← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070430.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070430.2 Rolnummer: 2005/AR/1664 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-08-01 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:36 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Verstek (Gerechtelijk Wetboek) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Verslag Vrije woorden: Verstekvonnis met aanstelling van gerechtelijk deskundige - na neerlegging van het deskundigenverslag tegensprekelijke herneming van de zaak door de voordien verstekmakende partij, die na neerlegging van het deskundigenverslag haar tussenkomst overeenkomstig art. 729 Ger.W. meedeelt - ontvankelijkheid van de dagvaarding in tussenkomst die de verstekmakende partij in haar vrijwaring tegenover een derde partij betekent. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 729 Tekst van de beslissing in de zaak van : N.V. RADIO HOLLAND BELGIUM, (voorheen NV Ines Marine) met maatschappelijke zetel te 2140 Borgerhout (Antwerpen), Noordersingel 17 en met ondernemingsnummer 0 459 980 433, appellante, hebbende als raadsman mr. Jean-Luc Lombaerts, advocaat met kantoor te 8300 Knokke-Heist, Invaliedenlaan 14, tegen

  1. N.V. ZEEBRUGSE VISVEILING, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge (Brugge), Noordzeestraat 201 en met ondernemingsnummer 0 460 153 350, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marijke Reynaert, advocaat met kantoor te 8310 Sint-Kruis-Brugge, Brugse Mettenstraat 25,
  2. N.V. ELEKTRICITEIT VOOR GOEDERENBEHANDELING MARINE EN INDUSTRIE, afgekort EGEMIN, met maatschappelijke zetel te 2070 Zwijndrecht, Baarbeek 1 en met ondernemingsnummer 0 432 515 872, tweede geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. Jean-Baptiste Petitat, advocaat met kantoor te 8310 Sint-Kruis-Brugge, Sportstraat 49 en mr. Vera Van Houtte, advocaat met kantoor te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, velt het Hof volgend arrest :
  3. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  4. RADIO HOLLAND BELGIUM NV stelde op 28 juni 2005 hoger beroep in tegen het vonnis van de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge gewezen op 12 april 2005, dat recht sprak in de zaken met rol-nummers 1/99/00265 en A/02/02181 en dat ZEEBRUGSE VISVEILING NV op 3 juni 2005 heeft laten betekenen. 1.1.
  5. RADIO HOLLAND BELGIUM NV vorderde in haar beroepsakte, om de oorspronkelijke eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover haar heeft gesteld ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren en om in onderschikte orde haar vordering in vrijwaring die zij tegenover EGEMIN NV heeft ingesteld, ontvankelijk en gegrond te verklaren. In conclusies neergelegd op 15 december 2005 heeft zij haar hoger beroep uitgebreid met de eis, om minstens voorafgaande aan een eventuele gegrondverklaring van de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen; en in conclusie neergelegd op 11 september 2006 heeft zij haar hoger beroep uitgebreid met de eis om de oorspronkelijke eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover haar heeft gesteld ook niet-ontvankelijk en niet-toelaatbaar te verklaren. 1.1.
  6. ZEEBRUGSE VISVEILING NV vordert in conclusies de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondverklaring van het hoger beroep en de bevestiging van het vonnis. In onderschikte orde stelt zij incidenteel hoger beroep in tegen INES NV en BMSL NV en vordert zij de veroordeling van één van hen tot de betaling van een schadevergoeding van 55.320,69 EUR (2.231.631 BEF), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding op 26 januari
  7. 1.1.
  8. Ook EGEMIN NV vordert de afwijzing van het hoger beroep dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover haar heeft ingesteld, en in ieder geval de afwijzing van de vrijwaringsvordering die RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover haar stelt als niet-ontvankelijk, minstens ongegrond. In uiterst onderschikte orde vordert zij de aanstelling van een nieuwe gerechtelijk deskundige. EGEMIN NV stelt ook een tusseneis in hoofdelijke betaling door RADIO HOLLAND BELGIUM NV en ZEEBRUGSE VISVEILING NV van een schade-vergoeding van 10.000 EUR wegens procesrechtmisbruik. 1.1.
  9. In een tussenarrest van 14 november 2005 sprak het Hof zich al uit over het tussengeschil dat partijen hebben aangevoerd betreffende de uitvoerbaar-heid van het bestreden vonnis en het kantonnement. Over hun verdere betwistingen werden partijen gehoord in openbare terechtzitting van 5 maart 2007; hun bundels werden ingezien. 1.
  10. De blijvende betwistingen volgen op de vaststelling in januari en maart 1997 van lekken in de waterleiding onder een steiger in de Zeebrugse visveiling, waarvoor ZEEBRUGSE VISVEILING NV de verantwoordelijkheid legt bij de aannemer van de waterleiding, zij INES NV aan wie zij in 1992 de uitvoering van de watervoorziening heeft toevertrouwd. INES NV heeft op 16 september 1992 de uitvoering in onderaanneming toevertrouwd aan EGEMIN NV, die de werken rond juni 1993 heeft beëindigd. 1.2.
  11. Gezien geen overeenstemming werd bereikt over de oorzaak en de verant-woordelijkheid voor de lekken en bij gebrek aan het verstrekken van waarborg naar de toekomst toe, heeft ZEEBRUGSE VISVEILING NV de zaak tegenover INES NV ingeleid op 26 januari 1999 voor de rechtbank van koop-handel te Brugge. Op de inleidende zitting van 11 februari 1999 heeft zij tegenover INES NV, die niet is verschenen, verstek gevorderd en de vooraf-gaande aanstelling van een gerechtelijk deskundige, om advies uit te brengen over de oorzaak van -, en verantwoordelijkheid voor de lekken en over de door haar geleden schade als gevolg van de lekken. 1.2.
  12. Het verstekvonnis van 11 februari 1999 heeft R. BEYEN aangesteld als deskundige, die zijn verrichtingen vanaf de eerste afstapping tegen-sprekelijk met INES NV en EGEMIN NV heeft uitgevoerd (zie deskundigen-verslag pg. 1 tot 4). Hij weerhield: ¿De leiding bestaat uit een polyethyleen buis, die omwikkeld is met een aluminium folie, waarop een verwarmingslint aangebracht is, dat op zijn beurt omwikkeld is met aluminium folie. Dit alles is dan omkleed met een laag rotswol en afgewerkt met gewafelde aluminiumfolie. Het verwarmingslint in kwestie heeft een maximum bedrijfstemperatuur van 150° C (¿). Deze temperatuur ligt boven de smelttemperatuur van polyethyleen, en daarom wordt het verwarmingslint tussen twee lagen aluminium folie aangebracht, zodanig dat de warmte meer gelijkmatig verdeeld wordt, en dus de temperatuur aan de polyethyleen buis binnen het toelaatbare valt. ¿Tijdens de inspecties heb ik vastgesteld dat de aluminiumfolie rond de buis in min of meerdere mate gecorrodeerd was, waardoor in een aantal gevallen rechtstreeks contact tussen het verwarmingslint en de polyethyleen buis ontstond. (¿) De corrosie van de aluminiumfolie wordt veroorzaakt door inwerking van het marine milieu op het aluminium. De leiding bevindt zich immers slechts 1,5 m boven het zeewater niveau, en de gewafelde aluminiumbekleding rond de isolatie is niet water- noch dampdicht. De lekken werden aldus veroorzaakt door het insmelten van het verwarmingslint in de polyethyleen leiding, nadat de aluminium folie rond de leiding op die plaatsen weg-gecorrodeerd was. (¿) ¿(¿) Plaatsing van een zelfregelend warmtelint had de problemen kunnen vermijden (...) Deze corrosie wordt in essentie veroorzaakt door de grote vochtigheid onder de steiger, zodat ik van mening ben dat het ontwerp niet aan de weersomstandigheden voldoet. ¿De polyethyleen leiding werd geplaatst volgens de regels van de kunst. De twee lagen aluminiumfolie boven en onder het verwarmingslint, en verwarmingslint werden correct geplaatst overeenkomstig de instructies van de leverancier. ¿Het is duidelijk dat de verantwoordelijkheid voor de gebreken ligt bij het ontwerp van de waterleiding. (¿) Uit de offerte dd 27 augustus 1992 van INES NV aan ZEEBRUGSE VISVEILING NV blijkt duidelijk dat het basisontwerp van de waterleiding onder de steiger (¿) door INES NV gemaakt werd. Voor zover ik kan uitmaken echter werd de keuze van het verwarmingslint gedaan door EGEMIN NV. Gekozen werd voor een verwarmingslint met constant vermogen, met een maximum bedrijfstemperatuur van 150°, te monteren tussen twee lagen aluminiumfolie. Het is deze combinatie die, gelet op de corrosieve invloed van het marine milieu, tot de problemen geleid heeft. Gebruik van een zelfregelend verwarmingslint met een maximum temperatuur van bv. 60°C had deze problemen kunnen vermijden. Gelet op wat voorafgaat ben ik dan ook van mening dat technisch gezien de verantwoordelijkheid voor deze schadegevallen bij EGEMIN NV moet gelegd worden'. 1.2.
  13. De gerechtelijk deskundige heeft de opmerkingen van partijen en hun raadslieden ontmoet en beantwoord, maar bleef bij zijn conclusies (zie de pg. 8 tot 11 van het deskundigenverslag). Hij heeft zijn tegensprekelijk verslag neergelegd op 3 oktober 2000 ter griffie van de rechtbank van koophandel te Brugge, waarin hij de schade die ZEEBRUGSE VISVEILING NV heeft geleden, heeft begroot op 55.320,69 EUR (2.231.631 BEF). ZEEBRUGSE VISVEILING NV heeft in conclusie neergelegd op 19 januari 2001 haar schade in overeenstemming met dit deskundigenverslag tegenover INES NV begroot op 55.320,69 EUR (2.231.631 BEF), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding op 26 januari
  14. 1.
  15. De door partijen aangevoerde betwistingen, die hierna onder punt 1.4 nader worden omschreven, vinden ook grond op navolgende relevante procedure-verwikkelingen: 1.3.
  16. Op haar verzoek van 20 februari 2001 - om in de zaak een rechtsdag te ver-lenen tegenover INES NV, waar zij naliet conclusies neer te leggen - werd de zaak bij toepassing van artikel 751 van het gerechtelijk wetboek tegenover INES NV vastgesteld op de terechtzitting van 14 juni
  17. Daarop heeft INES NV op 9 april 2001 conclusies neergelegd waarin zij een dagvaarding in gedwongen tussenkomst van EGEMIN NV - die moest strekken tot haar vrijwaring - in het vooruitzicht stelde. Hierop werd de zaak op de zitting van 14 juni 2001 naar de rol verwezen (zie de stukken 10 tot 15 in de rechtsbundel van de zaak A 00265/99). 1.3.
  18. In conclusies van 12 juli 2001 heeft INES MARINE NV als rechtsopvolger van INES NV het geding hernomen en zij heeft in overeenstemming met de inhoud van de conclusie van 9 april 2001, EGEMIN NV - die voordien vrijwillig in de expertiseverrichtingen is tussengekomen - op 20 juli 2001 in tussenkomst en haar vrijwaring gedagvaard. 1.3.
  19. Op 6 november 2001 heeft ZEEBRUGSE VISVEILING NV de rechtbank verzocht om tegenover INES MARINE NV en EGEMIN NV de conclusietermijnen vast te stellen en een rechtsdag te bepalen overeenkomstig artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek. Deze partijen werden van dit verzoek ook op de hoogte gesteld, waarop de raadsman van EGEMIN NV zijn tussenkomst in de zaak A 99/00265 heeft ge-meld en zijn instemming heeft verwoord met de door ZEEBRUGSE VISVEILING NV voorgestelde conclusiekalender, mits het aan EGEMIN NV - als in tussenkomst en vrijwaring gedagvaarde partij - toekomend recht werd verschaft om als laatste concluderen (zie stuk 33 in het gerechts-bundel van de zaak A 99/00265). De eerste rechter heeft bij beschikking van 8 januari 2002 dit verzoek even-wel als ongegrond afgewezen, op de overweging ¿dat het tussenvonnis van 11 februari 1999 bij verstek werd gewezen en het verstek nog niet ge-zuiverd werd middels verzet, zodat in de gegeven omstandigheden be-zwaarlijk conclusietermijnen kunnen worden toegekend aan INES MARINE NV, die nog steeds verstekmakend is'. Hij stelde verder ook ¿dat onver-mijdelijk de vraag zal rijzen naar de toelaatbaarheid van de vordering in gedwongen tussenkomst' die INES MARINE NV tegenover EGEMIN NV op 20 juli 2001 had betekend. 1.3.
  20. Daarop zagen ZEEBRUGSE VISVEILING NV en INES MARINE NV zich verplicht om vrijwillig op 31 oktober 2002 voor de rechtbank van koophandel te Brugge te verschijnen met als voorwerp, verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis van 11 februari
  21. Hun verzet hield evenwel geen enkele betwisting in tegen de voorafgaande aanstelling van een gerechtelijk deskundige en evenmin tegen de opdracht, die de eerste rechter in zijn verstekvonnis de gerechtelijk deskundige heeft meegegeven. Het daaropvolgend vonnis van 12 december 2002 - dat het voorwerp uitmaakt van de zaak A/02/02181 - verklaarde het verzet ontvankelijk en bevestigde ¿op verzoek van partijen de aanstelling van dezelfde gerechtelijk deskundige vooraleer recht te doen, met dezelfde opdracht, doch thans op tegenspraak'. 1.3.
  22. Nadat ZEEBRUGSE VISVEILING NV aldus voldaan had aan de beschikking van 8 januari 2002 legde zij op 9 januari 2003 een nieuw verzoekschrift over-eenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek neer in de zaak A 99/00265, die INES MARINE NV en EGEMIN NV werd aangezegd. Hierop heeft de eerste rechter in de zaak A 99/00265 bij beschikking van 11 maart 2003 dan wel conclusietermijnen tegenover alle betrokken partijen vastgesteld en een rechtsdag verleend op 4 mei
  23. Hij over-woog dat ingevolge het vonnis op verzet van 12 december 2002 - dat weliswaar ingeschreven werd onder rolnummer A/02/02181 - de procedure nu wel op tegenspraak gevoerd werd. Op de tegenwerping van EGEMIN NV dat zij niet betrokken was in de zaak A/02/02181 - waarin de eerste rechter op verzet van INES MARINE NV tegenover ZEEBRUGSE VISVEILING NV de aanstelling van dezelfde gerechtelijk deskundige met dezelfde opdracht heeft overgedaan - zodat het daarin gevelde vonnis van 12 december 2002 haar niet gemeen of tegenstelbaar was en zich de vraag blijft stellen ¿naar de toelaatbaarheid van de tegenover haar door INES MARINE NV eerder ingestelde eis in gedwongen tussenkomst en vrijwaring', heeft hij geen uitspraak gedaan. Hij hield deze betwisting aan voor de collegiaal samengestelde kamer van de rechtbank van koop-handel. 1.3.
  24. In conclusie neergelegd op 28 mei 2003 heeft RADIO HOLLAND BELGIUM NV als rechtsopvolger van INES MARINE NV het geding in de zaak 99/00265 hervat en heeft zij ook binnen de conclusietermijn - die de beschikking van 11 maart 2003 tegenover haar heeft vastgesteld - de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV ontmoet en de eis in vrijwaring die het voorwerp uitmaakte van de dagvaarding in gedwongen tussenkomst van 20 juli 2001 tegenover EGEMIN NV, hernomen. Op het middel dat EGEMIN NV in haar antwoordende conclusie van 25 juli 2003 heeft aangevoerd - en waarin EGEMIN NV terugkwam op de vraag die de eerste rechter heeft gesteld in zijn beschikking van 8 januari 2002 ¿naar de toelaatbaarheid van de vordering in gedwongen tussenkomst die INES MARINE NV - toen nog als verstekmakende partij - tegenover EGEMIN NV op 20 juli 2001 had betekend', heeft RADIO HOLLAND BELGIUM NV op 23 maart 2004 een nieuwe dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring aan EGEMIN NV laten betekenen op de overweging ¿dat het noodzakelijk voorkomt dat ge-daagde (EGEMIN NV) inzake dient te worden geroepen en dat het past dat gedaagde tussenkomt in het geding, hangende voor de Rechtbank van Koophandel te Brugge, Tweede Kamer, AR 99/00265 en 02/02181'. 1.3.
  25. Op de zitting van 4 mei 2004 zijn ZEEBRUGSE VISVEILING NV en RADIO HOLLAND BELGIUM NV in de samengevoegde zaken 99/00265 en A/02/02181 verschenen en liet EGEMIN NV acteren dat zij alleen wenste te verschijnen onder rolnummer 99/
  26. In het daarop volgend tussenvonnis van 1 juni 2004 heeft de eerste rechter de debatten heropend op de overweging ¿Meer bepaald stelt zich de vraag naar de gevolgen van (niet alleen) het verzet van 31 oktober 2002, inge-schreven onder rolnummer 02/02181, en (ook) het (daarna tussengekomen) vonnis van 12 december 2002, en dit onder meer met betrekking tot de procedureaktes, daarna neergelegd of uitgebracht onder of met verwijzing naar rolnummer 99/00265, dit alles rekening houdend met de devolutieve kracht van het verzet (zie o.m. De Carte, R. en Laenens, J., De verstek-procedure en de taak van de rechter bij verstek, in TPR, 1980, p. 447). 1.3.
  27. In het daaropvolgend en hier bestreden eindvonnis van 12 april 2005 ver-klaarde de eerste rechter op volgende relevante overwegingen de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover RADIO HOLLAND BELGIUM NV ontvankelijk en gegrond, maar de eis in vrijwaring die RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover EGEMIN NV heeft ingesteld ongegrond: ¿[RADIO HOLLAND BELGIUM NV] is de rechtsopvolgster van de mede-contractant van [ZEEBRUGSE VISVEILING NV]. Uit het deskundig verslag blijkt afdoende dat de installatie gebrekkig was; zelfs indien vanuit technisch oogpunt de verantwoordelijkheid bij [EGEMIN NV] berust, blijft [RADIO HOLLAND BELGIUM NV] ten aanzien van [ZEEBRUGSE VISVEILING NV] contractueel gehouden, hetgeen zij als zodanig ook niet betwist. De door [ZEEBRUGSE VISVEILING NV] gevorderde bedragen worden gestaafd door de bevindingen en de conclusies van het deskundig verslag, die door de recht-bank correct worden bevonden. De hoofdvordering is dienvolgens geheel gegrond. ¿Daar waar EGEMIN NV op 20 juli 2001 een eerste maal door een verstek-makende partij, en derhalve niet rechtsgeldig, in de procedure werd betrokken, geschiedde dit op 23 maart 2004 (d.i. nadat het verstekvonnis op tegenspraak werd bevestigd) wel rechtsgeldig. Uit de voorgelegde stukken blijkt genoegzaam dat [RADIO HOLLAND BELGIUM NV] de rechten en plichten van de oorspronkelijke contractspartij INES NV uiteindelijk heeft overgenomen; zij beschikt over de nodige hoedanigheid en het nodige belang, zodat haar vordering ontvankelijk is. De vrijwaringsvordering is echter laattijdig. Desbetreffend geldt de tienjarige aansprakelijkheidtermijn van art. 1792 BW. Het betreft een vervaltermijn die niet kan worden gestuit of geschorst (Cass., 17 februari 1989, RW 1988-89, 1267). Overigens: de termijn voor het inroepen van een licht verborgen gebrek kan nooit langer zijn dan de aansprakelijkheid-termijn van art. 1792 BW. Vereist is dat de vordering in rechte wordt ingesteld. Dit gebeurde pas op 23 maart 2004, nu aan de dagvaarding van 20 juli 2001, gedaan door een verstekmakende partij, geen gevolgen kun-nen worden gehecht. De werken werden opgeleverd in 1993, zodat de vordering van 23 maart 2004 laattijdig is'. 1.
  28. Voor het Hof voeren partijen nu nog volgende betwistingen: 1.4.
  29. De eerste betwistingen betreffen de ontvankelijkheid van het hoger beroep van RADIO HOLLAND BELGIUM NV. - ZEEBRUGSE VISVEILING NV stelt dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV voor de eerste rechter haar vordering nooit heeft betwist, zodat zij geen belang heeft bij haar hoger beroep. - Zij stelt verder dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV na de betekening van het vonnis op 3 juni 2005 evenmin nog haar hoger beroep in laatste conclusie neergelegd op 11 september 2006 kon uitbreiden met de vordering, om de eis ook ¿onontvankelijk en niet-toelaatbaar te verklaren'. 1.4.
  30. Een tweede betwisting betreft de ontvankelijkheid zelf van de eis, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover RADIO HOLLAND BELGIUM NV heeft ingesteld. In haar laatste conclusie neergelegd op 11 september 2006 stelt RADIO HOLLAND BELGIUM NV plots, dat zij de verbintenissen uit de aannemings-overeenkomst die INES NV met ZEEBRUGSE VISVEILING NV in oktober 1992 heeft afgesloten, niet heeft overgenomen en dat haar gedingherneming op een misslag berust. - Zij stelt dat INES NV haar maritieme activiteiten in april 1997 ingebracht heeft in BMSL NV. - BMSL NV zou daarna alleen de verkoopsactiviteiten ingebracht hebben in INES MARINE NV; gelet op het maatschappelijk doel van INES MARINE NV zou het ook onwaarschijnlijk zijn, dat BMSL NV haar overige activiteiten - waaronder de aanneming - en de hiermee samenhangende verbintenissen aan INES MARINE NV zou overgedragen hebben. - Aldus zou zij (RADIO HOLLAND BELGIUM NV) alleen de verbintenissen uit de verkoopsactiviteiten van INES MARINE NV hebben overgenomen en zouden de verbintenissen uit de hier voorliggende aannemings-overeenkomst verder bij BMSL NV liggen. 1.4.
  31. Een derde betwisting betreft de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, dat ZEEBRUGSE VISVEILING NV in conclusie neergelegd op 10 januari 2007 tegen INES NV en BMSL NV heeft ingesteld, zo het Hof zou vaststellen dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV de verbintenissen uit de aanneming-overeenkomst met INES NV niet heeft overgenomen. RADIO HOLLAND BELGIUM NV stelt dat dit incidenteel hoger beroep manifest laattijdig is, waar ZEEBRUGSE VISVEILING NV het vonnis al op 3 juni 2005 heeft laten betekenen. Zij laat daarenboven opmerken dat INES NV en BMSL NV niet eens bij de beroepsprocedure betrokken werden. 1.4.
  32. Een vierde betwisting betreft de gegrondheid van de eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover RADIO HOLLAND BELGIUM NV stelt en waarvoor zij zich beroept op

(1)de contractuele verbintenis die INES NV in de overeen-komst van 2 oktober 1992 heeft onderschreven (waarin bepaald werd: ¿dat INES NV verantwoordelijk is voor het feit dat de totale installatie zodanig ontworpen is en uitgevoerd wordt dat ze aan de weersomstandigheden voldoet'),
(2)op de 10-jarige aansprakelijkheid van de aannemer (de artikelen 1792 en 2270 van het burgerlijk wetboek) en
(3)op de vrij-waringsverplichting voor verborgen gebreken. - RADIO HOLLAND BELGIUM NV betwist, dat zij bij toepassing van de 10-jarige aansprakelijkheid tegenover ZEEBRUGSE VISVEILING NV tot betaling van de schadevergoeding kan gehouden zijn (de artikelen 1792 en 2270 van het burgerlijk wetboek). De werken aan de waterleiding zouden geen werken aan een gebouw of groot werk van onroerende aard betreffen en de schade aan de waterleiding zou evenmin de stevigheid raken van een gebouw of groot werk van onroerende aard. - RADIO HOLLAND BELGIUM NV stelt verder dat ZEEBRUGSE VISVEILING NV de vordering op grond van verborgen gebreken laattijdig heeft ingesteld, waar INES NV werken in 1992 heeft uitgevoerd en ZEEBRUGSE VISVEILING NV de vordering meer dan zes jaar later in 1999 heeft ingesteld, nadat het schadegeval zich al 2 jaar (sinds 1997) manifesteerde. - RADIO HOLLAND BELGIUM NV betwist ook haar aansprakelijkheid voor het gebrek aan de waterleiding, die de gerechtelijk deskundige toe-schreef aan een gebrekkig ontwerp. INES NV zou immers aan ZEEBRUGSE VISVEILING NV de opdracht gegeven hebben, om zelf in te staan voor het ontwerp van de nutsvoorzieningen en zou voor het uitvoeren van deze studieopdracht ook 5.900.000 BEF aan ZEEBRUGSE VISVEILING NV betaald hebben. Het bewijs hiervan zou volgen uit een overeenkomst die het voorwerp uitmaakt van stuk 3 in haar bundel. ZEEBRUGSE VISVEILING NV betwist deze voorstelling van de feiten aan de hand van
(1)de offerte van 27 augustus 1992 die INES NV heeft opge-maakt,
(2)de bestelling die INES NV op 16 september 1992 aan EGEMIN NV heeft doorgegeven en
(3)de overeenkomst die INES NV op 2 oktober 1992 met haar heeft afgesloten. De studieovereenkomst waarnaar RADIO HOLLAND BELGIUM NV verwijst zou alleen voor de noden van Europese subsidieaanvraag opgesteld zijn. - Tenslotte betwist RADIO HOLLAND BELGIUM NV, hierin bijgetreden door EGEMIN NV, de vaststellingen en het advies van de gerechtelijk deskundige, die een verslag zou opgesteld hebben dat absoluut ontoe-reikend zou zijn om tot hun verantwoordelijkheid te besluiten. Beide partijen beroepen zich op de verslagen van de professoren VAN DEN BULCK en VAN CAMPENHOUT die de bevindingen van de gerechtelijk deskundige zouden weerleggen. 1.4.
  1. De verdere betwistingen betreffen de eis in vrijwaring die RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover EGEMIN NV stelt. - EGEMIN NV stelt dat de dagvaarding in vrijwaring die INES MARINE NV haar op 20 juli 2001 heeft betekend, niet rechtsgeldig gebeurd is aange-zien INES MARINE NV als rechtsopvolger van een verstekmakende partij haar niet kon betrekken in de procedure, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV had ingeleid en gekend was onder het rolnummer 99/
  2. Ook de dagvaarding in vrijwaring die RADIO HOLLAND BELGIUM NV haar op 23 maart 2004 liet betekenen, zou niet rechtsgeldig gebeurd zijn aangezien de dagvaarding overeenkomstig het beschikkend gedeelte haar tussen-komst in de zaak 99/00265 tot voorwerp zou gehad hebben en RADIO HOLLAND BELGIUM NV in deze zaak nog altijd een verstekmakende partij zou geweest zijn. - EGEMIN NV stelt dat de eis van RADIO HOLLAND BELGIUM NV ook niet toelaatbaar is bij toepassing van de artikelen 17 en 18 van het gerechte-lijk wetboek, aangezien de aannemingsovereenkomst zowel als de (geveinsde) studieopdracht waarmee INES NV door ZEEBRUGSE VISVEILING NV werd gelast, nietig zijn. Hun oorzaak zou immers strijdig zijn met de openbare orde, waar zij erop gericht waren om Europese subsidies binnen te halen, alhoewel ZEEBRUGSE VISVEILING NV hierop niet gerechtigd was. - EGEMIN NV stelt dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV niet bewijst, dat zij de rechten en verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst van INES NV met ZEEBRUGSE VISVEILING NV heeft overgenomen. Dit zou onder meer volgen uit de eigen verklaring van RADIO HOLLAND BELGIUM NV ¿dat BMSL NV alleen de verkoopactiviteiten van INES NV heeft ingebracht in INES MARINE NV, maar de rechten en verbintenissen uit andere activi-teiten heeft behouden'. RADIO HOLLAND BELGIUM NV zou dan ook geen belang hebben bij haar vrijwaringsvordering, die evenmin een voorwerp zou hebben. - Zij stelt dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV in elk geval laattijdig - zowel buiten de termijn van 10 jaar waarin de artikelen 1792 en 2270 van het burgerlijk wetboek voorzien, als buiten de termijn voor het instellen van een vrijwaringvordering voor verborgen gebreken - haar vrijwarings-vordering heeft ingesteld.
  3. Beoordeling Het Hof laat alle procedureverwikkelingen - die volgden op het deskundigenonderzoek waarin alle betrokken partijen al vrijwillig waren tussengekomen en die moeten toegeschreven worden aan de werkwijze die de rechtbank van koophandel te Brugge aan de partijen heeft opgedrongen met zijn beschikking van 8 januari 2002, waarin hij het verzoek tot vast-stelling van een conclusiekalender en een pleitdatum heeft afgewezen - buiten beschouwing. Het kent hieraan geen enkel gevolg toe, die afbreuk zou doen aan de rechten die gedingpartijen konden uitoefenen
(1)na de neerlegging op 19 januari 2001 van de conclusie, waarin ZEEBRUGSE VISVEILING NV haar eis heeft geconcretiseerd ¿na het verstekvonnis' dat een onderzoeksmaatregel inhield naar haar schadevordering en
(2)na de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring die INES MARINE NV op 20 juli 2001 tegenover EGEMIN NV heeft laten betekenen. De invulling die de eerste rechter aan de artikelen 802 e.v. van het gerech-telijk wetboek gaf - en waarbij hij ervan uitging, dat na het vorderen van verstek en het verlenen van een tussenvonnis bij verstek de verdere af-handeling van de procedure niet meer op tegenspraak kon verder gezet worden (en er aldus ook van uitging dat ¿na het tussenvonnis bij verstek' de verdere procedure tegenover INES NV volledig op verstek kon worden afge-handeld) strijdt immers met de algemene rechtsbeginselen van een behoor-lijke rechtspleging en de rechten van verdediging. - Partijen kunnen overeenkomstig 728 van het gerechtelijk wetboek niet alleen op het ogenblik van de rechtsingang, maar ook later in persoon of bij advocaat verschijnen. Bij toepassing van artikel 804 van het gerech-telijk wetboek gebeurt de verdere afhandeling op de zitting, waarop de zaak werd verdaagd of (na een eventueel tussenvonnis) opnieuw werd vastgesteld, op tegenspraak tegenover een partij die conclusies heeft neergelegd en die is verschenen overeenkomstig artikel 728 (ter zitting vertegenwoordigd door een advocaat) of overeenkomstig artikel 729 (door een voorafgaande schriftelijke verklaring aan de griffier dat zij in de zaak optreed). - Bij toepassing van artikel 804 en 805 van het gerechtelijk wetboek kan op deze latere zitting alleen een (nieuw) verstekvonnis tussenkomen zo aan de bovenstaande cumulatieve voorwaarden niet voldaan is en zo de partijen vóór het einde van die zitting - het verstek dat op die zitting werd geacteerd - niet hebben gezuiverd. - Hier verliepen de expertiseverrichtingen, die het verstekvonnis heeft bevolen en die bij toepassing van artikel 973 van het gerechtelijk wet-boek onder toezicht van de rechter verliepen, al volledig tegenspreke-lijk met INES NV en EGEMIN NV (zie deskundigenverslag pg. 1 tot 4). - De neerlegging van het tegensprekelijk opgesteld deskundigenverslag werd gevolgd door de conclusie, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV op 19 januari 2001 ter griffie heeft neergelegd en waarin ZEEBRUGSE VISVEILING NV haar schadevergoeding overeenkomstig het deskundigen-verslag tegenover INES NV heeft begroot. De neerlegging van deze conclusie geldt bij toepassing van artikel 746 van het burgerlijk wetboek als betekening tegenover INES NV. - Als gedingpartij in de zaak gekend onder rolnummer 99/00265 kon INES NV deze conclusie die voor de rechter in deze zaak werd neergelegd nuttig tegenspreken door de neerlegging op 9 april 2001 van haar conclusie, die eveneens als betekening tegenover ZEEBRUGSE VISVEILING NV geldt. Deze neerlegging volgde trouwens op de kennisgeving van 1 maart 2001 vanwege de rechtbank van koophandel aan INES NV en haar raadsman, dat de zaak op de zitting van 14 juni 2001 voor uitspraak (over de eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV haar bij conclusie neergelegd op 19 januari 2001 heeft betekend) was vastgesteld en zelfs in haar afwezigheid geacht zou worden op tegenspraak gewezen te zijn (zie stukken 11 en 13 van de gerechtsbundel in de zaak AR 99/00265). - Waar INES MARINE NV met conclusie neergelegd op 12 juli 2001 haar gedinghervatting aan de rechtbank van koophandel heeft meegedeeld en de rechtbank deze gedinghervatting overeenkomstig artikel 816 van het gerechtelijk wetboek op 17 juli 2001 ook aan ZEEBRUGSE VISVEILING NV heeft meegedeeld, kon de rechtbank haar in het verder verloop van de procedure in geen geval nog negeren. - INES MARINE NV kon op 20 juli 2001 dan ook haar onderaannemer EGEMIN NV in haar vrijwaring dagvaarden in de zaak gekend onder rol-nummer 99/00265, waarin de rechter een voorafgaand deskundigen-onderzoek had bevolen en waarin EGEMIN NV voordien ook al de ver-richtingen van de gerechtelijk deskundige al had bijgewoond. 2.
  1. Het incidenteel hoger beroep dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover INES NV en BMSL NV heeft ingesteld is niet ontvankelijk. INES NV en BMSL NV werden niet eens bij de beroepsprocedure betrokken en zijn geen partijen in het geding voor het Hof. 2.
  2. RADIO HOLLAND BELGIUM NV had het vereiste procesrechtelijk belang voor het instellen van hoger beroep. - De belangvereiste van artikel 17 gerechtelijk wetboek is niets anders dan de mogelijkheid om een voordeel te halen uit het eventueel ge-grondheidsoordeel dat de rechter zal maken (zie o.a. Van Reepingen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel 1964, 41: ¿het bestaat uit 'ieder stoffelijk of zedelijk voordeel - effectief, maar niet theoretisch - dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt ¿'; M.E. Storme, Procesrechtelijke knel-punten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechts-pleging, in: postuniversitaire cyclus Delva 1992-1993, 204, nr. 14: ¿¿ dat voor de toelaatbaarheid van een vordering uitsluitend het proces-rechtelijk belang relevant is en niet het materieelrechtelijk belang, zijnde het belang dat de partij heeft bij de vast te leggen situatie zelf, bij het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling of verklaring van recht.'). - De eerste rechter heeft RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover ZEEBRUGSE VISVEILING NV veroordeeld tot de betaling van 55.320,69 EUR (2.231.631 BEF), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding op 26 januari 1999, en haar eis die strekt tot haar vrijwaring door EGEMIN NV - die zij verant-woordelijk houdt voor de schade die ZEEBRUGSE VISVEILING NV leed - afgewezen, zodat zij het vereiste procesrechtelijk belang had voor het instellen van hoger beroep. - Uit de overgelegde bundels volgt, dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV de aansprakelijkheid voor de schade die ZEEBRUGSE VISVEILING NV opliep, volledig bij EGEMIN NV legde. Hieruit volgt niet, dat zij haar eigen aan-sprakelijkheid aanvaardde voor de schade, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV opliep. Zo strekte haar dagvaarding van 20 juli 2001 in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van EGEMIN NV ertoe : ¿Gedaagde zich te zien en horen veroordelen om verzoekster te vrijwaren voor alle veroor-delingen, hoofdsom, intresten en kosten die zij ten opzichte van ZEEBRUGSE VISVEILING NV zou kunnen oplopen'. In conclusies herhaalde zij het voorbehoud eigen aan haar vordering in vrijwaring: tot het terugbetalen van alle sommen dewelke huidige concluante zou kunnen veroordeeld worden, ¿'. - Zij verweerde zich in haar conclusie weliswaar in het bijzonder op de middelen die geput werden uit de procedureverwikkelingen, maar het gegeven dat ze de verdere beslissingen aan de wijsheid van de eerste rechter overliet, impliceert niet dat zij instemde met de eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover haar heeft ingesteld. 2.
  3. Het hoger beroep dat RADIO HOLLAND BELGIUM NV in haar conclusie neergelegd op 11 september 2006 heeft uitgebreid met de eis ¿om de oorspronkelijke eis die ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover haar heeft gesteld ook niet-ontvankelijk en niet-toelaatbaar te verklaren' is wel onontvankelijk. - RADIO HOLLAND BELGIUM NV heeft haar beroep in haar beroepsakte be-perkt tot de ongegrondverklaring van de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV. Na het verstrijken van de beroepstermijn - die volgde op de betekening op 3 juni 2005 van het vonnis - kon zij haar hoger beroep niet uitbreiden tot een niet-ontvankelijk en niet-toelaatbaarverklaring van de oorspronkelijke eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV (zie o.a. G. Closset-Marchal en J-F. van Drooghenbroeck, Droit judiciaire privé - Les Voies de recours, R.C.J.B. 2006, pg. 287, nr. 255). - RADIO HOLLAND BELGIUM NV kan in haar conclusie van 11 september 2006 - na het verstrijken van de beroepstermijn - dan ook niet terug-komen op haar gedingherneming, die zij als rechtsopvolger van INES MARINE NV heeft neergelegd voor de eerste rechter en op grond van een beweerde misslag de onontvankelijkheid en niet-toelaatbaarheid in-roepen van de vordering, die de eerste rechter tegenover haar gegrond heeft verklaard. - RADIO HOLLAND BELGIUM NV heeft daarenboven het bewijs van een beweerde misslag. Zij levert dit bewijs niet door het naar voorschuiven van hypotheses over ¿een uitsluiting van de hier voorliggende ver-bintenis bij de overname van de rechten van INES NV door INES MARINE NV', daar waar INES MARINE NV voordien zelf heeft verklaard ¿dat zij als rechtsopvolger van INES NV het geding hernam'; een geding dat juist de betwiste uitvoering van deze verbintenis betreft. 2.
  4. Op juiste gronden verklaarde de eerste rechter de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV tegenover RADIO HOLLAND BELGIUM NV gegrond. Het Hof verklaart de vordering in vrijwaring van RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover EGEMIN NV eveneens gegrond. - Uit de offerte dd 27 augustus 1992 van INES NV aan ZEEBRUGSE VISVEILING NV blijkt duidelijk dat het basisontwerp van de waterleiding onder de steiger (¿) door INES NV gemaakt werd en EGEMIN NV weerlegt niet dat zij de keuze van het verwarmingslint heeft gemaakt. - De gerechtelijk deskundige kon aan de hand van feitelijke vaststellingen alle wetenschappelijke hypotheses aftoetsen, die de professoren VAN DEN BULCK en VAN CAMPENHOUT achteraf nog naar voor hebben ge-bracht. Hun wetenschappelijke bevindingen zijn niet van aard, dat zij de feitelijke bevindingen van de gerechtelijk deskundige tegenspreken (zie in het bijzonder de analyse van de wetenschappelijke resultaten-tabellen op pg. 16 en 17 in de conclusie, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV op 10 januari 2007 heeft neergelegd). De gerechtelijk deskundige legde hier op een gemotiveerde en coherente wijze de eindverantwoordelijk-heid voor het schadegeval bij EGEMIN NV. - ZEEBRUGSE VISVEILING NV kan zich zowel beroepen op de 10-jarige aansprakelijkheid waarin artikel 1792 van het burgerlijk wetboek voorziet, als op het verborgen gebrek. ¿ De werken betroffen de aanleg van een waterleidingsnet waarvan de waarde volgens de offerte 192.117,48 EUR (7.750.000 BEF) beliep. Het gebrek dreigde de duurzaamheid van dit net zwaar aan te tasten. ¿ Het gebrek beperkte zich verder niet tot de twee lekken op zich, die zonder veel moeilijkheden konden gedicht worden. Uit het deskundigenverslag volgt dat het gebrek in het bijzonder het ver-warmingslint betrof, die aangebracht was onder de isolatielaag die de waterleiding beschermde (zie de foto's uit het deskundigenverslag en de uitleg die de raadsman van EGEMIN NV aan de gerechtelijk deskundige heeft verstrekt en die de gerechtelijk deskundige onder punt 1 nog eens heeft hernomen; pg. 3 en 4 van het deskundigen-verslag). Dit gebrek werd eerst door het deskundigenverslag aan het licht gebracht, nadat RADIO HOLLAND BELGIUM NV en EGEMIN NV het waterleidingsnet naar de toekomst toe voor gebreken niet wilden waarborgen en uiteindelijk geen minnelijke regeling kon worden bereikt. - Hierboven kende het Hof geen enkel gevolg toe aan de procedurever-wikkelingen, die afbreuk zou doen aan de rechten die RADIO HOLLAND BELGIUM NV geniet vanaf de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, die INES MARINE NV op 20 juli 2001 tegenover EGEMIN NV heeft laten betekenen. - Het voorwerp van de eis van ZEEBRUGSE VISVEILING NV betreft de aan-spraak op schadevergoeding als gevolg van de tekortkoming van EGEMIN NV en INES NV (rechtsvoorganger van RADIO HOLLAND BELGIUM NV) aan hun contractuele verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst betreffende de installatie van een waterleidingsnet. Het afsluiten van de hoofd-, en onderaannemingsovereenkomsten strekten er niet toe de Europese instellingen op te lichten. Zowel het voorwerp, als de oorzaak van de eisen die ZEEBRUGSE VISVEILING NV en RADIO HOLLAND BELGIUM NV stellen, gaan terug op rechtsgeldig tot stand gekomen overeen-komsten. Hun eisen zijn niet gegrond op stukken, die partijen na het uitbrengen op 27 augustus 1992 van de offerte voor het waterleidingsnet en na plaatsen van de bestelling(en) onder elkaar hebben gewisseld, om eventueel aanspraak te kunnen maken op Europese subsidies. - EGEMIN NV bewijst evenmin als RADIO HOLLAND BELGIUM NV, dat INES MARINE NV bij vergissing - als rechtsopvolger van INES NV - het geding heeft hernomen. Waar RADIO HOLLAND BELGIUM NV in de rechten van INES MARINE NV is getreden en uit hoofde hiervan tot schadeloosstelling van ZEEBRUGSE VISVEILING NV gehouden is, is zij ook op haar vrijwaring door EGEMIN NV gerechtigd. 2.
  5. Partijen voeren geen betwisting betreffende de schadevergoeding, die ZEEBRUGSE VISVEILING NV vordert. BESLUITEN Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep van RADIO HOLLAND BELGIUM NV ontvankelijk en gegrond betreffende de eis in haar vrijwaring door EGEMIN NV. Het bevestigt het bestreden vonnis op alle punten behalve betreffende
(1)de ongegrondverklaring van de eis in vrijwaring die RADIO HOLLAND BELGIUM NV tegenover EGEMIN NV stelt en
(2)de verwijzing van ZEEBRUGSE VISVEILING NV in de kosten van EGEMIN NV. Het verklaart deze eis gegrond en veroordeelt EGEMIN NV tot de vrijwaring van RADIO HOLLAND BELGIUM NV voor de veroordeling door de eerste rechter tot de betaling van de som van 55.320,69 EUR (2.231.631 BEF), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding op 26 januari 1999 tot aan de betaling en vermeerderd met de door de eerste rechter begrote gerechtskosten in hoofde van ZEEBRUGSE VISVEILING NV. Het verwijst RADIO HOLLAND BELGIUM NV in de kosten van het hoger beroep, die het aan de zijde van ZEEBRUGSE VISVEILING NV vaststelt op de rechtspleging-vergoeding van euro 485,
  1. Het verwijst EGEMIN NV in de kosten van het hoger beroep, die het aan de zijde van RADIO HOLLAND BELGIUM NV vaststelt op de rechtsplegingvergoeding van euro 485,
  2. Het verwijst EGEMIN NV in de eigen gedingkosten. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op dertig april tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele en G. De La Ruelle, raadsheren, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.