id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070626.2 Rolnummer: 1/VR/2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-06-26 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-07-04 03:18 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht Tekst van de beslissing 1. Wat betreft het voorrecht van rechtsmacht 1.1. De wettelijke voorschriften 1.1.1. Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten, met inbegrip van de plaatsvervangende magistraten, en op bepaalde andere ambtsdragers, werd door de wetgever ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld (vgl. Arbitragehof, 14/07/1994, BS, 27.7.1994). 1.1.2. Daarom werd krachtens de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van strafvordering aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de exclusieve bevoegdheid tot het instellen van de strafvordering toegekend ten aanzien van al degenen die voorrecht van rechtsmacht genieten, alsook ten aanzien van personen die wegens dezelfde of samenhangende feiten worden vervolgd. 1.1.3. Het instellen van de strafvordering impliceert het aanhangig maken van een zaak bij de strafrechter. Eens de strafvordering ingesteld kan het openbaar ministerie niet meer over de strafvordering beschikken; het openbaar ministerie oefent de strafvordering uit, stelt de strafvordering in, maar - eens de rechter (rechtscollege) gevat - dient er een rechterlijke beslissing tussen te komen betreffende het lot van de ingestelde strafvordering. 1.1.4. Bij voorrecht van rechtsmacht wordt de strafvordering door de procureur-generaal pas ingesteld door de dagvaarding ten gronde voor het hof van beroep (lees en vergelijk Cass. 03/09/1986, rolnummer 4918, en Cass. 01/04/1996, rolnummer P. 96.0171.F., www.cass.be). 1.1.5. De procureur-generaal kan de eerste voorzitter van het hof van beroep vorderen om een magistraat aan te wijzen die met het gerechtelijk onderzoek wordt belast. 1.1.6. De magistraat die het ambt van onderzoeksrechter uitoefent voert een gerechtelijk strafonderzoek conform de regels van het wetboek van strafvordering, doch met die restrictie dat alleen de wetsbepalingen die het prerogatief van de procureur-generaal tot het instellen van de strafvordering niet in het gedrang brengen van toepassing kunnen zijn. Dit heeft tot gevolg: § dat de burgerlijke partij de strafvordering tegen een persoon die is onder-worpen aan het voorrecht van rechtsmacht niet kan in werking stellen door een rechtstreekse dagvaarding of door een klacht met burgerlijke partij-stelling bij de onderzoeksrechter; § dat de strafvordering bij voorrecht van rechtsmacht niet wordt ingesteld door de vordering van de procureur-generaal om een magistraat te laten aanwijzen die met het gerechtelijk onderzoek wordt belast; zoals hoger gesteld wordt de strafvordering pas ingesteld door de dagvaarding voor het hof van beroep; na voltooiing van het onderzoek heeft de procureur-generaal nog steeds het monopolie over de strafvordering en kan hij nog steeds beslissen of hij vervolgt dan wel seponeert; § dat de tussenkomst van de onderzoeksgerechten is uitgesloten behalve bij niet correctionaliseerbare misdaden en in geval de procureur-generaal de correctionalisering niet wenselijk acht; de verwijzing naar het hof van assisen gebeurt door de kamer van inbeschuldigingstelling op vordering van de procureur-generaal. In dit geval wordt de strafvordering ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen; ook hier blijft de procureur-generaal bevoegd om te beslissen of hij vervolging al dan niet nodig acht. Men kan het zo voorstellen dat het optreden van de kamer van inbeschuldigingstelling in dit geval onontbeerlijk is om in het vonnisgerecht (het hof van assisen) ¿binnen¿ te geraken, niet om, als zodanig, ¿uit¿ het onderzoek te geraken. Een sepotbeslissing van de procureur-generaal moet hier volstaan, juist zoals de procureur-generaal, mocht er geen onderzoek gevorderd zijn, een misdaad kan seponeren (lees en vergelijk R. Declercq, Onderzoeksgerechten, APR, nr 53); § dat de wetsbepalingen van artikel 127 e.v. van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot de regeling van de procedure bij het beëindigen van het gerechtelijk strafonderzoek niet van toepassing zijn; bij het afsluiten van het onderzoek deelt de onderzoeksrechter het dossier mee aan de procureur-generaal, die - zonder tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling - beslist welk gevolg hij aan de procedure wenst te geven; hij kan rechtstreeks dagvaarden voor het hof van beroep of seponeren (of een vordering nemen tot verwijzing naar het hof van assisen - cfr hoger); § immers: de procedureregeling overeenkomstig het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering impliceert de tussenkomst van een onderzoeksgerecht (kamer van inbeschuldigingstelling), wat - zoals hoger gesteld - bij voorrecht van rechtsmacht is uitgesloten, nu dergelijke tussenkomst het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang brengt; § dat aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij derhalve niet het in artikel 127 §3 van het Wetboek van strafvordering vermelde recht wordt verleend om tot de onderzoeksrechter een verzoek te richten tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen; zij kunnen de onderzoeksrechter wel verzoeken tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen doch dit verzoek schept geen afdwingbaar recht in hoofde van de inverdenkinggestelde en van de burgerlijke partij zodat ze - bij afwijzing van hun vraag - geen hoger beroep kunnen instellen tegen een afwijzende beslissing van de onderzoeksrechter; ze kunnen zich wel nog steeds tot de bodemrechter wenden; § dat aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij geen beroeps-mogelijkheid voorzien in het artikel 61 quinquies van het Wetboek van strafvordering wordt geboden gezien dergelijke mogelijkheid het prerogatief van de procureur-generaal aantast; immers: de procedure voorzien bij artikel 61 quinquies van het Wetboek van strafvordering voorziet in een beroepsmogelijkheid tegen de beschikking van de onderzoeksrechter zodat ook in dit geval het onderzoeksgerecht wordt gevat, wat het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang brengt; de procureur-generaal moet trouwens op elk ogenblik in de mogelijkheid zijn de strafvordering in te stellen wat impliceert dat geen enkele procedure, die dergelijke mogelijkheid kan in de weg staan, toepassing kan vinden. § dat bij ontstentenis van de onderzoeksgerechten er geen regeling van de procedure plaats vindt en het de procureur-generaal is, die beslist of en wanneer hij de strafvordering instelt, zoals dat trouwens ook het geval is bij de procedure op rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings na een opsporingsonderzoek; § dat zulks impliceert dat de ontlasting van de raadsheer - onderzoeksrechter (of, zoals in voorliggend dossier, de kamervoorzitter-onderzoeksrechter), hetwelk niet kan gebeuren door een onderzoeksgerecht, plaats vindt op het ogenblik dat de procureur-generaal daartoe beslist; § dat het precieze ogenblik van de ontlasting in hoofde van de raadsheer - onderzoeksrechter afhangt van feitelijke elementen waaruit de beslissing van de procureur-generaal ondubbelzinnig blijkt; ongetwijfeld is dit zo wanneer de procureur-generaal overgaat tot rechtstreekse dagvaarding en aldus de strafvordering instelt; wanneer de procureur-generaal, na mededeling van het dossier door de onderzoeksrechter, geen bijkomende vorderingen meer neemt ten aanzien van de onderzoeksrechter dient geconcludeerd dat de onderzoeksrechter is ontlast van het onderzoek bij het meedelen van het dossier aan de procureur-generaal, die van dan af beslist over het verloop van de strafvordering; § dat de procedure overeenkomstig het artikel 136 van het Wetboek van strafvordering evenmin toepassing kan vinden gezien ook hier de tussenkomst van het onderzoeksgerecht (de kamer van inbeschuldigingstelling) is voorzien, wiens bevoegdheden het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang kunnen brengen. 1.1.7. Het lijdt geen twijfel dat de bepalingen van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek krachtens de bepalingen van het artikel 502 van het Wetboek van strafvordering ook toepassing dienen te vinden bij de procedure voorrecht van rechtsmacht nu de personen die titularis zijn van het voorrecht van rechtsmacht dezelfde rechten genieten als de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn, met die beperking evenwel dat de wetsbepalingen van de wet van 12 maart 1998 slechts van toepassing zijn in zoverre niet strijdig met de procesvormen, voorgeschreven door de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering. De bepalingen van de wet van 12 maart 1998 dienen dan ook toegepast te worden in de procedure op basis van het voorrecht van rechtsmacht met inachtneming van het prerogatief van de procureur-generaal, hetgeen onder meer impliceert dat er geen regeling van de procedure door de onderzoeksgerechten plaats vindt. 1.2. Toepassing op de thans te beoordelen zaak Vooreerst weze opgemerkt dat de procureur-generaal in de thans voorliggende zaak kennelijk de bepalingen van de wet van 12 maart 1998 heeft geïmplementeerd: § gelet op de aard en de omvang van het onderzoek werd reeds in een vroeg stadium van het gerechtelijk onderzoek - en dit voor wat betreft het onderzoek dat werd gevoerd op basis van de voorschriften inzake voorrecht van rechtsmacht - aan de partijen de mogelijkheid geboden het dossier in te zien en het verloop van het onderzoek op de voet te volgen; § de onderzoeksrechter werd de mogelijkheid geboden om - in de mate dat hij zulks mogelijk achtte in de context van het door hem gevoerde onderzoek en met respect van de rechten van alle betrokken partijen - in te gaan op verzoeken van de inverdenkinggestelden tot het uitvoeren van bijkomende onderzoeksverrichtingen; § de procureur-generaal heeft met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop hij de strafvordering zou instellen, alsook met betrekking tot de feiten die hij meende te moeten vervolgen, op transparante wijze gecommuniceerd met alle partijen; § bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek heeft de procureur-generaal de inverdenkinggestelden de mogelijkheid geboden om eventueel nog aanvullende onderzoekshandelingen te vragen aan de onderzoeksrechter die hiertoe het dossier tijdelijk ter beschikking kon behouden. Het hof is van oordeel dat aldus enerzijds het prerogatief van de procureur-generaal en anderzijds de door de wet van 12 maart 1998 gecreëerde rechten werden gerespecteerd. De hierboven geschetste principes met betrekking tot de procedure ¿voorrecht van rechtsmacht¿ laten toe de verder in dit arrest vermelde conclusies te trekken ten aanzien van de door de negende, de dertiende, de zestiende, de zeventiende, de achttiende en de negentiende beklaagde aangevoerde argumenten, die betrekking hebben op het voorrecht van rechtsmacht. * * * * * * * * * 2. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007 De beklaagde, [...], zet in zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 31.05.2007 van het hof neergelegde conclusie uiteen dat hij voor de noodwendigheden van zijn verdediging zou dienen te beschikken over een exacte digitale kopie van de overtuigingsstukken neergelegd onder staat 01/895, en dat hiertoe een deskundige moet worden aangesteld met opdracht: · contact op te nemen met de griffie en met de voornoemde beklaagde ten einde zich ervan te vergewissen welke tapes zoals neergelegd onder OS 01/895 men wenst te kopiëren en welke hardware-apparatuur hiervoor noodzakelijk is; · de digitale gegevensdragers neergelegd onder nummer OS 01/895, waarvan een kopie wordt gewenst, uit te lezen met een gepast toestel; · een exacte kopie van de gegevens over te schrijven op een digitale drager die door de voornoemde beklaagde wordt ter beschikking gesteld. * * * * * * * * * Ter zake acht het hof het aangewezen, vooraleer te oordelen omtrent het verzoek van de beklaagde [...], eerst zelf deskundig advies in te winnen nopens de haalbaarheid van de verrichtingen zoals beschreven in de hoger geciteerde opdracht; het hof verwijst naar de deskundigenopdracht zoals omschreven in het beschikkend gedeelte van dit arrest. * * * * * * * * * 3. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde [...] werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 06.06.2007 (waarbij het hof opmerkt dat in de op 06.06.2007 neergelegde conclusie uitdrukkelijk wordt vermeld dat diezelfde conclusie een voorheen, namelijk op de terechtzitting van 23.05.2007, neergelegde conclusie vervangt) en 13.06.2007 3.1. Nopens het opgeworpen middel van onontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge beweerde miskenning van de procedure van voorrecht van rechtsmacht Het hof voegt de beoordeling omtrent dit middel bij de beslissing over de grond van de zaak. 3.2. Nopens de beweerde onrechtmatigheid van de huiszoeking dd. 21.04.2004 3.2.1. De aanwezigheid van stafhouder [...], zijnde een kantoorgenoot van een van de curatoren van de [...] (namelijk Meester [...]), bij de op 21.04.2004 uitgevoerde huiszoeking bij de beklaagde [...] is geenszins van aard een ¿schijn van partijdigheid¿ in hoofde van de onderzoekende gerechtelijke overheid op te wekken. 3.2.2. De aanwezigheid van een stafhouder bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat houdt immers niet in dat hij zelf daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de betrokken advocaat gezien hij daartoe geen enkele bevoegdheid heeft; hij is geen betrokken overheid die kennis neemt van het onderzoek of een standpunt inneemt over de grond van de vervolging (lees en vgl. Cass., 18.05.2006, rolnummer D050015N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.8, www.cass.be). Van enige beweerde ¿actieve betrokkenheid¿ van de voornoemde stafhouder in de eigenlijke onderzoeksdaden is overigens manifest geen sprake, gelet op de inhoud van het proces-verbaal dd. 21.04.2004 van afstapping en huiszoeking (onderdeel II.I.6.08.b, kaft 157, stuk 10) en waarin overigens duidelijk blijkt dat de stafhouder Boedts aan de beklaagde [...] meedeelde dat zijn aanwezigheid er zich toe beperkte erop toe te zien dat vertrouwelijke stukken die door het beroepsgeheim zijn gedekt niet werden ingekeken. 3.2.3. Er zijn dan ook geen redenen om de huiszoeking dd. 21.04.2004 nietig te verklaren en het eventueel daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal uit het dossier te weren. * * * * * * * * * 4. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 30.05.2007 en 13.06.2007 4.1. De argumenten van deze beklaagde worden afdoende beantwoord door wat hoger (onder rubriek 1 van dit arrest) werd gesteld nopens de procedure voorrecht van rechtsmacht. Tevens verwijst het hof naar zijn beslissing (zie verder onder rubriek 7 van dit arrest) omtrent de argumenten van [...] (argumenten waar de beklaagde [...] in zijn conclusies naar verwijst). Op 26 juni 2006 deelde de kamervoorzitter-onderzoeksrechter het dossier mee aan de procureur-generaal waardoor het onderzoek werd afgesloten. Vanaf dat ogenblik berustte de beslissing nopens het al dan niet instellen van de strafvordering bij de procureur-generaal. De procureur-generaal heeft op dat ogenblik beslist om niet meteen tot dagvaarding over te gaan maar om de partijen de gelegenheid te geven om desgewenst de onderzoeksrechter om aanvullende onderzoekshandelingen te verzoeken. Tevens bepaalde de procureur-generaal een termijn binnen dewelke zulks kon geschieden en heeft de partijen tevens ingelicht van zijn voornemen om nadien tot dagvaarding over te gaan. Het behoort tot de exclusieve beslissingsmacht en derhalve ook tot de verantwoordelijkheid van de procureur-generaal om het ogenblik te bepalen waarop hij tot dagvaarding wenst over te gaan zoals dat ook het geval is bij de procedure in gemeen recht waar de procureur des Konings rechtstreeks dagvaardt na een opsporingsonderzoek. Een voorbarige dagvaarding kan mogelijk een afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie tot gevolg hebben en zelfs tot vrijspraak van een beklaagde leiden, zo het opsporingsonderzoek ondeugdelijk of onvolledig is of werd gevoerd met miskenning van de rechten van de beklaagde. Voormeld principe is ook op deze zaak toepasbaar, doch ter zake stelt het hof vast dat het feit dat sommige onderzoekshandelingen niet of nog niet volledig waren uitgevoerd op het ogenblik dat tot dagvaarding werd overgegaan de rechten van de beklaagden niet aantast vermits: § alle door de kamervoorzitter-onderzoeksrechter gevraagde onderzoeksdaden werden uitgevoerd en aan het dossier zijn toegevoegd, met uitzondering van 1 onderzoekshandeling waarvan de uitvoering thans nog lopende is en waarvan de resultaten eveneens nog aan het strafdossier zullen toegevoegd worden (cfr. de inhoud van de conclusies die op de terechtzitting van 13.06.2007 werden neergelegd door het openbaar ministerie); § het bevel tot dagvaarding geenszins verhindert dat partijen al hun vragen en opmerkingen aangaande de uitvoering en resultaten van de aanvullende onderzoekshandelingen zouden voorleggen aan de bodemrechter (dit hof), zoals dit trouwens ook het geval is wanneer de procureur des Konings vervolging instelt bij rechtstreekse dagvaarding in het gemeen recht waarbij er van een gerechtelijk onderzoek en een procedureregeling door het onderzoeksgerecht evenmin sprake is; evenmin verhindert het bevel tot dagvaarding dat de partijen aan dit hof eventuele vragen tot het laten uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen zouden formuleren; het recht op een eerlijk proces voor de beklaagden komt in het licht van de voorgaande overwegingen dan ook manifest niet in het gedrang. 4.2. Wat de geformuleerde prejudiciële vragen betreft: 4.2.1. Nopens de eerste vraag (gesuggereerd in de ¿globaliserende eerste conclusie¿, pag. 14, bovenaan): gelet op wat hoger werd gesteld nopens de niet toepasselijkheid van het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering in geval van voorrecht van rechtsmacht is deze vraag niet relevant nu het antwoord op die vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. 4.2.2. Nopens de tweede vraag (gesuggereerd in de ¿globaliserende eerste conclusie¿, p. 25, onder punt 15): verwijzend naar wat hoger werd gezegd nopens het verloop van het gerechtelijk strafonderzoek en de erop toepasselijke bepalingen in geval van voorrecht van rechtsmacht, waarbij enkel dient rekening gehouden met de restricties, bepaald bij het artikel 502 van het Wetboek van strafvordering, zoals vermeld, is er naar het oordeel van het hof geen twijfel of onduidelijkheid nopens de terzake toepasselijke procedureregels, zodat de artikelen 55 - 90 undecies, 127 en 479 - 482bis en 502 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 12, 2° lid en 14 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 EVRM, artikel 7 van het BUPO-Verdrag en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden en er dan ook geen aanleiding is om deze vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 4.2.3. Nopens de derde vraag (gesuggereerd in de ¿globaliserende eerste conclusie¿, p. 27 onder punt 17): ook hier dient verwezen naar wat hoger werd gesteld nopens de niet toepasselijkheid van het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering in geval van voorrecht van rechtsmacht alsook naar wat het hof heeft gesteld met betrekking tot de vierde en de vijfde prejudiciële vraag van de beklaagde [...] (zie rubriek 7.6 van dit arrest). Het hof is dan ook van oordeel dat de artikelen 127 en 479-482bis en 502 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM en 14 BUPO-Verdrag klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om deze prejudiciële vraag aan het grondwettelijk hof voor te leggen. 4.3. Met betrekking tot de ¿tweede conclusie¿ van de beklaagde [...], zoals neergelegd op de terechtzitting dd. 30.05.2007, moet vastgesteld worden dat het daarin ontwikkelde middel dermate nauw verbonden is met het eerste middel zoals opgeworpen door de beklaagde, [...], (cfr. rubriek 3.1 van dit arrest) dat de beoordeling eveneens wordt gevoegd bij de beslissing over de grond van de zaak. * * * * * * * * * 5. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagden, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 23.05.2007 Het hof voegt de beslissing omtrent de middelen die door de beklaagden, [...], in hun regelmatig ter terechtzitting dd. 23.05.2007 neergelegde conclusie werden opgeworpen bij de beslissing over de grond van de zaak. * * * * * * * * * 6. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 06.06.2007 en 13.06.2007 6.1. De beklaagde, [...], sluit zich in hoofdorde aan bij de middelen die worden ontwikkeld in de conclusies neergelegd door de negende en de zestiende beklaagde en waarin wordt voorgehouden dat de strafvordering werd ingesteld op 14.04.2004 door de vordering van de procureur-generaal, derwijze dat het openbaar ministerie over die vordering niet meer kon beschikken. Ter zake verwijst het hof naar de overwegingen zoals uiteengezet onder de rubrieken 1, 4 en 7 van dit arrest. 6.2. In ondergeschikte orde werpt de beklaagde [...] een ongelijkheid op binnen het toepassingsveld van het voorrecht van rechtsmacht. In de overwegingen zoals uiteengezet onder de rubrieken 1 en 4 van dit arrest werd reeds afdoende geantwoord op het aangevoerde middel. Duidelijkheidshalve herhaalt het hof dat - in tegenstelling tot de argumentatie van de voornoemde beklaagde - ook bij niet correctionaliseerbare misdaden, of bij misdaden waarvan het openbaar ministerie correctionalisatie niet aangewezen acht, het prerogatief van de procureur-generaal om al dan niet te vervolgen onverminderd geldt. Zelfs na een onderzoek wegens een niet correctionaliseer-bare misdaad heeft de procureur-generaal de mogelijkheid om de zaak alsnog te seponeren. Er is enkel een verschil voor wat het instellen van de strafvordering betreft nu het hof van assisen slechts kan geadieerd worden door tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat in deze gevallen de strafvordering wordt ingesteld door de vordering van de procureur-generaal tot verwijzing naar het hof van assisen, gericht aan de kamer van inbeschuldigingstelling. De voorgestelde prejudiciële vraag is derhalve irrelevant en berust op een verkeerde interpretatie van de geldende regels inzake voorrecht van rechtsmacht zodat ze niet dient voorgelegd aan het grondwettelijk hof nu het antwoord hierop niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. * * * * * * * * * 7. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...] werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 23.05.2007, 31.05.2007 en 13.06.2007 7.1. Door de voornoemde beklaagde wordt ten onrechte gesteld dat het openbaar ministerie de strafvordering zou hebben ingesteld door haar vordering dd. 14.04.2004 tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek. Hoger (zie rubriek 1) werd uiteengezet dat bij voorrecht van rechtsmacht de strafvordering slechts wordt ingesteld door de rechtstreekse dagvaarding uitgaande van het openbaar ministerie, behoudens bij niet correctionaliseerbare misdaden waar de strafvordering wordt ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen, uitgaande van de procureur-generaal en gericht tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Ten onrechte houdt de voornoemde beklaagde voor dat de strafvordering na 14.04.2004 bij de onderzoeksrechter ¿aanhangig¿ was. De hiermee strijdige argumenten die de voornoemde beklaagde in conclusies ontwikkelt kunnen het hof niet tot een andere overtuiging brengen. 7.2. Nu het grondwettelijk hof, enerzijds, in zijn arrest van 04/11/1998 heeft geoordeeld dat het redelijkerwijze verantwoord is: ¿ dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn ¿ (onderlijning door het hof), en, anderzijds, in zijn arresten van 07/11/1996 en 11/02/1998 heeft geoordeeld: ¿ het is in overeenstemming met het grondbeginsel van het tegensprekelijk karakter van de debatten dat aan verschillende personen die voor dezelfde feiten worden vervolgd de mogelijkheid wordt geboden voor hetzelfde rechtscollege te verschijnen. Indien dat niet het geval zou zijn, zou de veelheid van de onderzoeken, en nadien van de debatten, kunnen verhinderen dat de gerechtelijke waarheid aan de dag wordt gebracht, met name wat de respectieve rol betreft die de verschillende vervolgde personen hebben gespeeld. Bovendien zouden de rechten van verdediging van zowel de in artikel 479 vermelde personen als van de andere personen die voor dezelfde feiten worden vervolgd, miskend kunnen zijn indien beklaagden zich voor een rechtscollege zouden moeten verdedigen, terwijl een ander rechtscollege reeds over de werkelijkheid, de aanrekenbaarheid en de strafrechtelijke omschrijving van de ten laste gelegde feiten uitspraak zou hebben gedaan. De aard van de in het geding zijnde beginselen laat dus niet toe het bekritiseerde verschil in behandeling als zonder verantwoording te beschouwen ¿, is het hof van oordeel dat de artikelen 480 en 482bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6 §1 en 14 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de eerste prejudiciële vraag zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde [...] neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 23, te stellen. 7.3. De tweede prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 24) gaat uit van de verkeerde premisse dat bij een niet correctionaliseerbare misdaad de strafvordering - volgens de beklaagde - zou worden ingesteld door de vordering van de procureur-generaal, gericht aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, om een magistraat aan te wijzen die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen. Zoals hoger gesteld wordt de straf-vordering in voormeld geval (een niet correctionaliseerbare misdaad) ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen door de procureur-generaal, gericht tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Er is dan ook geen aanleiding om de tweede prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof nu ze berust op een verkeerde interpretatie van de artikelen 480 en 482bis van het Wetboek van Strafvordering en het antwoord op deze vraag dan ook niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. 7.4. De derde prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusie voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 25) gaat uit van de verkeerde premisse dat - in geval van vervolging van een lid van het hof van beroep of van een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent (artikel 481 van het Wetboek van Strafvordering) - de strafvordering zou worden ingesteld door het toezenden van de stukken door de minister van justitie aan het hof van cassatie bij toepassing van het artikel 482 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl ook hier de strafvordering wordt ingesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep (lees en vergelijk de conclusie van advocaat-generaal Liekendael bij Cass. 1/04/1996, Pas. 1996, I., randnummer 30). Er is dan ook geen aanleiding om de derde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof nu ze berust op een verkeerde interpretatie van de artikelen 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering en het antwoord op deze vraag dan ook niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. 7.5. Door de beschikking tot mededeling van de kamervoorzitter - onderzoeksrechter van 26 juni 2006 werd het strafonderzoek afgesloten. Vanaf dat ogenblik besliste de procureur-generaal over het verder gevolg van de strafprocedure. De processen-verbaal van de misdrijfanaliste, waarnaar de beklaagde verwijst, hebben betrekking op het bijhouden van een ¿Tijdslijn¿ wat als een louter instrument van dossierbeheer geldt gezien deze stukken geen nieuwe politionele vaststellingen bevatten (cfr. de brief van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter van 24/01/2007 aan de advocaten van de beklaagde - kaft 019, onderdeel L.G.3., stuk 86). Gezien bij voorrecht van rechtsmacht het artikel 127 §3 van het Wetboek van Strafvordering geen toepassing kan vinden (zie hoger) heeft de procureur-generaal, ¿naar analogie met de artikelen 61quinquies en 127 van het Wetboek van Strafvordering¿ beslist alle partijen in de mogelijkheid te stellen om alsnog verzoeken te richten aan de onderzoeksrechter tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. Deze tegemoetkoming van het openbaar ministerie schept echter geen afdwingbare rechten in hoofde van de partij(
- en)die van de aldus geboden mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, zodat een hoger beroep tegen een afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter uitgesloten is. De kamer van inbeschuldigingstelling in het hof van beroep te Gent heeft trouwens in zijn arresten van 5 juni 2007 in die zin geoordeeld. Gezien het gerechtelijk onderzoek was afgesloten op 26 juni 2006 en de beslissing over het verder verloop van het proces van dan af bij de procureur-generaal lag heeft de procureur-generaal het gerechtelijk onderzoek geenszins miskend en nog minder de beklaagde van haar natuurlijke rechter afgetrokken door de rechtstreekse dagvaarding, nu de beklaagde geen beroepsmogelijkheid had tegen de beschikking van de onderzoeksrechter (cfr K.I. Gent 5 juni 2007). De rechtsgang geschiedde volgens de procedure, voorzien door de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, met inachtneming van de restricties vervat in het artikel 502 van het Wetboek van Strafvordering, zoals hoger uiteengezet. De omstandigheid dat het openbaar ministerie de partijen bijkomende mogelijkheden heeft geboden heeft niet tot gevolg gehad dat de rechtsgang niet voorspelbaar zou zijn gezien de procureur-generaal naar de partijen toe terzake duidelijk heeft gecommuniceerd over de door hem geboden mogelijkheden en over zijn intenties tot rechtstreekse dagvaarding. De beklaagde is ten onrechte van oordeel dat de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht, zoals hoger in rubriek 1 van dit arrest uiteengezet, de rechten van verdediging zou schenden. Het is niet omdat bij voorrecht van rechtsmacht het monopolie tot vervolging bij het openbaar ministerie berust en dat er geen tussenkomst is van de onderzoeksgerechten (tenzij bij niet correctionaliseerbare misdaden waar de procureur-generaal de verwijzing naar het hof van assisen vordert voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die als enige bevoegd is om het hof van assisen te vatten) dat de beklaagden over minder rechten zouden beschikken. Het stelsel dat de strafwet inricht t.a.v. de personen die voorrecht van rechtsmacht genieten, ontzegt hen het recht niet om aanvullende onderzoeksopdrachten te vorderen of voor de bodemrechter alle nuttige verweermiddelen aan te voeren (lees en vergelijk Cass. 13/06/2001, rolnummer P.010407Fv, www.cass.be). Buiten die bijzondere context wordt de strafrechtspleging nog steeds volgens de gemeenrechtelijke regels gevoerd. Zij wordt evenwel aan de bijzondere situatie aangepast die, bvb., het gevolg is van het feit dat het hof van beroep in eerste en laatste aanleg uitspraak moet doen. Maar voor het overige en zoals het de regel is in het gemeen recht van de strafrechtspleging, neemt de bodemrechter kennis van feiten en niet van de kwalificatie; hij moet de feiten kwalificeren zoals hij dat meent te moeten doen; hij beoordeelt de noodzaak om een aanvullend onderzoek te verrichten op onaantastbare wijze, enz. De pertinentie van de aangevoerde middelen zal m.a.w. beoordeeld worden alsof het om een gewone verdachte ging, tenzij de specifieke rechtspleging specifieke oplossingen oplegt (lees en vergelijk de conclusie van advocaat-generaal du Jardin bij Cass. 13/06/2001, rolnummer 10407, www.cass.be). 7.6. De vierde en de vijfde prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 32-33) hebben betrekking op het verschil in behandeling van een beklaagde naargelang hij al dan niet voorrecht van rechtsmacht geniet, meer bepaald met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek en met betrekking tot de regeling van de rechtspleging en de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen aan de onderzoeksrechter (artikelen 61 quinquies en 127 §3 van het Wetboek van strafvordering). Verwijzend naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht en gelet op eerdere arresten van het grondwettelijk hof, namelijk enerzijds het arrest van 4/11/1998 waarin werd geoordeeld dat het redelijkerwijze verantwoord is ¿ dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn ¿ (onderlijning door het hof), en anderzijds de arresten van 7/11/1996 en 11/02/1998 waarbij werd geoordeeld dat de toepassing van de procedurele bepalingen van de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van strafvordering op diegenen die bij samenhang worden gedagvaard met een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, geen schending uitmaakt van artikel 10 van de Grondwet, hierbij tevens rekening houdend met het arrest van 4/11/1998 waarin het grondwettelijk hof van oordeel was dat het vanwege de wetgever niet klaarblijkelijk onredelijk is om de exclusieve bevoegdheid, om vervolging in te stellen tegen de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht toepasselijk is, te hebben voorbehouden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, is het hof van oordeel dat de artikelen 479, 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6 §1 en 14 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de vierde en de vijfde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 7.7. Met betrekking tot de door de procureur-generaal in de rechtstreekse dag-vaarding voorgestelde verzachtende omstandigheden werpt de beklaagde op dat zulks strijdig zou zijn met het artikel 2, tweede lid van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden omdat hierin bepaald wordt dat zulks slechts mogelijk is ¿ indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd '. De voormelde interpretatie van deze wetsbepaling is echter niet in overeenstemming met de ratio legis: bedoeld wordt de zaken waarin geen onderzoeksgerecht tussenkomt voor de regeling van de procedure, hetgeen onder meer het geval is bij voorrecht van rechtsmacht. Niets belet de procureur-generaal om verzachtende omstandigheden voor te stellen; het is uiteindelijk de rechter die ter zake beslist (lees en vergelijk Cass. 13/06/2001, rolnummer P.010407Fv, www.cass.be). De beklaagde voert andermaal aan dat de strafvordering zou zijn ingesteld door de vordering van de procureur-generaal om een magistraat aan te duiden die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen, waardoor het niet mogelijk zou zijn tot rechtstreekse dagvaarding over te gaan. Zoals hoger gesteld berust deze stelling op een verkeerde interpretatie van de artikelen 479, 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering. Met de invoeging van de bepaling van artikel 2 lid 2 van de wet van 4 oktober 1867 ingevolge artikel 47, 1° van de wet van 11 juli 1994 had de wetgever de bedoeling de rechtspleging te vereenvoudigen en te versnellen. Blijkens de parlementaire voorbereidende werkzaamheden was de destijds bestaande procedure, die de verplichte tussenkomst van de raadkamer vereiste om de dader van feiten die als misdaden worden gekwalificeerd voor de correctionele rechtbank te kunnen brengen, uitermate omslachtig. Daarom diende het openbaar ministerie zelf het bestaan van verzachtende omstandigheden en verschoningsgronden te kunnen vaststellen wanneer het o.m. ging over een onmiddellijke dagvaarding (Senaat, B.Z.1991-1992, verslag 209/02; Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1993-1994, verslag 1480/3). In de procedures bepaald bij artikel 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering behoort het enkel de procureur-generaal bij het hof van beroep, en niet de onderzoeksgerechten, te oordelen of de door het onderzoek vastgestelde bezwaren voldoende zijn om de vatting van de vonnisrechter te verantwoorden. In voorkomend geval dagvaardt de procureur-generaal rechtstreeks voor het hof van beroep. Het is derhalve volkomen in overeenstemming met de voormelde bedoeling van de wetgever dat het openbaar ministerie in de procedure voorrecht van rechtsmacht in de dagvaarding de verzachtende omstandigheden mededeelt ingevolge dewelke er volgens haar geen gronden zijn om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf aangezien de tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling, enkel om verzachtende omstandigheden vast te stellen, gelet op de bedoeling van de wetgever niet meer verantwoord is. Indien het vonnisgerecht het over het bestaan van verzachtende omstandigheden of verschoningsgronden niet eens zou zijn met het openbaar ministerie moet het zich onbevoegd verklaren. Het hof is derhalve geenszins gebonden door de door het openbaar ministerie voorgestelde verzachtende omstandigheden. De rechten van verdediging blijven volkomen gevrijwaard. De gebruikte terminologie in de dagvaarding ontneemt het hof niet de bevoegdheid om zelf te oordelen of de door het openbaar ministerie vermelde verzachtende omstandigheden kunnen worden aanvaard, zodat er geen reden is om de dagvaarding nietig te verklaren. De zesde prejudiciële vraag, zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting dd. 31.05.2007, p. 37-38 en zoals aangepast door de beklaagde in haar ter terechtzitting dd. 13.06.2007 neergelegde conclusie, p. 43, vertrekt vanuit een verkeerde interpretatie en is derhalve zonder voorwerp zodat het antwoord op deze vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen en er geen aanleiding is om deze vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 7.8. Het hof voegt de beslissing omtrent het al dan niet voorleggen aan het grondwettelijk hof van de zevende en de achtste prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde [...] neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 41-42) bij de beslissing over de grond van de zaak. 7.9. De [...], optredend in haar hoedanigheid van burgerlijke partij, voert aan dat met betrekking tot de klachten met burgerlijke partijstelling die werden neergelegd na 14 april 2004 - zijnde de aanvang van de procedure volgens de regels van voorrecht van rechtsmacht - een rechter dient tussen te komen om over het lot van deze burgerlijke partijstellingen te oordelen. Het hof kan enkel vaststellen dat het regelmatig gevat werd door de rechtstreekse dagvaarding, uitgaande van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en aldus enkel kan oordelen over de erin omschreven feiten ten aanzien van de erin vermelde beklaagden: § de aanhangig makende akte begrenst de rechtsmacht van het vonnisgerecht zowel wat de persoon van de beklaagde betreft als de feiten die in die akte zijn voorzien; § het hof heeft bijgevolg enkel rechtsmacht om uitspraak te doen over de feiten die ingevolge de dagvaardingen van het openbaar ministerie, in toepassing van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, regelmatig bij hem aanhangig zijn gemaakt en de daarin door het openbaar ministerie vervolgde personen en kan zich niet adiëren voor andere feiten dan deze die vervat zijn in die dagvaardingen noch over andere personen uitspraak doen die niet het voorwerp uitmaken van de vervolging door het openbaar ministerie in die dagvaardingen; § dienvolgens heeft het hof geen rechtsmacht om te oordelen welk gevolg moet worden gegeven aan, 1) de burgerlijke partijstelling van de [...] tegen personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten en die door het openbaar ministerie niet werden gedagvaard in de huidige zaak, of aan 2) andere burgerlijke partijstellingen tegen ¿X¿ in zoverre ¿X¿ niet werd geïdentificeerd als (één van) de personen die voor het hof door het openbaar ministerie worden vervolgd voor de feiten voorzien in de dagvaardingen. De door de burgerlijke partij, [...], voorgestelde negende en tiende prejudiciële vragen (zoals geformuleerd in haar conclusie neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 44-45) zijn derhalve irrelevant gezien het antwoord op deze vragen niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, zodat er geen aanleiding is om deze vragen voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 7.10. In de ter terechtzitting van 13.06.2007 regelmatig neergelegde conclusie werpt de beklaagde de nietigheid op van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent dd. 13.04.2004 waarbij het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter, aangesteld ingevolge een arrest van dezelfde kamer van inbeschuldigingstelling van 26.11.2002, werd opgeheven. De beklaagde merkt terzake op dat het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter werd opgeheven op 13.04.2004, meer bepaald op een ogenblik dat er nog geen raadsheer-onderzoeksrechter was aangewezen door de eerste voorzitter om een gerechtelijk onderzoek te voeren in het kader van het voorrecht van rechtsmacht lastens de beklaagde [...]. De procureur-generaal vorderde pas op 14.04.2004 een gerechtelijk onderzoek in het kader van het voorrecht van rechtsmacht lastens [...] en op 15.04.2004 werd door de eerste voorzitter de magistraat aangewezen die het ambt van onderzoeksrechter diende waar te nemen. De beklaagde stelt dat het ontslag van onderzoek in hoofde van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter pas mogelijk was vanaf het ogenblik dat er voor dezelfde of samenhangende feiten als deze waarvoor de kamervoorzitter-onderzoeksrechter tot dan toe een onderzoek voerde, reeds een gerechtelijk onderzoek was ingesteld lastens de persoon die voorrecht van rechtsmacht geniet, nu aanhangigheid of samenhang vereist dat er twee strafvervolgingen hangende zijn en een voeging slechts kan gebeuren bij een reeds bestaand onderzoek dat er ten deze op het ogenblik van de opheffing van het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter nog niet was. Het hof vermag als vonnisgerecht niet te oordelen over de beslissingen van de onderzoeksgerechten. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat al een gerechtelijk onderzoek lastens de titularis van het voorrecht van rechtsmacht moet zijn gevorderd vooraleer de onderzoeksrechter in de andere zaak van het onderzoek kan worden ontlast. De kamer van inbeschuldigingstelling mocht op 13.04.2004 trouwens - gelet op de termen waarin de vordering van de procureur-generaal tot ontlasting van de onderzoeksrechter was gesteld - geredelijk aannemen dat de procureur-generaal onverwijld de nodige vordering zou nemen om, in het onderzoek waarin de ontlasting van de onderzoeksrechter werd gevorderd, een gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht lastens [...] in te stellen, vordering die op 14.04.2004 effectief werd genomen (zie kaft 018, subkaft I.I. ¿voorrecht van rechtsmacht¿, stuk 11). 7.11. De middelen van de beklaagde, [...], in haar conclusie neergelegd op de terechtzitting van 23 mei 2007 wat betreft de niet-toelaatbaarheid en ontvankelijkheid van de strafvordering worden afdoende beantwoord onder rubriek 4.1. van dit arrest. Het hof verwijst naar zijn beslissing aldaar. * * * * * * * * * 8. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 30.05.2007 8.1. De beklaagde, [...], houdt op de blz. 4 t.e.m. 7 van zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 30.05.2007 van het hof neergelegde conclusie voor dat de strafvordering onontvankelijk zou zijn, minstens dat de zaak niet in staat van wijzen is, en hij verwijst hierbij naar het (op 30.05.2007 nog hangende) hoger beroep dat [...] bij de kamer van inbeschuldigingstelling had ingesteld tegen de afwijzende beschikking dd. 30.03.2007 van kamervoorzitter-onderzoeksrechter Heimans, beroepsprocedure waarvan de beklaagde [...] beweert dat hij bij de afloop ervan belang heeft. Het hof verwijst naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht alsmede naar wat dienaangaande werd geantwoord op de bemerkingen van de beklaagde [...]; voorts merkt het hof op dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich bij arrest van 05.06.2007 zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van de [...]: er zijn dan ook geen redenen om de strafvordering onontvankelijk te verklaren noch om minstens te zeggen dat de zaak niet in staat van wijzen zou zijn. 8.2. In tweede instantie houdt de beklaagde [...] voor dat hij geen eerlijk proces zou krijgen wegens beweerde ¿onzekerheid¿ met betrekking tot de toepasselijke procedurele voorschriften inzake voorrecht van rechtsmacht, waardoor zijn rechten van verdediging onherstelbaar geschonden zouden zijn (zie de conclusie voor de beklaagde [...] zoals neergelegd ter terechtzitting dd. 30.05.2007, p. 8 t.e.m. 18). Het hof is ter zake van oordeel dat er inzake voorrecht van rechtsmacht van enige ¿onzekerheid¿ of ¿onduidelijkheid¿ nopens de van toepassing zijnde voorschriften geen sprake is, en verwijst hierbij naar de geldende principes zoals deze hoger onder de rubriek 1 - inzonderheid sub 1.1.7 en 1.2 - werden uiteengezet. 8.3. Wat de door de beklaagde [...] geformuleerde prejudiciële vragen (conclusie neergelegd op de terechtzitting van 30.05.2007, p. 18-19, onder A en B) aan het grondwettelijk hof betreft verwijst het hof naar wat hoger werd gesteld ten aanzien van de beklaagde [...] en meer bepaald met betrekking tot het antwoord van het hof ten aanzien van de vierde en vijfde prejudiciële vraag, door [...] geformuleerd. Het hof is dan ook van oordeel dat de artikelen 479 en volgende, alsook artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering, in samenlezing met artikel 127 van het Wetboek van strafvordering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de prejudiciële vragen voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 8.4. De beklaagde stelt ten onrechte dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden omdat het openbaar ministerie weigerde zijn verzoek tot buitenvervolgingstelling te beantwoorden: § geen enkele wettelijke bepaling verplicht het openbaar ministerie om, wanneer het rechtstreeks tot dagvaarding kan overgaan, zoals ter zake in de procedure voorrecht van rechtsmacht, voorafgaand aan de dagvaarding te motiveren waarom zij desgevallend tot vervolging wenst over te gaan noch het verzoek tot een buitenvervolgingstelling te beantwoorden; § het openbaar ministerie kan zijn motieven om te vervolgen op grond van de in de dagvaarding omschreven feiten uiteenzetten bij de behandeling ten gronde en de beklaagde kan op dat ogenblik zijn verweer organiseren, zodat zijn rechten van verdediging ten volle zijn gewaarborgd. De door de beklaagde geformuleerde prejudiciële vraag onder C van zijn conclusie neergelegd op 30.05.2007, p. 19, berust op een verkeerde interpretatie van de bepalingen van de artikelen 28 quater en 479 e.v. van het Wetboek van strafvordering, zodat het antwoord op de vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen en er geen aanleiding is om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof. 8.5. Tenslotte voert de beklaagde, [...], aan dat zijn recht op inzage van het strafdossier in de voorliggende zaak in het gedrang zou komen, in die zin dat hij zich in conclusies niet beklaagt over een gebrekkig inzagerecht in het originele papieren strafdossier, maar wel over het gegeven dat hij zich niet kan verzoenen met bepaalde voorwaarden die (kennelijk door de Federale Overheidsdienst Justitie) gekoppeld worden aan de toegang tot de bestaande elektronische versie van het strafdossier. In de huidige stand van de Belgische wetgeving kan het hof slechts vaststellen dat enkel de papieren versie van een strafdossier (zoals dit op de correctionele griffie wordt bewaard) mag aangezien worden als het eigenlijke en originele strafdossier waarop de beklaagde vrijelijk zijn inzagerecht kan en mag uitoefenen: de bepalingen van de wet dd. 10.07.2006 op de elektronische proces-voering (BS, 07.09.2006) voorzien onder hoofdstuk III weliswaar in de invoering van een officieel elektronisch strafdossier alsook in een regeling betreffende het recht op inzage en kopie, doch diezelfde bepalingen zijn bij gebrek aan de nodige uitvoeringsbesluiten nog niet in werking getreden. Het inzagerecht van de beklaagden is als fundamenteel onderdeel van het recht op verdediging en op een eerlijk proces in deze zaak dan ook genoegzaam gewaarborgd door de mogelijkheid om het (papieren) dossier in te zien ter griffie, en bijkomend door de mogelijkheid om van het strafdossier ook een gewoon afschrift te bekomen; dit inzagerecht geldt eveneens voor de proces-stukken die er sedert de inleidingszitting dd. 21.05.2007 aan toegevoegd worden (zoals de akten en stavingstukken van de burgerlijke partijen). * * * * * * * * * 9. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde [...] (in faling) werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 31.05.2007 en 13.06.2007 Ter zake verwijst het hof naar de overwegingen zoals uiteengezet onder rubriek 1 van dit arrest, overwegingen die de middelen van de voornoemde beklaagde afdoende weerleggen. Het hof besluit dan ook dat de artikelen 479 tot 503bis, 61 quinquies en 127 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 12, 2° lid en 14 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM, artikel 7 BUPO-Verdrag en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de door de voornoemde beklaagde geformuleerde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof. * * * * * * * * * 10. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 21.05.2007 en 31.05.2007 10.1. Wat betreft de beweerde schorsende werking van de voorziening in cassatie zoals door de beklaagde, [...], ingesteld tegen het arrest dd. 15.05.2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling Het voorwerp van het verzoek, dat door de beklaagde, [...], op 04.04.2007 aan de kamer van inbeschuldigingstelling werd gericht, behoort op zich onbetwistbaar tot de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling, namelijk de controle op langdurige onderzoeken. Ten deze kon de kamer van inbeschuldigingstelling echter geen kennis nemen van het verzoek gelet op de aard van het onderzoek; het betrof immers een onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht, waarbij de tussenkomst van de onderzoeksgerechten is uitgesloten (zie hoger, rubriek 1). Met betrekking tot de bevoegdheid dient nog het volgende te worden opgemerkt: § het woord ¿bevoegdheid¿ zoals bepaald in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering moet volgens de recente rechtspraak van het hof van cassatie strikt worden geïnterpreteerd; het moet gaan om een uitspraak die inhoudt dat de rechter zich de bevoegdheid van een andere rechtsinstantie heeft aangematigd; § artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering is, wat de onmiddellijke mogelijkheid tot het instellen van een voorziening in cassatie betreft ingeval van een opgeworpen of ambtshalve verklaarde onbevoegdheid, van toepassing wanneer de beslissing met zich meebrengt dat daaruit een conflict van rechtsmacht kan ontstaan waaraan enkel met een regeling van een rechtsgebied een einde kan worden gesteld; het voorzien in de wet van een onmiddellijke voorziening in cassatie strekt er immers toe bevoegdheidsconflicten en gevallen van regeling van rechtsgebied te vermijden; § om uit te maken of werkelijk een beslissing inzake bevoegdheid in de zin van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering voorligt moet worden gekeken naar het werkelijk voorwerp van de beslissing en moet worden voorbijgegaan aan de termen die door de bestreden beslissing worden gehanteerd; § de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 mei 2007 is naar het oordeel van het hof geen beslissing inzake bevoegdheid zoals bedoeld bij artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering; die beslissing is geen verwijzingsbeslissing; dit hof, eerste kamer, is bij toepassing van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bevoegd om kennis te nemen van de zaak; de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen gevolgen voor de bevoegdheid van dit hof: zij brengt geen bevoegdheidsconflict met zich mee dat enkel door een regeling van de rechtspleging kan worden opgelost; § zoals hoger werd uiteengezet hebben de onderzoeksgerechten geen bevoegdheid om te oordelen over een gerechtelijk onderzoek gevoerd in het kader van de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht aangezien de strafvordering niet in werking wordt gesteld door de vordering tot het aanstellen van een raadsheer-onderzoeksrechter; artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering is derhalve in het kader van de procedure voorrecht van rechtsmacht niet van toepassing; § de door de beklaagde, [...], ingestelde voorziening in cassatie komt bijgevolg manifest onontvankelijk voor, zodat er geen redenen zijn om de verdere behandeling van de zaak voor het hof te schorsen; de goede rechtsbedeling vereist een dergelijke schorsing evenmin. 10.2. Wat betreft de beweerde nietigheid van de rechtstreekse dagvaarding Het hof verwijst naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht en de restricties ingevolge het prerogatief van de procureur-generaal, waaruit voortvloeit dat de onderzoeksgerechten niet tussen-komen; het middel dat uitgaat van een zogenaamde schending van het verbod tot onttrekking van de zaak aan een rechter faalt dan ook naar recht. Om dezelfde redenen is er geen aanleiding om de strafvervolging lastens de beklaagde [...] af te splitsen, zoals door deze laatste gevraagd in zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 31.05.2007 van het hof neergelegde conclusie. 10.3. Wat betreft de beweerde onherstelbare schending van de rechten van verdediging wegens laattijdigheid van de inverdenkingstelling Het hof voegt de beoordeling omtrent dit middel bij de beslissing over de grond van de zaak. * * * * * * * * * 11. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 21.05.2007 11.1. De voornoemde beklaagde houdt in zijn regelmatig ter buitengewone en openbare terechtzitting dd. 21.05.2007 van dit hof neergelegde conclusie voor dat hij de in de dagvaarding weerhouden samenhang tussen de betichtingen lastens hemzelf en de betichtingen lastens de beklaagde [...] (drager van het voorrecht van rechtsmacht) betwist. Bevoegdheid op grond van samenhang wordt niet beoordeeld op het ogenblik waarop de zaak wordt aanhangig gemaakt; de vraag naar het al dan niet bestaan van samenhang tussen misdrijven raakt immers de grond van de zaak zodat het thans voorbarig is om er reeds - op een ogenblik dat het debat ten gronde nog geen aanvang heeft genomen - over te beslissen. De beslissing met betrekking tot dit onderdeel van de betwisting wordt door het hof dan ook bij de beslissing over de grond van de zaak gevoegd. 11.2. Tenslotte verzoekt de beklaagde [...] om de zaak voor behandeling ten gronde uit te stellen voor een periode van twee jaar teneinde zichzelf en zijn raadslieden de mogelijkheid te geven het strafdossier in zijn totaliteit te kunnen lezen. Er zijn echter geen redenen om op dergelijke vraag in te gaan: § de beklaagde, [...], werd door de Kamervoorzitter-onderzoeksrechter op 20.03.2003 in verdenking gesteld; op datum van 30.03.2004 werd dezelfde beklaagde uit hoofde van een aantal bijkomende tenlasteleggingen aanvullend in verdenking gesteld (onderdeel I.C.2.B, kaft 009, farde ¿inverdenkingstelling [...]¿); § het openbaar ministerie wijst er terecht op dat de beklaagde, [...], reeds vanaf 20.03.2003 in de mogelijkheid werd gesteld om toelating tot inzage in het strafdossier te vragen, maar steeds heeft nagelaten (in tegenstelling tot verschillende van zijn medebeklaagden) dergelijk verzoek in te dienen; § het openbaar ministerie wijst er verder terecht op dat de beklaagde [...] ten laatste eind oktober 2006 in de mogelijkheid werd gesteld om zich een kopie van het eigenlijke strafdossier te doen bezorgen doch dat hij van dergelijke mogelijkheid pas in april 2007 heeft gebruik gemaakt, hetgeen door de voornoemde beklaagde overigens niet wordt tegengesproken. Waar de beklaagde, [...], zodus tijdens een periode van 4 jaar (met aanvang vanaf datum van zijn eerste inverdenkingstelling) heeft nagelaten om inzage in het strafdossier te vragen en zodoende zelf de voorbereiding van zijn verdediging op de lange baan heeft geschoven is hij thans slecht geplaatst om aan dit hof een langdurig uitstel van behandeling te vragen teneinde alsnog kennis te kunnen nemen van het strafdossier. Bovendien houdt het hof bij zijn beslissing rekening met het gegeven dat het procesverloop - gelet op de complexiteit van de zaak - kennelijk nog verschillende maanden in beslag zal nemen zodat de beklaagde, [...], hoe dan ook voldoende mogelijkheid zal bekomen om zijn verdediging naar behoren voor te bereiden. * * * * * * * * * 12. Wat betreft de conclusies die door het openbaar ministerie werden neergelegd op de terechtzitting van 13.06.2007 en die betrekking hebben op bepaalde overtuigingsstukken die thans berusten onder strafrechtelijk beslag bij KPMG De zaak is wat deze vordering betreft nog niet in staat van wijzen vermits partijen nog in de mogelijkheid moeten gesteld worden om ter zake standpunt in te nemen tijdens een tegensprekelijk debat. * * * * * * * * * Dit arrest is er geen van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging noch een over de burgerlijke vordering. Teneinde de verdere afhandeling van de strafvordering niet nodeloos te vertragen komt het noodzakelijk voor het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande iedere voorziening. * * * * * * * * * OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van alle beklaagden, Gelet op: - de artikelen 14, 25, 37, 40 en 41 van de Wet van 15 juni 1935, Al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden aangehaald. * * * * * * * * * Verbetert de dagvaarding zoals hiervoor vermeld wat de voornaam van de 19° beklaagde, [...], betreft. * * * * * * * * * Vooraleer ten gronde te oordelen: Ø wat betreft het verzoek tot aanstelling van een deskundige zoals geformuleerd in de conclusie voor de beklaagde [...]: stelt, vooraleer te oordelen over het voormeld verzoek, aan als deskundige: dhr.X, met opdracht: · de beklaagde, [...], en zijn raadslieden, alsook het openbaar ministerie, minstens acht dagen op voorhand, bij aangetekend schrijven te verwittigen van plaats, datum en uur waarop de verrichtingen zullen worden aangevat, en hen alsdan ter zake te horen; · meer bepaald de beklaagde, [...], en/of zijn raadslieden te horen omtrent de precieze en concrete aard van de technische verrichtingen en/of bewerkingen die de eerst genoemde wenst uitgevoerd te zien op de verschillende onderdelen van het overtuigingstuk 01/895, en voorts deskundig advies te verlenen nopens de concrete haalbaarheid van die verrichtingen en/of bewerkingen en alle dienstige inlichtingen ter zake te verstrekken; · van zijn besluitvorming een voorverslag op te stellen en dit mee te delen aan de raadslieden van de beklaagde, [...], en aan het openbaar ministerie, met verzoek hun nuttige opmerkingen op de inhoud van dit voorverslag te willen formuleren; · de opmerkingen van de in de vorige alinea vernoemde partijen op zijn voorverslag op te tekenen en te beantwoorden in een met redenen omkleed en van de eed (artikel 44 van het Wetboek van strafvordering) voorzien eindverslag, welk in twee ondertekende exemplaren tegen uiterlijk 1 oktober 2007 zal worden neergelegd ter correctionele griffie van het Hof van Beroep te Gent; Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]: · voegt de beslissing over het opgeworpen middel van onontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge beweerde miskenning van de procedure van voorrecht van rechtsmacht bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 3.1 van dit arrest); · wijst het opgeworpen middel van onrechtmatigheid van de huiszoeking dd. 21.04.2004 af als ongegrond (zie rubriek 3.2 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]: · wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubrieken 4.1 en 4.2 van dit arrest), ter uitzondering van de middelen zoals ontwikkeld in de ¿tweede conclusie¿ neergelegd op de terechtzitting dd. 30.05.2007 en waaromtrent de beoordeling wordt gevoegd bij de beslissing over de grond van de zaak; Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagden [...]: · voegt de beoordeling bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 5 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]: · wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 6 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde/burgerlijke partij [...]: · voegt de beoordeling omtrent het al dan niet voorleggen van de door de voornoemde beklaagde (in haar ter zitting dd. 31.05.2007 neergelegde conclusie, p. 41-42) geformuleerde zevende en achtste prejudiciële vraag aan het grondwettelijk hof, bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 7.8 van dit arrest); · wijst de overige opgeworpen middelen af als ongegrond (zie de rubrieken 7.1 t.e.m. 7.7, alsook 7.9 t.e.m. 7.11 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagde [...]: · wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 8 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...] (in faling): · wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 9 van dit arrest); Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]: · voegt de beoordeling over de opgeworpen middelen met betrekking tot de beweerde onherstelbare schending van de rechten van verdediging wegens beweerde laattijdigheid van de inverdenkingstelling bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 10.3 van dit arrest); · wijst de overige opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubrieken 10.1 en 10.2 van dit arrest) en zegt dan ook voor recht dat er geen aanleiding is om de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de uitspraak van het hof van cassatie over de voorziening die de beklaagde, [...], heeft ingesteld tegen het arrest dd. 15.05.2007 van dit hof, kamer van inbeschuldigingstelling; Ø wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagde [...]: · zegt dat er geen reden is om de behandeling van de zaak op lange termijn uit te stellen (zie rubriek 11.2 van dit arrest); · voegt de beoordeling over het middel zoals door de voornoemde beklaagde ontwikkeld onder de rubriek 1 van zijn ter zitting dd. 21.05.2007 neer-gelegde conclusie bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 11.1 van dit arrest). Ø wat betreft de vordering van het openbaar ministerie nopens bepaalde overtuigingsstukken die thans berusten onder strafrechtelijk beslag bij KPMG, zoals geformuleerd in de conclusies neergelegd ter zitting dd. 13.06.2007: · zegt voor recht dat de zaak op dit punt niet in staat van wijzen is (zie rubriek 12 van dit arrest); * * * * * * * * * Houdt de beslissing over de kosten aan. * * * * * * * * * Stelt de verdere behandeling van de zaak uit naar de buitengewone en openbare terechtzitting van maandag 1 oktober 2007, om 09.00 uur, in het International Convention Center (ICC), Citadelpark te Gent. * * * * * * * * * Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande iedere voorziening. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div