id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070911.10 Rolnummer: 2007/AR/2870 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 15:59 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Inbreng Vrije woorden: Vereffenig en verdeling - inbreng - vergoeding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 843 Tekst van de beslissing EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2870 van: VVASA, huisvrouw, geboren te ... op ...., en, wonende te ......, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 20-9-2007, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DE WINTER Bart, advocaat te 9200 Dendermonde, L. Dosfelstraat 65 tegen :
- VVMEJ, onderwijzeres, geboren te .... op .... wonende te....
- VVPJ, ingenieur, geboren te ..... op...., en wonende te ...... geïntimeerden, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. MESKENS Elsy, advocaat te 9280 Lebbeke, Lange Weversstraat 2 velt het hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 november 2007, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 20 september 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden op de staat van vereffening en verdeling die werd opgemaakt door de notarissen Luc Eeman en Astrid de Wulf in uitvoering van een vonnis van genoemde rechtbank d.d. 5 december 2002 waarbij de vereffening en verdeling werd bevolen van de huwelijksgemeenschap VV-DR Ridder alsmede van hun beider nalatenschappen. De conclusies, die op 19 februari 2008 tijdig werden neergelegd worden aangezien als syntheseconclusies, die voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° de gedinginleidende akte (artikel 748 bis Ger.W.) en alle vorige conclusies vervangen. 1.
- Geïntimeerden hebben hun middelen uiteengezet in hun conclusies, die tijdig neergelegd werden op 7 januari 2008 en die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek alle vorige conclusies vervangen. Zij vragen dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond. Zij stelden tevens incidenteel beroep in, hetgeen gebeurde op rechtsgeldige wijze.
- 2.
- De eerste rechter gaf een behoorlijke uiteenzetting van de gegevens die aan onderhavige procedure ten grondslag liggen. Een volledige herhaling hiervan is overbodig zodat deze uiteenzetting door het Hof wordt overgenomen. Samengevat kan het volgende gezegd worden over de feiten. Na het overlijden van AVV op 24.09.1973 was de overlevende echtgenote MDR wat betreft de woning te ...in onverdeeldheid met haar 3 kinderen, dit zijn de huidige partijen.In een notariële akte van 16.11.1973 verzaakte zij aan het vruchtgebruik dat zij genoot op 1/4de van de nalatenschap van wijlen haar echtgenoot en deed ze aan haar 3 kinderen schenking van haar 1/4de deel dat zij ingevolge de nalatenschap van wijlen haar man bezat in genoemde woning. Er gebeurde in deze akte een voorbehoud van MDR van een levenslang en onvergeld recht van inwoon in een deel van het woonhuis (een apart ingerichte living met keuken en slaapkamer) met recht van gebruik of medegebruik van alle zaken tot gemeenschappelijk nut of gebruik bestemd (zonder dewelke de werkelijke bewoning van voormeld deel van het woonhuis onmogelijk of moeilijk zou zijn). Verder hebben AVV en PVV in de akte afstand gedaan van hun rechten in het onroerend goed ten voordele van MVV. Als tegenprestatie heeft deze laatste de verplichtingen en lasten, die waren opgenomen door haar broer en haar zuster ten overstaan van MDR overgenomen met instemming van laatstgenoemde met dien verstande dat een uitzondering werd gemaakt die inhoudt dat in geval van ernstige ziekte ook AVV en PVV nog zullen instaan voor oppas en verzorging. 2.
- Vanaf 17.12.1994 woonde MDR niet meer op genoemd adres omdat ze na een opname in het ziekenhuis verhuisde naar een rustoord waar ze verbleef tot haar overlijden op 24.02.
- Appellante maakte een berekening met betrekking tot die periode, die ze bepaalt op 2.260 dagen. Ze vertrekt van een gemiddelde dagprijs van 1.200 oude BEF voor het rustoord en splitst deze op in 3/4den als kosten voor loutere bewoning en 1/4de als kosten van medische verzorging. Het resultaat is een bedrag van 2.034.000 oude BEF (50.421,54 EUR) Appellante stelde dat het niet bewezen is dat de opname in een rusthuis om medische of andere redenen nodig was en dat MVV aan de nalatenschap een vergoeding van 50.421,54 EUR verschuldigd is. Omdat dat standpunt niet gevolgd werd door de boedelnotarissen en door de eerste rechter, wordt deze betwisting aan het Hof voorgelegd. Het principaal beroep heeft niet alleen daarop betrekking maar ook op een klok, waarvan appellante vraagt dat ze aan haar zou worden toebedeeld. 2.
- De eerste rechter volgde het standpunt van de boedelnotarissen dat MVV inbreng moet doen van de bedragen 818,25 EUR en 552,94 EUR (zie het vonnis folio 002530). Ze betwist dat ze gehouden is tot deze inbreng en deze betwisting is het voorwerp van het incidenteel beroep. In het vonnis werd gezegd dat de inbreng die MVV ten belope van 184,24 EUR moet doen volgens de staat, niet moet gebeuren: de overwegingen aangaande de kabeldistributie waarmee die beslissing werd gemotiveerd, kloppen niet omdat het bedrag van 184,24 EUR betrekking heeft op TV-taks. Appellante heeft daartegen geen grieven ingebracht. Deze vroegere betwisting maakt geen voorwerp uit van het geding in beroep. 2.
- De eerste rechter heeft, in tegenstelling tot hetgeen de boedelnotarissen deden, appellante gevolgd in haar standpunt dat MVV een inbreng moet doen van 1.690,63 EUR. Geïntimeerden gaan daarmee niet akkoord. Deze betwisting is ook voorwerp van het incidenteel beroep.
- de betwisting over de klok Appellante twist over een klok, waarvan blijkt dat ze onder nr. 8 vermeld werd op stuk 3 van het bundel van Mr Meskens. Dat stuk betreft een ‘inboedelbeschrijving opgemaakt op 31.01.1991' . De klok was dus één van de 96 geïnventariseerde stukken van de inboedel. Verder is van die klok niets geweten. Wat appellante vroeger nooit zegde, zegt ze wel in haar laatste conclusies, nl. dat MVV deze klok liet verdwijnen. In de mate dat appellante haar eis steunt op verduistering van goederen van de nalatenschap, laat ze duidelijk na enig bewijs te leveren. Volgens het dictum van haar laatste conclusies strekt haar eis ertoe te doen zeggen dat de lichamelijke roerende goederen slechts definitief zullen verdeeld zijn als haar de klok wordt toebedeeld. Op welke grond ze zegt dat die klok aan haar toekomt, is niet duidelijk: de stukken tonen aan dat zij die stukken van de inboedel heeft ontvangen die ze op een wenslijst had vermeld. Het Hof kan hierover kort zijn. Appellante vordert een onbepaald, minstens een niet bepaalbaar voorwerp zodat de vordering om die reden al moest afgewezen worden. Op dat punt is het principaal beroep ongegrond.
- de door appellante gevraagde vergoeding (van 50.421,54 EUR) aan de nalatenschap MDR Volgens haar laatste conclusies vordert appellante die vergoeding omdat de kosten van het rusthuis voor ¾ betrekking zouden hebben op kosten van loutere bewoning en omdat dit kosten waren die ten laste waren van MVV omdat ze volgens de overeenkomst levenslang moest voorzien in de kosten van bewoning van de moeder. Ze blijft betwisten dat haar moeder getroffen was door een ‘ernstige ziekte' in welk geval de akte van 16.11.1973 voorzag dat de oppas en de verzorging toch een zaak zou zijn van de drie kinderen. Het Hof moet vaststellen dat er hier geen sprake is van een niet-naleving door MVV van een verplichting levenslang te voorzien in de kosten van bewoning van de moeder maar wel van een niet-uitoefening door MDR van het recht van inwoon, dat ze had voorbehouden. Het Hof heeft er zich kunnen van vergewissen dat de opname van MDR in een RVT, waar ze verder woonde en oppas en verzorging kreeg, het gevolg is van haar ernstige ziekte. Haar ernstige geestelijke aftakeling zoals die afdoende blijkt uit de medische attesten, waar de eerste rechter terecht naar verwees en die spreken van ‘een ernstige vorm van seniele dementie' en van ‘een ver gevorderde dementietoestand', kan niet anders dan als een ernstige ziekte worden beschouwd. Deze vaststelling volstaat om te zeggen dat zich de uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan waarin niet meer uitsluitend MVV moest instaan voor oppas en verzorging. De akte zegt niet dat deze uitzonderlijke situatie slechts voorhanden is als thuisverpleging totaal uitgesloten is. Op die gronden volgt het Hof de beslissing van de boedelnotarissen en van de eerste rechter om de eis tot betaling van genoemde vergoeding af te wijzen. Deze beslissing was ook volledig gerechtvaardigd zonder te verwijzen naar de overmachtsituatie, die door MVV is ingeroepen omdat ze zelf zwaar getroffen werd op gezondheidsgebied (hersentumor, visueel vermogen beperkt tot één oog, diverse darmoperaties).
- de betwisting van de volgende bedragen die MVV volgens de eerste rechter dient in te brengen 5.
- Het eerste bedrag beloopt 552,94 EUR. Appellante wijst erop dat MDR in de periode 1991-1994 alleen heeft ingestaan voor haar kosten aan elektriciteit, kabel en water die 29.741 oude BEF beliepen. Van MVV wordt de inbreng verwacht van 22.305,75 oude BEF, dus ¾ den van 29.741 oude BEF. Het gaat hier niet om de kosten uit hoofde van medegebruik van alle zaken tot gemeenschappelijk nut of gebruik zonder dewelke de werkelijke bewoning moeilijk zou zijn waarvoor MDR zelfs geen kosten verschuldigd kon zijn. Volgens de akte van 16 november 1973 moest appellante voorzien in elektriciteit en water en kon MDR slechts tot 1/4de gehouden zijn in de kosten daarvan. De akte voorzag niet in omstandigheden waardoor MDR tijdens de bewoning in de genoemde periode tot meer dan 1/4de kon gehouden zijn. Wat betreft dit punt is het incidenteel beroep ongegrond. 5.
- Het tweede bedrag beloopt 818,25 EUR. Appellante past dezelfde redenering toe op de kosten van verwarming in de periode 91-94 die in totaal 1.091 EUR beliepen. MVV kan niet ontkennen dat ze volgens de akte van 16.11.1973 haar moeder moest voorzien van verwarming en dat aan haar moeder maximaal ¼ kon doorgerekend worden. In de mate dat haar moeder haar destijds ontlast heeft van de betaling van 3/4de gebeurde een begunstiging zodat terecht besloten werd dat een inbreng moet gebeuren. Wat betreft dit punt is het incidenteel beroep ongegrond. 5.3 Het derde bedrag beloopt 1.690,63 EUR. De motivering van de eerste rechter om deze zwarigheid van appellante gegrond te verklaren en om dus te beslissen tot een inbreng van genoemd bedrag door MVV, is niet ontkracht door hetgeen in conclusies van 7 januari 2008 wordt gezegd. Waar gezegd werd dat blijkbaar voorbijgegaan is aan het feit dat met de schenkingsakte van 16.11.1973 de gelijkberechtiging van alle kinderen werd benaarstigd is het niet duidelijk wat de bedoeling is van die opmerking. De schenking, gedaan met het oogmerk van gelijkberechtiging dateert van
- De huidige betwisting gaat over een periode van begin 1991 tot december 1994 waarin MVV van MDR maandelijks een bedrag ontving, waarvan niet betwist is geworden door MVV dat deze betalingen bedoeld zijn geweest als vergoeding voor hulp en bijstand aan moeder. Wat betreft dit punt is het incidenteel beroep ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het vonnis van 20 september 2007 voor zover het werd bestreden; Slaat de kosten van deze aanleg in beroep om op zulkdanige wijze dat elke partij de eigen kosten draagt uitgezonderd de helft van het rolrecht van het hoger beroep - begroot op 186 EUR - dat voor de ene helft ten laste komt van appellante en voor de andere helft ten laste van geïntimeerden. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 11-9-
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div