id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070503.6 Rolnummer: 2005/AR/1142 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-11-12 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 15:36 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Algemeen Vrije woorden: onroerend goed komt voor de geheelheid in vruchtgebruik toe aan de langstlevende echtgenote en voor de naakte eigendom aan de 2 kinderen van de vooroverleden echtgenoot elk voor de helft - notaris kan enkel de openbare verkoop doen van de naakte eigendom van het goed. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 11e kamer *** terechtzitting van 3 mei 2007 tweede hypotheekkantoor Gent, 1) d.d. 16.07.2004, boek 68 T, nr. 16/07/2004-08181 2) d.d. 24.08.2004, boek 68 T, nr. 24/08/2004-09458 2005/AR/1142 in de zaak van: A. , gepensioneerd, wonende te 9970 .........., appellante, hebbende als raadsman mr. DELLAERT Dirk, advocaat te 9900 EEKLO, Boelare 115 A tegen:
- MOENS Walter, handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de bvba MENSA D& R, in staat van faling verklaard bij vonnis d.d. 28.11.2003 van de rechtbank van koophandel te Gent, wonende te 9000 GENT, Burggravenlaan 1, eerste geïntimeerde qualitate qua, in persoon,
- R , kinesiste, wonende te 9950..........., tweede geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand voor haar,
- R , bediende, wonende te 9041............., derde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VEYS Jan, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van 8 maart 2005 gewezen door de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waartegen de appellante, bij gebrek aan tegenspraak en aan een ambtshalve op te werpen exceptie, op 3 mei 2005 tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld. Bij het bestreden vonnis werd: · bevolen dat op verzoek van de meest gerede partij en in aanwezigheid of na behoorlijke oproeping van de andere partijen, door het ambt van notaris Frank De Raedt te Waarschoot zal worden overgegaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van de onverdeeldheid die bestaat tussen de appellante, de tweede en de derde geïntimeerden met betrekking tot het onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat '61', gekend ten kadaster onder Kaprijke, eerste afdeling, sectie A, nrs. 114/K en 114/L; · notaris Bernard Van der Auwermeulen te Zomergem aangewezen met de opdracht en de bevoegdheden bepaald in art. 1209, derde lid Ger.W.; · bevolen dat voorafgaandelijk aan de vereffening en verdeling door het ambt van notaris Frank De Raedt, voornoemd, zal worden overgegaan tot de openbare verkoping van het hiervoor beschreven onroerend goed te Kaprijke, Gravenstaat nr. '61'. · bepaald dat de opbrengst van de verkoop, toekomend aan tweede geïntimeerde, rekening houdend met ieders gerechtigheden, bij voorrang zal uitgekeerd worden aan de eerste geïntimeerde q.q., tot delging van de schuldvordering in hoofdsom, intresten en kosten; · gezegd dat én de - nader bepaalde - kosten van het geding in hoofde van iedere partij én de kosten van de verdeling door de boedel zullen gedragen worden en dat die vóór enige toebedeling zullen betaald worden uit de prijs van de veiling. Middels haar verzoekschrift tot hoger beroep verzocht appellante dat het hof het vonnis a quo teniet doet en, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering slechts gegrond verklaart in zoverre: - de uit onverdeeldheidtreding bevolen wordt van de onverdeeldheid die bestaat tussen de tweede en de derde geïntimeerden, zijnde de naakte eigenaars betreffende het pand gelegen te Kaprijke, Gravenstraat nr. 51; - het vruchtgebruik integraal behouden en gerespecteerd wordt tot datum van haar overlijden en zij verder de woning kan blijven betrekken. Tevens verzocht zij de kosten van beide instanties lastens geïntimeerde te leggen, zoals aan haar zijde nader begroot. Bij haar tweede en laatste syntheseconclusie in hoger beroep, neergelegd ter griffie op 13 februari 2006, formuleerde de appellante haar vordering in hoger beroep in die zin dat zij het tenietdoen van het bestreden vonnis vroeg, waarbij zij vorderde dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend: - zou zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering tot uit onverdeeldheidtreding van de eerste geïntimeerde q.q. jegens haar ontvankelijk doch ongegrond is, aangezien er in hare hoofde geen onverdeeldheid bestaat; - zo nodig de uit onverdeeldheidtreding van de naakte eigendom zou bevelen die bestaat tussen de tweede en de derde geïntimeerden - na openbare verkoping van de eigendom - en uitdrukkelijk zou zeggen dat haar vruchtgebruik hierbij levenslang dient te worden gerespecteerd en dat de vruchten haar wettelijk toekomen; - hiertoe een notaris zou gelasten en zou zeggen dat de verkoopsvoorwaarden uitdrukkelijk zullen voorzien in de verkoop van de naakte eigendom en mits het respecteren van haar vruchtgebruik; - de kosten in de beide instanties, aan haar zijde nader begroot, lastens ‘de appellante' (waarschijnlijk bedoelt de appellante ‘de geïntimeerden') zou leggen. Bij zijn op 15 juli 2005 ter griffie neergelegde conclusies besloot de eerste geïntimeerde q.q. tot het ontvankelijk verklaren van het hoger beroep en tot de afwijzing ervan als ongegrond, tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis en tot de veroordeling van de appellante tot betaling van alle procedurekosten aan zijn zijde nader begroot (hetgeen wat betreft de kosten in eerste aanleg minstens een incidenteel beroep uitmaakt). Bij haar op 12 augustus 2005 ter griffie neergelegde conclusie heeft de tweede geïntimeerde eveneens besloten tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep, doch de afwijzing ervan als ongegrond en tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis. Tevens vorderde zij de veroordeling van de appellante tot betaling van de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde nader begroot. Bij haar op 23 mei 2005 ter griffie neergelegde conclusies vroeg de derde geïntimeerde akte van haar verklaring dat zij wat betreft het hoger beroep zich gedroeg naar ‘de wijsheid' van het hof. Tevens vorderde zij de verwijzing van de appellante in de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde nader begroot, voor zover het hoger beroep zou worden afgewezen. Op de openbare terechtzitting van 14 september 2006 heeft de eerste geïntimeerde q.q. zijn voordeel overeenkomstig art. 753 Ger.W. lastens de tweede geïntimeerde gevorderd. De tweede geïntimeerde verscheen op die terechtzitting immers niet, noch werd zij toen vertegenwoordigd, alhoewel zij behoorlijk en tijdig bij gerechtsbrief van 6 juni 2006 was opgeroepen. Aangezien de tweede geïntimeerde evenmin aanwezig of vertegenwoordigd was op de openbare terechtzitting van 5 april 2007 waarnaar de zaak was uitgesteld geworden, heeft de eerste geïntimeerde q.q. volhard in zijn voordeel dat overeenkomstig art. 753 Ger.W. werd gevorderd. Dit voordeel kan worden toegestaan. Op deze laatstgenoemde terechtzitting werden de aanwezige partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. bespreking
- Bij dagvaarding van 15 september 2004 heeft de eerste geïntimeerde q.q., zijnde de schuldeiser van de tweede geïntimeerde, de appellante samen met de tweede en derde geïntimeerden als verweerders gedagvaard teneinde overeenkomstig art. 1561 Ger.W. de uit onverdeeldheidtreding door veiling te bekomen van het hiervoor beschreven onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat nr.
- Nochtans zijn enkel de tweede en de derde geïntimeerden de onverdeelde (mede)eigenaars voor de naakte eigendom van het voornoemd onroerend goed. Hierover bestaat er geen betwisting tussen de partijen. Als overlevende echtgenote van wijlen R... R......., zijnde de vader van de tweede en de derde geïntimeerden (beiden kinderen uit een vorig huwelijk van de erflater), geniet de appellante slechts het vruchtgebruik van dat onroerend goed. Er bestaat geen onverdeeldheid tussen enerzijds de vruchtgebruiker en anderzijds de naakte (mede)eigenaars van een onroerend goed, aangezien zij daarop onderscheiden rechten uitoefenen. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter de vordering tot uit onverdeeldheidtreding van de eerste geïntimeerde q.q. zowel ten aanzien van de eerste en de tweede geïntimeerden als van de appellante heeft bevolen. De eerste rechter heeft immers in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis bevolen dat door de boedelnotaris ‘... zal worden overgegaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van de onverdeeldheid die bestaat tussen de verweerders met betrekking tot het onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat 61, gekend ten kadaster onder Kaprijke, eerste afdeling, sectie A, nrs. 114/K en 114/L.'. Voor zover gericht tegen de appellante ontbeerde de vordering tot uit onverdeeldheidtreding van de eerste geïntimeerde q.q. dan ook elke grond.
- Gelet op het vruchtgebruik van de appellante, kan er met betrekking tot het desbetreffend onroerend goed tussen de tweede en de derde geïntimeerden slechts onverdeeldheid bestaan voor wat betreft de naakte eigendom ervan. Enkel de naakte eigendom van het hiervoor beschreven onroerend goed kan derhalve openbaar worden verkocht na beslaglegging, overeenkomstig art. 1560 e.v. Ger.W., op verzoek van de schuldeiser van één van de onverdeelde mede-eigenaars ervan, zodat de rechten van de vruchtgebruiker, ten deze de appellante, niet worden geschonden. Alhoewel de eerste rechter onder punt 3 op p. 3 van het bestreden vonnis overwogen heeft dat het vruchtgebruik van de appellante bij de verkoop van het onroerend goed, waarop zij haar vruchtgebruik uitoefent, ongemoeid wordt gelaten, heeft hij in het beschikkend gedeelte ervan geenszins de gerechtelijke vereffening en verdeling bevolen, na voorafgaande veiling, beperkt tot de naakte eigendom van het onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat
- Het is duidelijk, gelet op de bewoordingen van het inleidend exploot, dat de eerste geïntimeerde q.q. nooit een veiling louter beperkt tot de naakte eigendom van het onverdeeld onroerend goed heeft willen nastreven. Hij kan dan ook niet worden gevolgd waar hij onder punt 5 op p. 4 van zijn beroepsconclusie meent wel degelijk gerechtigd te zijn om de verkoop te vragen zoals gevorderd. Het komt in de gegeven omstandigheden dan ook onbegrijpelijk voor dat de eerste geïntimeerde q.q. verder argumenteert dat de rechten van de appellante als vruchtgebruiker te dezen irrelevant zijn en dat hij de appellante zelfs verwijt door haar houding de betaling van de schulden van de tweede geïntimeerde te verhinderen en de afhandeling van het faillissement van de laatstgenoemde tegen te houden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende zoals op tegenspraak ten aanzien van de tweede geïntimeerde en op tegenspraak ten aanzien van de andere partijen; gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat: - de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde q.q. tot uit onverdeeldheidtreding met betrekking tot het hiervoor beschreven onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat 51, voor zover gericht tegen de appellante, toelaatbaar wordt verklaard doch als ongegrond wordt afgewezen; - voorafgaandelijk aan de vereffening en verdeling van het hiervoor beschreven onroerend goed, door het ambt van notaris Frank De Raedt uit Waarschoot louter tot de openbare verkoop van de naakte eigendom van het hiervoor beschreven onroerend goed te Kaprijke, Gravenstraat 51 mag worden overgegaan; - de kosten gevallen aan de zijde van de appellante, begroot op 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding, ten laste van het passief van het faillissement van de B.V.B.A. Mensa D& R worden gelegd en dat de appellante gemachtigd wordt om tot beloop daarvan opname in dat passief te vorderen. Verstaat dat de kosten van het hoger beroep ten laste van het passief van het faillissement van de B.V.B.A. Mensa D& R worden gelegd en machtigt de appellante en de derde geïntimeerde om de opname te vorderen in dat voornoemd passief van de aan hun zijde gevallen en volgens opgave begrote kosten, te weten: - aan de zijde van de appellant: 186,00 EUR rolrechten en 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding; - aan de zijde van de derde geïntimeerde: 475,12 EUR rechtsplegingsvergoeding. Verwerpt het anders of meer gevorderde. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op DRIE MEI TWEEDUIZEND EN ZEVEN. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer A. COLPAERT, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier D. Van den Driessche A. Colpaert A. Deene S. De Bauw Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div