id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070329.2 Rolnummer: 2005/AR/685 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-08-01 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 15:30 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Aansprakelijkheid notaris, bank Vrije woorden: Notaris - beweerde aansprakelijkheid notaris nu hij appelante een huwelijkscontract heeft aangeraden en hij haar hierbij verkeerd heeft voorgelicht, minstens zonder dat haar de verstrekkende en definitieve gevolgen werden toegelicht vermits hij de verkeerde mening toegedaan was dat in geval van echtscheiding ten laste van haar echtgenoot de door haar ingebrachte goederen terug eigen zouden worden - begrip 'voordelen' van art.229 B.W Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 229 Tekst van de beslissing in de zaak van: V.J, ¿, wonende te X, appellante, hebbende als raadsman mr. DE GEEST Bart, advocaat te 1700 DILBEEK, Broekstraat 37B tegen:
- V.J, ¿, wonende te Y, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN LEMBERGEN Patrick, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2
- B.R, ¿, wonende te Z, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERMEULEN Benjamin, advocaat te 9300 AALST, Leopoldlaan 32A, velt het hof het volgend arrest: De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. De stukken werden ingezien. I. de relevante feiten, procedurele retroakten en de vorderingen
- De appellante en de tweede geïntimeerde huwden op 21 januari 1967 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Vorst onder het wettelijk stelsel bij afwezigheid van huwelijkscontract. Op 16 november 1977 heeft de appellante, bij akte overname verleden voor notaris J.V en overgeschreven op het hypotheekkantoor op 1 december 1977, van haar moeder en zes broers en zussen inzonderheid het woonhuis met afhangen en medegaande erve en achterliggende tuin gelegen te Pollare, Dorpsstraat 42, hetzij de latere gezinswoning van appellante en tweede geïntimeerde, overgenomen. Op 16 november 1977 werd door de appellante en de tweede geïntimeerde een lening afgesloten met hypotheek op voormeld onroerend goed. Klaarblijkelijk (zelfde data en hoegrootheid bedragen) was deze bedoeld ter betaling van de opleg. Bij akte verleden voor de eerste geïntimeerde als notaris op 11 januari 1978 hebben de appellante en de tweede geïntimeerde het stelsel van algehele gemeenschap aangenomen, gehomologeerd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 16 juni
- In artikel 1 van de op 11 januari 1978 voor notaris J.V verleden akte wijziging van huwelijksvoorwaarden werd dan bedongen (stuk 6 appellante): ¿De verschijnende echtgenoten verklaren het stelsel van de algehele gemeenschap, zoals omschreven in het nieuw artikel 1453 van het Burgerlijk Wetboek, voortaan als hun huwelijksstelsel aan te nemen. Bijgevolg brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in dit gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die, welke van persoonlijke aard zijn, en van de rechten, die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn. De algehele gemeenschap is gehouden tot al hun schulden.'. Aldus heeft de appellante door een wijziging huwelijksvermogenstelsel een eigen onroerend goed ingebracht in de huwelijksgemeenschap. Onder artikel 2 van hetzelfde huwelijkscontract werd een verblijvingsbeding opgenomen.
- Op 22 maart 1994 legde de tweede geïntimeerde een verzoekschrift tot echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, met daaropvolgende dagvaarding in echtscheiding van 11 mei
- Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, van 15 december 1994 werd daarop de echtscheiding uitgesproken. In toepassing van artikel 306 B.W. werd de tweede geïntimeerde geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding werd uitgesproken. De echtscheiding werd klaarblijkelijk overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Vorst op 14 maart
- Bij vonnis uitgesproken op 9 maart 1995 door dezelfde rechtbank en kamer werd bevolen dat, na vervulling van de pleegvormen voorzien door artikel 1275 Ger.W., er zou worden overgegaan tot de vereffening-verdeling van de algemene gemeenschap van de appellante en de tweede geïntimeerde. Notaris E. VAN OUDENHOVE te Denderhoutem werd als boedelnotaris benoemd om over te gaan tot voormelde bewerkingen en notaris D. BRECKPOT te Aalst werd als tweede notaris benoemd ter vertegenwoordiging van de niet verschijnende of weigerende partijen. In geval de appellante en de tweede geïntimeerde het niet eens zouden zijn omtrent de vereffening werd verstaan dat er zou worden gehandeld overeenkomstig artikel 1219 par. 2 Ger.W.. In hetzelfde vonnis werd de tweede geïntimeerde veroordeeld tot de betaling aan de appellante vanaf het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis van een uitkering na echtscheiding van 20.000 BEF (thans 495,79 EUR) per maand, met indexbinding en ontvangstmachtiging. De tweede geïntimeerde werd verwezen in de kosten, behoudens die van de vereffening-verdeling die ten laste van de massa werden gelegd.
- In het kader van de procedure tot vereffening werd het gelijkvormig afschrift van de volgende stukken van voormelde boedelnotaris ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde neergelegd: ¿ de staat der bewerkingen van rekening, vereffening-verdeling van de goederen en waarden afhangende of deelmakende van de huwgemeenschap van 13 mei 1997; ¿ het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 2 juli 1997; ¿ het advies gevolg aan dit proces-verbaal van 1 augustus
- 5.
- De resterende betwistingen behelsden: - de vraag of de gezinswoning in het licht van art. 299 B.W. al dan niet als een gemeenschappelijk goed diende te worden beschouwd; - de gevolgen voor wat betreft het al dan niet gehouden zijn tot een woonstvergoeding; - de voorafname van bepaalde eigen gelden. In het vonnis op 5 november 1998 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, werd ¿ alvorens verder uitspraak te doen dan in het overwegend gedeelte van desbetreffend vonnis gezegd ¿, onder voorbehoud van alle rechten van partijen, Karel PROVÉ als deskundige benoemd met opdracht: ¿ het onroerend goed, zijnde een woonhuis met aanhorigheden en grond, staande en gelegen te Ninove, Pollaredorp 103, gekend ten kadaster volgens titel sectie A nummers 180 d en 163 t met een oppervlakte volgens titel van 10 are te onderzoeken en te beschrijven; ¿ de waarde ervan te schatten; ¿ een plan op te stellen van de ligging van de door hem gebruikte vergelijkingspunten en zijn zienswijze te illustreren aan de hand van gepaste foto's; ¿ de huurwaarde van voormeld onroerend goed te bepalen vanaf 7 februari 1995; terwijl de zaak voor verdere behandeling op vaste datum werd uitgesteld en de beslissing nopens de kosten werd aangehouden. 5.
- Tegen voormeld vonnis werd door de appellante principaal hoger beroep en door de tweede geïntimeerde incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarover oordelend heeft dit hof, elfde kamer in een andere samenstelling, bij arrest van 24 oktober 2002 het bestreden gedeelte van het voormeld aangevochten vonnis bevestigd, met dien verstande dat met betrekking tot de woonstvergoeding na echtscheiding reeds werd verduidelijkt dat deze is verschuldigd vanaf het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis. De zaak werd voor verdere afhandeling terug naar de eerste rechter verwezen. De tussenvordering van de appellante in gemeenverklaring van de eerste geïntimeerde werd ontvankelijk en gegrond verklaard. Er werd gezegd voor recht dat desbetreffend arrest aan de gedaagde in gemeenverklaring werd gemeen verklaard. De tussenvordering van de eerste geïntimeerde wegens tergend en roekeloze dagvaarding in gemeenverklaring werd ontvankelijk verklaard doch afgewezen als niet gegrond. Ieder van de partijen werd in zijn eigen kosten van hoger beroep veroordeeld en de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen werden omgeslagen. De gedaagde in gemeenverklaring werd verwezen in de kosten van de procedure in gemeenverklaring. Vooral van belang voor onderhavige procedure is dat in het arrest, met gemeenverklaring aan de eerste geïntimeerde: - wat betreft de gezinswoning deze ook door het hof als een gemeenschappelijk goed werd aangezien nu art. 299 B.W. ter zake niet van toepassing werd verklaard; - reeds werd aanvaard dat er geen grond is tot voorafname door de appellante in de mate dat er geen eigen gelden zijn door het aannemen van het stelsel van algemene gemeenschap; - geacht werd dat, gelet op het gemeenschappelijk karakter van de gezinswoning, de woonstvergoeding verschuldigd was vanaf het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis. 6.
- Na neerlegging ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van het deskundigenverslag van Karel PROVÉ op 25 februari 1999 vorderde de tweede geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot de betaling aan hem van het bedrag van 52.677,38 EUR (opleg onroerend goed), te vermeerderen met de verwijlinterest op dat bedrag vanaf 19 februari 1999 tot de datum van de conclusie (4 november 2002), meer de gerechtelijke interest op dat bedrag vanaf die datum tot de dag der integrale betaling. Ondergeschikt, indien de appellante de woning niet wenst over te nemen, vroeg de tweede geïntimeerde de openbare verkoping ervan te bevelen en een instrumenterende notaris aan te stellen. Ook vorderde de tweede geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot de betaling van een bedrag van 20.065,39 EUR (woonstvergoeding berekend tot en met 6 februari 2003), met voorbehoud van de nog te vervallen maanden vanaf 7 februari 2003 tot de dag der integrale betaling, naast de verwijzing in de kosten. 6.
- De appellante vroeg de vordering van de tweede geïntimeerde af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond en hem te veroordelen tot de betaling van de kosten. 6.
- Bij dagvaarding van 2 december 2003 werd de eerste geïntimeerde door de appellante gedagvaard in gedwongen tussenkomst en vrijwaring teneinde hem te doen veroordelen tot alle veroordelingen waartoe zij ten opzichte van de tweede geïntimeerde zou worden veroordeeld namelijk minstens 52.677,38 EUR (opleg onroerend goed) + 20.065,39 EUR (huurwaarde), hetzij 72.742,77 EUR, meer de interesten en de kosten en hem hiertoe tot betaling aan haar te veroordelen. Tevens vorderde de appellante de veroordeling van de eerste geïntimeerde tot de betaling aan haar van de gederfde voorafname eigen gelden ten bedrage van 1.678,73 EUR (erfenis van wijlen haar moeder) + 24.612,68 EUR (gift van haar moeder), hetzij 26.291,41 EUR meer de interest vanaf 13 maart
- 6.
- De eerste geïntimeerde besloot tot de afwijzing van de vordering van de appellante als ongegrond. Ondergeschikt, indien enige aansprakelijkheid in zijnen hoofde zou worden aangehouden vroeg hij de herleiding van het gevorderde tot 1,- EUR provisioneel, onverminderd de verwijzing van de appellante in de kosten.
- In het niet bestreden tussenvonnis op 11 maart 2004 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, werd de zaak wat betreft de hoofdvordering terug verwezen naar de boedelnotaris teneinde te handelen als naar recht overeenkomstig het desbetreffend vonnis, het vonnis van dezelfde rechtbank en kamer van 5 november 1998 en het arrest van dit hof, elfde kamer, van 24 oktober
- Recht doende inzake de vordering in tussenkomst ten laste van de eerste geïntimeerde werd vastgesteld dat de zaak niet in staat van wijzen was en werd ze verzonden naar de bijzondere rol. De kosten inzake de hoofdvordering werden ten laste van de massa gelegd. De kosten inzake de vordering tot tussenkomst werden aangehouden.
- In het bestreden vonnis tenslotte werd de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de appellante ten laste van de eerste geïntimeerde ontvankelijk verklaard, doch afgewezen als niet gegrond. De appellante werd verwezen in de kosten, zoals nader begroot aan de zijde van de eerste geïntimeerde. II. bespreking A. de toelaatbaarheid van de beroepen
- Het hoger beroep ten aanzien van de eerste geïntimeerde is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is toelaatbaar.
- Wat betreft het hoger beroep ten aanzien van de tweede geïntimeerde werden de partijen door het hof op de openbare terechtzitting van 21 december 2006 gevraagd standpunt in te nemen over de toelaatbaarheid ervan. Het hof stelt vast dat de appellante ¿ althans na het tussenvonnis van 11 maart 2004 waarin beslist werd over de hoofdvordering ten laste van de tweede geïntimeerde terwijl de vordering tot vrijwaring hangend bleef - niets meer van de tweede geïntimeerde heeft gevorderd. Overigens hebben de appellante en de tweede geïntimeerde na het voormeld tussenvonnis niets van elkaar gevorderd, noch tegen mekaar geconcludeerd. Het vereiste van rechtsband tussen de appellante en de tweede geïntimeerde is alvast niet meer vervuld met betrekking tot de beslechting van de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de appellante ten laste van de eerste geïntimeerde. Het hoger beroep ten aanzien van de tweede geïntimeerde is ratione personae niet toelaatbaar. B. ten gronde 1.
- Volgens de appellante staat de aansprakelijkheid van de eerste geïntimeerde vast nu hij haar een huwelijkscontract heeft aangeraden en haar hierbij verkeerd heeft voorgelicht, minstens zonder dat haar de ver strekkende en definitieve gevolgen werden toegelicht vermits hij verkeerdelijk de mening was toegedaan dat in geval van echtscheiding ten laste van haar echtgenoot de door haar ingebrachte goederen terug eigen zouden worden. Volgens de appellante heeft de eerste geïntimeerde ontegensprekelijk een beroepsfout gemaakt en dient hij de schade die hieruit voortvloeit te vergoeden. 1.
- Wat aan de eerste geïntimeerde derhalve wordt verweten is een tekortkoming aan zijn informatie- en raadgevingsplicht. Er wordt door het hof ter zake uitgegaan van het vermoeden dat de notaris zijn ambt gewetensvol uitoefende. Het is de schadelijder, in casu de appellante, op wie de bewijslast rust dat de notaris niet de nodige inspanningen heeft geleverd. Als bewijs van de beweerde notariële tekortkoming refereert de appellante naar de brieven van 20 oktober 1999 en 4 november 1999 van de notaris. 2.1 Vooraf wordt door het hof beklemtoond dat het pas ettelijke jaren na de wijzigingsakte is, met name op 1 oktober 1999 ¿ hetzij hangende de beroepsprocedure voor dit hof tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 5 november 1998 in het kader van de zwarigheden tijdens de vereffening-verdeling na echtscheiding (cf. hoger I.5.) ¿, dat de appellante voor het eerst via haar raadsman de eerste geïntimeerde in gebreke heeft gesteld. Daarbij aansluitend heeft zij de notaris gevraagd vrijwillig tussen te willen komen in desbetreffende beroepsprocedure met het oog op gemeenverklaring (stuk 1 appellante). De appellante hield in dit schrijven van 1 oktober 1999 meer bepaald voor dat zij, bij de gelegenheid van het aannemen van de algehele gemeenschap, niet werd ingelicht met betrekking tot de ver strekkende gevolgen ¿ kennelijk ook bij echtscheiding ¿ van de wijziging van de huwelijksvoorwaarden bestaande in het verlies van het eigen karakter van haar woning te Pollare. 2.
- In een brief van 3 november 1999 van haar raadsman nam de appellante nota van het antwoordschrijven van de notaris van 20 oktober 1999 (stuk 2 appellante). Vermits de vraagstelling naar de vrijwillige tussenkomst voor gemeenverklaring niet werd beantwoord werd dienaangaande opnieuw standpunt gevraagd. 2.
- Vast staat alvast dat vóór de brieven van 1 oktober en 3 november 1999 de notaris niets werd ten kwade geduid. De appellante verwijt de notaris sedertdien dat hij haar bij de wijziging niet op de ver strekkende gevolgen van de inbreng zou hebben gewezen, hetgeen deze evenwel ontkent (cf. infra). Eén en ander wordt alvast niet bewezen door de door de appellante overgelegde briefwisseling. Overigens blijkt uit de termen van artikel 1 van de wijzigingsakte dat bij (voor)lezing het voor elkeen ¿ zelfs de modale niet gespecialiseerde lezer/toehoorder ¿ zeer duidelijk is dat het in oorsprong aan de appellante toebehorend eigen onroerend goed in de algehele gemeenschap zou vallen.
- Het hof analyseert volledigheidshalve de door de notaris op de ingebrekestelling gegeven antwoorden. 3.
- De eerste geïntimeerde heeft in zijn brief van 20 oktober 1999 de reden uiteengezet waarom voor de vooropgestelde wijziging werd gekozen en zijn juridische interpretatie alsdan gegeven (stuk 2 appellante). Hij overwoog aldus dat de appellante, bij toepassing van de Wet kleine nalatenschappen, het huis te Pollare, Dorp 103 met grond en inboedel overnam waarin zij grosso modo slechts 1/12e in naakte eigendom bezat. Hij verduidelijkte dat de tweede geïntimeerde de lening waarmee de appellante haar medegerechtigden moest uitbetalen mede moest ondertekenen en moeilijkheden maakte. Om de vrede te bewaren besloot de appellante ¿ aldus de notaris ¿ de door haar overgenomen goederen, zoals die lening, gemeenschappelijk te maken. De eerste geïntimeerde beklemtoonde dat hij de beide echtgenoten er wel degelijk op wees dat de appellante hierdoor aan haar echtgenoot een feitelijke gift deed [¿N.B. van +/- 1/24ste van die eigendom met inboedel ¿' (sic)]. De eerste geïntimeerde argumenteerde voorts in rechte dat de voordelen die aan de tweede geïntimeerde ingevolge het huwelijkscontract verleend werden onverkort verloren zijn. Hij wees op een volgens hem verkeerde interpretatie van ¿het cassatie-arrest van 1874', dat zijns inziens enkel handelde over ¿de ¿TOEBEDELING¿, (d.w.z. ingeval van overlijden) toegevallen aan één van de echtgenoten'. Hij besloot dat de voordelen die aan de tweede geïntimeerde dus uit dat huwelijkscontract verleend werden onverkort verloren zijn. 3.
- In zijn schrijven van 4 november 1999 herhaalde de eerste geïntimeerde ervan overtuigd te zijn dat de voordelen die de tweede geïntimeerde uit het huwelijkscontract kon verkregen hebben voor hem zonder enige beperking verloren zijn ingevolge art. 299 B.W.. De notaris antwoordde vervolgens negatief op de vraag tot tussenkomst.
- Op grond van de voormelde briefwisseling van de notaris kan niet zonder meer besloten worden tot zijn notariële aansprakelijkheid. De daarin door de notaris gegeven uitleg met betrekking tot de feitelijke achtergrond ¿ als dusdanig overigens niet betwist door de appellante ¿ komt het hof aannemelijk voor in het licht van de stukken die worden overgelegd (cf. hoger I.1.). Wanneer er daarenboven onenigheid bestaat in de rechtsleer omtrent de interpretatie van een bepaald wetsartikel dient de notaris te handelen als een normaal en vooruitziend notaris, geplaatst in dezelfde omstandigheden op dat gegeven ogenblik van 11 januari
- De juridische interpretatie die de eerste geïntimeerde, nadat hij meer dan 20 jaar later wordt geïnterpelleerd over een beweerde beroepsfout, meent te moeten geven staat evident volkomen los daarvan. Dit standpunt is te beschouwen als een loutere reactie op de stellingname van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in het vonnis van 5 november 1998, dat werd bestreden.
- In de rechtspraak en de rechtsleer was er inderdaad jarenlang discussie over wat met het rekbaar begrip ¿voordelen' in art. 299 B.W. juist wordt bedoeld. Een restrictieve interpretatie steunde vooral op een arrest van het hof van cassatie van 29 oktober 1874 (Cass. 29 oktober 1874, Pas. 1875, I, 7) volgens hetwelk deze term voordelen alleen giften door de ene echtgenoot aan de andere bevat, m.a.w. beschikkingen om niet die aan de regels van de schenkingen zijn onderworpen. Een andere interpretatie vatte het begrip voordelen in de meest ruime zin op, zodat niet alleen giften tussen echtgenoten vervallen maar ook alle huwelijksvoordelen (waaronder dan zowel bedingen van uitbreiding van de gemeenschap als bedingen van vooruitmaking en ongelijke verdeling begrepen zijn). Een meer genuanceerde interpretatie werd, enerzijds, afgeleid uit een samenlezing van de artikelen 299 en 1429 B.W. (nieuw sinds de wet van 14 juli 1976) en, anderzijds, de vergelijking met art. 334ter B.W. (nieuw sinds de wet van 31 maart 1987). Volgens deze visie zijn de huwelijksvoordelen die vervallen na echtscheiding enkel deze huwelijksvoordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn en dus niet de voordelen die spruiten uit een beding van uitbreiding van gemeenschappelijke baten. Binnen het kader van zelfs deze laatste genuanceerde interpretatie bestond er rechtspraak die bepaalde huwelijksvoordelen die geen overlevingsrechten zijn toch onderwierp aan art. 299 B.W.. Zo werd de uitbreiding van het gemeenschappelijk vermogen door een inbreng als een schenking (en dus een voordeel in de zin van art. 299 B.W.) aangezien, waarbij de feitenrechter dan soeverein oordeelde of de inbreng al dan niet uit vrijgevigheid was met de bedoeling de andere echtgenoot te bevoordelen. Hoe dan ook op het ogenblik van de redactie van de wijzigingsakte te dezen was er geen éénduidigheid in de interpretatie van de draagwijdte van art. 299 B.W.. De controverse werd pas beëindigd gelet op het arrest van het hof van cassatie van 23 november 2001 (Cass. 23 november 2001, C 990012N, www.cass.be) ten gevolge waarvan het beding van inbreng zoals opgenomen in het artikel 1 van de akte wijziging huwelijksvermogenstelsel geen voordeel uitmaakt in de zin van artikel 299 B.W. en het dus niet vervalt in hoofde van de tweede geïntimeerde als de aan de echtscheiding schuldige echtgenoot. Zelfs nadien leverde één en ander voer voor verder contentieux. Zo zegt het arbitragehof voor recht dat de artikelen 299, 300 en 1429 B.W. de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schenden, in de interpretatie dat echtscheiding op grond van bepaalde feiten leidt tot het verval voor beide echtgenoten van huwelijksvoordelen die overlevingsrechten zijn, maar de echtgenoot tegen wie de echtscheiding is uitgesproken niet het voordeel ontneemt van de andere huwelijksvoordelen, zoals met name een inbreng in de gemeenschap bedongen in het huwelijkscontract [arbitragehof nr. 170/2005, 23 november 2005 (prejudiciële vraag), www.arbitrage.be].
- De aansprakelijkheid van de eerste geïntimeerde dient, naar het oordeel van het hof, te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of een normaal vooruitziend en voorzichtig notaris in dezelfde periode en in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst op 11 januari 1978 dezelfde wijzigingsakte zou hebben verleden. Het antwoord op deze vraag is ongetwijfeld bevestigend gelet op de specifieke feitelijke beweegredenen daartoe en dit zelfs niettegenstaande de onduidelijkheid nopens de interpretatie van het begrip huwelijksvoordelen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan voor de appellante bij echtscheiding. Het lag immers voor de hand dat, daar waar de lening door beide echtgenoten ter financiering van de door de appellante te betalen opleg voor de overname werd aangegaan en bovendien het eigen aandeel van de appellante in de over te nemen goederen miniem was, de woning alvast zou worden ingebracht in de gemeenschap. Dat de eerste geïntimeerde de appellante onvoldoende dan wel verkeerdelijk zou hebben geadviseerd op het ogenblik van het verlijden van de wijzigingsakte over de gevolgen daarvan na eventuele echtscheiding blijft niet bewezen op grond van de voorgelegde briefwisseling. Doch er is meer. De notaris was in het licht van de hoger (sub 5) geschetste onzekerheid in de rechtsleer en de rechtspraak niet bij machte de appellante juist en met zekerheid in te lichten over de juridische gevolgen in geval van echtscheiding. De draagwijdte die aan het begrip huwelijksvoordelen zou worden gegeven was voer van discussie en het was geenszins uitgesloten dat alsnog het verval in hoofde van de tweede geïntimeerde zou kunnen zijn aanvaard.
- De appellante faalt op grond van wat voorafgaat in haar hoger beroep en wordt dan ook verwezen in de kosten ervan. Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische franken nog zijn vermeld, is dit louter ter informatie. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep ten aanzien van de eerste geïntimeerde toelaatbaar. Wijst het hoger beroep ten aanzien van de tweede geïntimeerde af als niet toelaatbaar. Wijst het hoger beroep ten aanzien van de eerste geïntimeerde af als niet gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep. Verwijst de appellante in de kosten van het hoger beroep. Vereffent de kosten als volgt aan de zijde van de eerste geïntimeerde: 466,05 EUR rechtsplegingsvergoeding (volgens opgave). Verstaat dat de kosten aan de zijde van de appellante niet nuttig te begroten zijn en dat deze aan de zijde van de tweede geïntimeerde niet kunnen worden begroot bij gebreke van opgave. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer M. RYDE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div