id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070426.14 Rolnummer: 2005/AR/424 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-11-30 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiche Een levensverzekeringscontract maakt de toepassing uit van een beding ten behoeve van een derde. Louter door het feit van zijn aanwijzing, en voor zover niet herroepen, verkrijgt de derde- begunstigde een eigen en rechtstreeks recht op de verzekeringsprestaties, waarbij noch de verzekeringsnemer zelf noch in de regel zijn erfgenamen enig recht op die prestaties kunnen doen gelden. De begunstiging valt als dusdanig dan ook buiten de nalatenschap van de verzekeringnemer en de begunstigde is bij overlijden van de verzekeringsnemer de enige schuldeiser van het verschuldigd kapitaal. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Persoonsverzekering Vrije woorden: Levensverzekering - beding ten behoeve van een derde - eigen en rechtstreeks recht op de verzekeringsprestaties - begunstiging valt buiten de nalatenschap van de verzekeringsnemer Tekst van de beslissing 2005/AR/424 in de zaak van: VK, chauffeur, wonende te ...... appellant, hebbende als raadsman mr. DESMET Peter, advocaat te 8790 WAREGEM, Oscar Verschuerestraat 26 tegen: 1. DBA, verkoper, eerste geïntimeerde, 2. VD, huishoudster, tweede geïntimeerde, de eerste en de tweede beiden wonende te 8790 WAREGEM, Oscar Verschuerestraat 1/31, 3. DBC, arbeidster, wonende te ....., derde geïntimeerde, allen hebbende als raadsman mr. VAN MARCKE Claude, advocaat te 8570 ANZEGEM, Kerkstraat 1 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het tussenarrest uitgesproken op 30 maart 2006 in een andere samenstelling van deze kamer, waarbij het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond werd verklaard: • het bestreden vonnis werd tenietgedaan; • het hof, opnieuw wijzende, heeft: - de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden toelaatbaar en ongegrond verklaard voor zover zij
(1)de afgifte vorderden van alle roerende goederen toebehorende aan CDB op het ogenblik van haar overlijden, en
(2)de uit onverdeeldheidtreding vorderden met betrekking tot het onroerend goed gelegen te ...., met verwijzing van de partijen naar notarissen met het oog op de verrichtingen van vereffening en verdeling; - vooraleer verder ten gronde te beslissen:
- i)de heropening van de debatten bevolen en de zaak gesteld voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van 15 maart 2007 om 10 uur, teneinde de partijen toe te laten om te handelen zoals in het tussenarrest werd overwogen;
- ii)de partijen uitgenodigd, indien zij nog wensen te concluderen, hun laatste besluiten steeds onder de vorm van allesomvattende synthesebesluiten op te stellen; iii) de beslissing over de kosten in de beide instanties aangehouden. De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15 maart 2007, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. bespreking 1. Het hoger beroep is nog steeds gericht tegen het vonnis van 30 november 2004 gewezen door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. De procedurevoorgaanden, de feitelijke voorgaanden en de vorderingen van de partijen in de huidige instantie werden reeds voldoende uiteengezet in het tussenarrest. Het volstaat daarnaar te verwijzen. 2. Er dient nog te worden beslist over het eventueel uit te betalen of reeds uitbetaald kapitaal van de door wijlen CDB, op het hoofd van zichzelf, bij de ....-bank afgesloten levensverzekeringsovereenkomsten met polisnrs. .... en ..... De desbetreffende polissen worden thans door de appellant overgelegd. In de beide polissen werd de appellant bij het afsluiten ervan als de begunstige van de voornoemde levensverzekeringsovereenkomsten aangeduid in geval van overlijden van CDB (stavingstukken 8a t/m 8c van de appellant). De geïntimeerden tonen ook niet aan dat wijlen CDB die begunstiging van de appellant tijdens haar leven ooit formeel heeft herroepen, terwijl de bepalingen dienaangaande in de akte van 22 juli 2002 voorafgaand aan de nooit aangevatte procedure echtscheiding met onderlinge toestemming (stavingstuk 1 van de geïntimeerden) als dusdanig niet kunnen gelden. Een levensverzekeringscontract maakt de toepassing uit van een beding ten behoeve van een derde. Louter door het feit van zijn aanwijzing, en voor zover niet herroepen, verkrijgt de derde- begunstigde een eigen en rechtstreeks recht op de verzekeringsprestaties, waarbij noch de verzekeringsnemer zelf noch in de regel zijn erfgenamen enig recht op die prestaties kunnen doen gelden. De begunstiging valt als dusdanig dan ook buiten de nalatenschap van de verzekeringnemer en de begunstigde is bij overlijden van de verzekeringsnemer de enige schuldeiser van het verschuldigd kapitaal. Bij tussenarrest van 30 maart 2006 was reeds besloten dat de appellant dient te worden beschouwd als enige erfgenaam van wijlen CDB, aangezien deze laatste geen erfgerechtigden bedoeld in art. 745 bis § 1, eerste lid B.W. heeft nagelaten. In de gegeven omstandigheden dient derhalve besloten dat de vordering van de geïntimeerden lastens de appellant tot afgifte van het eventueel uit te betalen of reeds uitbetaald kapitaal van de door wijlen CDB, op het hoofd van zichzelf, bij de ....-bank afgesloten levensverzekeringsovereenkomsten met polisnrs. .... en ....., elke grond ontbeert. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verder recht doende na het tussenarrest van 30 maart 2006; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden toelaatbaar doch ongegrond voor zover zij de afgifte nastreven van het eventueel uit te betalen of reeds uitbetaald kapitaal van de door wijlen CDB, op het hoofd van zichzelf, bij de ....-bank afgesloten levensverzekeringsovereenkomsten met polisnrs. .... en .... Veroordeelt de geïntimeerden tot betaling van de kosten in de beide instanties en begroot die aan de zijde van de appellant op: - in eerste aanleg: 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding; - in hoger beroep: 186 EUR rolrechten, 485,87 EUR rechtsplegingsvergoeding en 58,25 EUR uitgavenvergoeding. Verstaat tevens dat de kosten van tenuitvoerlegging worden beheerst door art. 1024 Ger.W.. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div