id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070507.8 Rolnummer: 2005/AR/1908 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-10-30 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 15:37 Fiche Het Hof beoordeelt de vraag positief of een bepaald woordmerk voor parfum is vervallen door onbruik. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Beneluxmerk - woordmerk - intellectuele eigendom - verval Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 07-05 2007 Nr. 2005/AR/1908 ----------------------- Benelux-Verdrag in de zaak van :
- C.. L., wonende te ......................................,
- L. L., handelaarster, wonende te ............................ en met ondernemingsnummer 0736.094.495, appellanten, hebbende als raadsman mr. Edward De Hauw, advocaat met kantoor te 9700 Oudenaarde, Voorburg 3, tegen L'OREAL, vennootschap naar Frans recht met maatschappelijke zetel te F - 75.008 Paris (Frankrijk), Rue Royale 14 en ingeschreven in het handelsregister van Parijs (R.C.S. Paris) onder nr. 632 012 100, woonstkiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarder Bart Verschelden, Neerstraat 25 te 9660 Brakel, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Florence Verhoestraete, advocaat met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 177/6, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Bestreden beslissing: het vonnis van de eerste kamer bis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde (045/902/A) van 28 februari
- Geïntimeerde was oorspronkelijk de eisende partij, appellant was in eerste aanleg de verwerende partij.
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 19 juli
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening van 29 juni 2005 wordt voorgelegd (niet genummerd stuk van het dossier van appellanten). Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft: 1) de vraag of het hoger beroep nietig is; 2) de vraag of het woordmerk van appellanten "Pierre de Lune" voor parfum vervallen is door onbruik.
- Appellant creëren een eigen parfum, waarvoor zij op 10 december 1985 een Beneluxmerk deponeerden (stuk 1 van hun dossier). Geïntimeerde brengt een stuk bij van de vennootschap "Compu-Mark (stuk 2 van haar dossier), waaruit moet blijken dat appellanten geen normaal gebruik maken van hun merk in de Benelux. Dit stuk bevat geen datum en geen referentieperiode. Enkel het feit dat afdrukken van internet-sites zijn toegevoegd, laat vermoeden dat het document vermoedelijk van na 1997 of 1998 dateert. Bovendien heeft het stuk geen enkel gegeven of geen enkele referentie naar "Compu-Mark". Zelfs de naam, laat staan enig adres, ontbreekt op het (eentalig Franstalige) document. De "studie" kan in beginsel dan ook van gelijk wie uitgaan. Appellanten brengen een aantal stukken bij, die hun stellen moeten staven dat zij wel een normaal gebruik maakten van het woordmerk gedurende de relevante periode. Deze stukken worden hierna besproken.
- De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering gegrond, de tegenvordering van huidige appellanten ongegrond en beval de doorhaling van het woordmerk "Pierre de Lune". III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- Appellanten formuleren niet uitdrukkelijk één of meerdere grieven. Zij hernemen hun stelling van in eerste aanleg. Zij brengen andere stukken bij.
- Appellanten vorderen: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren; - het incidenteel hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren; - geïntimeerde te veroordelen om de kosten van beide aanleggen te betalen.
- Bij conclusie stelt geïntimeerde incidenteel hoger beroep in. Zij vordert: - het hoger beroep van appellanten nietig te verklaren; - in ondergeschikte orde, het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen; - het incidenteel hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en appellanten te veroordelen tot het betalen van een schade-vergoeding van euro 30.000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep; - appellanten te veroordelen om haar advocatenkosten ten bedrage van euro 19.485,95 te betalen; - appellanten te veroordelen om de kosten van beide aanleggen te betalen. IV. Beoordeling De nietigheid van het hoger beroep
- De akte van beroep in deze zaak bevat een voldoende uiteenzetting van de feiten. Zij hernemen hun conclusie van in eerste aanleg. Zij wijzen op de nadelige gevolgen van het "verlies" of het "kosteloos ‘afpakken'" van het woordmerk. Hoewel een duidelijke uiteenzetting van de grief/grieven tegen het bestreden vonnis inderdaad te verkiezen is en juridisch nauwkeuriger is, volstaat de werkwijze van appellanten om geïntimeerde toe te laten zich te verweren en dus een conclusie voor te bereiden. Ook het Hof kan de draagwijdte van het hoger beroep inschatten. Uit het verzoekschrift blijkt voldoende duidelijk dat appellanten zich tegen het gehele vonnis en niet tegen een welbepaald onderdeel ervan richten. Met name het verval door onbruik en het doorhalen grieft hen, wat voldoende duidelijk blijkt uit de beroepsakte. De beroepsakte is dan ook niet nietig en het hoger beroep is toelaatbaar. Onbruik van het woordmerk "Pierre de Lune"
- Het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) van 25 februari 2005 is van toepassing op de voorliggende zaak (hierna "BVIE" genoemd). Het trad in werking op 1 september 2006 (B.S. 24 augustus 2006; zie artikel 6.2 van het Verdrag) en is van toepassing op de lopende zaken . Artikel 5.3 van het BVIE bepaalt dat de rechten die onder de eenvormige Beneluxwet op de merken onderscheidenlijk de eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen bestonden, gehandhaafd worden. Het BVIE stemt overeen met de Richtlijn 98/71/EG van 13 oktober 1998 van het Europees Parlement (PB. 1998, L 289, 28) en het Protocol van 20 juni 2002 houdende wijziging van de Benelux Tekeningen en Modellenwet (BTMW) (B.S., 14 maart 2003, 5de ed.), van kracht sedert 1 december
- Artikel 2.26 BVIE bepaalt dat het recht op een merk vervallen verklaard wordt voor zover na de datum van de inschrijving gedurende een ononderbroken tijdvak van 5 jaren zonder geldige reden geen normaal gebruik van het merk gemaakt is binnen het Beneluxgebied voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven.
- De vijf jaren worden teruggerekend vanaf de datum van dagvaarding. In deze zaak is de referentieperiode derhalve 12 oktober 1999 tot 11 oktober
- Niettegenstaande de afwezigheid van een hoofding, een datum en een referentieperiode op het bewijsstuk van de onbruik van het woordmerk "Pierre de Lune" (stuk 2 van het dossier van geïntimeerden), acht het Hof dit stuk een voldoende bewijs van de stelling van geïntimeerde opdat zij aan haar bewijslast (artikel 870 Ger. Wb.) voldoet. Het is dan ook aan appellanten om het normaal gebruik van het woordmerk aan te tonen.
- Om aan hun bewijslast tegemoet te komen, moeten appellanten in deze zaak aantonen dat het woordmerk "Pierre de Lune" zo gebruikt is dat voor de consument de herkomst en de identiteit van oorsprong van "Pierre de Lune" gewaarborgd zijn. Het Hof hecht verder niet zozeer belang aan de kwantiteit van de verkopen, in die zin dat het in beginsel mogelijk is dat een "ambachtelijk" parfum, dat niet via de geijkte kanalen, zoals grote parfumketens verkocht wordt, maar via internet en via mond-aan-mondreclame, beschermd wordt door een woordmerk. Wel dient er bewezen worden dat het parfum gestaag en systematisch op de markt gebracht wordt en verkocht wordt onder de betrokken merknaam. Welnu, appellanten brengen hiervan het bewijs niet bij. Een (groot) deel van de voorgelegde stukken tonen een verkoop aan voor 12 oktober 1999 en kunnen om die reden niet in aanmerking genomen worden. Drie verklaringen van aankoop dateren van september 2004; één van december
- Dit is onvoldoende om tot een gestage en systematische aanwezigheid op de markt gedurende vijf jaar zonder onderbreking te besluiten. De fiscale aangiften tonen aan welke handelsactiviteit er geweest is in de betrokken jaren, maar laten niet toe te besluiten dat het om een verkoop van het merk "Pierre de Lune" gaat. Appellanten weerleggen niet dat zij ook nog over een aantal andere woordmerken voor parfums beschikken, zodat niet uitgesloten kan worden dat de handelsactiviteit (ook) op andere parfums of zelfs op andere activiteiten betrekking heeft.
- Appellanten slagen er niet in aan te tonen dat zij door overmacht geen normaal gebruik konden maken van hun merk. De getuigschriften van ziekte van Mevrouw L. betreffen enkel het najaar van
- Van de Heer L. gaat het om een periode in het najaar van 2002 en de zomer van
- Enkel een beperkte periode van ziekte is derhalve aangetoond. Bovendien werpen appellanten ook niet op dat zij zich gedurende deze periode of langere tijd hebben laten vervangen, of een andere inspanning hebben geleverd om hun merk in stand te houden, zodat het niet door onbruik of niet normaal gebruik zou komen te vervallen.
- Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat het merk niet normaal gebruikt werd van oktober 1999 tot oktober 2004 en dat het merk om die reden vervallen is. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. De tussenvordering
- Gesteld dat een schadevergoeding verschuldigd zou zijn (hoewel appellanten daarvoor zelfs geen rechtsgrond aanbrengen), dan nog brengen appellanten zelfs geen begin van bewijs van hun stock, specifiek voor het merk "Pierre de Lune" bij. Een loutere bewering is onvoldoende. Om die reden wordt de vordering als ongegrond afgewezen. De vordering van geïntimeerde tot het betalen van 1) een schadevergoeding van euro 30.000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep en 2) de advocatenkosten
- Beide vorderingen hebben dezelfde rechtsgrond: beide vormen een toepassing van artikel 1382 B.W.. Voor geen van beide zijn de voorwaarden van artikel 1382 B.W. vervuld. Geïntimeerde moet aantonen dat een gemiddeld zorgvuldige merkhouder, in dezelfde omstandigheden geplaatst, geen hoger beroep zou aangetekend hebben. Welnu, het hoger beroep van appellanten wijkt niet af van deze standaard, zelfs als weinig elementen ter staving van hun stelling bijgebracht worden. Het ongegrond zijn van het hoger beroep staat niet gelijk met elke grond missen en redelijkerwijze geen enkele kans op slagen hebben. Voor het eerst in graad van beroep brengen zij fiscale bewijzen bij van hun handelsactiviteit. Dat appellanten hun procesrecht misbruikt zouden hebben, is niet aangetoond. Dit onderdeel van de vordering wordt als ongegrond afgewezen.
- Om dezelfde reden wordt de vordering tot vergoeding van de advocatenkosten afgewezen. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. worden appellanten tot betaling van de kosten veroordeeld. V. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. Het Hof veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: Geïntimeerde: rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 485,87 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op zeven mei tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.