← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070222.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070222.7 Rolnummer: 2006/RK/29 Rechtsgebied: Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-27 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 15:22 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Uitoefening ouderlijk gezag BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Ouderlijk genotsrecht BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Algemeen (alimentatie - levensonderhoud) Tekst van de beslissing in de zaak van: V.K, ¿, wonende te X, appellant, hebbende als raadsman mr. VAN OVERLOOP Norbert, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Halvemaanstraat 7 tegen: D.S, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BUGGENHOUDT Betty, advocaat te 9810 NAZARETH, Drapstraat 155 velt het hof het volgend arrest: De appellant heeft, bij appèlakte neergelegd ter griffie op 18 januari 2006, tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen de beschikking verleend op 22 december 2005 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. De partijen, vertegenwoordigd door hun raadslieden, werden gehoord in openbare terechtzitting van 23 november

  1. Advocaat-generaal Louis VANDENBERGHE werd ter zelfde openbare terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies. De partijen verklaarden af te zien van hun recht op repliek. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, procedurevoorgaanden en vorderingen
  2. De partijen hebben feitelijk samengewoond. Uit hun relatie werd op ¿ een dochtertje geboren, N. 2.
  3. Op 24 oktober 2005 heeft de geïntimeerde de appellant bij hoogdringendheid gedagvaard teneinde maatregelen te bekomen n.a.v. de beeïndiging van de relatie. Zij vorderde, onder verbeurte van een dwangsom, de inschrijving van de appellant op zijn werkelijke verblijfplaats, met verontrustingsverbod. Zij vroeg de inschrijving van N op haar adres en de uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag over het kind, met hoofdverblijf bij haar. Zij vorderde vanaf oktober 2005 een geïndexeerde maandelijkse onderhoudsbijdrage voor het kind van 200,- EUR , meer de helft van de buitengewone kosten, ontvangstmachtiging en machtiging om de kinderbijslag te ontvangen. Nog vroeg zij de afgifte van het kaartje van een digitaal fototoestel, één en ander onverminderd de verwijzing in de kosten. In conclusie van 15 december 2005 vorderde zij aanvullend de betaling van een maandlijks bedrag van 50,- EUR voor het onderhoud van de hond van partijen, meer de helft van de kosten van toilettage en van de medische kosten. 2.
  4. Op tegenvordering vroeg de appellant de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en een bepaald omgangsrecht. Tevens eiste de appellant afgifte van nader omschreven werkmateriaal.
  5. In de bestreden beschikking werden een aantal voorlopige maatregelen genomen die beperkt in hoger beroep worden aangevochten. Zo werd de appellant o.a. veroordeeld tot de betaling van een geïndexeerde onderhoudsbijdrage voor N van 200,- EUR vanaf 1 oktober 2005, meer de helft van de nader beschreven buitengewone kosten en met ontvangstmachtiging. Er werd gezegd voor recht dat de kinderbijslag aan de geïntimeerde diende uitbetaald te worden. De appellant werd tevens veroordeeld tot de betaling van een bedrag van 50,- EUR per maand voor het onderhoud van de hond van de partijen, meer de helft van de toilettage en van de medische kosten. Er werd bepaald dat N hoofdverblijf zou houden bij de geïntimeerde en aldaar zou worden gedomicilieerd. Aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag en de omgangsgregeling tussen N en haar vader werd een voorlopige regeling getroffen en een maatschappelijk onderzoek bevolen. Er werd aanvaard dat de appellant afstand had gedaan van zijn vordering tot afgifte van bepaalde goederen. De beslissing nopens de kosten werd aangehouden.
  6. Met zijn hoger beroep betrachtte de appellant de hervorming van de bestreden beschikking wat betreft de uitoefening van het ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de onderhoudsbijdrage voor N, de bijdrage voor de hond en zijn vraag tot de afgifte van bepaalde goederen. Wat betreft de bijdrage voor de hond vorderde de appellant de oorspronkelijke vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. Hij volhardde in zijn vraag tot afgifte van de goederen en vroeg de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten.
  7. De geïntimeerde besloot tot de onontvankelijkheid, minstens het zonder voorwerp zijn van de vorderingen van de appellant inzake de uitoefening van ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de onderhoudsbijdrage voor N gelet op het op 10 februari 2006 tussengekomen vonnis van de jeugdrechtbank te Oudenaarde. Voor het overige vorderde zij de afwijzing van de vorderingen van de appellant inzake het onderhoud van de hond en de afgifte van de goederen als niet gegrond (sic), één en ander met veroordeling van de appellant tot de kosten. bespreking
  8. Onderhavig geding wordt klaarblijkelijk gevoerd in het kader van artikel 584 Ger.W.. De vereiste urgentie is in de eerste plaats een voorwaarde van volstrekte bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg recht sprekend in kort geding. Deze volstrekte bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van het voorwerp van de vordering, zoals dat werd geformuleerd in de gedinginleidende dagvaarding. In de gedinginleidende dagvaarding werd ter staving van de hoogdringendheid verwezen naar de feitelijke toestand (voorgehouden plotseling vertrek van de appellant, zijn terugkeer, fysiek geweld ten aanzien van de geïntimeerde en N, nieuw vertrek van de appellant en intrekken bij zijn vriendin). De vordering met betrekking tot het onderhoud van de hond was een uitbreiding van de initiële vordering. De geïntimeerde heeft op een rechtens aannemelijke wijze aangevoerd dat de zaak spoedeisend was en dat bepaalde maatregelen zich naar aanleiding van het stopzetten van het samenwonen van de partijen opdrongen. De voorzitter kon zich op grond daarvan terecht bevoegd achten.
  9. Wat betreft de gevorderde maatregelen voor N wordt niet betwist dat inmiddels maatregelen van de bodemrechter zijn tussengekomen. De in kort geding gevorderde maatregelen zijn derhalve hangende het hoger beroep zonder voorwerp geworden. 3.
  10. In geval de voorzitter recht sprekend in kort geding zich zoals ter zake bevoegd acht, dient hij - en dus ook het hof ¿ vervolgens te onderzoeken of er op grond van de door de partijen aangedragen elementen al dan niet urgentie aanwezig is die het nemen van voorlopige maatregelen kan rechtvaardigen waarbij hij dan uitspraak doet over de grond van de vordering. De rechter die in kort geding uitspraak doet beoordeelt het spoedeisend karakter van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak zodat dit hof deze urgentie moet nagaan in het licht van zijn uitspraak. Dergelijke beoordeling raakt de grond van de zaak. 3.
  11. De geïntimeerde voert ter staving van de spoedeisendheid aan dat wanneer aan het hoogdringend karakter van een onderhoudsvordering met betrekking tot een gezamenlijk kind niet kan getwijfeld worden, dit evenmin kan voor wat betreft het onderhoud van een gezamenlijke hond. Dergelijke vergelijking gaat niet op. Er is sprake van spoedeisendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen. Een partij kan derhalve haar toevlucht nemen tot een procedure kort geding wanneer met de gewone rechtspleging het geschil niet tijdig kan worden opgelost. De rechter in kort geding beschikt over een ruime feitelijke beoordelingsmacht en, in juiste mate, over de grootste vrijheid. De vordering tot het onderhoud van de hond werd door de geïntimeerde gesteld in haar conclusie van 15 december 2005, hetzij twee maanden na het vertrek van de appellant. In de gegeven omstandigheden is deze vordering ab initio af te wijzen als niet gegrond bij gebreke van bewezen urgentie. 3.
  12. De appellant heeft in zijn conclusie neergelegd ter terechtzitting van 15 december 2005 gevraagd beschikking te verlenen overeenkomstig desbetreffende conclusie. In die conclusie heeft de appellant zijn oorspronkelijke vordering tot afgifte van het tuinmateriaal niet hernomen. Op die grond werd door de eerste rechter een afstand van desbetreffende vordering aanvaard en de vordering (in het dispositief) als ongegrond afgewezen. De appellant betwist in hoger beroep het duidelijk en ondubbelzinnig karakter van de beweerde afstand. Hoe dan ook is niet duidelijk in welke mate de vordering tot afgifte van goederen om tuinwerken uit te voeren (een professionele rugsproeier, een grastrimmer en een tuinschaar) (nog) enige hoogdringendheid vertoont. Wegens gebrek aan bewijs van spoedeisendheid dient de vordering als niet gegrond te worden afgewezen. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Stelt vast dat het hoger beroep wat betreft de uitoefening van het ouderlijk gezag over N, de omgangsregeling van het kind met haar vader en de onderhoudsbijdrage voor haar verschuldigd zonder voorwerp is. Verklaart het hoger beroep voor het overige toelaatbaar en als volgt gegrond. Doet de bestreden beschikking teniet wat betreft de beslissing inzake het onderhoud van de hond. Oordeelt dienaangaande opnieuw. Wijst desbetreffende vordering af als niet gegrond. Bevestigt de bestreden beschikking voor het overige, binnen de perken ervan, weliswaar op voormelde gronden. Verwijst de geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de appellant niet te begroten bij gebreke van opgave. Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen om, gelet op hun hoedanigheid. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op TWEEËNTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer M. RYDE, raadsheer L. VANDENBERGHE, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.