← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070914.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20070914.6 Rolnummer: 2002/AR/2646 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-01-08 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 16:00 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht Vrije woorden: Kosteloze borgstelling -- verchoonbaarheid -- natuurlijke persoon als kosteloze borg ontslagen van verplichtingen voortvloeiend uit borgstellingsovereenkomst (art. 82,2° lid Faill.W.) Tekst van de beslissing 2002/AR/2646 in de zaak van: B.A.M., appellante, hebbende als raadsman mr. GORIS Christiaan, advocaat te 3120 TREMELO, Baalsebaan 183 tegen:

  1. P.G. eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DELEUS Stefaan, advocaat te 2800 MECHELEN, Schuttersvest 22
  2. V.J. tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. STIJNS Jan, advocaat te 3000 LEUVEN, Philipssite 5, Ubicenter velt het Hof het volgend arrest: Het Hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van 4 november 2002 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, eerste kamer , waartegen de appellante hoger beroep en de geïntimeerden incidenteel beroep hebben ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun raadslieden. De neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, procedurevoorgaanden en vorderingen
  3. De appellante en de tweede geïntimeerde zijn gehuwd en zijn de ouders van B.V.. Het echtpaar B.V.-E.V. sloot op 22 februari 1993 met de eerste geïntimeerde een overeenkomst met betrekking tot de overname van diens handelsfonds L.R., een restaurant te M., voor 6.500.000,- BEF (thans 161.130,79 EUR) waaromtrent geen stukken voorliggen doch hetgeen als dusdanig niet is betwist.
  4. Op 2 januari 1996 werd tussen de geïntimeerden een overeenkomst gesloten die de verdere afhandeling beoogde van een te betalen saldo van 2.300.000,- BEF (thans 57.015,51 EUR) op de overname van de handelszaak L.R. door E.V. en voor welk bedrag de eerste geïntimeerde nog in het bezit was van onbetaalde wissels (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 1). Deze overeenkomst maakte één geheel uit met de overeenkomsten die, bij de overname van de handelszaak, werden afgesloten tussen de eerste geïntimeerde, enerzijds, en E.V. en B.V., anderzijds (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 2). De tweede geïntimeerde nam de persoonlijke verplichting op zich het bedrag van 2.300.000,- BEF (thans 57.015,51 EUR) ‘mee' af te betalen a rato van 10.000,- BEF (thans 247,89 EUR) per maand en voor de eerste maal op 5 januari 1996 op de derdenrekening van mr. L. CHARLIER (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 3). De partijen zouden op 1 april 1996 terug samenkomen teneinde de maandelijkse afbetalingen te herbespreken (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 4). De wissels zouden in het bezit blijven van de eerste geïntimeerde die er zich toe verbond om per betaalde schijf van 25.000,- BEF (thans 619,73 EUR) een wissel terug te bezorgen aan mr. L. CHARLIER, die zou zorgen voor vernietiging (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 5). Desbetreffende overeenkomst kwam niet in de plaats van de vorige overeenkomsten die werden afgesloten tussen de eerste geïntimeerde en E.V. en B.V.. Laatstgenoemden werden daardoor niet ontslagen van hun verplichtingen en zouden, van zodra zij terug in de economische en financiële mogelijkheid zouden zijn, dienen bij te dragen in de maandelijkse afbetalingen (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 6). Voor zover de maandelijkse afbetalingen stipt werden nageleefd, werden geen interesten in rekening gebracht. Ook deze regel zou opnieuw bespreekbaar zijn per 1 april 1996 (stuk 1 eerste geïntimeerde: art. 7).
  5. De tweede geïntimeerde werd bij brieven van respectievelijk 1 juli 1997, 30 juli 1997, 26 augustus 1997 en 3 oktober 1997 door mr. L. CHARLIER gevraagd om hem te contacteren tot bespreking alsook naar een definitief standpunt, vervolgens gewezen op de staking van betaling en tenslotte ervan in kennis gesteld dat tot dagvaarding van het nog openstaand saldo van 2.120.000,- BEF (thans 52.553,43 EUR) zou worden overgegaan (stukken 2 eerste geïntimeerde).
  6. Bij voorlopig uitvoerbaar verklaard verstekvonnis op 18 december 1997, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, werd de tweede geïntimeerde, ingevolge dagvaarding door de eerste geïntimeerde van 17 november 1997, veroordeeld tot de betaling aan de eerste geïntimeerde van een bedrag van 2.120.000,- BEF (thans 52.553,43 EUR), meer de gerechtelijke interest vanaf de datum van de dagvaarding en de gerechtskosten (stuk 3 eerste geïntimeerde en stuk 7 appellante). Ingevolge verzet door de tweede geïntimeerde van 16 januari 1998 werd op 26 februari 1998 door dezelfde rechtbank een tussenvonnis op verzet gewezen waarin, bij voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis, de eis om de voorlopige tenuitvoerlegging te schorsen als ongegrond werd afgewezen, de zaak voor het overige naar de bijzondere rol werd verzonden en de uitspraak voor het overige en de gerechtskosten werd aangehouden (stukken 4 en 5 eerste geïntimeerde). Tegen dit laatste vonnis werd door de tweede geïntimeerde bij appèlakte van 27 maart 1998 hoger beroep aangetekend (stuk 6 eerste geïntimeerde). In een arrest op 27 oktober 1999 gewezen door het Hof van beroep te Brussel, achtste kamer, werd het hoger beroep ontvangen en, recht sprekend binnen de perken ervan, werd het gegrond verklaard. Er werd gezegd dat er geen aanleiding bestond om de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis van 18 december 1997 in afwachting van de afhandeling van de procedure ten gronde toe te staan. De zaak werd voor verdere behandeling terug naar de eerste rechter verwezen en de eerste geïntimeerde werd verwezen in de kosten van de beroepsprocedure (st. 7 eerste geïntimeerde).
  7. Op 16 november 2004 werd mr. J STIJNS ervan bericht dat het faillissement ‘V.E. (L.R.)' werd afgesloten per 15 november 2004 en dat zijn cliënt verschoonbaar werd verklaard (stuk 3 tweede geïntimeerde).
  8. De appellante heeft, zich beroepend op art. 224 B.W. §
  9. 4., de geïntimeerden op 10 september 1998 laten dagvaarden teneinde haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: - te zeggen voor recht dat de overeenkomst van 2 januari 1996 een handeling bevat zoals voorgeschreven door ‘art. 224 par. 4 B.W.' (sic); - derhalve de overeenkomst nietig te verklaren; - de kosten ten laste te leggen van de geïntimeerden. In het bestreden voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard, doch afgewezen als niet gegrond. De appellante werd veroordeeld in de kosten van het geding, zoals nader begroot.
  10. Met haar hoger beroep beoogde de appellante het bestreden vonnis te hervormen en haar oorspronkelijke vordering, zoals hoger omschreven, ontvankelijk en gegrond te verklaren, met verwijzing van de geïntimeerden, solidair, in solidum, zoniet de ene bij gebreke van de andere, tot alle kosten van het geding. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 5 augustus 2003 heeft de appellante daarin volhard. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 30 augustus 2005 heeft de appellante in ondergeschikte orde in voormelde vordering in appèl volhard. In hoofdorde vorderde zij evenwel te zeggen voor recht dat de vorderingen in hoofde van de tweede geïntimeerde komen te vervallen gezien de verschoonbaarverklaring is uitgesproken in het voordeel van de hoofdschuldenaar. In haar syntheseconclusie neergelegd ter griffie op 29 september 2005 werd in één en ander volhard.
  11. De eerste geïntimeerde vorderde in zijn conclusie neergelegd op 11 april 2003 het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Desalniettemin vroeg hij eveneens om, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, één en ander met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding in beide instanties, zoals nader begroot. Aldus heeft de eerste geïntimeerde impliciet maar zeker incidenteel beroep ingesteld. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 29 september 2003 heeft de eerste geïntimeerde daarin volhard. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 2 augustus 2005 heeft de eerste geïntimeerde in ondergeschikte orde gevraagd volgende prejudiciële vraag te stellen aan het arbitragehof: ‘Schendt artikel 10 van de wet dd. 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre hieruit volgt dat een schuldeiser zijn vordering niet meer kan verhalen op de natuurlijke persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld voor de schulden van een natuurlijk persoon waarvan het faillissement werd afgesloten en verschoonbaar werd verklaard in de periode tussen 30 juni 2004 en de inwerkingtreding van de nieuwe wet, nu deze borg automatisch wordt bevrijd, terwijl de bevrijding van de borg ingevolge de nieuwe wet afhankelijk is van de vaststelling dat diens verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en zijn patrimonium en zodoende de kans bestaat dat de schuldeiser alsnog zijn vordering bij de borg kan verhalen?'. In zijn syntheseconclusie neergelegd ter griffie op 14 oktober 2005 heeft de eerste geïntimeerde in één en ander volhard.
  12. De tweede geïntimeerde heeft zich in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 26 juni 2003 gedragen naar het oordeel van het Hof. Hij heeft dit herhaald in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 14 oktober
  13. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 30 juni 2005 heeft de tweede geïntimeerde echter gevraagd het bestreden vonnis te hervormen en: - in hoofdorde: te zeggen voor recht dat de borgstellingsovereenkomst van 2 januari 1996 komt te vervallen ingevolge de verschoonbaarheid van het faillissement; - in ondergeschikte orde: vast te stellen dat hij zich naar het oordeel van het Hof gedraagt voor wat betreft het feit dat de overeenkomst van 2 januari 1996 een handeling bevat zoals deze is bepaald in art. 224 B.W.; met verwijzing van de geïntimeerden solidair, in solidum, zoniet de ene bij gebreke van de andere, tot alle kosten van het geding, zoals nader begroot. Daarin werd volhard in de syntheseconclusie van de tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 13 september
  14. bespreking
  15. Het hoger beroep van de appellante is tijdig en regelmatig naar de vorm. Ook het (impliciet) incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde is regelmatig ingesteld. Het incidenteel beroep van de tweede geïntimeerde is eveneens regelmatig naar de vorm.
  16. De vordering van de appellante is geënt op de overeenkomst van 2 januari 1996 gesloten tussen de geïntimeerden. De kwalificatie van deze overeenkomst wordt vooraf onderzocht, gelet op de uiteindelijk gerezen betwisting ter zake. 2.
  17. De appellante vorderde in haar gedinginleidende dagvaarding te zeggen voor recht dat de overeenkomst van 2 januari 1996 een handeling bevat zoals omschreven in art. 224, §
  18. 4 B.W.. In zijn conclusie neergelegd voor de eerste rechter op 1 augustus 2001 omschreef de tweede geïntimeerde voormelde overeenkomst zelf als een borgtocht (p. 3). Een debat over de aard van de overeenkomst was voor het overige voor de eerste rechter niet aan de orde. 2.
  19. In haar appèlakte gewaagde de appellante van een overeenkomst van borgstelling (p. 3, 4, 5). Dit deed zij opnieuw in haar conclusie ter griffie van het Hof neergelegd op 5 augustus 2003 (p. 1, 3, 4, 5, 6 en 7). Alhoewel door de eerste geïntimeerde werd besloten onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis had hij het in zijn conclusies neergelegd ter griffie van het Hof op 11 april 2003 (p. 2, 3, 4) en op 29 september 2003 (p. 2, 3, 4) zelf herhaaldelijk over een overeenkomst van borgstelling. De tweede geïntimeerde had het in zijn conclusie neergelegd ter griffie van het Hof op 26 juni 2003 (p. 4) opnieuw over een overeenkomst van borgstelling, evenals in zijn conclusie neergelegd ter griffie van het Hof op 14 oktober 2003 (p. 2) en in deze aldaar neergelegd op 30 juni 2005 (p. 3, 4, 5). Voor het eerst in zijn conclusie ter griffie van het Hof neergelegd op 2 augustus 2005 betwist de eerste geïntimeerde evenwel de kwalificatie van de overeenkomst als een borgstelling. 2.3 Met de appellante en de tweede geïntimeerde kan het Hof zich niet van de indruk ontdoen dat de betwisting van de kwalificatie van de overeenkomst als borgtocht zich enkel aandient in een poging om te ontsnappen aan de gevolgen van de verschoonbaarheid. 2.4.
  20. De eerste geïntimeerde motiveert dat het woord ‘borg' nergens in de overeenkomst is opgenomen. Deze niet-vermelding heeft als dusdanig niet voor gevolg dat de overeenkomst niet als een borgtocht zou dienen te worden beschouwd. 2.4.
  21. Voorts houdt de eerste geïntimeerde vergeefs gestand dat ‘een aantal' kenmerken specifiek aan de borgstelling ontbreken. De eerste geïntimeerde verwijst daarbij in het bijzonder naar art. 3 van de overeenkomst om te besluiten dat de tweede geïntimeerde door de overeenkomst van 2 januari 1996 rechtstreeks als schuldenaar zou zijn gehouden voor het bedrag van 57.015,51 EUR en niet, zoals de borgtocht het vereist, in ondergeschikte orde, bij gebreke van de schuldenaar wiens goederen vooraf moeten worden uitgewonnen (ex art. 2021 B.W.). De tweede geïntimeerde nam weliswaar krachtens art. 3 van de overeenkomst ‘de persoonlijke verplichting op zich het bedrag van 2.300.000 fr. (57.015,51 EUR) mee af te betalen ...' doch zonder dat deze overeenkomst in de plaats kwam van de vorige overeenkomsten tussen de eerste geïntimeerde en het echtpaar V.-V.. Laatstgenoemden werden erdoor niet van hun verplichtingen ontslagen en van zodra zij in de mogelijkheid daartoe waren, dienden zij bij te dragen in de maandelijkse afbetalingen (art. 6 overeenkomst voormeld). 2.4.
  22. In de gegeven omstandigheden dient naar het oordeel van het Hof de overeenkomst van 2 januari 1996 wel degelijk als een borgstelling te worden aangezien. Er is, in strijd met wat de tweede geïntimeerde beweert - en dit duidelijk wegens de wending die de procedure nam -, niet de minste twijfel mogelijk over de gemeenschappelijke bedoeling van de contractpartijen om de tweede geïntimeerde als (schoon)vader borg te laten staan voor de schulden van zijn dochter en schoonzoon ten aanzien van de eerste geïntimeerde. De vaststelling dat de appellante pas in haar appèlakte de overeenkomst van 2 januari 1996 als een borgtocht heeft gekwalificeerd, doet aan dit besluit geen afbreuk.
  23. Waar de appellante initieel de nietigverklaring van de beweerd buiten haar weten gesloten borgstellingsovereenkomst van 2 januari 1996 beoogde, vorderde zij uiteindelijk, in haar conclusie voor het Hof neergelegd op 30 augustus 2005, te zeggen voor recht dat de verplichtingen in hoofde van de tweede geïntimeerde komen te vervallen gezien de verschoonbaarverklaring uitgesproken in het voordeel van de gefailleerde hoofdschuldenaar. De tweede geïntimeerde had zelf in zijn conclusie van 30 juni 2005 op incidenteel beroep gevraagd zijn bevrijding vast te stellen. Op de nietigverklaring van de overeenkomst ex art. 224 §
  24. B.W. wordt aldus in hoofdorde niet meer aangestuurd. De gevolgen van de verschoonbaarheid van de gefailleerde op de borgtocht van 2 januari 1996 worden vooraf onderzocht. 4.
  25. De gefailleerde hoofdschuldenaar werd blijkbaar per 15 november 2004, datum waarop het faillissement werd afgesloten, verschoonbaar verklaard (stuk 3 tweede geïntimeerde). Daarover is er trouwens geen betwisting. 4.
  26. De oorspronkelijke tekst van art. 82, eerste lid Faill.W. bepaalde dat een gefailleerde die verschoonbaar is verklaard niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers. De gunst van de verschoonbaarheid werd niet uitgebreid naar de borg. Het voormeld artikel werd gewijzigd door art. 29 van de reparatiewet van 4 september 2002, die in werking trad op 1 oktober 2002 (B.S. 21 september 2002). Krachtens het aldus gewijzigd art. 82, eerste lid Faill.W. deed de verschoonbaarheid de schulden van de gefailleerde teniet en ontsloeg deze de natuurlijke personen die zich kosteloos borg stelden voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen. Aan art. 82, eerste lid Faill.W. werden dan opnieuw wijzigingen aangebracht bij art. 9 van de wet van 20 juli 2005 die in werking trad op 7 augustus 2005 (B.S 28 juli 2005). Het oorspronkelijk art. 82, eerste lid Faill.W. werd in ere hersteld nu voortaan immers opnieuw wordt bepaald dat de gefailleerde die verschoonbaar is verklaard niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers. De verschoonbaarheid van de gefailleerde behelst een uitvoeringsexceptie die niet leidt tot een juridisch tenietgaan van schuldvorderingen. Art. 10 van deze laatste wet voorziet in een overgangsregeling, die in essentie betrekking heeft op de procedurele wijzigingen, voor de lopende faillissementen die nog niet zijn afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet. 4.
  27. De tweede geïntimeerde en de appellante beroepen zich op art. 82, eerste lid Faill.W., zoals gewijzigd door de reparatiewet van 4 september 2002, op grond waarvan zij voorhouden dat de borgstelling van 2 januari 1996 komt te vervallen. De eerste geïntimeerde bepleit daarentegen tevergeefs de toepassing van de nieuwe wetsbepaling ter zake. Te dezen hebben we te maken met een verschoonbaarverklaring per 15 november 2004 die valt onder de oude bepaling van art. 82, eerste lid van de reparatiewet van 4 september
  28. Het lot van de hoofdschuld en - gelet op het accessoir karakter - van de borgstelling, wordt immers ten laatste bepaald op het ogenblik dat er definitief wordt beslist over de al dan niet verschoonbaarheid van de gefailleerde. De verschoonbaarverklaring van de hoofdschuldenaar dateert van 15 november 2004 en dus van vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 per 7 augustus
  29. De overgangsbepalingen voorzien in art. 10 van de wet van 20 juli 2005 doen daaraan geen afbreuk vermits het faillissement in kwestie reeds werd afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van desbetreffende wet. Het verzoek tot prejudiciële vraagstelling, dat neerkomt op een grondwettigheidstoets van de overgangsregeling vervat in art. 10 van de wet van 20 juli 2005, dient te worden afgewezen. Dergelijke prejudiciële vraagstelling is van elke zin ontbloot nu de wet van 20 juli 2005 hoe dan ook geen toepassing kan vinden ter zake wegens de afsluiting van het faillissement met verschoonbaarverklaring vóór haar inwerkingtreding. 4.
  30. De eerste geïntimeerde voert nog aan dat alsdan een ongrondwettig bevonden art. 82, eerste lid Faill.W., zoals gewijzigd door de reparatiewet van 4 september 2002, zou worden toegepast en verwijst daarbij naar het arrest van het arbitragehof nr. 114/2004 van 30 juni
  31. Bij arrest van het arbitragehof van 30 juni 2004 werd (o.a.) art. 82, eerste lid Faill.W. van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd door de wet van 4 september 2002, vernietigd doch de gevolgen van de vernietigde bepaling(en) werden gehandhaafd totdat nieuwe wetgevende bepalingen in werking zouden treden en uiterlijk tot 31 juli 2005 (arbitragehof nr. 114/2004 van 30 juni 2004, http://www.arbitrage.be). Het arbitragehof besloot dat alhoewel de art. 81, 1° en 82, eerste lid Faill.W. afzonderlijk gelezen redelijk verantwoord zijn, de combinatie ervan leidt tot discriminatie. Het arrest betreft de mogelijke discriminatie tussen een kosteloze borg van de gefailleerde rechtspersoon en de kosteloze borg van de natuurlijke persoon-gefailleerde. Aangezien de verschoonbaarheid van de gefailleerde rechtspersoon is uitgesloten, impliceert dit dat de kosteloze borg niet de uitbreiding van de verschoonbaarheid kan genieten. Nog afgezien van de vaststelling dat het arbitragehof nog in andere arresten - door de eerste geïntimeerde niet aangehaald - besloot tot de ongrondwettigheid van art. 82, eerste lid Faill.W., zoals gewijzigd door de wet van 4 september 2002, waren de probleemstellingen aan de basis van de aanvaarde excepties van ongrondwettigheid telkens verschillend van deze in onderhavige zaak. De ongrondwettigverklaring van voornoemd artikel in het op prejudiciële vraag gewezen arrest heeft niet tot gevolg dat het wetsartikel verdwijnt uit de rechtsorde. Een prejudicieel arrest heeft enkel gezag ten aanzien van de verwijzende rechter en de rechtscolleges die in dezelfde zaak uitspraak doen (artikel 28 van de Bijz.W. van 6 januari 1989 op het arbitragehof).
  32. Hetgeen voorafgaat dwingt bij het Hof de overtuiging af dat de tweede geïntimeerde, krachtens art. 82, tweede lid Faill.W., zoals vervangen door de wet van 4 september 2002, als kosteloze borg ontslagen is van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst van 2 januari
  33. De (ondergeschikte) vraag naar de al dan niet mogelijke toepassing van de nietigheidssanctie ex art. 224 §1
  34. B.W. op desbetreffende overeenkomst is niet meer aan de orde.
  35. Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische frank nog wordt vermeld, is dit louter ten informatieven titel. Alle anders luidende conclusies worden door het Hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het principaal beroep en de incidentele beroepen toelaatbaar. Verklaart het principaal beroep als volgt gegrond. Wijst het incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde af als niet gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de tweede geïntimeerde als volgt gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en wijst opnieuw. Ontslaat de tweede geïntimeerde als natuurlijke persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld voor de verbintenis van de gefailleerde van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de borgstellingsovereenkomst van 2 januari
  36. Verwijst de eerste geïntimeerde in de kosten van beide instanties, begroot als volgt (telkens volgens opgave): * aan de zijde van de appellante: § 267,50 EUR dagvaarding § 334,66 EUR rechtsplegingvergoeding eerste aanleg § 186, EUR rolrecht beroep § 334,66 EUR rechtsplegingvergoeding beroep * aan de zijde van de tweede geïntimeerde: · 334,66 EUR rechtsplegingvergoeding eerste aanleg · 456,14 EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ELFDE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. aanwezig: S. DE BAUW, raadsheer A. DEENE, raadsheer M. RYDE, raadsheer D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.