zij gerechtigd is om over te gaan tot omzetting van haar vruchtgebruik waarbij zij: ¿ in hoofdorde vraagt dat deze omzetting zou gebeuren tegen een geldsom, begroot op euro 18.065,63; ¿ in subsidiaire orde vraagt dat een notaris zou worden aangesteld teneinde de waarde van het vruchtgebruik op datum van de omzetting te bepalen en alsdan geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van de door de notaris vast te stellen geldsom, vermeerderd met de interesten vanaf de omzettingsdatum alsook tot de notariskosten. Tevens vraagt zij om geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van beide instanties zoals door haar aan haar zijde nader begroot. Zij volhardt hierin in haar conclusie, met dien verstande dat zij vordert dat hoe dan ook een notaris zou worden aangesteld om de waarde van het vruchtgebruik op datum van omzetting te bepalen. 2.
de omzetting van het vruchtgebruik gevraagd. In die omstandigheden is het duidelijk dat indien deze gevraagde omzetting van het vruchtgebruik door appellante gegrond zou worden verklaard de vordering van geïntimeerde zonder voorwerp zal zijn. 3.3. Krachtens artikel 745 quater §1 B.W. kan wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in volle eigendom hetzij in een geldsom, hetzij in een geïndexeerde rente. Het staat buiten betwisting dat appellante overeenkomstig deze wetsbepaling de omzetting van het vruchtgebruik kan vorderen. Evenwel is, wanneer zoals in casu de vordering uitgaat van de langstlevende en deze in samenloop komt met afstammelingen, de rechter niet verplicht om de omzetting toe te staan. Terzake dient onderzocht te worden of de vordering in omzetting kan worden gegrond verklaard, rekening houdende met de billijkheid en de belangen van alle in de zaak betrokken partijen. Zo mag de omzetting er niet toe strekken aan één partij een onverantwoord voordeel toe te kennen noch haar tot nadeel strekken. De belangen van de partijen moeten in de mate van het mogelijke naar objectieve maatstaven worden afgewogen. Het standpunt van appellante dat de rechter de omzetting van het vruchtgebruik niet kan weigeren om billijkheidsredenen en hij dit enkel kan weigeren wanneer zulks de belangen van een onderneming of van beroepsarbeid ernstig zou schaden kan dus niet worden onderschreven. Immers, enkel wanneer de langstlevende echtgenoot in samenloop komt met andere personen dan afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot beschikt de rechter overeenkomstig artikel 745 quater §2 B.W. over een minder uitgebreide beoordelingsmacht m.n.: - moet hij in de regel de omzetting toestaan als de langstlevende deze binnen de 5 jaar eist tegen andere blote eigenaars dan afstammelingen (artikel 745 quater §2, alinea 2 B.W.), waarbij laatstgenoemden dan enkel als verweer kunnen inroepen dat de omzetting de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden (artikel 745 quater §2, alinea 3 B.W.); - kan hij, indien hij het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, de vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld: ¿ hetzij door een andere blote eigenaar dan de afstammelingen bedoeld in artikel 745 quater § 1 B.W.. ¿ hetzij door de langstlevende na de termijn van 5 jaar; en dit conform het bepaalde in artikel 745 quater §2 alinea 4 B.W.. Deze hypothese doet zich in casu evenwel niet voor nu appellante als langstlevende echtgenoot in samenloop komt met een afstammeling van haar vooroverleden echtgenoot en derhalve artikel 745 quater §1 B.W. van toepassing is. Deze bepaling spreekt overigens van het feit dat de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars de omzetting kan ¿vorderen¿ terwijl artikel 745 quater §2 alinea 2 B.W. bepaalt dat in deze hypothese de langstlevende echtgenoot de omzetting kan ¿eisen¿. In tegenstelling tot hetgeen de eerste rechter aannam is het hof, alle omstandigheden in acht genomen, evenwel van oordeel dat er geen redenen zijn om de vraag van appellante tot omzetting van het vruchtgebruik te weigeren. Weliswaar werd door appellante de omzetting van het vruchtgebruik van de goederen afhangende van de nalatenschap van haar overleden echtgenoot pas effectief in rechte gevorderd nadat zij zelf was gedagvaard door haar dochter om toepassing te maken van artikel 745 ter B.W., doch terzake: - dient vastgesteld te worden dat in het proces-verbaal van sluiting d.d. 7 oktober 2002 van de boedelbeschrijving die werd opgesteld door notaris Vandenberghe Bruno voornoemd appellante reeds verklaarde dat zij zich het recht voorbehield om de omzetting van het vruchtgebruik met betrekking tot de gelden te vragen.; - heeft het feit dat geïntimeerde quasi onmiddellijk na het afsluiten van de boedelbeschrijving, met name op 13 november 2002, als eerste overging tot het inleiden van onderhavige procedure voor de eerste rechter teneinde de toepassing van artikel 745 ter B.W. te vorderen, geen relevantie voor de beoordeling van de vraag tot omzetting die alsdan door appellante werd geformuleerd. Tevens dient gesteld dat de ratio legis van het omzettingsrecht niet enkel gelegen is in het ondervangen van de (soms) zware economische nadelen die kunnen verbonden zijn aan het vruchtgebruik omdat met vruchtgebruik bezwaarde goederen geïmmobiliseerd zijn, doch ook in het ondervangen van de spanningen tussen vruchtgebruiker en naakte eigenaars o.m. wat betreft de bijdragen in de kosten van met vruchtgebruik belaste goederen. Rekening houdende met: - het feit dat er duidelijk een grote onenigheid bestaat tussen appellante en haar enige dochter; - de leeftijd van appellante die met zich meebrengt dat de waarde van het vruchtgebruik van de goederen afhangende van de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot eerder gering is opzichtens de waarde van de naakte eigendom (zoals ten andere blijkt uit de berekening van notaris Himpe Eric d.d. 25 november 2002 - enig stuk appellante); - de beperkte opbrengst van de gelden die aanwezig waren in de nalatenschap en het feit dat appellante, mede in acht genomen haar leeftijd, in staat moet zijn over de nodige financiën te beschikken voor haar verzorging en onderhoud; is het hof van oordeel dat op het verzoek van appellante tot omzetting van het vruchtgebruik kan worden ingegaan. Artikel 745 quater §1 B.W. vermeldt drie mogelijke wijzen van omzetting van het vruchtgebruik m.n.: - in volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen; - in een geldsom; - in een geïndexeerde en gewaarborgde rente. Deze door de wetgever vermelde opsomming is - in tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde vooropstelt ¿ niet bindend voor de rechter die bij de omzetting een andere modaliteit kan aanwijzen die hem in het specifiek geval als beter passend voorkomt. Waar: - appellante in conclusies aanbood om een bedrag van 18.065,63 euro te betalen aan geïntimeerde; - uit het schrijven van notaris Himpe Eric d.d. 25 november 2002 blijkt dat dit bedrag zou overeenstemmen met de waarde van de blote eigendom waarop geïntimeerde gerechtigd is; is zulks niet als een omzetting van het vruchtgebruik in een som geld te beschouwen, gezien bij deze modaliteit van omzetting de langstlevende echtgenoot afstand doet van zijn rechten in vruchtgebruik in ruil voor een som geld te betalen door de naakte eigenaar(
gerechtigd is over te gaan tot de omzetting van haar vruchtgebruik op de nalatenschap van wijlen L.G en dit door betaling van de waarde van de naakte eigendom aan geïntimeerde; ¿ stelt notaris Allaer Ann, met standplaats te Ieper, aan teneinde de waarde van het vruchtgebruik op datum van de omzetting te bepalen en te handelen conform art. 745 sexies § 2 tweede lid in fine B.W.; ¿ stelt overeenkomstig artikel 1209 Ger.W. notaris Platteau Jan, met standplaats te Ieper, aan teneinde de niet verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen; ¿ zegt voor recht dat de kosten van de notarissen en de vereffeningsverrichtingen ten laste komen van beide partijen en dit in verhouding tot de respectieve waarde van de naakte eigendom wat betreft geïntimeerde en van het vruchtgebruik wat betreft appellante. Slaat de kosten om tussen partijen, deze kosten derhalve niet nuttig te begroten zijnde. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer M. RYDE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.