← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071008.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071008.8 Rolnummer: 2006/AR/219 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-21 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 16:06 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Schuldenaar-borg Vrije woorden: Bevrijding van de borg -- bevrijding van de zaakvoerder en zijn echtgenote, die zich als natuurlijke personen kosteloos zeker hebben gesteld voor de handelszaak van de vennootschap en die voor deze handelsschuld ook al waren uitgewonnen op hun goederen Tekst van de beslissing Nr. 2006/AR/219 --------------------- in de zaak van :

  1. M.D.,
  2. F.N., appellanten, hebbende als raadsman mr. Marc Goessens, advocaat met kantoor te 9400 Ninove, Centrumlaan 175, tegen N.V. K.B.C. BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2 en met ondernemingsnummer 0462 920 226, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Hans De Meyer, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure 373, velt het Hof volgend arrest :
  3. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  4. M.D. en F.N. stelden op 27 januari 2006 hoger beroep in tegen het vonnis van 12 december 2005 van de zesde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. KBC-BANK NV vordert de bevestiging van het vonnis en de ongegrondverklaring van hun hoger beroep. 1.
  5. De blijvende betwisting betreft de aanspraak van de echtgenoten M.D. en F.N., om - bij toepassing van artikel 10, 4° van de wet van 20 juli 2005, dat artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 invoerde - als natuurlijke personen die zich in het voordeel van KBC-BANK NV kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de kredieten van D.BVBA, die op 6 september 2002 failliet werd verklaard, bevrijd te worden. De feitelijke gegevens kunnen als volgt worden samengevat: - D.BVBA - een aannemingsbedrijf van schilder-, behang- en decoratiewerken - werd opgericht op 16 september
  6. - De inbreng in kapitaal bedroeg 1.800.000 BEF en daarnaast heeft M.D. als hoofdaandeelhouder (naast N.enJ.D. als medevennoten) zijn éénmanszaak in volle eigendom ingebracht. Hij was zaakvoerder en bezat 730 aandelen tegenover 10 aandelen voor zowel N.enJ.D.. - M.D. is gehuwd met F.N., arbeidster, onder het stelsel van gemeenschap van goederen. Zij was geen vennoot en evenmin zaakvoerder. - KBC-BANK NV heeft D.BVBA op 4 juli 2001 een krediet toegestaan van 165.417,24 EUR (6.672.915 BEF) en hiervoor volgende waarborgen bedongen: × het pand van 74.368,06 EUR (3.000.000 BEF) op de handelszaak; × de subordinatieverklaring van M.D.; × de overdracht van rechten uit de schuldsaldoverzekering op het hoofd van M.D.; × de overdracht van de leningsaldoverzekering op het hoofd van M.D.; × de solidaire borgstelling van 165.417,24 EUR (6.672.915 BEF) (vermeerderd met de overeengekomen intresten en kosten) door M.D. en F.N.; × een hypotheek in tweede rang van 74.368,06 EUR (3.000.000 BEF) in hoofdsom, na de inschrijving in eerste rang van 84.283,80 EUR (3.400.000 BEF) ten gunste van De Vaderlandsche op het onroerend goed dat M.D. en F.N. toebehoorde en alwaar hun domicilie gevestigd was, evenals de zetel van D.BVBA; × een solidaire borgstelling van zowel N.D. als J.D. voor telkens 12.394,68 EUR (500.000 BEF); × een jaarlijkse inpandgeving door D.BVBA van KBC-BANK NV voldoening gevende effecten en/of tegoed op rekening voor een som van 5.949,44 EUR (240.000 BEF) minimum; × de overdracht door D.BVBA van de rechten en voordelen, het recht op de afkoopwaarde inbegrepen, die voortvloeien uit de tijdelijke schuldsaldoverzekering aan te gaan op hoofde van zowel M.D., als N.D. en J.D. met dalend verzekerd kapitaal dat bij aanvang voor elk van hen 26.177,56 EUR (1.056.000 BEF) bedraagt. - D.BVBA werd failliet verklaard bij vonnis van 6 september 2002, waarop KBC-BANK NV een aangifte van schuldvordering heeft neergelegd, die strekte tot de betaling van een nog verschuldigd saldo van 171.557,07 EUR. Bij brief van 21 oktober 2003 deelde KBC-BANK NV aan M.D. en F.N. mee, dat het nog verschuldigd saldo ingevolge van hun borgstelling voor de kredieten van D.BVBA 137.522,97 EUR, te verhogen met een dagintrest van 36,47 EUR, bedroeg. - Op 18 augustus 2005 heeft KBC-BANK NV een bijkomende verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd, waarin zij overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 10.10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, vermeldde dat zij tot waarborg van haar schuldvordering op D.BVBA over een hoofdelijke borgstelling van M.D. en F.N. beschikt. - M.D. en F.N. hebben elk afzonderlijk op 01 september 2005 een verklaring op de griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd overeenkomstig artikel 10.3 van voornoemde overgangsbepalingen. Zij vorderen hun bevrijding als borg en stellen dat hun verbintenis tegenover KBC-BANK NV niet in verhouding staat met hun inkomsten en hun patrimonium. 1.
  7. KBC-BANK NV verzet zich tegen de gehele of gedeeltelijke bevrijding van de verbintenissen, die M.D. en F.N. als hoofdelijke borgen hebben opgenomen. - Zij is van oordeel dat M.D. en F.N. zich niet kosteloos hebben zeker gesteld, waar zij een persoonlijk belang hadden en hun borgstelling niet op ‘pure vrijgevigheid berust'. De borgstelling van de zaakvoerder voor zijn vennootschap zou hem en zijn echtgenote een inkomen verschaft hebben en aldus niet kosteloos zijn. - M.D. en F.N. zouden minstens niet aantonen, dat hun verbintenissen onevenredig zijn met hun inkomsten en hun patrimonium. Zij zouden over ruime inkomsten beschikken, wat hen zou toelaten hun verbintenissen in te lossen door middel van maandelijkse betalingen. 1.
  8. Op volgende relevante overwegingen onthield de eerste rechter M.D. en F.N. ‘meteen' het eventueel voordeel van een bevrijding: ‘Het staat vast dat de borgstelling van de echtgenoten M.D. en F.N. één van de voorwaarden was voor het bekomen van krediet voor D.BVBA. M.D. had de intentie inkomsten uit de vennootschap te verwerven. Hij had er belang bij dat de vennootschap kredieten zou bekomen. Door deze kredieten kon de vennootschap haar activiteiten ontplooien en deze activiteiten lieten M.D. toe een inkomen te verwerven. Centraal staat de vraag of dit belang volstaat om de borgstelling als niet kosteloos te aanzien. ‘Het begrip kosteloze borg in artikel 80 derde lid F.W. werd in voorbereidende werken van de wet 20 juli 2005 omschreven als de borg gegeven door elke persoon die, door bereidwilligheid, verplicht is om de schulden van de gefailleerde te helpen delgen, terwijl die persoon geen persoonlijk belang heeft bij de betaling ervan (Parl. St. Kamer, 2004-05, 1811/001, 5-6). Om de kosteloze borgstelling te omschrijven wordt in de voorbereidende werken dus verwezen naar de afwezigheid van enig persoonlijk belang. ‘De verwijzing naar belangeloze aard van de borgstelling was reeds te vinden in het Arrest van het Arbitragehof van 28 maart
  9. Het Arbitragehof stelde "dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is". Door de reparatiewet van 04.09.2002 en de aanpassing van artikel 82, eerste lid van de faillissementswet, werd een einde gemaakt aan de door het Hof vastgestelde discriminatie, door het voordeel van de verschoonbaarheid automatisch uit te breiden tot iedere persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld. Artikel 82 F.W. na de wijziging door de reparatiewet van 04.09.2002 bepaalt, dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde de schulden te niet deed en natuurlijke persoon die zich kosteloos borg stelde voor de verbintenissen van de gefailleerde ontsloeg van zijn verplichtingen. In de memorie van toelichting van de reparatiewet werd de kosteloze borg omschreven als iemand die aan de gefailleerde een louter gratis voordeel heeft willen verstrekken (Doc kamer 5011132/01 P 18 ). Het Arbitragehof in het arrest 114/2004 van 30.6.2004 was van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de kosteloze en niet kosteloze borg verantwoord was en verwees naar het ontbreken van enig voordeel als een objectief criterium in volgende bewoordingen "Het bekritiseerde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium: de kosteloze aard van de borg slaat op het ontbreken van enig voordeel, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling" en stelde verder "Door enkel de personen die met hun borgstelling geen economisch voordeel nastreven van hun verplichtingen te ontslaan, heeft de wetgever de meest onbaatzuchtige en meest kwetsbare categorie van borgen in bescherming willen nemen". Ook hier werd geoordeeld dat het kosteloos karakter van de borgstelling slechts aanwezig was wanneer geen indirect economisch voordeel werd beoogd bij de borgstelling. ‘De wetgever en het Arbitragehof gingen steeds uit van het feit dat een belang of indirect economisch voordeel volstond om de borg als niet kosteloos te omschrijven. Dit verklaart dan ook waarom het voorstel van volksvertegenwoordiger Libert om dit begrip uitdrukkelijk te omschrijven in de wet, werd weggelaten. Wat duidelijk was diende niet nader omschreven. ‘Ook de rechtsleer heeft de borgtocht niet als kosteloos aanzien wanneer de borg, zonder daarom rechtstreeks te worden vergoed, toch handelt uit een belang. Van Quickenborne wijst in dat verband erop dat de zaakvoerders van een vennootschap er belang bij hebben dat de verrichtingen die zij waarborgen tot stand komen; dankzij het van hun borgstelling afhankelijke krediet kan de vennootschap de nodige investeringen doen, die tot grotere winst voor de vennootschap kunnen leiden en onrechtstreeks tot een hogere bezoldiging van de zaakvoerders (zie M. Van Quickenborne, A.P.R., Borgtocht n° 39, p. 18). De borgstelling van de zaakvoerder werd dan ook in rechtspraak als niet kosteloos aanzien (zie Rb Turnhout, 21.10.2003, R.W. 2003-2004, 913). ‘De borgen verwijzen nog naar de verklaring van de Minister ( zie verslag Marzin, namens de commissie belast met de problemen inzake handels en economisch recht Kamer 5111811/07 p. 4 ). De minister verklaarde dat bij gebreke aan omschrijving van de kosteloze borg de algemene definitie geldt van het Burgerlijk wetboek en dat een contract om niet, geen synallagmatisch (wederzijds bindend) contract is. De borgen steunen zich op deze verklaring door te stellen, dat hun verbintenissen niet wederkerig zijn maar eenzijdig en dus kosteloos. De borgtocht is van nature eenzijdig, maar het eenzijdig karakter behoort niet tot het wezen ervan (zie M. Van Quickenborne, A.P.R., Borgtocht nr 26, p. 13). De borgtocht blijft echter eenzijdig, zelfs wanneer de borg door de schuldenaar wordt vergoed ( zie M. Van Quickenborne, A.P.R., Borgtochten 24, p. 12). De verwijzing naar het al of niet eenzijdig karakter van de borgtocht is dus niet relevant. ‘Het eenzijdig of wederkerig karakter van de borg is bovendien vooral te beoordelen in de relatie schuldeiser - borg terwijl het kosteloos karakter zoals bedoeld in artikel 80 lid 3 F.W. voornamelijk te beoordelen is in de drie partijen relatie schuldeiser - hoofdschuldenaar - borg. Deze operatie zal in zijn economische context dienen bekeken, om het al of niet kosteloos karakter te beoordelen (Anne Meinertzhagen - Limpens, Cautionnement en droit Belge, Bruylant 1978, p. 28 n° 22 ). ‘De rechtbank is van oordeel dat M.D. een economisch belang had bij het stellen van een borg in het voordeel van KBC-BANK NV voor de kredieten aan D.BVBA. Gezien dit economisch belang is de rechtbank van oordeel dat de borgstelling niet als kosteloos te aanzien is, zoals in artikel 80 lid 3 Faillissementswet bedoeld. De onder gemeenschap van goederen gehuwde vrouw, die zich borg stelt voor de verbintenissen van de vennootschap waarin haar echtgenoot zaakvoerder is, heeft eveneens een economisch belang bij de borgstelling en doet zulks evenmin kosteloos vermits ook zij verwacht dat de gemeenschap inkomsten zal ontvangen van de vennootschap. De borgstelling van F.N. is evenmin kosteloos'.
  10. Beoordeling 2.
  11. Artikel 80, alinea 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, door de rechtbank verschoonbaar wordt verklaard. Artikel 82, alinea 2 van de faillissementswet bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting. In aansluiting met deze bepalingen voorziet artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet (dat ingevoegd werd bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005) in de gehele of gedeeltelijke bevrijding van elke natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium. - Met deze bepaling kwam de wetgever tegemoet aan het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), dat in de vorige wetgeving een ongelijke behandeling had vastgesteld tussen ‘de verschoonbaarheid waarover de gefailleerde geniet' en ‘de bevrijding waarvan de borg genoot en die automatisch volgde uit de verschoonbaarheid van de gefailleerde'. De gefailleerde wordt immers uitgewonnen op de goederen die de curator na het openvallen van het faillissement in de faillissementsboedel aantreft en realiseert. Zijn verschoonbaarheid verhindert geen verkoop van de goederen die in de faillissementsboedel aanwezig zijn en evenmin het innen van zijn schuldvorderingen in het voordeel van zijn schuldeisers. - Met deze bepaling kwam de wetgever ook tegemoet aan een tweede ongelijkheid die het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof in de vorige wetgeving had vastgesteld en die inhield, dat ‘een borg van een gefailleerde rechtspersoon nooit kon bevrijd worden' in tegenstelling tot ‘de borg van een gefailleerde natuurlijke persoon'. - Voordien had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 maart 2002 ook vastgesteld ‘dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is'. 2.
  12. Binnen dit wettelijk kader weerhoudt het Hof, dat M.D. zowel als F.N. als persoonlijke borg in beginsel het voordeel van de bevrijding kunnen genieten en ‘niet meteen' uitgesloten worden van het voordeel van een eventuele bevrijding. - De wet bepaalt dat ‘de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde (in het Frans ‘gratuite') in aanmerking komt voor de bevrijding. Het begrip ‘kosteloos' is eenduidig en ondubbelzinnig. Het vraagt dan ook geen nadere interpretatie. Van Dale Groot Woordenboek definieert kosteloos als ‘niets kostend, d.w.z. zonder kosten voor degene die ervan profiteert' (zie ook het arrest van 6 december 2006 van het Hof van Beroep te Gent met noot van Kurt CREYF in R.W. 2006-07, pg. 1277). - KBC-BANK NV bewijst ‘geen aanwijsbaar financieel voordeel voor M.D. en F.N., dat rechtstreeks uit hun borgstelling zou volgen. 2.
  13. Het Hof moet zich niet uitspreken over eventuele gevolgen van de wet van 3 juni 2007 - dat hoofdstuk V bestaande uit de artikelen 2043bis tot 2043octies met als opschrift « Kosteloze borgtocht » in het burgerlijk wetboek voegde - op de bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde voor de gefailleerde. Deze wet voerde een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk wetboek in en de slotbepaling van deze wet bepaalt, dat de wet eerst van toepassing is op de borgtochtovereenkomsten die zijn afgesloten na haar inwerkingtreding. Ook KBC-BANK NV stelt in haar conclusie, dat het begrip ‘Kosteloze borg' eigenlijk niet bekend was in het Belgisch recht (zie haar conclusie neergelegd op 21 februari 2007, pg. 4). 2.
  14. De vaststellingen onder punt 2.2 en 2.3 hierboven impliceren, dat M.D. en F.N. hier als kosteloze borgen in beginsel het voordeel van een eventuele bevrijding kunnen genieten (zie verder punt 2.5 dat het onderzoek naar de proportionaliteit inhoudt). Er dringt zich dan ook geen nader onderzoek meer op naar

(1)een eventueel indirect voordeel die hun borgstelling zou ingehouden hebben en
(2)naar een eventuele discriminatie van ‘de echtgenote van de gefailleerde natuurlijke persoon, die het voordeel kan genoten hebben van de inkomsten verworven door haar echtgenoot/gefailleerde natuurlijke persoon waarvoor zij zich borg stelde en die ingevolge de verschoonbaarheid van deze laatste automatisch bevrijd wordt' tegenover ‘de echtgenote van de zaakvoerder van een gefailleerde rechtspersoon, die het voordeel kan genoten hebben van de inkomsten die haar echtgenoot/zaakvoerder heeft genoten middels de vennootschap waarvan hij zaakvoerder was en uit hoofde van dit mogelijk indirect voordeel uit haar borgstelling voor de vennootschap van haar echtgenoot, meteen het voordeel van een gehele of gedeeltelijke bevrijding zou ontzegd worden'. Het Hof weerhoudt alleen nog aanvullend, volgende vaststellingen. 2.4.
  1. Het verwijst allereerst naar de eigen vaststellingen, die KBC-BANK NV in haar conclusie zelf weerhoudt (zie pg. 12 en 19 van haar conclusie neergelegd op 21 februari 2007): In veel gevallen is de zaakvoerder van een B.V.B.A. de belangrijkste vennoot en zal de zaakvoerder voor zijn vennootschap het krediet bekomen. ‘M.a.w., zij hebben in feite een krediet aangevraagd voor zichzelf. (...) Zij hebben dus geleefd van het inkomen van de vennootschap, welke inkomsten slechts konden worden verworven dankzij het verkregen krediet. Zij hebben zich als het ware voor hun eigen schuld borg gesteld. (...) Wanneer men zich borg stelt voor een vennootschap waaruit men zijn inkomsten haalt, is de borg niet kosteloos. (...) Door zich borg te stellen verleende hij aan de vennootschap kredietmogelijkheden, waardoor deze vennootschap haar activiteiten kon uitoefenen en hij derhalve hieruit een persoonlijk inkomen kon genereren'. Deze vaststellingen kunnen vertaald worden naar de gefailleerde natuurlijke persoon toe. Zij wijzen op een volledig analoge situatie: ook de gefailleerde natuurlijke persoon neemt een krediet op voor zijn handelszaak, waaruit hij inkomen haalt en waarvan zijn echtgenote eventueel ook meegeniet. In het geheel van het economisch en sociaal beleid - dat er toe strekte om het risico eigen aan het handeldrijven op evenwichtige wijze te spreiden en om zij die een handelsrisico opnamen niet blijvend voor de rest van hun dagen met het passief uit een handelsactiviteit op te zadelen en te stationeren aan de rand van het maatschappelijk en economisch leven - verhinderden deze vaststellingen de wetgever evenwel niet, om de handelaars natuurlijke personen het voordeel te gunnen van de verschoonbaarheid en om hun echtgenoten/borgstellers te bevrijden van zodra hun echtgenoten als natuurlijk handelsdrijvende personen verschoonbaar van verdere schulden werden verklaard. 2.4.
  2. Deelnemers aan het handelsverkeer - of zij nu in eigen naam dan door tussenkomst van een vennootschap het handelsrisico opnemen - beschikken veelal niet over voldoende geldmiddelen, om te voorzien in de nodige liquiditeiten voor de handelszaak. Naast de inbreng van hun arbeid, aanvaarden zij voor het welslagen van de beoogde handel een kredietrisico. Zij worden hierin veelal gevolgd door hun echtgenote of naaste familieleden. Het kredietrisico situeert zich dus niet uitsluitend aan de zijde van de kredietverstrekker; het situeert zich ook aan de zijde van de kredietnemer en de borgstellers: de mogelijkheid bestaat dat zij voor het opgenomen krediet zullen worden uitgewonnen (zie verder, punt 2.5). De kredietverstrekking in het voordeel van een handelszaak van de rechtspersoon is daarenboven in vele gevallen geen eenrichtingsverkeer, dat van de bankier/kredietverstrekker uitgaat: de vennoten/zaakvoerders - en hierin veelal gevolgd door hun echtgenote of naaste familieleden - participeren ook mee in de kredietvraag van de handelszaak en brengen eigen middelen in om tegemoet te komen aan de geldbehoeften van de handelszaak. 2.4.
  3. Het loon en de vergoeding die zaakvoerders opnemen is in vele gevallen gerelateerd aan hun prestaties en niet aan het opnemen van een krediet (wat bijvoorbeeld wel het geval is in het door de Minister geciteerde voorbeeld van een auto die de vennootschap liet financieren en waarvan de zaakvoerder of zijn echtgenote het gebruik hebben). Verder is voldoende bekend, dat in kleine persoonsgebonden vennootschappen veel zaakvoerders voor hun inzet alleen maar een matige vergoeding uit de handelszaak opnemen, om hun handelszaak leefbaar te houden of met het oog op verhoopte latere winsten en meerwaarden. Hier bedroegen de bezoldigingen die M.D. voor de jaren 2000 tot 2003 genoot, respectievelijk (in dalende lijn over de jaren heen) 39.092,02 EUR, 29.962,86 EUR en 21.195 EUR. Handelsverrichtingen en arbeidsprestaties worden in beginsel verricht tegen vergoeding en voor het nemen van het handelsrisico en zijn persoonlijke inzet is de zaakvoerder - net zoals de natuurlijk persoon - dan ook op vergoeding gerechtigd. De wettelijke verplichting om elkaar hulp en bijstand te verlenen die volgt uit artikel 213 van het burgerlijk wetboek, laat evenmin meteen toe om tot een indirect voordeel te besluiten, die de echtgenoten zouden halen uit hun borgstelling in het voordeel van de handelszaken die hun echtgenoten/ zaakvoerders uitbaten. 2.4.
  4. Het Hof had dan ook moeten onderzoeken of hier wel een direct of indirect voordeel uit de borgstelling, dat niet de directe tegenprestatie zou geweest zijn van de arbeidsprestaties die M.D. heeft geleverd, bewezen is en of M.D. en F.N. - dankzij de borgstelling - ofwel rechtstreeks of indirect enig economisch voordeel hebben gehad. Het Hof stelt alleen nog vast: - dat M.D. vóór de oprichting van de vennootschap al een loon of vergoeding ontving, die de directe tegenprestatie is geweest van zijn arbeidsprestaties in zijn eenmanszaak (die hij in de failliete vennootschap heeft ingebracht). - dat het faillissement van zijn vennootschap meteen het verlies inhield van een verhoopte uitgestelde vermogensaangroei of inkomen en dit bovenop het verlies van de eigen middelen, die de vennoten hebben ingebracht om te voorzien in de geldbehoeften van de handelszaak. 2.
  5. Binnen het hierboven aangehaald wettelijk kader, dringt zich wel een verder onderzoek op naar de proportionaliteit: ‘staat de borgstelling in het voordeel van KBC-BANK NV voor het krediet dat D.BVBA bekwam, in verhouding tot hun verdere inkomsten en hun patrimonium'. 2.5.
  6. Hierboven werd al verwezen naar de situatie van de gefailleerde/hoofd-schuldenaar, die eerst na uitwinning op zijn goederen die in de faillissementsboedel werden opgenomen, voor de toekomst verschoonbaar wordt verklaard van verdere schulden. Het Hof onderkent hier een analoge uitwinning van de zaakvoerder en zijn echtgenote (zodat zich ook vanuit dit oogpunt geen verder onderzoek opdringt naar een mogelijke, onder punt 2.4 hierboven aangehaalde discriminatie). 2.5.
  7. Uit de lijst van verstrekte waarborgen voor het krediet van D.BVBA (zie boven punt 1.2) en de saldi die M.D. en F.N. op 22 oktober 2003 nog aan KBC-BANK NV verschuldigd waren, kan het Hof opmaken, dat betrokkenen op hun patrimonium werden uitgewonnen. - Op 21 oktober 2003 heeft KBC-BANK NV het krediet dat zij M.D. en F.N. in eigen naam had toegestaan, opgezegd op de overwegingen: × van hun betalingsachterstand van dit krediet, × van de overschrijding op hun bankrekening, × het gebrek aan reactie op de aangetekende ingebrekestellingen, × de verkoop van de in waarborg gegeven onroerende goederen. Zij heeft toen onmiddellijke betaling gevorderd: × van 29.522,36 EUR in hoofdsom, vermeerderd met 5,28 EUR per dag vanaf 22 oktober 2003, die M.D. en F.N. voor hun eigen krediet nog verschuldigd waren; × van 137.522,97 EUR, vermeerderd met 36,47 EUR per dag vanaf 22 oktober 2003, die M.D. en F.N. ingevolge hun borgstelling voor het krediet van D.BVBA verschuldigd bleven. - M.D. heeft zijn eenmanszaak ingebracht in D.BVBA. Deze handelszaak maakte - samen met de woning van M.D. en F.N. - de waarborg uit voor het krediet, dat D.BVBA bekwam. Deze waarborgen werden naast de andere waarborgen uitgewonnen en elk bewijs ontbreekt, dat M.D. en F.N. nog over andere patrimonia zouden beschikken, die voor beslag en verzilvering vatbaar zijn. Aldus volgt uit de verstrekte gegevens, dat het saldo op het handelskrediet dat D.BVBA heeft bekomen en dat aan KBC-BANK NV verschuldigd blijft, alleen nog zou kunnen verhaald worden op de inkomsten, die M.D. en F.N. na de faillietverklaring van D.BVBA kunnen verwerven. - Uit de conclusie die KBC-BANK NV op 21 februari 2007 neerlegde volgt, dat de openstaande schuld die uit de handel van D.BVBA volgde, minstens nog 160.000 EUR bedraagt; D.BVBA was KBC-BANK NV op 21 november 2005 nog een uitstaande schuld van 163.284,15 EUR, te verhogen met een dagintrest van 35,52 EUR, verschuldigd. - Uit de aanslagbiljetten en aangiftes van de personenbelasting over de aanslagjaren 2003 tot 2005 volgt, dat M.D. - na eerst werkeloosheidsuitkeringen genoten te hebben - alleen nog een beroepsinkomen van rond de 25.000 EUR per jaar geniet en F.N., als arbeidster, van rond de 10.000 EUR per jaar. Het Hof bevrijdt hier dan ook M.D. en F.N. van de aanzuivering van deze handelschuld, aangezien zij na de uitwinning blijvend zouden vervolgd worden, wat hun economische en sociale reclassering onmogelijk maakt en wat de economie in zijn geheel niet ten goede komt. BESLUITEN Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - de hogere beroepen van M.D. en F.N. ontvankelijk en gegrond. Het vernietigt het bestreden vonnis. Het verklaart de oorspronkelijke vordering van M.D. en F.N. ontvankelijk en gegrond. Het bevrijdt M.D. en F.N. van hun borgstelling in het voordeel van KBC-BANK NV voor het krediet, dat D.BVBA heeft bekomen. Het verwijst KBC-BANK NV in de kosten van beide aanleggen, die het aan de zijde van M.D. en F.N. vaststelt op: - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 178,46 - rolrechten euro 186,00 - uitgavenvergoeding: euro 60,73 - rechtsplegingvergoeding in hoger beroep: euro 242,94 (de vordering strekt niet tot de betaling van een geldsom). Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op acht oktober tweeduizend en zeven. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.