← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070503.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070503.5 Rolnummer: 2006/AR/474 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2007-11-30 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 15:36 Fiche Uit de omstandigheid dat aan de grondvereisten inzake echtscheiding door onderlinge toestemming, vervat in de artt. 275 en 276 B.W. slechts moet voldaan zijn op de datum van het neerleggen ter griffie van het verzoekschrift bedoeld in art. 1288bis Ger.W. volgt dat de voorafgaande overeenkomsten die in het kader van de echtscheidingsprocedure geoorloofd dan wel verplicht zijn, slechts vanaf dat tijdstip uitwerking krijgen. De in art. 1287, 3e lid Ger.W. bedoelde overeenkomsten betreffende het erfrecht en de reserve van de langstlevende echtgenoot worden, naar de wil van de wetgever, steeds onder de opschortende voorwaarden van het opstarten van de procedure aangegaan. Zij krijgen derhalve slechts uitwerking op het ogenblik van de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming Vrije woorden: Echtscheiding door onderlinge toestemming - regelingsakte voorafgaand aan EOT - overeenkomsten betreffende het erfrecht en de reserve van de langstlevende echtgenoot - tijdstip uitwerking :ogenblik neerlegging ter griffie van het verzoekschrift Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1287, 3° en 4° lid Tekst van de beslissing 2006/AR/474 in de zaak van:

  1. VTC, aannemer, wonende te ... eerste appellant,
  2. VTA, aannemer, wonende te .... tweede appellant,
  3. VTG, aannemer, wonende te .... derde appellant,
  4. VTD, aannemer, wonende te ..... vierde appellant, allen hebbende als raadsman mr. VAN VYNCKT Tijs, advocaat te 9940 EVERGEM, Vierlindestraatje 20 tegen: DBV, bediende, wonende te .... geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. LONGEVILLE Jackie, advocaat te 8020 OOSTKAMP, Sint-Pietersplein 6e velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van 6 december 2005 gewezen door de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waartegen de appellanten, bij gebrek aan tegenspraak en aan een ambtshalve op te werpen exceptie, op 24 februari 2006 tijdig en regelmatig hoger beroep hebben ingesteld. Bij het bestreden vonnis werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard: • akte werd verleend aan de geïntimeerde van de verwerping van de nalatenschap van wijlen BVT door WVT, GDW, HVT, GVT en KVT; • de gerechtelijke vereffening en verdeling werd bevolen van: - de huwgemeenschap die bestaan heeft tussen de geïntimeerde en wijlen BVT, overleden te ... op ...., en - de nalatenschap van wijlen BVT, overleden te .... op .... • gezegd werd voor recht dat art. 745bis §1 al.2 B.W. van toepassing is op de nalatenschap van wijlen BVT, overleden te .... op ...... • notaris Christian Vanhyfte met standplaats te Maldegem werd aangewezen met het oog op het opmaken van de boedelbeschrijving, de rekeningen, de vereffeningen en de verdeling; • notaris Kathleen de Rop met standplaats te Maldegem werd aangewezen, met de opdracht de niet verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en in hun plaats alle akten en processen-verbaal te ondertekenen, waarbij ze bevoegd is om de toewijzingsprijzen en andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren te ontvangen, kwijting ervan te geven met of zonder indeplaatsstelling en ten gevolge van deze betalingen; • gezegd werd dat er over de overige geschillen recht zal worden gedaan, zonodig, samen met de zwarigheden door de belanghebbenden geformuleerd ingevolge de op te maken staat van vereffening en verdeling; • gezegd werd voor recht dat het uitgesproken vonnis tegenstelbaar is aan WVT, GDW, HVT, GVT en KVT; • gezegd werd dat de kosten nader begroot door de boedel zullen worden gedragen. Volgens hun beroepsakte en hun op 31 augustus 2006 ter griffie neergelegde syntheseconclusies streefden de appellanten het tenietdoen na van het bestreden vonnis en vorderden zij dat het hof, opnieuw beslissend, zou zeggen voor recht dat:
  5. de initiële vordering van de geïntimeerde slechts gegrond zou zijn met betrekking tot de bij dagvaarding gevorderde vereffening en verdeling van de huwgemeenschap van wijlen Boudewijn Frank Van Tomme en geïntimeerde en met betrekking tot de nalatenschap van wijlen Boudewijn Frank Van Tomme;
  6. de geïntimeerde ingevolge het erfrechtelijk beding vervat in de notariële akte van overeenkomst inzake echtscheiding door onderlinge toestemming verleden voor het ambt van notaris C. Vanhyfte te Maldegem op 26 november 1998 geen enkel recht kan laten gelden op de nalatenschap van wijlen BFVTen dat zij de rechten bepaald in de artikelen 745/bis en 915/bis van de wet tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot van 14 mei 1981 niet vermag op te eisen. Bovendien vorderden de appellanten dat het hof ervan akte zou nemen dat zij zich verzetten tegen de aanstelling van notaris Vanhyfte voor de opmaak van de boedelbeschrijving, de rekeningen, de vereffening en de verdeling. Tenslotte vorderden zij ook de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling van de kosten in de beide instanties, aan hun zijde nader begroot. Bij haar tweede beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 5 juli 2006 besloot de geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond, tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis en tot de verwijzing van de appellanten in de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde nader begroot. De partijen werden op de openbare terechtzitting van 29 maart 2007 gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen bespreking
  7. De procedurevoorgaanden, de voornaamste feitelijke gegevens van het geschil alsmede de respectieve standpunten en vorderingen van de partijen werden reeds uitvoerig uiteengezet door de eerste rechter op p. 2 tot en met 9 van het bestreden vonnis. Het volstaat thans daarnaar te verwijzen.
  8. De geïntimeerde en haar echtgenoot, wijlen BVT hebben op .... voor notaris Christian Vanhyfte uit Maldegem een regelingsakte, voorafgaand aan een procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, laten verlijden. In deze regelingsakte werd onder meer onder artikel
  9. "OVERLEVINGSRECHTEN" bedongen dat voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden vóór het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding definitief zou worden uitgesproken, de partijen overeen kwamen dat de langstlevende in de nalatenschap van de eerst stervende geen enkel recht zou kunnen laten gelden en dat zij de rechten bepaald in de artikelen 745/bis en 915/bis van de wet tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot van 14 mei 1981 niet zouden mogen opeisen. De echtgenoten kwamen in die regelingsakte onder datzelfde artikel tevens overeen dat zij verzaakten aan de voordelen vervat in de akte tot wijziging van hun huwelijksvermogenstelsel verleden voor notaris Camiel Vanhyfte uit Maldegem op 7 december 1989 (stavingstuk 3 van de geïntimeerde). Vóór het overlijden van BFVT op ...... werd de procedure echtscheiding door onderlinge toestemming niet meer aangevat door neerlegging van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift ter griffie van de rechtbank. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over het feit dat de akte tot wijziging van het huwelijksvermogenstelsel van 7 december 1989 geen toepassing vindt gelet op het feit dat de geïntimeerde en haar overleden echtgenoot, wijlen BFVT, op datum van diens overlijden feitelijk gescheiden leefden (zie immers de stavingstukken 1 en 2 van de geïntimeerde). De partijen blijven het echter oneens over het antwoord op de vraag of de geïntimeerde, gelet op de regeling van de overlevingsrechten in art. 7 van de voornoemde regelingsakte, al dan niet, overeenkomstig de wettelijke erfrechtregeling, nog aanspraak kan maken op de volle eigendom van het aandeel van wijlen Boudewijn Frank Van Tomme in de huwgemeenschap die tussen hen heeft bestaan en op het vruchtgebruik van diens eigen vermogen. Het vertrekpunt van de regeling inzake overlevingsrechten wordt niet uitdrukkelijk in de wet, inzonderheid in art. 1287 Ger.W., bepaald. De appellanten verhelen in hun beroepsakte niet dat ook de parlementaire voorbereidingen op de wet tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot dienaangaande geen duidelijkheid brengen en dat de doctrine daarover eveneens verdeeld is.
  10. Samen met de eerste rechter is het hof echter van oordeel dat hetgeen de partijen in de regelingsakte voorafgaand aan de procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming, zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot (art. 745 bis B.W.) en diens reserve (art. 915 bis B.W.), voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden vóór de overschrijving van het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken, geen onmiddellijke uitwerking krijgt op het ogenblik van de ondertekening ervan. De hierna volgende overwegingen zijn dienaangaande relevant. a. De regelingsakte en de familiaalrechtelijke overeenkomst welke de partijen, die door onderlinge toestemming uit de echt willen scheiden, voorafgaandelijk sluiten, bestaan niet op zichzelf, maar vinden hun bestaansreden louter in de rechtspleging tot echtscheiding door onderlinge toestemming alsmede in de daaropvolgende door onderlinge toestemming tot stand gekomen echtscheiding. Daarenboven wordt de rechtspleging inzake echtscheiding met onderlinge toestemming slechts aangevat op de datum van de neerlegging ter griffie van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift. Aangezien sinds de inwerkingtreding van de wet van 30 juni 1994, die ook de procedure inzake echtscheiding door onderlinge toestemming fundamenteel heeft hervormd, de desbetreffende procedure niet meer gestart wordt door de eerste verschijning van de partijen voor de voorzitter van de rechtbank, is de verwijzing door de partijen naar art. 1304 Ger.W. te dezen dan ook niet dienstig. Uit de omstandigheid dat aan de grondvereisten inzake echtscheiding door onderlinge toestemming vervat in de art. 275 en 276 B.W. slechts moet voldaan zijn op de datum van het neerleggen ter griffie van het verzoekschrift bedoeld in art. 1288bis Ger.W. (zie immers art. 1297 en 1298 Ger.W.), volgt trouwens dat de voorafgaande overeenkomsten die in het kader van de echtscheidingsprocedure geoorloofd dan wel verplicht zijn, ook slechts vanaf dat tijdstip uitwerking krijgen. b. Daarenboven bepaalt het art. 1287,4e lid Ger.W. uitdrukkelijk dat de bindende kracht van de voorafgaande overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming vervalt van zodra van de procedure afstand wordt gedaan. A fortiori kan dan ook enkel worden besloten dat de in art. 1287, 3e lid Ger.W. bedoelde overeenkomsten betreffende het erfrecht en de reserve van de langstlevende echtgenoot naar de wil van de wetgever steeds onder de opschortende voorwaarden van het opstarten van de procedure worden aangegaan en derhalve slechts uitwerking krijgen op het ogenblik van de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift. De appellanten kunnen dan ook geenszins worden bijgetreden waar zij beweren dat de desbetreffende regeling inzake overlevingsrechten overeenkomstig ‘de letter van de wet' onmiddellijk uitwerking zou moeten krijgen. c. De appellanten roepen herhaaldelijk de duidelijke wil van de partijen in om hun overeenkomsten in de regelingsakte onmiddellijke uitwerking te doen hebben. De appellanten wijzen er immers op dat de geïntimeerde door de ondertekening van de regelingsakte, waarvan ook de clausule met betrekking tot de overlevingsrechten onderdeel uitmaakte, zelf aanvaard heeft dat haar rechten als langstlevende echtgenote zouden ingeperkt worden, terwijl de overeenkomsten in de regel toch onmiddellijke uitwerking hebben, behoudens in het geval van een anders luidende conventionele of wettelijke bepaling. Vooreerst negeert een dergelijke zienswijze volledig de betekenis en de draagwijdte van het hiervoor aangehaald art. 1287, 4e lid Ger.W.. Daarenboven wordt hierbij door de appellanten uit het oog verloren dat het uitdrukken van de wilsautonomie van de echtgenoten inzake erfrecht zoniet wordt uitgesloten, dan toch strikt wordt gereglementeerd, aangezien een persoon de devolutie van zijn toekomstige nalatenschap in beginsel slechts zal kunnen wijzigen door het uitdrukken van zijn wil in vormelijke akten, behoudens bij de door de wet voorziene uitzonderingen. De omstandigheid dat art. 1287, 3e lid Ger.W. een uitzondering uitmaakt op het verbod om erfrechtovereenkomsten te treffen in de zin van art. 1130, 2e lid B.W., belet niet dat een dergelijke uitzondering op de basisbeginselen van het erfrecht  die toch de openbare orde raken  steeds restrictief moet worden geïnterpreteerd, op gevaar af om een zekere manipulatie van het erfrecht en van de reserve mogelijk te maken. De anders luidende argumentatie van de appellanten, gesteund door een deel van de rechtsleer, kan derhalve niet worden bijgetreden. In die omstandigheden is alleszins uitgesloten dat de partijen in een regelingsakte, voorafgaand aan een procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming, zonder de door de wet strikt bepaalde vormelijkheid in acht te moeten nemen, de devolutie van hun nalatenschap reeds ingrijpend zouden kunnen wijzigen voor een tijdspanne die voorafgaat aan de neerlegging ter griffie van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift. De zinsnede in art. 915bis, § 3, 2e lid B.W.: ‘...indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in art. 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht' doelt, gelet op de beperkte wilsautonomie van de partijen terzake en in overeenstemming met het art. 1278, 4e lid Ger.W., noodzakelijkerwijze niet alleen op de materiële verwezenlijking van de overeenkomst, maar ook als noodzakelijke geldigheidsvereiste op de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in art. 1288bis Ger.W. bedoeld verzoekschrift. Het door de appellanten ingeroepen ‘hiaat' in de ontervingsmogelijkheden van de langstlevende echtgenoot is dan trouwens onbestaande. d. Ten onrechte blijven de appellanten betwisten dat de regelingsakte van 26 november 1998 enkel kan worden beschouwd als een loutere buitengerechtelijke pleegvorm die geen deel uitmaakt van de gerechtelijke procedure inzake echtscheiding door onderlinge toestemming, en welke derhalve als dusdanig geen enkel juridisch effect sorteert. De loutere feitelijke omstandigheid dat de geïntimeerde, al dan niet in overeenstemming met de afspraken omtrent de goederen gemaakt in de regelingsakte van 26 november 1998, zich volgens de appellanten reeds bepaalde gelden en goederen van de huwgemeenschap had toegeëigend, betekent geenszins dat hetgeen de geïntimeerde en wijlen BFVT toen zijn overeengekomen, om te voldoen aan de vereisten van art. 1287, 3e lid Ger.W., directe uitwerking verkreeg. Het hof wijst er dienaangaande immers opnieuw op dat ingevolge art. 1287, 3e lid juncto art. 1287, 4e lid Ger.W., de tussen de geïntimeerde en wijlen BVT in de akte van 26 november 1998 tot stand gekomen regeling met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in art. 745bis en 915bis B.W. geen uitwerking kon krijgen aangezien er zich tussen hen geen door onderlinge toestemming tot stand gekomen echtscheiding heeft gerealiseerd. In een andere samenstelling heeft het hof in de zaak 2005/AR/424, bij arrest van 30 maart 2006, trouwens reeds in die zin beslist.
  11. De appellanten vragen de aanstelling van een andere boedelnotaris dan notaris Christian Vanhyfte uit Maldegem die de eerste rechter heeft aangesteld. Zij verwijzen naar een schrijven van 23 december 2004 (stavingstuk 14 van de appellanten) dat notaris Vanhyfte heeft gestuurd aan de eerste appellant. Notaris Christian Vanhyfte was eertijds op verzoek van de appellanten bij - niet overgelegde doch niet betwiste  beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zetelend in kort geding, aangesteld als sekwester over de opengevallen nalatenschap van wijlen BVT. In dat schrijven deelde de notaris aan de eerste appellant mee zijn ambt als sekwester niet op een degelijke en serene wijze te kunnen uitoefenen. Aangezien de geïntimeerde zich daartegen niet formeel verzet, bestaat er in de gegeven omstandigheden en in het belang van een vlotte afhandeling van de vereffening en verdeling, aanleiding om een andere boedelnotaris aan te stellen.
  12. Besluit: de eerste rechter heeft, zij het gedeeltelijk op andere gronden, juist beslist, met dien verstande dat de aanstelling van de hierna bepaalde boedelnotaris in plaats van notaris Christian Vanhyfte uit Maldegem zich opdringt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch slechts gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat notaris Frank Desmet uit Eeklo in plaats van notaris Christian Vanhyfte uit Maldegem wordt aangesteld met het oog op het opmaken van de boedelbeschrijving, de rekening, de vereffening en de verdeling. Zegt dat de kosten van hoger beroep zullen worden gedragen door de boedel en begroot deze kosten op: - aan de zijde van de appellanten: 186,00 EUR rolrechten (volgens opgave), 59,49 EUR uitgavenvergoeding en 242,94 EUR rechtsplegingsvergoeding (zoals herleid); - aan de zijde van de geïntimeerde: 242,94 EUR rechtsplegings-vergoeding (zoals herleid). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op DRIE MEI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.