bijkomende verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen neergelegd, waarin artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 - die de overgangsbepaling op het gewijzigd artikel 63, lid 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 inhoudt - voorziet. Het bewijs ontbreekt evenwel of ook de verdere bepalingen van artikel 10 van deze wet werden nageleefd (Voor de lopende faillissementen die nog niet afgesloten zijn op het moment dat deze wet in werking treedt, gelden de volgende overgangsbepalingen: 1° ¿ 2° de curator verwittigt, na het vooraf horen van de gefailleerde, de persoonlijke zekersteller zodra die bekend is, en uiterlijk binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze wet, per aangetekende brief tegen ontvangstmelding, waarin de tekst van de artikelen 72bis, 72ter en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is opgenomen; 3° de verklaring van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde wordt, samen met de stukken bedoeld in artikel 72ter van dezelfde wet, ingediend bij de griffie van de rechtbank van koophandel, binnen vijf maanden na de inwerkingtreding van deze wet. Bij gebrek hieraan kan deze persoon niet worden bevrijd). - Voor zover G.V op de hoogte werd gebracht door de curator en zijn verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel - die het faillissement heeft uitgesproken - heeft neergelegd overeenkomstig artikel 72bis van de faillissementswet, komt het deze rechtbank toe om zich overeenkomstig artikel 80 van de faillissementswet uit te spreken over zijn bevrijding als borg. - En waar artikel 80, lid 3 van de faillissementswet ook een proportionaliteitregel inhoudt en de rechtbank van koophandel zich niet alleen moet uitspreken over de kosteloosheid van de borg, maar ook moeten bepalen in welke mate G.V zou bevrijd worden, zou het Hof hier niet ingaan op het verzoek tot afbetalingen dat G.V stelt. Alleen in het geval dat hij niet meer kan bevrijd worden, zou het Hof het verzoek nog verder in overweging nemen. - Het Hof draagt partijen dan ook op, om nadere stukken over te leggen betreffende de naleving van artikel 10, lid 2 en 3 van de wet van 20 juli
- 2.
- Het Hof laat wel al gelden, dat artikel 24bis van de faillissementswet dat in de opschorting van tenuitvoerlegging voorziet - lastens de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk borg stelde voor de gefailleerde - vanaf het vonnis van faillietverklaring tot aan de sluiting van het faillissement, niet belet dat de rechten van EB-Lease nv worden vastgelegd en dat zij een uitvoerbare titel verkrijgt tegen G.V. BESLUITEN Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep van G.V ontvankelijk. Het bevestigt de veroordeling die het vonnis inhoudt en waarop EB-Lease nv het bedrag van 1.576,46 EUR die zij op 9 oktober 2006 van de FOD Financiën ontving - zoals elke verdere aanbetaling - moet toerekenen overeenkomstig artikel 1254 van het burgerlijk wetboek. Het verwijst G.V in de kosten van het hoger beroep, die het aan de zijde van EB-Lease nv vaststelt op de rechtsplegingvergoeding van euro 485,
- Het houdt alleen nog de uitspraak over de afbetalingsfaciliteiten die G.V vordert, aan en beveelt het de heropening van de debatten op 26 maart 2007 om 11.40 uur, om partijen toe te laten nadere stukken over te leggen betreffende de naleving van artikel 10, lid 2 en 3 van de wet van 20 juli
- Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op vijf februari tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, kamervoorzitter, F. Deschoolmeester, raadsheer, G. Vanderstichele, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div