← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070405.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 05 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070405.1 Rolnummer: 1995/RK/84 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-08-01 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-03 06:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud - Kinderen/ouder Vrije woorden: Echtscheiding - voorlopige maatregelen - onderhoudsgeld - exceptie van onwaardigheid van de onderhoudsgerechtigden als verweer tegen de vordering tot verhoging van onderhoudsbijdragen van de kinderen - contactarmoede - onwetendheid over studieverloop. Tekst van de beslissing in de zaak van: S.A, ¿, wonende te X, appellante hebbende als raadsman mr. DE WINTER Bart, advocaat te 9200 DENDERMONDE, L. Dosfelstraat 65 tegen: V.G, ¿, wonende te Y, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. SUY Geert, advocaat te 9300 AALST, Albrechtlaan 18 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking verleend op 1 februari 1995 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, statuerend over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De partijen, vertegenwoordigd door hun raadslieden, werden gehoord op de openbare terechtzitting van 4 januari

  1. Advocaat-generaal Philippe GYSBERGS werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies. De geïntimeerde werd onmiddellijk gehoord in zijn opmerkingen over dat advies. De appellante verklaarde af te zien van haar recht op repliek. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, de procedurevoorgaanden en de vorderingen
  2. De partijen huwden op 18 december
  3. Zij hebben 3 kinderen, allen thans meerderjarig: - S, geboren op 16 februari 1977; - L, geboren op 30 juni 1978; - E, geboren op 2 januari
  4. In de bestreden beschikking werden een aantal voorlopige maatregelen genomen waarvan enkel deze relevant ter beslechting van het beperkt beroep, hierna worden aangehaald. De partijen werden gemachtigd tot afzonderlijk verblijf. Aan de appellante werd een voorlopig verblijf toegekend in de gezinswoning, met dien verstande dat het uitsluitend gebruik van het werkatelier met machines en alaam aan de geïntimeerde werd voorbehouden. Er werd voor de eerste rechter een akkoord gesloten door de partijen wat betreft het hoofdverblijf van S en L bij de appellante. Voor de vader was een bijkomend verblijf het 1ste, 3de en 5e weekend van de maand voorzien vanaf zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur, rekening gehouden met de wensen van de jongens. Wat betreft de afbetaling van de hypothecaire lening werd het door de eerste rechter niet wenselijk geacht maatregelen te bevelen die zouden afwijken van de contractuele verplichtingen van beide partijen. De geïntimeerde werd veroordeeld tot de betaling aan de appellante vanaf 29 december 1994, bij voorafbetaling en te harer verblijfplaats, van een onderhoudsbijdrage van 185,92 EUR (7.500,- BEF) per maand en per kind voor S en L, met indexaanpassing en ontvangstmachtiging zoals nader beschreven. De echtscheiding tussen de partijen werd uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 30 maart 1995 en is inmiddels overgeschreven in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand (stuk 18 appellante).
  5. Het hoger beroep had aanvankelijk betrekking op drie onderdelen van de bestreden beschikking: - het gebruik van het werkatelier; - de tussenkomst in de betaling van de hypothecaire lening; - de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. 2.
  6. In haar syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 26 oktober 2006, vraagt de appellante tenslotte haar hoger beroep - zoals herleid - ontvankelijk en gegrond te verklaren. Zij vordert derhalve de bestreden beschikking teniet te doen en, opnieuw recht doende, te zeggen voor recht dat de geïntimeerde haar een onderhoudsbijdrage verschuldigd is als volgt: - voor L ten bedrage van 247,89 EUR per maand voor de periode vanaf 29 december 1994 tot en met september 1998; - voor S ten bedrage van 247,89 EUR per maand voor de periode vanaf 29 december 1994 tot en met augustus 1995 en ten bedrage van 371,84 EUR per maand voor de periode van september 1995 tot en met december
  7. Tevens vraagt zij de geïntimeerde te verwijzen in de kosten van beide instanties. 2.
  8. In zijn syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 4 april 2006, besluit de geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als niet gegrond en de bevestiging van de bestreden beschikking. De geïntimeerde vraagt te zeggen voor recht dat hij voor L slechts onderhoudsgeld diende te betalen tot en met september 1998 en voor S tot en met december
  9. Hij vordert de veroordeling van de appellante in de kosten van het geding. bespreking
  10. Het hof stelt vast dat in de bestreden beschikking de vermelding voorgeschreven door art. 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ontbreekt. De beide partijen hebben op de openbare terechtzitting van 25 november 2004 kennis genomen van deze ambthalve vaststelling en hebben dienaangaande bevestigd dat in eerste aanleg de Taalwet Gerechtszaken werd nageleefd en dat de procedure en behandeling van de zaak in het Nederlands zijn verlopen. Nu de vermelding voorgeschreven door art. 41 Taalwet Gerechtszaken niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid en waar blijkt dat de niet vermelde toepassing van de Taalwet Gerechtszaken werkelijk in acht is genomen, is het vastgesteld verzuim niet van aard om tot nietigheid van de beschikking te besluiten.
  11. Het hoger beroep, ingesteld bij appèlakte van 17 februari 1995, is tijdig en regelmatig naar de vorm.
  12. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 oktober 1995 liet de appellante gelden dat de onderdelen van haar hoger beroep met betrekking tot het gebruik van het werkatelier en de tussenkomst in de hypothecaire lening zonder voorwerp waren geworden gelet op de inmiddels tussengekomen echtscheiding. Zij vorderde daarin de veroordeling van de geïntimeerde tot de betaling van een onderhoudsbijdrage van 371,84 EUR (15.000,- BEF) voor E, van 309,87 EUR (12.500,- BEF) voor S en van 247,89 EUR (10.000,- BEF) voor L. In haar conclusie neergelegd ter griffie van het hof op 28 april 2000 deed de appellante echter afstand van haar onderhoudsvordering voor E. Over het gebruik van het werkatelier en de tussenkomst in de hypothecaire lening kan wegens de verbreking van de huwelijksband recht worden gedaan zoals in het beschikkend gedeelte bepaald. Wat betreft de onderhoudsbijdrage voor E kan aan de appellante akte verleend worden van haar afstand van hoger beroep, die ter terechtzitting van 25 november 2004 aanvaard werd door de geïntimeerde. 4.
  13. Beide partijen gaan erover akkkoord dat de door de geïntimeerde verschuldigde onderhoudsbijdrage voor S ophoudt in de maand december
  14. Bij brief van 18 oktober 2000 stelde de raadsman van de appellante de geïntimeerde ervan in kennis dat er voor S vanaf 1 januari 2001 geen onderhoudsbijdrage meer verschuldigd was (stuk 18 geïntimeerde). Ook over het einde van de onderhoudsplicht voor L zijn de partijen het eens. Wat betreft L is de onderhoudsbijdrage voor deze zoon slechts verschuldigd tot en met september 1998, ogenblik waarop deze zich na de middelbare school liet inschrijven als werkzoekende. 4.
  15. De door het hof voor de hoegrootheid van de verschuldigde onderhoudsbijdrage te beoordelen periode is derhalve als volgt: - voor L van 29 december 1994 tot en met september 1998; - voor S van 29 december 1994 tot en met december
  16. Het hof beklemtoont vooraf dat de appellante, na haar appèlakte van 17 februari 1995 en haar conclusie van 6 oktober 1995, pas een nieuwe conclusie neerlegde op 28 april
  17. Op 28 augustus 2002 werd door de appellante een eerste verzoek tot rechtsdagbepaling neergelegd. Op de terechtzitting van 3 april 2003 werd de zaak op verzoek van de partijen naar de bijzondere rol verwezen. Op 12 december 2003 volgde een nieuw verzoek tot rechtsdagbepaling van de appellante. Op de rechtsdag van 25 november 2004 bleek de zaak andermaal niet in staat van wijzen te zijn, evenmin als op de terechtzitting van 10 maart 2005 waarop de zaak in voortzetting werd gesteld. Slechts op 7 maart 2006 formuleerde de appellante een nieuw verzoek tot rechtsdagbepaling met de pleitdatum van 4 januari 2007 voor gevolg. Dergelijk verloop van de procedure wijst allerminst op een nijpend tekort in hoofde van de appellante wat betreft de onderhoudsbijdragen verschuldigd door de geïntimeerde. 5.
  18. De geïntimeerde werpt ter zake de exceptie van onwaardigheid van de onderhoudsgerechtigden op als verweer tegen de vordering van de appellante tot verhoging van de onderhoudsbijdragen voor de zonen van partijen. Vermits de geïntimeerde de door de eerste rechter bepaalde onderhoudsbijdragen heeft betaald in de voormelde niet betwiste perioden hanteert hij klaarblijkelijk dit criterium om hem gedeeltelijk ¿ met name enkel voor wat de gevraagde verhoging betreft ¿ van zijn onderhoudsverplichting te ontlasten. De wet bepaalt dat een kind van welke leeftijd ook aan zijn vader en moeder respect verschuldigd is (art. 371 B.W.). De flagrante miskenning van deze plicht door een meerderjarig kind kan in principe zijn recht op voortgezet onderhoud vanwege die ouder verbeuren. 5.
  19. Het feit dat er tussen de geïntimeerde en zijn zonen klaarblijkelijk een contactarmoede bestond/bestaat en dat zij hun vader geen eerbied en respect zouden betonen/betoond hebben is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden niet van aard enige invloed te kunnen hebben op de vordering van de appellante tot verhoging van de verschuldigde onderhoudsbijdragen. Naast het feit dat grote terughoudendheid geboden is wat betreft de beoordeling van de miskenning van deze plicht tijdens de minderjarigheid van S en L, noopt een onderzoek van de stukken waarop het hof vermag acht te slaan tot het besluit dat ook de geïntimeerde zijn aandeel heeft in de verziekte relatie tussen hem en zijn kinderen, zowel vóór als na hun meerderjarigheid (stuk 39 geïntimeerde: verklaring van L aan de rijkswacht Wetteren d.d. 11 juli 1994; stukken 11 a en 11b appellante: brief van L d.d. 28 juli 1994 en van S d.d. 27 juli 1994). 5.
  20. De geïntimeerde voert aan dat S hem na zijn meerderjarigheid niet op geregelde tijdstippen heeft op de hoogte gebracht van zijn studieverloop. Eén en ander wordt door de appellante ontkend en is niet éénduidig bewezen. Enkel de stukken 1 en 2 van de geïntimeerde tonen aan dat hij bij de Universiteit Gent respectievelijk op 6 oktober 1997 en 5 juli 1998 zelf informeerde over de studieresultaten van zijn zoon. Uit het schrijven van de raadsman van de geïntimeerde d.d. 4 oktober 2000 aan de raadsman van de appellante blijkt dat de geïntimeerde er van op de hoogte was dat S alsdan in zowel de tweede als de derde kandidatuur was ingeschreven (stuk 16 geïntimeerde). 5.
  21. Er is in casu dan ook geen sprake van een ernstig geval van onwaardigheid dat aanleiding zou kunnen geven tot een gedeeltelijk verlies van de onderhoudsbijdrage.
  22. Door de enkele daad van het huwelijk gaan de beide ouders de verplichting aan om hun kinderen huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding te verschaffen. Daarbij kunnen de kinderen aanspraak maken op een levensstandaard in verhouding tot de welstand van hun ouders. De beide ouders moeten daarin bijdragen naar evenredigheid van hun inkomsten en mogelijkheden en naargelang de noden van de kinderen. Ook de duur van het verblijf bij ieder van de ouders ¿ ter zake een hoofdverblijf bij de moeder en de facto geen verblijf bij de vader ¿ heeft zijn invloed op de begroting, evenals de fiscale repercussies. 7.
  23. De eerste rechter hield bij zijn beslissing van 1 februari 1995 rekening met een maandelijks netto-inkomen in hoofde van de appellante als (deeltijds) bankbediende van 879,28 EUR (35.470,- BEF) en in hoofde van de geïntimeerde als leraar van 1.602,81 EUR (64.657,- BEF). Hiermede rekening houdend, evenals met de werkelijke noden en kosten voor levensonderhoud van de jongens (17 en 16 jaar en beiden alsdan leerling in het college te Melle) werd de onderhoudsbijdrage begroot op 185,92 EUR (7.500,- BEF) boven de kinderbijslag die aan de moeder diende toe te komen. De stukken 36 en 37 van de geïntimeerde (aanslagbiljetten aanslagjaar 1994, inkomsten 1993 en aanslagjaar 1995, inkomsten 1994) reveleren volgende inkomsten. Voor het jaar 1993 had de geïntimeerde een belastbaar inkomen van 24.314,26 EUR (980.835,- BEF) - 7.650,66 EUR (308.627,- BEF) bedrijfsvoorheffing = 16.663,60 EUR (672.208,- BEF) of gemiddeld per maand 1.388,63 EUR (56.017,- BEF). Voor datzelfde jaar ontving de appellante een belastbaar inkomen van 11.914,21 EUR (480.618,- BEF) - 2.550,50 EUR (102.887,- BEF) = 9.363,71 EUR (377.731,- BEF) of gemiddeld per maand 780,32 EUR (31.478,- BEF). De te betalen belasting bedroeg uiteindelijk 160,64 EUR (6.480,- BEF). Voor het jaar 1994 had de geïntimeerde een belastbaar inkomen van 25.554,28 EUR (1.030.857,- BEF) - 8.231,01 EUR (332.038,- BEF) bedrijfsvoorheffing - 167,33 EUR (6.750,- BEF) bijzondere bijdrage sociale zekerheid = 17.155,94 EUR (692.069,- BEF) of gemiddeld per maand 1.429,65 EUR (57.672,- BEF). Voor datzelfde jaar had de appellante een belastbaar inkomen van 12.796,59 EUR (516.213,- BEF) - 2.981,69 EUR (120.281,- BEF) - 52,06 EUR (2.100,- BEF) bijzondere bijdrage sociale zekerheid = 9.762,84 EUR (393.832,- BEF) of gemiddeld per maand 813,56 EUR (32.819,- BEF). De te betalen belasting bedroeg uiteindelijk 862,02 EUR (34.774,- BEF). De hypothecaire leninglast op de gezinswoning was 313,66 EUR (12.653,- BEF) per maand volgens de geïntimeerde en zijn huurlast, nutsvoorzieningen inbegrepen, 322,26 EUR (13.000,- BEF) per maand. 7.
  24. Als beroepsgrieven liet de appellante in haar appèlakte gelden met het oog op het doen toekennen van de oorspronkelijk door haar gevorderde onderhoudsbijdrage van 247,89 EUR (10.000,- BEF) per maand en per jongen, enerzijds, het gegeven dat de huurlast in hoofde van de geïntimeerde buiten beschouwing diende te worden gelaten gelet op zijn intrek bij zijn vriendin, en anderzijds, dat de orthodontische behandeling van beide jongens een meeropleg verantwoordde. Van een beweerde meerkost ingevolge orthodontie ligt geen bewijs voor. Anderzijds is het gegeven dat de geïntimeerde kostendelend samenwoonde relevant doch niet van aard op zichzelf een verhoging van de onderhoudsbijdragen te verantwoorden. Overigens bewijst de geïntimeerde dat zijn echtgenote zelf invalide is met vele medische kosten (stukken 49-51, 52, 53 geïntimeerde). De appellante staaft met haar stukken 6 en 7 voor het schooljaar 1994-1995 de schoolkosten voor S ten bedrage van 1.320,95 EUR (53.287,- BEF) en voor L ten bedrage van 972,68 EUR (39.238,- BEF) bij het schoollopen in het college van Melle. De verplaatsingskosten raamt zij op 44,62 EUR (1.800,- BEF) per maand. Met inachtneming van de hoger aangehaalde criteria en de feitelijke gegevens komen de door de eerste rechter opgelegde onderhoudsbijdragen het hof passend voor. 8.
  25. De appellante heeft haar onderhoudsvordering voor S, die universiteitsstudent werd, verhoogd in haar conclusie neergelegd op 6 oktober 1995 naar 309,87 EUR (12.500,- BEF). In conclusies neergelegd op 19 augustus 2004 dreef zij haar vordering verder op tot 371,84 EUR. De kosten voor de universitaire studies voor S worden, naast het inschrijvingsgeld ¿ aangenomen dat S niet beursgerechtigd was ¿, geraamd op 1.200,- EUR per jaar dat in éénmaal wordt afgelegd (stuk 25 appellante). De kosten voor de hogeschool zijn niet meer dienend vermits de geïntimeerde daarin niet meer tussenkwam. 8.
  26. De appellante is deeltijds blijven werken tot 1999 en vanaf dan begon zij voltijds te werken (stuk 22 appellante). Deze eigen keuze van de appellante ¿ niet meer te verantwoorden door de noodzaak tot opvang van de kinderen ¿ kan niet doorwegen op de geïntimeerde. Haar netto-inkomen evolueerde als volgt: - 1995: 14.588,61 EUR (588.503,- BEF) - 2.215,28 EUR (89.364,- BEF) bedrijfsvoorheffing = 12.373,33 EUR (499.139,- BEF) of gemiddeld per maand 1.031,11 EUR (41.595,- BEF) en een te betalen belasting van 613,76 EUR (24.759,- BEF); - 1996: 21.326,65 EUR (860.315,- BEF) - 4.358,12 EUR (175.806,- BEF) bedrijfsvoorheffing - 63,01 EUR (2.542,- BEF) bijzondere bijdrage sociale zekerheid = 16.905,52 EUR (681.967,- BEF) of gemiddeld per maand 1.408,80 EUR (56.831,- BEF) en een te betalen belasting van 1.955,48 EUR (78.884,- BEF); - 1997: 22.013,39 EUR (888.018,- BEF) - 4.885,91 EUR (197.097,- BEF) bedrijfsvoorheffing - 77,09 EUR (3.110,- BEF) bijzondere bijdrage sociale zekerheid = 17.050,39 EUR (687.811,- BEF) of gemiddeld 1.420,88 EUR (57.318- BEF) per maand en een te betalen belasting van 1.692,37 EUR (68.270,- BEF); - 1998: 21.608,93 EUR (871.702,- BEF) - 5.535,51 EUR (223.302,- BEF) - 83,29 EUR (3.360,- BEF) = 15.990,12 EUR (645.040,- BEF) of gemiddeld per maand 1.332,50 EUR (53.753,- BEF) per maand en een te betalen belasting van 1.343,21 EUR (54.185,- BEF); - 1999: 24.967,44 EUR (1.007.184,- BEF) - 9.109,49 EUR (367.476,- BEF) - 226,00 EUR (9.117,- BEF) = 15.631,94 EUR (630.591,- BEF) of per maand gemiddeld 1.302,66 EUR (52.549,- BEF) en een te betalen belasting van 714,85 EUR (28.837,- BEF); - 2000: 29.568,76 EUR - 10.747,28 EUR - 291,35 EUR bijzondere bijdrage sociale zekerheid = 18.530,13 EUR of per maand gemiddeld 1.544,-EUR en een te betalen belasting van 567,04 EUR. Zij nam naar aanleiding van de vereffening-verdeling de gezinswoning over. 8.
  27. De geïntimeerde bewijst enkel op 1 april 2004 (hetzij na de relevante periode) een pensioen te ontvangen van 1.340,86 EUR per maand (stuk 20 geïntimeerde). De geïntimeerde kent sedert een aantal jaren een zware medische problematiek, met niet geringe kosten die een impact hebben op zijn draagkracht (stukken 21, 22, 23, 24, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 47 en 48 geïntimeerde). Hij bewijst ¿ buiten de relevante periode ¿ voor de aankoop van een woning een overbruggingskrediet te hebben aangegaan (stuk 25 geïntimeerde). Ook andere kosten die de geïntimeerde bewijst hebben ten dele betrekking op de periode na 2000 (stukken 27-35 geïntimeerde). Volgens de appellante heeft de geïntimeerde respectievelijk 225.000,-EUR en 115.000,- EUR uit de vereffening-verdeling ontvangen zonder dat blijkt wanneer die bedragen hem werden uitbetaald. De geïntimeerde woont zoals voorzegd kostendelend samen. 8.
  28. S is in het academiejaar 1995-1996 begonnen aan universitaire studies geneeskunde en slaagde in het academiejaar 1996-1997 na de tweede examenperiode (stuk 1 geïntimeerde). In het academiejaar 1997-1998 is S overgegaan naar de tweede kandidatuur geneeskunde, slaagde niet voor de eerste examenperiode maar genoot van een overdracht van examenpunten naar de tweede examenperiode (stuk 2 geïntimeerde), waarvoor hij niet slaagde (stuk 3 geïntimeerde). In het academiejaar 1998-1999 slaagde S evenmin in de tweede kandidatuur geneeskunde in geen van de beide zittijden (stuk 5 geïntimeerde). In het academiejaar 1999-2000 was S ingeschreven zowel voor de tweede als de derde kandidatuur geneeskunde (stukken 6 en 7 geïntimeerde). Hij slaagde in geen van beide na twee zittijden (stukken 10 en 11 geïntimeerde). In het academiejaar 2000-2001 en 2001-2002 was S opnieuw ingeschreven in de tweede kandidatuur geneeskunde (stukken 12 en 13 geïntimeerde). Voor het academiejaar 2002-2003 was S ingeschreven in de derde kandidatuur geneeskunde (stukken 14-15 geintimeerde), doch slaagde niet (stuk 24 appellante). Eén en ander wordt niet tegengesproken door de door de appellante overgelegde studieattesten (stukken 19 appellante). Uiteindelijk behaalde S met onderscheiding het diploma van gegradueerd (psychiatrisch) verpleger (diploma van 22 juni 2004; stuk 23 appellante). 8.
  29. Met inachtneming van de hoger aangehaalde criteria en de feitelijke gegevens zijn er geen redenen tot verhoging van de onderhoudsbijdragen voor S zoals door de eerste rechter toegekend. De geïntimeerde is voor S een onderhoudsbijdrage blijven betalen gedurende vijf jaar na afloop van het middelbaar onderwijs. Blijkbaar verliepen de studies geneeskunde voor S uitermate moeizaam en waren deze duidelijk te hoog gegrepen. Uiteindelijk heeft S met succes de studie van verpleger beëindigd doch na 2000 werd door appellante geen onderhoudsbijdrage meer gevraagd. De onderhoudsbijdrage zoals door de geïntimeerde betaald is, in acht genomen zijn draagkracht, voldoende en van aard om S op redelijke wijze toe te staan een aan zijn mogelijkheden aangepaste opleiding te voltooien. Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische frank nog wordt vermeld, is dit louter ten informatieven titel. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep met betrekking tot het gebruik van het werkatelier en de tussenkomst in de hypothecaire lening zonder voorwerp. Decreteert de afstand van hoger beroep van de appellante wat betreft de onderhoudsbijdrage voor E, zoals aanvaard door de geïntimeerde. Verklaart het hoger beroep voor het overige toelaatbaar, doch wijst het af als niet gegrond. Bevestigt de bestreden beschikking binnen de perken van het hoger beroep, met dien verstande dat ¿ ingevolge akkoord van partijen ¿ de onderhoudsbijdrage voor L geldt tot en met september 1998 en voor S tot en met december
  30. Verwijst de appellante in haar eigen kosten van deze aanleg, met dien verstande dat de uitgavenvergoeding en de rechtsplegingvergoedingen worden omgeslagen over de partijen. Verstaat dat de kosten verder niet nuttig te begroten zijn. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op VIJF APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer L. VANDENBERGHE, advocaat-generaal D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.