← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070625.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070625.3 Rolnummer: 2005/AR/2529 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-08-21 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 15:50 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) Vrije woorden: Factuur--laattijdig uitgeschreven factuur en haar resterende bewijskracht--terugsturen van de factuur is een algemeen protest dat nadien niet meer herhaald moet worden--protest binnen redelijke termijn--bewijswaarde van de factuur in geval protest. Tekst van de beslissing in de zaak van : B.V.B.A. L.V.H. HOUTBEWERKING, met vennootschapszetel te 8530 Harelbeke, Stasegemdorp 64 en met ondernemingsnummer 0455 544 754, appellante, hebbende als raadsman mr. Geert Sustronck, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 10, tegen B.V.B.A. INTERNI, met vennootschapszetel te 2610 Antwerpen - Wilrijk, Neerland 11 en met ondernemingsnummer 0433 943 851, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jorden Wouters, advocaat met kantoor te 1700 Dilbeek, Kaudenaardestraat 13, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

  1. Bestreden beslissing: het vonnis van de eerste kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (04/3089/A) van 2 juni
  2. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 13 oktober
  3. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. Het Hof hoorde de partijen in openbare zitting en nam kennis van hun middelen en stukken. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
  4. De overblijvende betwisting betreft de vraag naar de precieze inhoud van de overeenkomst tussen partijen en daaruit voortvloeiend de vraag of geïntimeerde al dan niet de facturen van appellante verschuldigd is.
  5. Op 15 mei 2003 ontvangt geïntimeerde een factuur van appellante voor een bedrag van euro 10.859,75 voor werken door appellante uitgevoerd in het atelier van geïntimeerde en voor het afwerken van een stand op de beurs ¿Classics¿ te Kortrijk. De factuur vermeldt ¿detail reeds in uw bezit¿. Geïntimeerde deelt mee dat ze 1 maal exposeerde op ¿Classics¿, namelijk in
  6. Op 2 juni 2003 zendt geïntimeerde het origineel van de factuur terug naar appellante. Zij schrijft erop ¿geen bestelling¿ en ¿geweigerd¿ (stuk 1 van het dossier van geïntimeerde). Appellante stuurt de teruggestuurde factuur nogmaals terug, met erbij geschreven ¿Dit waren werken zonder bestelbon die gevraagd waren door Y, uit te voeren in regie¿ (stuk 2 van het dossier van geïntimeerde). Op 26 september 2003 schrijft appellante onder meer het volgende naar geïntimeerde (stuk 3 van het dossier van deze laatste): ¿Naar aanleiding van ons telefoongesprek van vorige vrijdag waarbij u beloofde om de betalingen te laten uitvoeren zijn wij zo vrij u hieraan te herinneren daar wij nog steeds niets mochten ontvangen. ...¿. Dezelfde dag repliceert geïntimeerde met de melding dat een deel betaald wordt en dat de thans betwiste factuur geweigerd werd (stuk 4 van het dossier van geïntimeerde). Appellante maant daarna nog eenmaal aan, waarna geïntimeerde nogmaals naar haar eerdere weigering en terugsturing verwijst.
  7. Op 15 april 2003 vraagt appellante aan geïntimeerde: ¿Er zijn bij jullie nog 4 eiken kasten (reeds van lang geleden) die werden nooit gefactureerd. Kunt u deze laten klaar zetten om terug mee te nemen aub. Of mogen deze toch gefactureerd worden?¿ (stuk 17 van het dossier van appellante). In de reeds geciteerde brief van 26 september 2003 eindigt appellante als volgt: ¿Mogen wij ook nog eens herinneren aan de 4 eiken boekenkasten die nog bij jullie staan. Mogen deze nu gefactureerd worden of staan deze klaar voor afhaling?¿ (stuk 3 van het dossier van geïntimeerde). De dossiers bevatten geen enkel antwoord van geïntimeerde op deze brieven. Op 8 april 2004 factureert appellante de kasten (stuk 7 van het dossier van geïntimeerde). Geïntimeerde protesteert op 13 mei
  8. Zij schrijft: ¿Reeds meer dan twee of drie jaar geleden deelden wij mede dat de betrokken goederen in het geheel niet beantwoorden aan het gevraagde en we deze ter uwer beschikking houden in ons depot.¿ (stuk 8 van het dossier van geïntimeerde).
  9. De raadsman van appellante stelt geïntimeerde in gebreke op 10 mei 2004 en dagvaardt op 16 augustus
  10. De eerste rechter verklaart de vordering van huidige appellante enkel gegrond wat het verzoek om machtiging tot het terughalen van de 4 eiken kasten betreft. De vordering tot betalen van de facturen wordt verworpen. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
  11. Appellante vraagt een nieuwe beoordeling van haar zaak en vordert de toekenning van haar vordering, zoals in de dagvaarding bepaald. Zij werpt op: - met betrekking tot de oudste factuur, van 15 mei 2003, voor een bedrag van euro 10.859,75: 1) het terugzenden van de factuur houdt op zich geen protest in; 2) het protest is laattijdig; 3) het protest is ongegrond - de werken zelf werden nooit betwist. - met betrekking tot de factuur van 8 april 2004 voor een bedrag van euro 3.630,00: 1) het protest is laattijdig; 2) het protest is ongegrond.
  12. Geïntimeerde vraagt het bestreden vonnis te bevestigen. IV. Beoordeling DE OUDSTE FACTUUR, VAN 15 MEI 2003, VOOR EEN BEDRAG VAN euro 10.859,75:
  13. Appellante wachtte 4 jaar na de werken om haar factuur uit te sturen. Hierdoor heeft de factuur haar normale bewijskracht verloren. Zij heeft enkel nog de bewijswaarde van een vermoeden. Appellante biedt een getuigenverhoor aan. In deze zaak kan dit geen uitkomst bieden. Immers, de werken werden besteld door de heer Y. Deze persoon is inmiddels overleden. Het verhoor van andere werknemers van appellante zal niet aan het licht kunnen brengen welke afspraken precies gemaakt werden tussen de heer Y en de verantwoordelijke van appellante. Zij kunnen enkel getuigen dat de werken uitgevoerd werden, wat evenwel niet echt ter discussie staat.
  14. Geïntimeerde stuurde de factuur terug, wat, in tegenstelling tot wat appellante schrijft, een algemeen protest uitmaakt. Een dergelijk protest moet daarna niet meer herhaald worden. Dit moet ook niet herhaald worden nadat geïntimeerde de factuur terugstuurde met de vermelding dat de werken door de heer Y gevraagd waren, zonder bestelbon. Niet alleen vermeldde de teruggezonden factuur ¿geen bestelling¿, er stond ook bijgeschreven ¿geweigerd¿. Het dossier bevat geen stukken die de verengde interpretatie van de vermelding ¿geen bestelling¿, die appellante naar voren schuift, ondersteunen. Het is niet uitgesloten dat ¿geen bestelling¿ verwijst naar een afspraak met de heer Y, waarbij de werken anders of niet verrekend zouden worden. Er is onvoldoende duidelijkheid. Aangezien de bewijslast bij appellante ligt (toepassing van artikel 870 Ger. Wb. en 1315 B.W.) en er onvoldoende sluitend bewijs is, wordt de vordering afgewezen. Het protest is bovendien tijdig. Achttien dagen na het ontvangen van de factuur is in de gegeven omstandigheden in deze zaak niet onredelijk. Appellante wachtte 4 jaar om te factureren. Het is aannemelijk dat geïntimeerde enige tijd nodig had om een en ander na te gaan.
  15. In tegenstelling tot wat appellante argumenteert, is geen kwade trouw aangetoond. Kwade trouw kan niet afgeleid worden uit het feit dat de werken als zodanig niet werden geprotesteerd, maar enkel werd gezegd dat er geen bestelling gebeurde. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat het niet uitgesloten is dat de heer Y een welbepaalde afspraak maakte, waarvan de precieze modaliteiten thans helaas niet meer achterhaald kunnen worden. Appellante komt niet tegemoet aan haar wettelijke bewijslast.
  16. Kosteloosheid wordt inderdaad niet vermoed, zoals appellante terecht schrijft. Dit beginsel vindt hier evenwel geen toepassing, nu de mondelinge afspraak tussen de heer Y en appellante niet nader aangetoond wordt en niet uitgesloten kan worden dat partijen een andere betalingsregeling troffen.
  17. Het vermoeden van de factuur wordt derhalve door geen enkel stuk of ander bewijsmiddel ondersteund en kan dan ook niet aanvaard worden. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. DE FACTUUR VAN 8 APRIL 2004 VOOR DE 4 EIKEN BOEKENKASTEN, VOOR EEN BEDRAG VAN euro 3.630,00
  18. Geïntimeerde protesteerde deze factuur van 8 april 2004 pas op 13 mei 2004 en dan nog pas nadat zij een aangetekende ingebrekestelling ontvangen had op 10 mei 2004 (stuk 9 van het dossier van appellante). Het stilzwijgen bij de ontvangst van facturen geldt als vermoeden van de aanvaarding ervan. Inderdaad rust op de handelaars de verplichting om te reageren op stukken, wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan (Cass. 6 december 1985, R.W., 1985-1986, 2916; DIRIX, E. en BALLON, G., L, De factuur, in: A.P.R., 1993, nr. 203, p. 115, tweede en derde alinea en de aldaar aangehaalde eensluidende doctrine en rechtspraak; FREDERICQ, L., Handboek van Belgisch handelsrecht, I, 1976, 252, nr. 220; STORME, M.E., ¿Bewijs en verbintenisrechtelijke beschouwingen¿, T.B.H., 1991, p. 480, nr. 12; VAN RYN, J. en HEENEN, J., Principes de droit commercial, III, 1981, nr. 14, pp. 19-21). Het niet protesteren van de factuur binnen een redelijke termijn brengt de aanvaarding ervan met zich mee. Met redelijke termijn wordt bedoeld de termijn die daartoe redelijkerwijze nodig is, gelet op de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de gegevens van de factuur (Kh. Brussel, 13 november 1990, T.B.H., 1991, 544; DIRIX, E. en BALLON, G., L., op. cit., nrs. 203, 211 en 213 met referenties naar de rechtspraak). Dit vermoeden is omkeerbaar en uit de omstandigheden eigen aan de zaak kan voortvloeien dat het stilzwijgen niet als een aanvaarding mag worden beschouwd (VAN RYN, J. en HEENEN, J., Principes de droit commercial, III, 1981, nr. 14, p. 20; DIRIX, E. en BALLON, L., De Factuur, in A.P.R., 1993, nr. 210, p. 119). Eens vastgesteld dat de facturen aanvaard zijn, leveren ze het bewijs van de verbintenissen die zij inhouden en kan geen tegenbewijs worden toegelaten (DIRIX, E. en BALLON, L., De Factuur, in A.P.R., 1993, nr. 191, p. 109-110). In de gegeven omstandigheden van de zaak is dit protest laattijdig. Er zijn geen elementen voorhanden waaruit afgeleid zou moeten worden dat het stilzwijgen gedurende de periode van 8 april tot 15 mei niet als aanvaarding mag beschouwd worden. De factuur is aanvaard, met inbegrip van de algemene voorwaarden. Bovendien heeft geïntimeerde niet gereageerd op de vraag van appellante in haar brief van 15 april 2003, noch op de vraag van appellante in haar brief van 26 september 2003 (zie hiervoor r.o. nr. 5). Indien geïntimeerde de kasten niet wenste, had zij dat toen moeten melden en de kasten zoals gevraagd ter beschikking stellen. Had zij de kasten eerder mondeling geweigerd, dan had zij voorzichtigheidshalve dit op dat ogenblik schriftelijk moeten herhalen. De bewijslast van de weigering van de kasten wegens eventuele gebreken rust op geïntimeerde. De houding van geïntimeerde ten opzichte van de boekenkasten contrasteert ook met haar houding ten opzichte van de oudste factuur. Bij deze laatste reageerde zij wel vrij stipt, wat niet zo is in het eerste geval. Het tijdsverloop tussen het leveren van de kasten en de factuur ervoor is ook hier lang, maar niet abnormaal nu appellante in tussentijd nog gevraagd heeft naar het standpunt van geïntimeerde. Dat appellante na haar brief van 26 september 2003 nog een zevental maanden gewacht heeft om te factureren is lang, maar niet abnormaal. Het is in deze zaak ook niet onzorgvuldig te noemen. Er is niet aangetoond dat appellante zou verzaakt hebben aan het factureren of het terug ophalen van de boekenkasten. Verzaking moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn. In de voorliggende zaak kan het gedrag van appellante niet als zodanig aangemerkt worden. Er is ook onvoldoende aangetoond dat appellante het vertrouwen zou gewekt hebben dat zij de boekenkasten zou factureren, noch terughalen en dat deze derhalve gratis zouden geleverd worden aan geïntimeerde. Een misbruik van recht is in deze zaak niet aangetoond. Geïntimeerde bewijst ook niet dat zij ooit zou gemeld hebben dat of geprotesteerd hebben omwille van het feit dat de boekenkasten zouden gebrekkig geweest zijn. Bij toepassing van artikel 1231 §1 B.W. wordt het percentage van het conventionele schadebeding en van de conventionele intrestvoet van de algemene factuurvoorwaarden verminderd tot de percentages die op datum van dit arrest van toepassing zijn op grond van de wet van 2 augustus 2002 inzake de betalingsachterstand bij handelstransacties, namelijk 11%.
  19. - Op grond van het voorgaande wordt dit onderdeel van het bestreden vonnis hervormd. Geïntimeerde wordt veroordeeld om aan appellante de som te betalen van euro 3.630,00, te vermeerderen met ¿ een schadebeding van 11%; ¿ de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op het schadebeding; ¿ de vergoedende intrest op de hoofdsom aan 11% vanaf 30 juni 2004 tot aan de dagvaarding en met de gerechtelijke rente, eveneens aan 11% vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling. DE KOSTEN
  20. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van twee derde van de kosten van beide aanleggen veroordeeld en geïntimeerde tot betaling van één derde ervan. V. Beslissing Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, maar enkel gegrond in de hierna volgende mate. Het bestreden vonnis wordt beperkt hervormd, in zoverre het de vordering tot betaling van de factuur van 8 april 2004 verwierp. Het Hof: - veroordeelt geïntimeerde om aan appellante de som te betalen van euro 3.630,00, te vermeerderen met ¿ een schadebeding van 11%; ¿ de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op het schadebeding; ¿ de vergoedende intrest op de hoofdsom aan 11% vanaf 30 juni 2004 tot aan de dagvaarding en met de gerechtelijke rente, eveneens aan 11% vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling; - verwerpt de overige vordering; - veroordeelt appellant tot betaling van twee derde van de kosten en geïntimeerde tot betaling van één derde ervan, bepaald als volgt: Appellante: Dagvaarding: euro 243,89 Rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97 Rolstelling hoger beroep: euro 186,00 Rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 485,87 Geïntimeerde: Rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97 Rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 485,87 Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zevende kamer, recht doende in burgerlijke zaken op vijfentwintig juni tweeduizend en zeven. Aanwezig : H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, A. Ferdinande, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.