id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070911.9 Rolnummer: 2007/AR//2980 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 15:58 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Rekening en verantwoording Vrije woorden: Rekening en verantwoording - vereffening en verdeling huwelijksstelsel - BVBA. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1358 - 1360 Tekst van de beslissing EINDARREST ZAAK TERUG NAAR DE EERSTE RECHTER - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2980 van: VDG, wonende te ... appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 8-11-2007, oorspronkelijk verweerder op hoofdeis en eiser op tegeneis, hebbende als raadsman mr. DE MEERLEER Dirk, advocaat te 9300 Aalst, Sylvain Van Der Guchtlaan 5 tegen : DCM, gepensioneerde wonende te .... geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. VAN DER ELST André, advocaat te 9300 Aalst, Veldstraat 9 velt het hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 december 2007, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 8 november 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, en waarbij geoordeeld werd over de hoofdvordering van geïntimeerde en de tegenvordering van appellant. De hoofdvordering werd ontvankelijk verklaard. Alvorens verder recht te doen veroordeelde de eerste rechter appellant om overeenkomstig artikel 1358 en volgende Ger.W. tegen uiterlijk 1 maart 2008 aan MDC rekening en verantwoording te doen met betrekking tot zijn beheer over de woning gelegen te... vanaf april
- Hij zegde dat overeenkomstig artikel 1360 Ger.W. de rekening, gedaan en getekend door GVD of door zijn bijzonder gevolmachtigde samen met de bewijsstukken ter griffie van de rechtbank zou worden neergelegd tegen uiterlijk 15 maart 2008 waarna verder zou worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 1360 e.v. Ger.W. De tegenvordering werd ontoelaatbaar verklaard wat betreft de punten 2 en 6 tot 10, voor het overige toelaatbaar doch ongegrond. Appellant heeft zijn middelen uiteengezet in zijn conclusies, die neergelegd werden op 28 maart
- Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° vervangen deze conclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte (artikel 748 bis Ger.W. ) Appellant vordert dat zijn oorspronkelijke tegenvordering zou worden gegrond verklaard en dat de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde zou worden herleid tot 4.145,96 EUR. 1.2 Geïntimeerde heeft haar middelen uiteengezet in haar conclusies, die neergelegd werden op 12 februari 2008 en die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek alle vorige conclusies vervangen. Zij verwijst in deze conclusies naar haar conclusies, genomen voor de eerste rechter (zie p 4) maar artikel 744 Ger.W. bepaalt dat de conclusies, genomen voor de eerste rechter, niet worden beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3° Ger.W. Geïntimeerde stelde dat ze zich kan vinden in de beschikking van de eerste rechter waar deze geoordeeld heeft dat appellant gehouden is tot het voorleggen van zijn afrekening. Ze vordert in het petitum van haar conclusies de bevestiging van het bestreden vonnis.
- wat betreft de hoofdvordering Partijen waren onverdeelde eigenaars van een onroerend goed, dat gelegen is te ... in de ... en dat ze hebben verkocht bij notariële akte van 10.08.2005, Nadat partijen op 27.12.2000 een handelshuurovereenkomst hadden gesloten met ingang van 01.02.2001 heeft appellant het beheer de facto waargenomen. De huurster NV Begrafenissen De Swaef - Strens ging in faling op 04.01.
- Aan de hand van de stukken zegde de eerste rechter dat appellant rekenschap heeft afgelegd voor een periode van 14 maanden, d.i. vanaf 1 februari 2001 tot en met maart 2002 en dat er voor de woning vanaf april 2002 rekening en verantwoording moet afgelegd worden alvorens te oordelen over de hoofdvordering die ertoe strekte appellant te veroordelen tot betaling van 39.415,07 EUR. Geïntimeerde ging ervan uit dat het pand verhuurd is geweest van 01.02.2001 tot 31.07.2005 (54 maanden) aan 60.000 oude BEF hetgeen een totale opbrengst vertegenwoordigt van 80.317,50 EUR. Ze verrekent het ontvangen bedrag van 743,68 EUR met de helft van genoemde som en vorderde aldus 39.415,07 EUR. Het Hof stelt vast dat er geen incidenteel beroep is en dat appellant verklaart er geen probleem mee te hebben om te handelen overeenkomstig artikel 1358-1360 Ger.W. Tegen de redenen die de eerste rechter inriep om te beslissen dat appellant rekening en verantwoording moet doen met betrekking tot zijn beheer over de woning vanaf april 2002 heeft appellant niets ingebracht. In alle geval heeft hij die motivering niet ontkracht. Wat betreft de hoofdvordering wordt het beroep afgewezen als ongegrond. Aangezien een bevestiging gebeurt van de onderzoeksmaatregel wordt de zaak voor wat betreft de hoofdvordering terug naar de eerste rechter verwezen (zie art 1068 Ger.W.)
- wat betreft de tegenvordering 3.
- In een arrest, gewezen door dit Hof, zelfde kamer op 20.04.2006, werd een uiteenzetting gehouden die hier kan herhaald worden. Partijen zijn uit de echt gescheiden sinds 17 april
- Op het adres van de echtelijke woning, d.i. te .... werd door de B.V.B.A. Van Driessche en zonen, een bakkerij uitgebaat (....). De maatschappelijke zetel was ook op dat adres gevestigd. Van de 200 aandelen waren er 95 in het bezit van appellant, 95 in het bezit van geïntimeerde en 10 in het bezit van GVD. Door de B.V.B.A. Van Driessche en zonen werd het handelsfonds overgelaten aan BW en VM bij overeenkomst van 5 juni
- De prijs van de overlating beliep 3.150.000 oude BEF en werd door de B.V.B.A. gefactureerd op voormelde datum. De vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel werd beëindigd toen in een akte van 7 maart 2001, verleden voor notaris Daniel Meert, werd gezegd dat partijen waren overeengekomen zoals volgt: "om aan de partijen de geheelheid hunner rechten, wat zij over het algemeen ook mogen zijn, in de tussen hen bestaande onverdeeldheid te bezorgen en tot slot van alle rekeningen wordt hun ten titel van verdeling en dading afgestaan, hetgeen zij verklaren te aanvaarden....." Appellant nam toen het engagement de nodige stappen te ondernemen tot ontbinding en vereffening van de B.V.B.A. Van Driessche en Zonen waarbij gezegd werd dat het eventueel positief of negatief saldo van de vereffening ten bate of ten laste komt van de aandeelhouders in verhouding tot hun aandelenbezit (artikel 4 van de akte van 7 maart 2001) Artikel 7 had betrekking op schulden (zowel gemeenschappelijke als eigen schulden) welke niet vermeld werden in de akte van 7 maart 2001 en die nog zouden blijken te bestaan maar die hun oorsprong vinden in het huwelijk. Een onderscheid werd gemaakt tussen enerzijds schulden die de handtekening van beide partijen dragen en anderzijds schulden die slechts één handtekening dragen. Voor de eerstgenoemde schulden werd gezegd dat partijen mekaar zullen vrijwaren voor de helft van deze schuld doch alle sommen betaald vóór ondertekening van de akte van 7 maart 2001 worden beschouwd als verrekend en kunnen dus niet teruggevorderd worden. In voorkomend geval zal slechts de helft van het saldo kunnen worden teruggevorderd. Voor de tweede reeks schulden is de schuld ten laste van de partij wiens handtekening ze draagt en vrijwaart deze partij de andere voor de totaliteit. Vermeldenswaard is het feit dat onder punt 9 werd gezegd dat de achterstallige belastingen, nog verschuldigd door de B.V.B.A. Bakkerij Van Driessche en zonen, in verband met de overdracht van de handelszaak uitsluitend zullen gedragen en betaald worden door geïntimeerde. Appellant was op dat ogenblik op de hoogte van de overdracht. Appellant heeft op 14 september 2001 de bedrijfsrevisor Peter Weyers de opdracht gegeven een verslag op te maken aangaande de boekhoudkundige staat van activa en passiva van de B.V.B.A. afgesloten op 31 maart 2002 naar aanleiding van de ontbinding van de vennootschap. De bedrijfsrevisor bepaalde in zijn verslag van 12 april 2002 dat alle aandelen in handen waren van appellant. Deze laatste had de aandelen van geïntimeerde en van GVD overgenomen bij overeenkomst van 10.04.2002 (zie het stuk Bevestiging van de overdracht van aandelen). In deze overeenkomst werd o.a. het volgende gezegd: "Vanaf de datum van ondertekening zijn alle baten en lasten van de overgedragen aandelen voor rekening van Partij A (overnemer) die vanaf dat ogenblik alle eraan verbonden rechten uitoefent en instaat voor alle risico's en gevolgen." In artikel 5 werd het artikel 4 van de dading van 7 maart 2001 hernomen maar werd een gevolgtrekking bijgevoegd, nl. dat het eventueel positief of negatief saldo van de vereffening volledig ten bate of ten laste komt van partij A (overnemer). In artikel 6 hebben partijen erkend dat de afstand van verhaal, door de overlaters verklaard in dat artikel, onherroepelijk is en definitief een einde stelt aan alle verhaalsrechten en vorderingen (onder welke vorm en om welke reden ook) van partijen tegenover elkaar uit hoofde van de overdracht van de aandelen en de vermelde bedragen. Uit het stuk 15 dat thans door appellant wordt voorgelegd blijkt dat appellant als vereffenaar werd aangesteld bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van 25 juni 2002 en dat op dezelfde datum de vereffening werd afgesloten. Dat stuk 15 is een ingebrekestelling die op 22.11.2006 door de FOD Financiën, sector BTW werd gestuurd naar appellant in zijn hoedanigheid van vereffenaar. Er werd uit hoofde van twee RCIV-artikelen 4.698,29 EUR gevorderd (waarvan 2.039,15 uit hoofde van BTW en de rest uit hoofde van boete, intresten en kosten). 3.
- Toen appellant in zijn conclusies van 28.02.2007 zijn tegenvordering instelde maakte hij gewag van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 30 juni 2005 en van het arrest van 20.04.2006, waarbij het beroep tegen dat vonnis werd bevestigd. In dat vroeger geding werd zijn vordering ongegrond verklaard. Hij zegde toen in zijn conclusies van 28.02.2007 dat hij op zijn vordering terugkomt omdat hij nu een bijkomend stuk kan voorleggen. Dat nieuw stuk is een mededeling per fax d.d. 01.02.2007 door de bedrijfsrevisor Weyers aan de raadsman van appellant, luidend als volgt: "De overeenkomst van overdracht van aandelen d.d. 10/04/2002 is destijds ondertekend geworden in het belang van alle partijen om de BVBA zo soepel mogelijk te kunnen vereffenen. De vereffeningsbalans per 31/12/2001 gaf als enigste aktief van de BVBA een vordering op de zaakvoerder. Om niet effectief te moeten overgaan tot een inning van deze vordering werd door de partijen beslist tot een voorafgaandelijke vereniging van de aandelen in hoofde van de heer GVD. Op deze wijze kon de vereffening eenvoudiger gesloten worden.Dit was de doelstelling van de overeenkomst d.d. 10 april 2002." 3.
- De eerste rechter besliste dat de vordering voor bepaalde punten van de tegenvordering ontoelaatbaar waren. In de eerste plaats rijst de vraag hoe appellant motiveert dat zijn vordering toch toelaatbaar is wat betreft de hieronder staande punten. Onder punt 2 vordert hij 10.411,52 EUR Dat bedrag heeft betrekking op de helft van het bedrag van 70.000 oude BEF dat aan geïntimeerde werd betaald gedurende 12 maanden. Er is een verwijzing naar stuk 11 meer bepaald een creditbericht met betrekking tot een overschrijving door de BVBA Van Driessche aan MDC met de vermelding ‘vergoeding als zaakvoerder juli' De eerste rechter motiveerde zijn beslissing over de ontoelaatbaarheid als volgt: "Aangaande punt 2 van de tegenvordering, zijnde gelden die de eiseres zich persoonlijk zou hebben uitbetaald uit de BVBA Van Driessche en zonen dient vastgesteld dat dit in voorkomend geval een betwisting was die liep tussen de BVBA Van Driessche en zonen en MDC. Wanneer GVD dan oordeelde dat er nog vorderingen waren van de BVBA die in vereffening werd gesteld lastens MDC had hij die als vereffenaar dienen te stellen. Zijn vordering thans gesteld in eigen naam kan niet worden ingewilligd." Appellant brengt daar alleen tegen in dat deze zienswijze niet correct is nu appellant persoonlijk aangesproken wordt voor schulden als bijvoorbeeld de BTW. Hij beschouwt het in feite juister dat hij ook persoonlijk geïntimeerde nog kan aanspreken. De situatie van appellant tegenover de BTW is wel heel anders dan de situatie van appellant tegenover geïntimeerde. Door de BTW wordt hij aangesproken op grond van de artikelen 190 en 192 Venn.W. De BTW stelde hem als vereffenaar aansprakelijk voor de niet-nakoming van zijn opdracht. Appellant roept geen wettelijke bepaling in op basis waarvan hij geïntimeerde nog kan aanspreken in terugbetaling van gelden die zij van de BVBA Bakkerij Van Driessche en zonen heeft ontvangen nadat hij heeft opgehouden vereffenaar te zijn. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat de eerste rechter een verkeerde beslissing nam. Onder punt 6 vordert hij 39.043,23 EUR; dat is volgens appellant de helft van de prijs van de overname van de bakkerij zoals deze blijkt uit de overeenkomst tussen de BVBA Van Driessche en Zonen enerzijds BW en VM anderzijds d.d. 05.06.1996 (stuk 9 van appellant ). Dat bedrag werd gevorderd in het geding waarin het arrest van 20.04.2006 werd gewezen : zie punt
- Onder punt 7 vordert hij 3.808,22 EUR; dit is volgens appellant de helft van kosten, die gemaakt zijn in de vereffening van de BVBA , de helft van een boete wegens niet tijdige neerlegging van de balansen, en de helft van kosten voor neerlegging der jaarrekening bij de Nationale Bank (zie stuk 8 van appellant). Het gaat hier ook om bedragen die gevorderd werden in het geding waarin het arrest van 20.04.2006 werd gewezen : zie punten 8 (50,33 EUR), 9 (2.249,63 EUR + 749,88 EUR + 560,33 EUR +104,68 EUR + 63,22 EUR + 1.508,16 EUR), 10 (606,10 EUR + 500 EUR) en 11 (1.223,80 EUR onroerende voorheffing aanslagjaar 2001). Onder punt 8 vordert hij 875,73 EUR; dat is volgens appellant de helft van een bedrag aan brandverzekering voor het voornoemd onroerend goed (stukken 5-6-7). Alleen stuk 5 heeft betrekking op de brandverzekering, waarvoor in de jaren 1997 tot en met 2003 1.503,83 EUR werd betaald. Over het bedrag van 1.503,83 werd reeds geoordeeld in het geding waarin het arrest van 20.04.2006 werd gewezen : zie punt
- Onder punt 9 vordert hij 278,97 EUR; dat is de helft van kosten van herstel en controle met betrekking tot voornoemd onroerend goed. Dat bedrag werd gevorderd in het geding waarin het arrest van 20.04.2006 werd gewezen : zie punt
- Onder punt 10 vordert hij 1.600,18 EUR; dat is volgens appellant de helft van onroerende voorheffing, betaald op het voornoemd onroerend goed. Het gaat hier ook om bedragen (836,64 EUR + 1.168,45 EUR + 1.187,36 EUR + 7,92 EUR) die gevorderd werden in het geding waarin het arrest van 20.04.2006 werd gewezen : zie punt
- De ontoelaatbaarheid van de vordering met betrekking met deze punten is door de eerste rechter gemotiveerd door te verwijzen naar het gezag van gewijsde, dat door geïntimeerde werd ingeroepen. Appellant meent de vordering opnieuw te kunnen stellen omdat hij nu in het bezit is van een stuk dat hij destijds niet had: bedoeld wordt de verklaring van de bedrijfsrevisor Weyers. Eigenlijk vraagt appellant een herroeping van het gewijsde. Artikel 1133 Ger.W. bepaalt dat dit slechts mogelijk is in zeer beperkte gevallen en hier gaat het niet om zo'n geval. Daarvoor bestaat overigens een afzonderlijke procedure. In gegeven omstandigheden was het correct van de eerste rechter om de vordering ontoelaatbaar te verklaren. 3.
- Onder verwijzing naar zijn stukken 12 en 15 vordert appellant van geïntimeerde de betaling van 4.698,29 EUR. Het stuk 15 is de reeds hogervermelde ingebrekestelling van de BTW. Het stuk 12 dat een dagvaarding zou moeten zijn ontbreekt in het bundel van appellant. Appellant eist dat geïntimeerde hem zou vrijwaren indien hij zou verplicht worden tot enige betaling. Hij steunt zich daarvoor op artikel 9 van de dading waar gezegd werd wat volgt : «De achterstallige belastingen nog verschuldigd door de vennootschap Bakkerij Van Driessche en zonen in verband met de overdracht van de handelszaak (referte Juridische Cel Gent : 99/1111/FA zullen uitsluitend door Mevrouw DC gedragen en betaald worden. » De eerste rechter oordeelde dat er voor deze vordering een rechtsgrond ontbrak rekening houdend dat artikel 5 van de overeenkomst van overdracht van aandelen zegde dat van de ondertekening van deze overeenkomst het eventueel positief of negatief saldo van de vereffening volledig ten bate of ten laste komen van GVD als overnemer van de aandelen. Bij de uiteenzetting van zijn grieven in zijn conclusies van 28.03.2008 zegt appellant alleen maar het volgende : « gezien appellant persoonlijk voor deze schuld wordt aangesproken is het evident dat hij deze voor de helft kan recupereren van geïntimeerde » Waar hij eerst vrijwaring vroeg voor het volledige bedrag, vraagt hij dus nog enkel de helft. De beslissing van de eerste rechter kan evenwel niet hervormd worden op basis van de voornoemde bewering. Het Hof mocht ook verwachten dat appellant zou aantonen dat zijn vordering betrekking heeft op de belasting, die bedoeld was onder de verwijzing naar referte Juridische Cel Gent : 99/1111/FA in de dadingsovereenkomst. Er is geen verband aangetoond. 3.
- In zijn conclusies van 28.03.2008 maakt appellant eenzelfde overweging om een inwilliging te bekomen van de vordering inzake de punten 1, 3, 5 en
- Onder punt 1 vordert appellant 3.718,40 EUR; dat is volgens appellant de helft van de huishuur (50.000 oude BEF) die de heer W zes maal betaalde aan geïntimeerde persoonlijk Onder punt 3 vordert appellant 2.974,72 EUR ; dat is volgens appellant de helft van de bakkerij (20.000 oude BEF) die de BVBA twaalfmaal betaalde aan geïntimeerde. Onder punt 5 vordert appellant 2.231,04 EUR ; dat is volgens appellant de helft van de huurwaarborg die de heer W heeft betaald toen hij het handelspand huurde. Er wordt verwezen naar stuk 13 ; dat is een handelshuurovereenkomst gesloten tussen appellant en de N.V. De Swaef-Strens. Onder punt 11 vordert appellant 6.246,91 EUR dat is volgens appellant de helft van van de huishuur van 14.000 oude BEF, die haar voor de woning te .... werd betaald gedurende 60 maanden. Daarnaast vorderde hij ook 431,22 EUR ; dat is volgens appellant de helft van de onroerende voorheffing en de brandverzekering die gedurende 5 jaar zou hebben betaald voor ..... De overweging, die hoger bedoeld werd, is de volgende : « Huishuren ontvangen van .... stelt de eerste rechter dat appellant hier niets van heeft vermeld bij de onderhandelingen bij de notaris in het kader van de vereffening en verdeling en de afsluitende dading. Appellant mocht er hier vanuit gaan dat indien deze niet in de vereffeningsprocedure werden opgenomen deze minstens moesten zijn terug te vinden in de vereffening van de BVBA Van Driessche en zonen, doch ook hier zijn deze gelden niet teruggevonden. Geïntimeerde heeft deze dan ook gewoon in haar zakken laten verdwijnen. Een verrekening dringt zich op. » Op grond van deze overweging kan het Hof niet besluiten om het vonnis te hervormen en de vordering op deze vier punten in te willigen. Trouwens appellant ziet het volgende over het hoofd. Wat betreft de punten 1 en 3 is appellant zeer onduidelijk en bewijst hij zo goed als niets. In zover appellant zich voor punt 1 zou beroepen op een bekentenis van geïntimeerde dat ze huishuur voor de bakkerij ontving kan haar bekentenis niet gesplitst worden. Ze zegde dat deze betaling de uitvoering was van een overeenkomst tussen partijen dat zij de huishuren van de bakkerij zou ontvangen en dat appellant een gelijkaardig bedrag ontving voor de verhuring van het woongedeelte. Waar punt 3 betrekking zou hebben op huur die door de bakkerij werd betaald aan geïntimeerde zijn er twee overeenkomsten ondertekend door appellant waardoor hij ervan heeft afgezien om deze vordering nog in te stellen, nl. de akte van 7 maart 2001 en de overeenkomst van overdracht van aandelen dd 10.04.
- Een overeenkomst heeft kracht van wet waar niet kan van afgeweken worden op grond van een op 01.02.2007 afgelegde verklaring die de bedrijfsrevisor heeft opgemaakt uitsluitend voor de raadsman van appellant en waarin deze revisor zegt wat volgens hem de doelstelling is geweest van de overeenkomst. Appellant levert volgens de regels van het burgerlijk recht niet het bewijs dat de werkelijke wil van de partijen anders was dan de wil die blijkt uit de overeenkomst of dat er een discrepantie is tussen de werkelijke wil en de uitgedrukte wil. Wat betreft punt 5 schiet appellant die verwijst naar een totaal verkeerd stuk 13 tekort in de bewijslast dat hij een rechtsgrond heeft om van geïntimeerde de betaling te vorderen van 2.231,04 EUR. Wat betreft hetgeen gevorderd werd onder punt 11 ontbreekt elk nieuw element aangaande de betaling door appellant van onroerende voorheffing en brandverzekering en is de dadingsovereenkomst de enige overeenkomst waar op nuttige wijze naar kan verwezen worden zoals de eerste rechter heeft gedaan.. Het vonnis wordt op deze punten ook niet hervormd.
- Het beroep heeft in de eerste plaats betrekking op de rekening en verantwoording, waartoe appellant werd veroordeeld zodat het beroep dienaangaande wordt beschouwd als een geschil bedoeld als in artikel 3 van het K.B. van 26.10.
- Het basisbedrag van 1.200 EUR is verschuldigd door appellant. De tegenvordering van appellant beloopt 75.887,21 EUR. Het basisbedrag van 3.000 EUR is verschuldigd door appellant aangezien geen enkele van de wettelijke bepalingen die een afwijking op het basisbedrag toelaten, toepasselijk is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het beroep ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak voor de verdere behandeling van de tegenvordering naar de eerste rechter; Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep; Begroot de kosten van de aanleg in hoger beroep voor geïntimeerde op 4.200 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 11-9-
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div